12-02-15

lopen over vers gevallen sneeuw

 

 IMG_1336.JPG


In 'De onbereikbare muziek', inleiding bij Het muzikaalste gedicht. De mooiste gedichten over muziek uit Nederland en Vlaanderen (Podium, Amsterdam 2006) legt P.F. Thomése o.a. uit waarom je gedichten niet moet verklaren. Hij schrijft:

 

Het uitleggen van een gedicht houdt in dat je het omzet in andere woorden. Je vernietigt de vorm en zet er een andere, lelijke want vormeloze vorm voor in de plaats. Poëzie-exegese betekent poëzie lezen en er proza van maken.
Een gedicht blijft leven zolang het niet begrepen wordt, althans niet volledig begrepen wordt. Er is altijd een vermoeden van begrijpen nodig, een intuïtief begrijpen zoals dat in de hermeneutiek met het Duitse begrip Verstehen wordt aangeduid. Ontregeling moge de norm zijn, toch is er steeds het vermoeden van een verborgen orde. Niet alle onzin wordt vanzelf poëzie. Probeer het maar uit. Zoals ook niet allerlei klanken zomaar muziek worden.
Wat af is, is niet gemaakt, zegt Paul Valéry. Een gedicht staat, als het goed is, altijd aan het begin. Het staat op het punt begrepen te worden, maar blijft, als het erop aankomt, vooralsnog onbekend. Een goed gedicht lees je daarom steeds opnieuw. Steeds blijft het hetzelfde gedicht, vertrouwder en vreemder tegelijk. Je leest het en je leest het weer, steeds vertrouwder komt het op je over, totdat je het, vreemd is dat, uit je hoofd blijkt te kennen. Je begrijpt het, dat wel, je begrijpt het zolang je het niet uit hoeft te leggen.
Het is deze herhaalbaarheid die de poëzie in de richting van de muziek brengt. Je verwerkt een gedicht niet, zoals je een verhaal parafraseert in je eigen woorden. Je ondergaat het steeds opnieuw. Net als een muziekstuk kan een gedicht niet uit zijn vorm worden losgemaakt. De woorden kunnen niet door andere vervangen worden, ze bevinden zich onvertaalbaar, onwrikbaar in dit ene verband. Haal je er een paar losse woordjes uit, dan vernietig je het hele gedicht.
Muziek bestaat bij gratie van haar vorm. Inhoud heeft zij niet. De inhoud ben je zelf. Telkens wanneer je de muziek hoort, vul je haar met je eigen gedachten, herinneringen, stemmingen. Soms ook verdwijn je, denkend aan je-weet-niet-wat, tijdelijk in de ruimte die door de tonen wordt gecreëerd en weet je, als je terugkeert in het hier en nu niet meer waar je bent geweest.
Zo leeg, zozeer vorm kan de poëzie nooit worden. Geen gedicht blijft zo leeg, zo oningevuld als een muziekstuk, geen gedicht kan je dan ook helemaal in zich opnemen. Aan een gedicht moet je je aanpassen. Het doet zich in zekere zin altijd als probleem aan je voor. Het vraagt je om na te denken over wat er staat, het van een andere kant te bekijken, het niet te nemen zoals het is. Het nodigt je uit iets te lezen wat je niet eerder hebt gelezen. Het vraagt je om helemaal leeg te worden. Oningevuld.
En dat is het mooiste wat een poëzielezer kan overkomen: dat alles wat hij weet wordt uitgewist en dat hij, eventjes, voor het eerst mag leren lopen op vers gevallen sneeuw.    

De commentaren zijn gesloten.