10-02-15

Vieren

20091104_0073-2.JPG

 

Zondag 40 jaar samen. Een tijd zo dichtbij als een vel. Als licht die ogen doet zien als ze open gaan ’s morgens. Veel is vergeten, maar niet dat we er zijn, dat we er geweest zijn, dat we een pad belopen dat ons zal meenemen, verder nog.

 

Moesten we dat niet vieren? Het regende toen we vertrokken naar Rijsel. Maar in het museum voor moderne kunst van Villeneuve d’Asq viel de zon door de ramen en de vitrages. Lieves kleine handtas werd geïnspecteerd op piepkleine terroristenbommetjes. Het schuine hoofdje van een Modigliani-vrouw keek ons aan, met een nieuwsgierigheid alsof ze zelf ook al langer onderweg was.

 

We liepen door de stad Rijsel en vond een een sleuf waar het goed eten was. Zoals vaak in restaurants stond de eigenaar achter de toog en draafde een vrouw onophoudelijk heen en terug met eten en drank en rekeningen. Ach, vrouwen slijten misschien trager af, door eeuwen oefenen...

 

En dan nog wat bewaarde schoonheid in het Museum voor Schone Kunsten, zo Frans als Frankrijk maar kan zijn: pompeuze architectuur, met zuilen en trappen en gewelven, uitkijkend op een plein en een tegenover staand gebouw van minstens evenveel grootheidswaan. In het grote museumgebouw, toch bedoeld als expo-ruimte voor kunst, ging alle aandacht naar het grote lege atrium, moest de middeleeuwse en andere oude kunst maar zien te overleven in donkere kelders onder de grond, waar allicht ooit nog troepen geslapen zullen hebben. De schilderkunst van de latere eeuwen vond een plek op de opengewerkte eerste verdieping, waar genoeg daglicht was, en lucht van de openingen naar het atrium daaronder. Zo hoort het in een museum: licht en ruimte om te kijken en te ademen. Kijken is ademen.

We zagen een geweldige Permeke: De stal, met een donker verzonken boer tussen de schaduwen van zijn beesten in hun warmte en stro. We zagen een klassieke Chagall, zoals altijd samengesteld uit zijn obsessieve beelden, maar weer zo veroverend.  We zagen een monumentale kruisafneming van Rubens, ooit “revolutionair in beslag genomen”. We zagen de meest intieme kus ooit van Rodin. We zagen verblindende vrouwenportretten: de vrouw met het hondje, de vrouw met de handschoen. Ze hingen hoog om onze arme ogen wat te sparen, wij die toch uit een lagere klasse komen. Ach, een museum is een soort volksverheffing: muren en ramen die niets anders te doen hebben dan hoog te zijn (en duur in verwarming) nodigen het gewone volk uit om zich vrijuit welkom te voelen, en zelfs dicht bij al het verzamelde schone te komen, en uitleg te krijgen wanneer nodig. Deze kasteel- en andere pronk is er voor iedereen, zoals het makerstalent ook over iedereen is verspreid: waren sommige schilders en beeldkappers niet arme sloebers die toevallig de juiste handen hadden, en genoeg geluk om de juiste mensen tegen te komen?

 

De commentaren zijn gesloten.