30-10-14

Voeten (Berlinde De Bruyckere)

 

berlinde de bruyckere voeten.jpg

Voeten, Berlinde De Bruyckere

 

Voeten hebben jarenlang

zoveel moeheid opgevangen

zoveel honger in het lijf

zoveel onvoltooids in weten

(zichzelf alleen maar leeggegeten)

dat ze niet anders kunnen

dan blijven, dat onvoltooid

verlangen waarmee ze

lopen moeten.

28-10-14

Dode paarden (Berlinde De Bruyckere)

de bruyckere paard opgehan.jpg

 

Dode paarden

(Berlinde de Bruyckere)

 

Handen die een wieg

hebben gemaakt

hangen nu de aarde op

in de buik van paarden.

 

Iemand, denken ze, moet

het gewicht dragen,

tot het laatst. Anders wordt

het zwijgen nog zwaarder.

 

 

(Beeld gezien in de De Bruyckere-tentoonstelling in het Smak, Gent)

21-10-14

Geluiden, van overal

IMG_9364.JPG

 

Geluiden, van overal:

 

- de vingertoppen van de regendruppels op het raam, even maar, tot ik opkijk

 

- Bob Dylan die zijn Blind Willie McTell zingt, in de originele 1983-versie, en ik die mij voor de zoveelste keer afvraag waarom dit lied mij zo aangrijpt: is het die ongelooflijke pianostem, zijn het de woorden van Dylan over die bluesman (en die charcoal gypsy maiden), is het zijn stem, ach

 

- een zware vrachtwagen trekt hijgend op, zijn keel grommend vrijmakend

 

- de stemmen van kinderen op de fiets, terugkerend van de school, taterend

 

- het zonlicht dat door de zwartgrijze wolken breekt, en zijn rokken ronddraait, van zijde want je hoort niets

 

- allerlei kleine geluidjes in huis, plofjes, schurinkjes, waarmee het huis en jij met elkaar pratend bezig zijn

 

*

foto: charcoal gypsy maiden in Tbilisi, Georgië)

17-10-14

Werk, soms (gedicht van Mary Oliver)

 IMG_9194.JPG

 

Werk, soms

 

Ik voelde me de hele dag droevig, en waarom ook niet.

Zo zat ik daar, boeken en papier gestapeld aan beide zijden van de tafel,

woorden vallend van mijn tong.

 

De treklijsters hadden lang gezongen, en nu

begon het te regenen.

 

Waarvan zijn we zeker? Geluk is geen stad ergens op een kaart,

of flink op tijd aankomen, of zorg voor een taak, maar goede

blijvende arbeid. En met prutsen aan een gedicht zal je er

niet veel verder mee raken.

 

Dan begon het hard te regenen, en in de tuin

geurden de bloemen, fel.

 

Je zal ook wel zulke dagen gehad hebben, vermoed ik.

Vond je het dan niet geweldig om, uiteindelijk toch, weg te gaan

uit de kamer? Ah, dat moment!

 

Ik dus, ik gooide de deur open. En daar was

de  woordloze, zingende wereld. En ik rende voor mijn leven.

 

*

 

Work, sometimes

 

I was sad all day, and why not. There I was, books piled
on both sides of the table, paper stacked up, words
falling off my tongue.

The robins had been a long time singing, and now it
was beginning to rain.

What are we sure of? Happiness isn’t a town on a map,
or an early arrival, or a job well done, but good work
ongoing. Which is not likely to be the trifling around
with a poem.

Then it began raining hard, and the flowers in the yard
were full of lively fragrance.

You have had days like this, no doubt. And wasn’t it
wonderful, finally, to leave the room? Ah, what a
moment!

As for myself, I swung the door open. And there was
the wordless, singing world. And I ran for my life.

Mary Oliver
New and Selected Poems, Vol. II

14-10-14

Eet nog van al dit mooie (Gerrit Kouwenaar)

IMG_8734.JPG

 


Eet nog van al dit mooie

voortdurend vervangbare aanwezige

en drink en bevat en verteer het

 

nu het vlees steeds vertrouwder

zich in de spiegel onteigent, de taal

verdwaalt in zijn oorsprong, de tijd

steeds sneller zich inhaalt zich uitstelt

 

zo volmaakt was het nooit

zo voldaan als ingeslikt water

en is het ook nu –

 

(Gerrit Kouwenaar, uit zijn bundel met de prachttitel 'De tijd staat open'; een paar maanden geleden stierf Kouwenaar.)

(Die eerste strofe, dat is mijn lichaam daar verwoord: kijken en luisteren als eten en drinken en verteren...)

(Die tweede strofe, ook dat is mijn lichaam: ouder worden - al mag ik niet klagen hoor, mijn lijf en vooral mijn kop zijn nog die van een jongen die nooit ouder zal worden...)

(En die laatste strofe bevat de geheimzinnigheid die mij ook voortdurend ontglipt: het is nooit volmaakt, én tegelijk is het het omgekeerde: volmaakter dan nu is het nooit geweest...En dat doet deugd als een slok water, zoals alles water is, ook wij, rechtopstaanden...)

07-10-14

sprokkels

Shoa, september, humor, Bijloke, Noors solistenkoor, Brahms, Sel Silverstein

 

Sprokkels van de dagen:

 

-         de dikke mist die over het land hangt, terwijl daarboven de lucht al blauw is, zodat het echt een wolk is die langskomt, een landwolk, nog trager dan een luchtwolk

-         gehoord op de autoradio: de anekdote over die cineast die een film maakt over Shoa-overlevenden, en hun stiltes na elkaar monteert, de momenten dat ze niets meer kunnen zeggen, of de woorden niet vinden, en het effect dat zoiets op een toeschouwer moet hebben

-         het ijle licht van laat-septemberdagen, en hoe de zon daar voorzichtig door wil schijnen, als door tule

-         de paukeniste in Brahms’ Vierde Concerto, die met krukken stappend voortijdig haar plaats inneemt in het orkest, maar tijdens de uitvoering telkens midden in het juiste moment op haar instrument slaat, midden in de juiste klank, lijkt het wel, dan klinkt alle geluid ‘juist’, hoe luid of stil ook

-         de smaak van zelf gebakken brood: de ontdekking dat uit delen een geheel kan groeien, en dat je eigen handen dat hebben gedaan, en je eigen verwachting

-         een hele namiddag en avond praten met hetzelfde vriendenpaar, en elkaar nog niet beu zijn

-         de scherpzinnigheid van Willem Jan Otten, als hij over poëzie, religie, symbolisch denken schrijft (in zijn essaybundel ‘Onze Lieve Vrouw van de Schemering’)

-         het knagende gevoel, een soort hongergevoel, als ik een tijd niets geschreven heb, niet enkele woorden heb bijeengebracht die mij iets zeggen willen over mezelf

-         de teleurstelling dat we hopeloos te laat zijn voor de vlierbessenpluk (ons 'jaargevoel’ is verstoord, net zoals bij de acer in de tuin, die nu al handenvol verdorde bladeren weggooit)

-         hoe het geheugen van mensen dorst kan lessen, maar integendeel ook verschrikkelijk dorstig kan maken, een dorst die niet meer te lessen lijkt, wat je ook doet of zegt

-         de vele vogels die ik mis ’s morgens, waar zijn ze toch; spinnen genoeg, maar die zeggen nooit iets; het zou erg zijn als mijn doofheid ook de vogels kwijt zou raken

-         de zuiverheid van menselijke stemmen, als ze met elkaar of alleen die zuiverheid proberen te vinden: het heeft iets van helderheid, zoals in licht; het heeft iets van opengaan, zoals ’s morgens; het heeft iets van vinden, want je herkent ze, je kent ze al; het heeft iets van bedwelming, zeker als ze samen gaan zingen, als losgelaten worden in een dans; het creëert een nieuwe ruimte, dwars door dit aanwezige muziekgebouw, of liever nog: een gebouw zonder muren, zonder dak, een ruimte zonder ruimte... (concert door het Noors Solistenkoor, in de grote Bijlokezaal)

-         waarom is humor zo’n zeldzaam talent bij de schrijverij? Ik bedoel niet de meligheid van Brusselmans, ik bedoel niet de rechtstaande pretentie van stand-up comedians en pretcolumnisten, ik bedoel wat ik bedoel: iemand die er in slaagt zo te formuleren dat je glimlachen moet vanbinnen, of zelfs met een klein hikje moet lachen. Als ik dat kleine hikje wil, lees ik een gedicht van Sel Silverstein. Marc Didden deed mij vaak glimlachen in zijn Brusselboek (“Een gehucht in een moeras”)...

-         de weerspiegeling van de bleek- en donkergrijze wolken in het dakraam voor mij: het heeft soms iets van een vulkaanuitbarsting, onverwacht opzwiepend

06-10-14

Bomen

IMG_1054.JPG

 

In het Engels klinkt het gewichtiger: naturalist. Wij hebben daar het woord natuurkenner voor. Maar ben ik ook al een natuurkenner als ik twee vogels uit elkaar kan houden?

Ik lees Notes from Walnut Tree Farm, het laatste boek van Roger Deakin, de man die op mij zoveel indruk maakte met zijn boek Wildwood. Daarin heeft hij zoveel te vertellen over hout, dat je vanzelf zijn fascinatie gaat delen. Deakin vertelt er over de bomenfamilies die hij ontmoet, over kunstenaars die van hout kunst maken (David Nash!), over zijn zoektocht naar de oorsprong van de appel (in Kazachstan), en waar de balken in zijn oude Suffolkhoeve vandaan komen. Hij zwerft door wouden in zijn eigen Engeland, door bossen notelaars in de Languedoc, door de oerbossen van Oekraïne. Zoekt met aboriginalvrouwen naar pruimen in de bush. Vertelt over de fascinatie van kunstenaars voor drijfhout (een fascinatie die ik deel...), over de werktuigen om hout te snoeien, te bewerken. Over hoe je hagen maakt en onderhoudt. Over, uiteindelijk, hoe elke boom een individu is, en, in de ogen van Deakin, een soort hoog staande bewaarengel voor het land.

Deakin stierf jong, als zestiger. Deze Notes zijn een soort dagboek, samengesteld door zijn zoon, met notities van de vogels, de planten, de wegen, de common ground rond de hoeve waar hij woont in Norfolk. En maand na maand horen we een bewogen liefhebber, die zich met veel aandacht en respect invoegt in het grote Bewegen rondom hem, gedragen door de seizoenen, maar ook door wat door vroeger is doorgegeven aan nu...

 

IMG_8763.JPG

 

(foto's: eik in Berry, Fr - ratelpopulieren in De Pinte, Be)

03-10-14

Meervouden... (Inleiding op de geliefde 39)

pasen engeland 042-001.jpg

 

 

Meervouden...

(Inleiding op de geliefde 39)

 

Lig jij een paar dagen ziek in bed, een ziekte uit te zweten, pijn en ongemak uit je lijf te jagen, lig ik zelf meer dan gewoonlijk in de zetel, staar ik meer dan gewoonlijk door de kamer die nu leger is, overvallen mij scenario’s van leven zonder jou, en dat schuurt van binnen.

Op de middag geef ik mezelf een schop, en dat helpt: er wordt bewogen, en wat nuttig heen- en weer geloop verricht, dat de dag niet helemaal verloren lijkt. Koken. Uitwisseling van najaarsfruit met buurvrouw, praatje met haar over de dingen des levens, die niet altijd zijn wat ze moeten zijn, verre van. Maar zij blijft bewegen, zij wel, een strijd die ze nooit kan winnen, maar die in haar geval een net huis en waardigheid oplevert, en blijvende moed in de zorg voor een gekwetst leven.

Je kan wat leren van een praatje met de buurvrouw, en ondertussen ben jij even opgestaan, wankelend, met een kop vol overlopend water, die je met moeite rechtop houdt. En ik vraag hoe het is, of de pijnen er nog zijn, of er koorts bijgekomen is. Maar met een hoofd dat buiten zijn oevers dreigt te lopen, is het moeizaam neen knikken. En honger heb je ook al niet.

En weer is de dag van mijn eenzame alleen. Beetje zitten, beetje zappen, beetje tijd verprutsen, beetje staren, enfin het klassieke gamma van lichte verlorenheid zonder jou.

Het lijkt wel of ik twee motoren heb, en er nu een is uitgevallen. Zonder uitslaande brand, of zelfs maar rook, maar toch, mijn gewicht helt af, ik verlies hoogte, straks wil ik toch wel weer landen. Vreemd toch, dat jouw motor ook in mij werkzaam is, en ik allicht in jou energie aanlever. Vreemd toch, hoe aanwezigheden die zo duidelijk afgescheiden zijn als lichamen, zich ook voor een groot stuk in elkaar bevinden, al zal een metende wetenschapper alle moeite hebben om dat vast te stellen. Er zal wel ergens een lampje oplichten in de hersenen, of wat elektriciteit heen en weer schieten tussen zenuwbanen,maar wat er eigenlijk gaande is tussen die lichamen van ons, kom daar maar eens achter. Dat mee koorts hebben, het blijft een persoonlijke ervaring, vaak onuitgesproken. Kunst houdt zich zich ermee bezig, in liederen, verhalen, afbeeldingen. De herinnering bewaart het, zoals we elke ervaring willen meedragen van overlopen in wat ons dan zo dierbaar wordt. En de angst slorpt het op, want ooit wordt elk lichaam achtergelaten, verloren gelegd in een onmetelijkheid die pas echt onbenoembaar is. Zullen we ook dan nog in elkaar haken, wiegen in elkaar als de ijlste wind? Of zullen we met elkaar uiteenvallen, de ene dood, de andere levend?

Dat in elkaar groeien van lichamen, je voelt het als geliefde, maar ook als ouder, als kind, als vriend. Het verruimt je vel, je zintuigen, je denken, en het vergroot ook je pijn. Een mens heeft al zo weinig te zeggen aan al wat er in zijn eigen lichaam samenstroomt, blijft haken, trekt en botst, of glanst. Leven en lot is de titel van een beroemde roman van de Russische schrijver Vassili Grossman. Het is meet- en waarneembaar, dat leven van ons, maar het is in de diepte ook lot: een ervaring die ons ongevraagd uitschuurt, soms lang ons dezelfde vragen stelt, maar ook zo gul is om veel mee te nemen en te bewaren. En hoe moet het dan als je zo nog een lichaam in je lichaam voelt.

Misschien, zeg ik na wat staren door het raam, misschien is het omgekeerd. Misschien hebben we altijd al geleefd in meer dan één lichaam. Is de ervaring in het lichaam van onze moeder te groeien, veel ouder en dieper dan de ervaring afgescheiden individu te zijn. Is daarom eenzaamheid zo’n grondeloze verlorenheid, waarin mensen tegen muren praten, tegen muren lopen, straten afdolen. Mensen worden wezenloos in dat voor de rest gezonde lichaam van hen, als ze enkel hun eigen omtrek zien. Als geen andere huid achtergebleven is om voor hen te zorgen, geen andere aanwezigheid in de drukte van de dag, de onbeweeglijkheid van de nacht hun naam uitspreekt. En dan dat lijf zelf, dat ons aankijkt in de spiegel, hoe leren we omgaan met zo’n  dichtbijheid, als niemand het ons toont. Als niemand onze hand neemt, en voorzichtig alle randen aftast, en ons leert wat een wonderen dan kunnen gebeuren.

Mensen zijn geen enkelvouden, mensen zijn meervouden: van huid, van gebaren, van woorden, van weten. Misschien zelfs van voorouders, van een nog altijd mee-ademend verleden. Misschien zelfs van een soort grote goedheid, zoals we altijd weer de richting kiezen van onze verbondenheid, zoals we altijd weer opruimen na de brokstukken, en zingen over ons verlangen.

Het heeft me jaren een beetje kwaadaardige paradox geleken: eerst geven we ons over aan de vriendschap en de liefde, en dan wordt, wat jaren is opgebouwd en gekoesterd, wat altijd moest blijven duren, afgebroken alsof het niets is, opgelost in ongrijpbaarheid. Maar nu ik dit schrijf, hoop ik dat de dood voor onze lichamen een wederopname is in een veel grotere buik. Ik weet het, beelden lijken enkel voor zichzelf te spreken, stil voor zich uit, maar hoe moet je anders de binnenkant beschrijven dan met een beeld: een beeld is verbondenheid, en over verbondenheid gaat het. Geboren worden is al een big bang: zoveel dat groot is, uit zo iets kleins. Misschien dat sterven met onze lichamen een even onbegrijpelijk groot spel speelt. Nog dichter bij die andere lichamen, met al wat we er met ons eigen geleefde lichaam aan toevoegen kunnen. Liefde voegen bij de liefde.  Het weten groter. Het uitzicht verder. Zoiets.

Als wij het niet meer kunnen, moeten de voorouders het voor ons oplossen, denkt men in Afrika. En men komt samen, eet samen, zingt samen, en hoopt dat een groter lichaam aanwezig is, en een arm om hun armen zal slaan. Zoiets.

Het is wat mensen een gebed noemen. Of als ze het niet zo noemen, het toch vaak wel doen: een kaars aansteken, ergens in de holte van de nacht woorden richten tot. Ja, tot wie, of wat. Eigenlijk is dat niet belangrijk. Het gaat om de kleine hoop, om het kleine, hardnekkige, misschien dwaze geloof dat leven meer is dan een overlevingsspel, een onberekenbaar Fortuna, een afvallingskoers. De aard van een goedgunstig levensmysterie is niet zo belangrijk, het gaat niet om theologie, maar om gedeeld vertrouwen en, ingebed in dat woord, trouw. Goden en afgoden leiden af van waar het echt over gaat in dit leven: dat het kind de arm voelt van een vader en een moeder, dat het leert lezen en schrijven en dat die grote gulzige nieuwgierigheid gevuld wordt met passie; dat de ene mens de andere tegenkomt en diep van binnen weet dat daar een stuk van zijn lichaam loopt; dat ogen ver leren kijken, naar de lichamen die er nog niet zijn, die van de kinderen en de kindskinderen; dat we goed leren bewaren, uit respect voor al wie ooit een lichaam had, en ademde van dezelfde lucht die nu ook onze longen vult; dat we bewaren wat zij aan schoonheid vonden, dat we zorgzaam leren worden zoals zij ook zorgzaam waren; dat het besef in ons groeit dat het geschapene heilige grond is, mens en dier en plant, en dat we dat heilige, zelfs al hebben we er geen naam voor, in elkaar moeten vinden. Aanraken zelfs, omdat het gemaakt is om aangeraakt te worden. Omdat het ons aanraakt.

Zoiets.

Nog zo’n beeld, die aanraking. Wat moeten wij ons daarbij voorstellen? Maar als ik denk aan de zwangerschapsaanraking, aan de handen die de pasgeboreren opvingen en droogwreven, aan de ogen die zich lieten vullen met dit wonder, en het wonder teruggaven in hun zorg, dan weet ik dat die eerste aanraking ons mensen nooit meer zal verlaten. Hoe oud of rijk of bekend we ook zijn mogen, snakken blijven we naar die eerste aanraking, naar dat eerste wonder, dat opvangen en droogwrijven, om geen andere reden dan dat we er zijn. Zo dichtbij als ons bloed willen we het voelen. En onze eigen handen zullen ons nooit zo kunnen vullen als die andere handen die we meedragen in ons. En de stem die zich voorover buigt en onze naam fluistert, zal altijd zoveel meer deuren open zetten dan onze eigen stem, waarvoor we soms bang blijven, zelfs na zoveel jaren leren spreken.

Dat we er zijn, is aanraking geweest, is creativiteit geweest die zomaar gaf, volheid uitdeelde om niet, niets terugvroeg dan de toestemming om nog meer te geven.  Zolang er mensen zijn, heeft men gepoogd dat grote geven te ‘vangen’, in denken, rituelen, poëzie. Maar het zal altijd ongrijpbaar blijven, net omdat het maar één wens lijkt te hebben: zich uitdelen, zich weggeven, zich toevertrouwen aan weer een klein lichaam. Dat groeien kan en moet, en zoals alle groeien daarvoor volheid kreeg.

Ik besef dat ik aan het jubelen sla, om een oud woord te gebruiken dat verder reikt dan vreugde. Ik ben geen godendienaar, ik ben een mens die in zijn vlees en bloed een groter ruisen hoort, en daardoor nog beter wil luisteren.

En zo kom ik weer bij jou, mijn zieke andere helft, mijn medeadem, mijn tweede hoofd, mijn vingers in mijn vingers, mijn wil, mijn weg, mijn andere pijn. Dat van al die onbewuste lichamen in mij jij mij zo bewust werd, ik kan er alleen maar om jubelen. Jij mijn lied. Jij mijn vlag. Jij mijn geliefkoosd verhaal. Jij mijn inwezigheid. Word maar gauw weer beter. Dat ik ook gauw weer beter ben.