27-08-14

Gebaren, geintjes... (Inleiding op de geliefde 38)

24A_0370.jpg

 

Gebaren, geintjes... (Inleiding op de geliefde 38)

 

Ik zou een bloemlezing willen maken van je gebaren. Ze zijn zo delicaat als het moment dat ze te zien krijgt, zo herkenbaar, en ook zo vlug weer voorbij.

Je hand die mee uitlegt, als de schaduw van je stem die spreekt. Beetje schuin opgericht, niet weids noch theatraal, maar galant en toch genoeg aanwezig.

Je vingertje dat wijst als je iets gevonden hebt dat werd gezocht: die mengeling van voldane trots en spel, alsof het zoeken en vinden een spel blijft, ook voor volwassenen van hart.

Je pink die aan tafel de kruimeltjes bij elkaar veegt, veegje na veegje, pink en nagel ten strijde tegen de chaos, tot je een mooi hoopje broodkruimeltjes bij elkaar hebt. En zelfs dan nog even verder ‘pinken’, tot er een vierkantje ligt, dat daar mag blijven liggen. En ondertussen maar babbelen.

Je onderlip waarmee je ik-weet-het-niet poseert, of lichte verbazing (een ander trekt dan zijn wenkbrauwen op, maar zo opvallend hoeft het voor jou nu ook weer niet).

En die twee gestulpte lippen waarmee je op me af komt gestapt, als een bevel tot direct stante pede een kus, ogen licht gesloten, maar de spleetjes toch voldoende open om te zien hoe deze scène af zal lopen, dat je op tijd kunt ingrijpen met nog wat ironie. Je slaat geen armen rond mijn hals, nee, die twee stulplippen zijn arm genoeg. En in al hun gespeelde overdrijving ook aanwezig genoeg.

En dan de gebaren die je twee keer doet: twee keer afstoffen, twee keer afspoelen, twee keer afdrogen. De dingen verdienen evenveel respect als de mensen, dat vergeet jij nooit.

En dan je gebaren als je iets vertellen wil. Niet  iets dat uitgelegd moet, nee, het simpele vertellen van wat er zo allemaal gebeuren kan. Dan ontstaan gebaren die mij zeer bevallen kunnen, aha. Is iets ergens gevallen, dan doen je armen en handen dat vallen na. En als iets weerklonk, of zeer groot was, of op een bepaalde manier dichterbij kwam, dan beelden ze ook dat allemaal uit. Het is sterker dan jezelf, je moet even meebewegen. Dat klein moment van spontaan mee-spelen geeft mij altijd een kickje. Hoe viel het, vraag ik dan. Vroeger liep je daar dan in, en herhaalde het wonder zich soms. Maar nu herken je mijn plagen, en hou je de boot af (met weer zo’n speciale beweging die jij alleen kent, onbewust bewust). En je glimlacht. Of je trekt de krant dichterbij, en bent alweer aan het lezen. Of je geeft een stompje tegen mijn arm. Of je steekt je mes even rechtop de lucht in, hoofdje opzij, opletten jongen...

Er zit in jou een actrice, en je weet het niet. Allicht niet: dat je zou kunnen acteren voor publiek is een te grote aanslag op je nog altijd wankele zelfvertrouwen. Het bloeit wel, en de vruchten hangen er te pluk voor zovelen rondom je. Maar toch, spreek er niet te luid over, dan lijkt een oud onheil afgeroepen te worden. Beter leven en laten leven, in de kleine vrijheid van elke dag, dan bekeken en beoordeeld te worden, zelfs al is het bewonderend.

En dan zou ik nog een bloemlezing willen van de geintjes tussen ons. Ze zijn net zo klein en breekbaar, maar met onze jarenlange zachte spot werken ze als vlinders: ze vliegen op, en trekken even alle aandacht naar zich toe. En zijn dan weer weg.

Zoals deze middag: ik had risotto met prei en rode biet klaargemaakt, en toen ik het kleurrijke hoopje opgeschept had, zei ik dat we  ook op de helft van ons bord konden eten, dat spaart de helft in de afwas. Aha, zei je, maar hoe moeten we dat aan de afwasmachine uitleggen?

Zo’n geintje is vaak wat kinderlijk stom, ik weet het, wij weten het. Maar daar gaat het niet om. Het gaat om het pingpongen van andere aaien dan die van hand en wang. Het gaat om het besef dat spelen een mens zuurstof geeft, even van de grond tilt. Het gaat om het besef dat er veel werkelijkheden mogelijk zijn, en dat ook wij niet één werkelijkheid zijn, ingesnoerd en saai geworden.

Geintjes zijn te klein om er publiek bij te hebben, die kennen de fijne regeltjes niet van het spel. En een geintje uitleggen (of navertellen) is tot mislukken gedoemd. Het is de werkelijkheid die een kleine opening laat, en de verbeelding die even voor je uitloopt, als bij een plotse ontdekking. Geintjes hebben niets met succes, of scoren, of de slimste willen zijn, of een rekening vereffenen, of zelfs maar dikke lach. Geintjes zijn per definitie vriendschappelijk, improvisaties van twee die elkaar graag zien.

Een huisvriendin van Leo en Tineke Vroman schreef net een boek over dat bijna legendarische stel. Er is natuurlijk die opvallende levensloop, die dwars door oorlog en kampen en tijdelijke scheiding loopt. Maar mij bleven vooral de geintjes bij tussen die twee. En hoe mooi de auteur ze toch kon opschrijven. Zij kende blijkbaar, na jaren vriendschap, genoeg van de spelregeltjes om telkens weer, zelfs als buitenstaander, toch binnenstaander te zijn, en te mogen mee-glimlachen. 

 

De commentaren zijn gesloten.