27-02-15

apathia

afscheid th-nath parijs maart10-16.JPG

 


De bomen en de struiken en het gras en het mos, ze zijn van een bewonderenswaardige stoïcijnse apathia: die stevige fond die aanvaarden kan wat er komt, hard of zacht, verstikkend of lucht gevend. Die dikke laag rubber die ook onder bruggen ligt: het leven kan erover rijden, de brug trilt maar wankelt niet. Eind december wilde ik al de kleine treurwilg in de tuin van de buren waarschuwen: doe dat niet, hou op met die nieuwe katjes uit te hangen, het is nog veel te vroeg. En ja, dan kwam de kou, en alles bevroor. Maar hij gaf niet op, opnieuw proberen is eigen aan al wat natuur is, het is misschien de essentie van natuur. En kijk nu eens, een boom vol op springen staande botten. Vrienden van hem zijn er al mee begonnen...

En zo zitten overal, op alle takken en takjes, de botten klaar, en elk jaar opnieuw is mij dat een tastbaar raadsel. Ik probeer het kleine geluid te horen van sap dat naar boven klimt, ik probeer de symfonie te horen van al die geluiden samen, ik kijk en kijk of ik iets van de dirigent zie die alles opjaagt en draagt.

En ik zie in kleinzoon een lente van taal doorbreken. Niet alleen het voortdurende vragen ‘wat is dat’, maar dat hij ook alles onthouden kan, zijn gevoeligheid voor intonatie en tonen en zelfs krachttermen (denk niet dat wij hele dagen lopen te vloeken, maar een mens zegt al ‘ns verdomme, en dat zo’n woord een heel speciaal muziekje is, dat heeft ie goed gehoord natuurlijk).

Ik begon over apathia en deed verder over de lenige lente en zijn zingen. Laat ik nog eens stilstaan bij het eerste. Vriend R. twijfelde of er nog een doktoor zijn mes wilde slijpen voor zijn al eens overbrugd hart. Die negatieve boodschap kreeg hij in elk geval. Maar vorige week kwam de bevestiging dat de prof die hem eerder geopereerd had, hem toch opnieuw wilde opereren. Ik was blij voor hem, maar wat mij het meest raakte, was zijn onverwoestbare apathia: die innerlijke zee van rust in hem, die aanvaarden kon wat kwam, zelfs met de glimlach van humor en zelfspot. Je kijkt ervan op als mensen zo bewust diep in hun eigen leven gaan staan, als mensen zo wijs het onderscheid kunnen maken tussen waar ze zelf iets kunnen aan doen, en wat hen te boven gaat...

Maar hij moest het toch eens kunnen zeggen, dat de prof hem een nieuwe kans had gegeven. Zo menselijk was hij wel, dat hij het nodig had om zijn leven even in het mijne te hangen...

afscheid th-nath parijs maart10-004.JPG

20-02-15

Over kijken en kijken...

IMG_1309.JPG

 

Een fascinerende Boris Giltburg in de Gentse Handelsbeurs gisteravond, met Brahms’ derde sonate, vreemd ongrijpbaar stil naast wild als wind die slaat in bomen.

Dat was al boeiend genoeg, maar na de pauze, waw: Rachmaninovs Moments musicaux werden ter plekke uitgevonden, en Prokofievs tweede sonate was van een indrukwekkende persoonlijkheid, waar je je ogen niet van af kon houden.

Voor de pauze waren die ogen van mij moe, wegens moeheid van de dag. Ik dacht aan de woorden van Dirk Roofthooft ’s morgens op Klara: hij vertelde hoe hij een muziekvoorstelling had meegemaakt in werkelijk totale duisternis, en hoe dat bij hem voor groot kippenvel had gezorgd: die nieuwe ruimten die klanken schiepen, ervaren hoe ook de muzikanten in hun totale duisternis nieuwe wegen vonden om elkaar te vinden, hoe een klank in zichzelf al een ruimte was. Ik dacht, luisterende naar Giltburg, hoe zijn Brahms zou klinken als er algeheel zwart was. Deed mijn ogen dicht en probeerde mij daar een voorstelling van te maken. En inderdaad, hoewel de zaallichten door zijn oogleden schenen, klonken de klanken toch al ruimtelijker. Daarna hield ik ze open, want dichte ogen kunnen misleid worden en denken dat ze mogen slapen, zeker als ze al een beetje moe zijn...

Maar na de pauze, hemeltjelief. Het viel mij op dat ik ze de hele tijd open heb gehouden, die ogen van mij, geen moment meer heb gedacht aan die ervaring van in duisternis luisteren. En toch: heb ik nu eigenlijk wel gekeken... Geen moment ben ik me van mijn kijken bewust geweest, zo gefascineerd was ik. Ook dat is dus een soort kijken in het donker: als je zo opgeslokt bent in wat je ziet, dat je blik van je weggenomen wordt, totaal opgaat in wat je ziet, je tijd en omgeving vergeet... Is dat niet het magische kijken van elke diepe kunstervaring? Jawel jawel. Kwam dat zich uit handen gevende kijken en luisteren maar meer voor...

 IMG_1311.JPG

(foto's: Vitry sur Seine, voorstad Parijs)

12-02-15

lopen over vers gevallen sneeuw

 

 IMG_1336.JPG


In 'De onbereikbare muziek', inleiding bij Het muzikaalste gedicht. De mooiste gedichten over muziek uit Nederland en Vlaanderen (Podium, Amsterdam 2006) legt P.F. Thomése o.a. uit waarom je gedichten niet moet verklaren. Hij schrijft:

 

Het uitleggen van een gedicht houdt in dat je het omzet in andere woorden. Je vernietigt de vorm en zet er een andere, lelijke want vormeloze vorm voor in de plaats. Poëzie-exegese betekent poëzie lezen en er proza van maken.
Een gedicht blijft leven zolang het niet begrepen wordt, althans niet volledig begrepen wordt. Er is altijd een vermoeden van begrijpen nodig, een intuïtief begrijpen zoals dat in de hermeneutiek met het Duitse begrip Verstehen wordt aangeduid. Ontregeling moge de norm zijn, toch is er steeds het vermoeden van een verborgen orde. Niet alle onzin wordt vanzelf poëzie. Probeer het maar uit. Zoals ook niet allerlei klanken zomaar muziek worden.
Wat af is, is niet gemaakt, zegt Paul Valéry. Een gedicht staat, als het goed is, altijd aan het begin. Het staat op het punt begrepen te worden, maar blijft, als het erop aankomt, vooralsnog onbekend. Een goed gedicht lees je daarom steeds opnieuw. Steeds blijft het hetzelfde gedicht, vertrouwder en vreemder tegelijk. Je leest het en je leest het weer, steeds vertrouwder komt het op je over, totdat je het, vreemd is dat, uit je hoofd blijkt te kennen. Je begrijpt het, dat wel, je begrijpt het zolang je het niet uit hoeft te leggen.
Het is deze herhaalbaarheid die de poëzie in de richting van de muziek brengt. Je verwerkt een gedicht niet, zoals je een verhaal parafraseert in je eigen woorden. Je ondergaat het steeds opnieuw. Net als een muziekstuk kan een gedicht niet uit zijn vorm worden losgemaakt. De woorden kunnen niet door andere vervangen worden, ze bevinden zich onvertaalbaar, onwrikbaar in dit ene verband. Haal je er een paar losse woordjes uit, dan vernietig je het hele gedicht.
Muziek bestaat bij gratie van haar vorm. Inhoud heeft zij niet. De inhoud ben je zelf. Telkens wanneer je de muziek hoort, vul je haar met je eigen gedachten, herinneringen, stemmingen. Soms ook verdwijn je, denkend aan je-weet-niet-wat, tijdelijk in de ruimte die door de tonen wordt gecreëerd en weet je, als je terugkeert in het hier en nu niet meer waar je bent geweest.
Zo leeg, zozeer vorm kan de poëzie nooit worden. Geen gedicht blijft zo leeg, zo oningevuld als een muziekstuk, geen gedicht kan je dan ook helemaal in zich opnemen. Aan een gedicht moet je je aanpassen. Het doet zich in zekere zin altijd als probleem aan je voor. Het vraagt je om na te denken over wat er staat, het van een andere kant te bekijken, het niet te nemen zoals het is. Het nodigt je uit iets te lezen wat je niet eerder hebt gelezen. Het vraagt je om helemaal leeg te worden. Oningevuld.
En dat is het mooiste wat een poëzielezer kan overkomen: dat alles wat hij weet wordt uitgewist en dat hij, eventjes, voor het eerst mag leren lopen op vers gevallen sneeuw.    

10-02-15

Vieren

20091104_0073-2.JPG

 

Zondag 40 jaar samen. Een tijd zo dichtbij als een vel. Als licht die ogen doet zien als ze open gaan ’s morgens. Veel is vergeten, maar niet dat we er zijn, dat we er geweest zijn, dat we een pad belopen dat ons zal meenemen, verder nog.

 

Moesten we dat niet vieren? Het regende toen we vertrokken naar Rijsel. Maar in het museum voor moderne kunst van Villeneuve d’Asq viel de zon door de ramen en de vitrages. Lieves kleine handtas werd geïnspecteerd op piepkleine terroristenbommetjes. Het schuine hoofdje van een Modigliani-vrouw keek ons aan, met een nieuwsgierigheid alsof ze zelf ook al langer onderweg was.

 

We liepen door de stad Rijsel en vond een een sleuf waar het goed eten was. Zoals vaak in restaurants stond de eigenaar achter de toog en draafde een vrouw onophoudelijk heen en terug met eten en drank en rekeningen. Ach, vrouwen slijten misschien trager af, door eeuwen oefenen...

 

En dan nog wat bewaarde schoonheid in het Museum voor Schone Kunsten, zo Frans als Frankrijk maar kan zijn: pompeuze architectuur, met zuilen en trappen en gewelven, uitkijkend op een plein en een tegenover staand gebouw van minstens evenveel grootheidswaan. In het grote museumgebouw, toch bedoeld als expo-ruimte voor kunst, ging alle aandacht naar het grote lege atrium, moest de middeleeuwse en andere oude kunst maar zien te overleven in donkere kelders onder de grond, waar allicht ooit nog troepen geslapen zullen hebben. De schilderkunst van de latere eeuwen vond een plek op de opengewerkte eerste verdieping, waar genoeg daglicht was, en lucht van de openingen naar het atrium daaronder. Zo hoort het in een museum: licht en ruimte om te kijken en te ademen. Kijken is ademen.

We zagen een geweldige Permeke: De stal, met een donker verzonken boer tussen de schaduwen van zijn beesten in hun warmte en stro. We zagen een klassieke Chagall, zoals altijd samengesteld uit zijn obsessieve beelden, maar weer zo veroverend.  We zagen een monumentale kruisafneming van Rubens, ooit “revolutionair in beslag genomen”. We zagen de meest intieme kus ooit van Rodin. We zagen verblindende vrouwenportretten: de vrouw met het hondje, de vrouw met de handschoen. Ze hingen hoog om onze arme ogen wat te sparen, wij die toch uit een lagere klasse komen. Ach, een museum is een soort volksverheffing: muren en ramen die niets anders te doen hebben dan hoog te zijn (en duur in verwarming) nodigen het gewone volk uit om zich vrijuit welkom te voelen, en zelfs dicht bij al het verzamelde schone te komen, en uitleg te krijgen wanneer nodig. Deze kasteel- en andere pronk is er voor iedereen, zoals het makerstalent ook over iedereen is verspreid: waren sommige schilders en beeldkappers niet arme sloebers die toevallig de juiste handen hadden, en genoeg geluk om de juiste mensen tegen te komen?

 

04-02-15

Overvloed

IMG_3679.JPG

 

Overvloedige zon, en takken, daken, muren, straten krijgen een laagje. En de auto’s, en de bloemknoppen.

Een lik verf van de overvloed. Gulheid, iets van een teveel, is de natuur ingebakken. Zelfs de stenen in de huizen mogen nu elk voor zich een beetje uitsteken, met een randje schaduw van al dat felle licht.

En de mensen?  Ook mensen zijn stenen in muren, en met die muren bouwen we steden, en verkeer, en winkels, en geroezemoes, en files. Krijgen de mensen ook af en toe de kans om er een beetje uit te steken, met een randje licht of donker? Ik hoop het, het doet me iets als uit de massa een gezicht mij opvalt, om welke reden dan ook. Als iemand zo langssloft dat ik blijf kijken, zonder het zelfs maar te beseffen. Ik merk dat ik zelf ook groter word, als ik een gesprek cadeau krijg waarin iemand groter wordt dan hij of zij was in het begin van het gesprek. Verstandiger, wijzer, warmer. Dichterbij dus. Ik weet niet welke zon, welk teveel dan aan het schijnen is, maar dat het deugd doet, voor beide kanten, dat is zeker.