03-10-14

Meervouden... (Inleiding op de geliefde 39)

pasen engeland 042-001.jpg

 

 

Meervouden...

(Inleiding op de geliefde 39)

 

Lig jij een paar dagen ziek in bed, een ziekte uit te zweten, pijn en ongemak uit je lijf te jagen, lig ik zelf meer dan gewoonlijk in de zetel, staar ik meer dan gewoonlijk door de kamer die nu leger is, overvallen mij scenario’s van leven zonder jou, en dat schuurt van binnen.

Op de middag geef ik mezelf een schop, en dat helpt: er wordt bewogen, en wat nuttig heen- en weer geloop verricht, dat de dag niet helemaal verloren lijkt. Koken. Uitwisseling van najaarsfruit met buurvrouw, praatje met haar over de dingen des levens, die niet altijd zijn wat ze moeten zijn, verre van. Maar zij blijft bewegen, zij wel, een strijd die ze nooit kan winnen, maar die in haar geval een net huis en waardigheid oplevert, en blijvende moed in de zorg voor een gekwetst leven.

Je kan wat leren van een praatje met de buurvrouw, en ondertussen ben jij even opgestaan, wankelend, met een kop vol overlopend water, die je met moeite rechtop houdt. En ik vraag hoe het is, of de pijnen er nog zijn, of er koorts bijgekomen is. Maar met een hoofd dat buiten zijn oevers dreigt te lopen, is het moeizaam neen knikken. En honger heb je ook al niet.

En weer is de dag van mijn eenzame alleen. Beetje zitten, beetje zappen, beetje tijd verprutsen, beetje staren, enfin het klassieke gamma van lichte verlorenheid zonder jou.

Het lijkt wel of ik twee motoren heb, en er nu een is uitgevallen. Zonder uitslaande brand, of zelfs maar rook, maar toch, mijn gewicht helt af, ik verlies hoogte, straks wil ik toch wel weer landen. Vreemd toch, dat jouw motor ook in mij werkzaam is, en ik allicht in jou energie aanlever. Vreemd toch, hoe aanwezigheden die zo duidelijk afgescheiden zijn als lichamen, zich ook voor een groot stuk in elkaar bevinden, al zal een metende wetenschapper alle moeite hebben om dat vast te stellen. Er zal wel ergens een lampje oplichten in de hersenen, of wat elektriciteit heen en weer schieten tussen zenuwbanen,maar wat er eigenlijk gaande is tussen die lichamen van ons, kom daar maar eens achter. Dat mee koorts hebben, het blijft een persoonlijke ervaring, vaak onuitgesproken. Kunst houdt zich zich ermee bezig, in liederen, verhalen, afbeeldingen. De herinnering bewaart het, zoals we elke ervaring willen meedragen van overlopen in wat ons dan zo dierbaar wordt. En de angst slorpt het op, want ooit wordt elk lichaam achtergelaten, verloren gelegd in een onmetelijkheid die pas echt onbenoembaar is. Zullen we ook dan nog in elkaar haken, wiegen in elkaar als de ijlste wind? Of zullen we met elkaar uiteenvallen, de ene dood, de andere levend?

Dat in elkaar groeien van lichamen, je voelt het als geliefde, maar ook als ouder, als kind, als vriend. Het verruimt je vel, je zintuigen, je denken, en het vergroot ook je pijn. Een mens heeft al zo weinig te zeggen aan al wat er in zijn eigen lichaam samenstroomt, blijft haken, trekt en botst, of glanst. Leven en lot is de titel van een beroemde roman van de Russische schrijver Vassili Grossman. Het is meet- en waarneembaar, dat leven van ons, maar het is in de diepte ook lot: een ervaring die ons ongevraagd uitschuurt, soms lang ons dezelfde vragen stelt, maar ook zo gul is om veel mee te nemen en te bewaren. En hoe moet het dan als je zo nog een lichaam in je lichaam voelt.

Misschien, zeg ik na wat staren door het raam, misschien is het omgekeerd. Misschien hebben we altijd al geleefd in meer dan één lichaam. Is de ervaring in het lichaam van onze moeder te groeien, veel ouder en dieper dan de ervaring afgescheiden individu te zijn. Is daarom eenzaamheid zo’n grondeloze verlorenheid, waarin mensen tegen muren praten, tegen muren lopen, straten afdolen. Mensen worden wezenloos in dat voor de rest gezonde lichaam van hen, als ze enkel hun eigen omtrek zien. Als geen andere huid achtergebleven is om voor hen te zorgen, geen andere aanwezigheid in de drukte van de dag, de onbeweeglijkheid van de nacht hun naam uitspreekt. En dan dat lijf zelf, dat ons aankijkt in de spiegel, hoe leren we omgaan met zo’n  dichtbijheid, als niemand het ons toont. Als niemand onze hand neemt, en voorzichtig alle randen aftast, en ons leert wat een wonderen dan kunnen gebeuren.

Mensen zijn geen enkelvouden, mensen zijn meervouden: van huid, van gebaren, van woorden, van weten. Misschien zelfs van voorouders, van een nog altijd mee-ademend verleden. Misschien zelfs van een soort grote goedheid, zoals we altijd weer de richting kiezen van onze verbondenheid, zoals we altijd weer opruimen na de brokstukken, en zingen over ons verlangen.

Het heeft me jaren een beetje kwaadaardige paradox geleken: eerst geven we ons over aan de vriendschap en de liefde, en dan wordt, wat jaren is opgebouwd en gekoesterd, wat altijd moest blijven duren, afgebroken alsof het niets is, opgelost in ongrijpbaarheid. Maar nu ik dit schrijf, hoop ik dat de dood voor onze lichamen een wederopname is in een veel grotere buik. Ik weet het, beelden lijken enkel voor zichzelf te spreken, stil voor zich uit, maar hoe moet je anders de binnenkant beschrijven dan met een beeld: een beeld is verbondenheid, en over verbondenheid gaat het. Geboren worden is al een big bang: zoveel dat groot is, uit zo iets kleins. Misschien dat sterven met onze lichamen een even onbegrijpelijk groot spel speelt. Nog dichter bij die andere lichamen, met al wat we er met ons eigen geleefde lichaam aan toevoegen kunnen. Liefde voegen bij de liefde.  Het weten groter. Het uitzicht verder. Zoiets.

Als wij het niet meer kunnen, moeten de voorouders het voor ons oplossen, denkt men in Afrika. En men komt samen, eet samen, zingt samen, en hoopt dat een groter lichaam aanwezig is, en een arm om hun armen zal slaan. Zoiets.

Het is wat mensen een gebed noemen. Of als ze het niet zo noemen, het toch vaak wel doen: een kaars aansteken, ergens in de holte van de nacht woorden richten tot. Ja, tot wie, of wat. Eigenlijk is dat niet belangrijk. Het gaat om de kleine hoop, om het kleine, hardnekkige, misschien dwaze geloof dat leven meer is dan een overlevingsspel, een onberekenbaar Fortuna, een afvallingskoers. De aard van een goedgunstig levensmysterie is niet zo belangrijk, het gaat niet om theologie, maar om gedeeld vertrouwen en, ingebed in dat woord, trouw. Goden en afgoden leiden af van waar het echt over gaat in dit leven: dat het kind de arm voelt van een vader en een moeder, dat het leert lezen en schrijven en dat die grote gulzige nieuwgierigheid gevuld wordt met passie; dat de ene mens de andere tegenkomt en diep van binnen weet dat daar een stuk van zijn lichaam loopt; dat ogen ver leren kijken, naar de lichamen die er nog niet zijn, die van de kinderen en de kindskinderen; dat we goed leren bewaren, uit respect voor al wie ooit een lichaam had, en ademde van dezelfde lucht die nu ook onze longen vult; dat we bewaren wat zij aan schoonheid vonden, dat we zorgzaam leren worden zoals zij ook zorgzaam waren; dat het besef in ons groeit dat het geschapene heilige grond is, mens en dier en plant, en dat we dat heilige, zelfs al hebben we er geen naam voor, in elkaar moeten vinden. Aanraken zelfs, omdat het gemaakt is om aangeraakt te worden. Omdat het ons aanraakt.

Zoiets.

Nog zo’n beeld, die aanraking. Wat moeten wij ons daarbij voorstellen? Maar als ik denk aan de zwangerschapsaanraking, aan de handen die de pasgeboreren opvingen en droogwreven, aan de ogen die zich lieten vullen met dit wonder, en het wonder teruggaven in hun zorg, dan weet ik dat die eerste aanraking ons mensen nooit meer zal verlaten. Hoe oud of rijk of bekend we ook zijn mogen, snakken blijven we naar die eerste aanraking, naar dat eerste wonder, dat opvangen en droogwrijven, om geen andere reden dan dat we er zijn. Zo dichtbij als ons bloed willen we het voelen. En onze eigen handen zullen ons nooit zo kunnen vullen als die andere handen die we meedragen in ons. En de stem die zich voorover buigt en onze naam fluistert, zal altijd zoveel meer deuren open zetten dan onze eigen stem, waarvoor we soms bang blijven, zelfs na zoveel jaren leren spreken.

Dat we er zijn, is aanraking geweest, is creativiteit geweest die zomaar gaf, volheid uitdeelde om niet, niets terugvroeg dan de toestemming om nog meer te geven.  Zolang er mensen zijn, heeft men gepoogd dat grote geven te ‘vangen’, in denken, rituelen, poëzie. Maar het zal altijd ongrijpbaar blijven, net omdat het maar één wens lijkt te hebben: zich uitdelen, zich weggeven, zich toevertrouwen aan weer een klein lichaam. Dat groeien kan en moet, en zoals alle groeien daarvoor volheid kreeg.

Ik besef dat ik aan het jubelen sla, om een oud woord te gebruiken dat verder reikt dan vreugde. Ik ben geen godendienaar, ik ben een mens die in zijn vlees en bloed een groter ruisen hoort, en daardoor nog beter wil luisteren.

En zo kom ik weer bij jou, mijn zieke andere helft, mijn medeadem, mijn tweede hoofd, mijn vingers in mijn vingers, mijn wil, mijn weg, mijn andere pijn. Dat van al die onbewuste lichamen in mij jij mij zo bewust werd, ik kan er alleen maar om jubelen. Jij mijn lied. Jij mijn vlag. Jij mijn geliefkoosd verhaal. Jij mijn inwezigheid. Word maar gauw weer beter. Dat ik ook gauw weer beter ben.

 

 

 

 

 

 

De commentaren zijn gesloten.