16-09-14

Hercken...

IMG_8904.JPG


Ik weet wel dat het niet klopt
, dat mijn familienaam een toponiem verbergt (het kleine zijriviertje van de Demer, de Herk), dat verraadt het voorzetsel 'van' maar al te duidelijk.

Maar ik vond het onderstaande in het Rhetoricaal Glossarium van J.J. Mak, een wondere woordenschatlijst ( http://www.dbnl.org/tekst/mak_001rhet01_01/). En klopt het vormelijk niet, het klopt inhoudelijk wel met de persoon die ik ben, en met de thema's waarover ik schrijf: verlangen, hunkeren, wachten, luisteren... Of zoals Mak het nog mooier zegt: attente affectueuse...

Ach ach, wat een mens allemaal hoort in woorden...

 

Hercken

(I), ww. Zie MNW i.v. Herken, 3e art., WNT i.v. Herken (III).

(Heftig) begeren, verlangen, haken (vg. kil.: hercken. vetus. Inhiare, captare, appetere, percupere, affectare, cum affectu quaerere aut petere en plant.: Hercken / verlangen. Desirer, ou attendre affectueusement. Exoptare, percupere desiderio expectare, affectare). ‖ Tgelooff der genaden doet hercken wt lieffden in lieffden, Bruyne 3, 201 [2e h. 16e e.] (hic?); Och tis al van tvercken. Ick mocht wel hercken // om tvonnis te hooren, Antw. Sp. E iijv [1561]; Die gheest den mensch suyuer tot het doen Voeghende elck seer coen // dat sulck inwendich herct, ald. Rr iiij; Ja om in te nemen, eest dat sy hercken De Mase, de Moesel en den Rhyn, houwaert, Or. v.d. Ambass. 84 [1578].

- Inz. in de verbinding hercken na(er), verlangen, hunkeren naar. ‖ St 1, 277 [vóór 1524]; Doesb. 94 [vóór 1528]; a. bijns 113, 150, 160 [1548]; Trudo 1642 [ca 1550]; H.d.Am. F 8 [m. 16e e.]; Neringe 244 [m. 16e e.]; ghistele, Virg. Aen. 135a [1556]; Bruyne 3, 141 [1556]; Antw. Sp. R ijv, 1 ijv [1561]; Rott. Sp. O vij [1561]; Bruyne 2, 181 [1567]; Saeyere 821 [2e h. 16e e.]; houwaert, Lusth. 2, 116 [1582-'83], Vier Wterste bl. 195 [1583]; Kackadoris 2 [eind 16e e.]; Const-thoon. Juw. blz. 303 [1607]; Schadtkiste der Philosophen fol. 228 [1620]; z. heyns, Victorie v. Ivry, blz. 214 [1e. kw. 17e e.].

Hercken (II), haercken,

ww. Zie WNT i.v. Herken (IV).

1) Blijven steken, vastzitten, verwijlen (vg. kil.: hercken...Haerere). ‖ Dus ziet, dat ghy dit kint aen elcken cant tant En doeghet in sonden duer u wercken hercken, Trudo 74 [ca 1550]; Van der Trouwen en weet ick gheen bescheet, Waer hy mach hercken, Trauwe 1183 [1595?].

- Sonder hercken, zonder ophouden, gestadig. ‖ Houdt my stantvastelic zonder haercken By dordonnancye der helygher kaercken, Gentse Sp. 186 [1539]; Sij ontsteken die Jonckheyt wel ingloedich / Dat sij overuloedich // ia sonder hercken / Natuerlijck naer alle Consten wercken, Antw. Sp. f ijv [1561].

2) Dralen, toeven, wachten (vg. kil.: hercken... morari). ‖ Wie sou langher duer die ionstighe wercken hercken, Daer God syn gratie dus Vlodich ter stont iont? Trudo 2393 [ca 1550]; Neve, duer u wordick den moet verstercke, Dus ick niet en hercke // om gaen daer ghy my leyt, Trauwe 1378 [1595?].

- Sonder (eenich) hercken, onverwijld (vg. ongeherct in Brab. Yeesten 6, 3835). ‖ Soo wilt dan naer dy vunten gaen sonder hercken, Trudo 188 [ca 1550] (zie ook ald. 341, 581, 903, 1557, 1811, 2923); Dit lieff heeft ons wtvercoren sonder hercken, Bruyne 1, 141 [1556]; Edel princersse Sonder eenich hercken Salt volbracht werden, Antw. Sp. n. iv [1561].

Herckinge,

zn. Van hercken.

Het verband in de aanh. maakt niet duidelijk, aan welke bet. van hercken wij hier moeten denken. Plantijn kent het woord als afl. van Hercken (I): ‘Desir, ou attente affectueuse. Desiderium, exoptatio’. Daarnaast zou ook nog aan hercken, horken (= luisteren) gedacht kunnen worden. ‖ L.: Bor, duyvel, wat es van deser herckingen? B.: Hoe thierdy soo ghelyck den helsghen dondere? L.: Bor, duyvel, omdat hoerekint van Serckingen, Trudo 2860 [ca 1550].

De commentaren zijn gesloten.