05-03-15

Late Rembrandt (Rijksmuseum, Amsterdam)

IMG_1458.JPG

 

De Rembrandttentoonstelling in Amsterdam heeft ons hart geraakt. Dat overkomt ons niet elke dag met exposities. Maar dan blijven ze ook bij. Eentje dat ons zéér raakte, was jaren geleden de tentoonstelling in Antwerpen: naturalisme in de 19de eeuw.

Er zijn vaak genoeg mooie tentoonstellingen, goed gemaakt en belicht, logisch opgebouwd, een plezier om in rond te lopen. Henri Van de Velde was er zo een. Vaak ook kom je in tentoonstellingen kleine en grote meesterwerken tegen, zelfs al worden ze zo niet genoemd, je ziet in één oogopslag de grote kwaliteit van het werk. Zo’n ontmoeting alleen al maakt een expositiebezoek goed. Ik herinner mij in Brussel de Zurbaran-madonna’tjes, jongemeisjesmoedertjes, met gezichtjes nog veel te jong voor wat hen overkwam.

 

Maar waarom dan een stuk van ons hart voor Rembrandt?

Het was zeer druk, maar gelukkig hadden die Nederlandse calvinisten de boel stevig georganiseerd. De zalen waren thematisch opgebouwd, met prima uitleg naast de werken zelf, en ook in een klein boekje, zodat niet iedereen de rug voor hem moest wegduwen om te kunnen lezen wat er aan uitleg ophing. Maar zelfs in de drukte van ruggen bleven de schilderijen en etsen en tekeningen overeind: ze keken naar je, die zelfportretten van de langzaam ouder wordende meester. Je mocht stil worden bij de totale verlorenheid van Lucretia, en haar wanhoopsdaad. Je mocht met de meester kijken naar zijn zoon Titus, schrijvend op zijn lessenaar, een familiekiekje bijna. En aanwezig mogen blijven bij de (eerste?) intimiteit van het Joodse bruidje, in het echt zou het onwelvoeglijk zijn, hier was het ontroerend.

Dat was de eerste reden waarom Rembrandt ons raakte: omdat hij “naar binnen kan kijken”, naar wat zich in mensen afspeelt. Je hebt mensen die vragen “hoe is ’t” als ze je zien, en dan gewoon verder vertellen met waar ze mee bezig waren, kleine sociale plichtpleging voor mensen die mekaar tegenkomen. Maar je hebt er ook dat die kleine vraag stellen met veel meer (harts)nadruk, waardoor de ontmoeting plots een dieper karakter krijgt: iemand wil weten hoe het met je is! Met jou! Jij loopt er dus niet zomaar bij, een mens tussen de velen. Het doet altijd iets als je als mens zo eventjes ‘opgetild’ wordt. Als je weer zelf mag beseffen hoeveel binnenkant, hoeveel geschiedenis, hoeveel verlangen je meedraagt.

IMG_1494-001.JPGRembrandt kijkt zo naar de mensen die hij schildert, en vraagt, al schilderend: wie is die mens voor mij. Hij doet het met zichzelf, als hij zichzelf schildert: wie is de man met die doordringende blik, wat is dat ouder worden in mijn lichaam, wat is dat bewustzijn van de genialiteit in mij... Hij doet het als hij Lucretia schildert: wat gaat er in een mens om dat zij niet meer verder wil leven... Hij doet het als hij een levendig familieportret schildert: wat maakt een gezin tot die kleine kern van geluk die het kan zijn... Hij doet het als hij een naakte vrouw etst of schildert, met enkele Japans kalligrafisch aandoende juiste strepen inkt: wat maakt een vrouwenlichaam zo fascinerend... Hij doet het als hij over verliefdheid nadenkt: de verlegenheid die de hand op haar borst veroorzaakt bij het Joodse bruidje, de onzekerheid die over Batseba komt, als ze hoort dat koning David op haar verliefd is...

Zoveel keer stilstaan bij de binnenkant van wat een mens tot mens maakt. Niet voor niets verwijzen drie zaalthema’s expliciet daarnaar: “wedijver”, “intimiteit”, “innerlijke strijd, contemplatie, verzoening”...

 

En dan de tweede reden waarom we Rembrandt hebben ‘ontmoet’ zoals nooit voordien: omdat hij dat willen kijken naar de binnenkant al schilderende doet... Het is zoals ik het zeg: je ziet hem bijna schilderen, vegen verf, krassen in de verf, fijne laagjes verf, met plamuurmes uitgestreken verf (hij was de eerste die dat deed), het zijn even zovele vraagjes ‘hoewist’, even zovele pogingen om te ‘luisteren en te begrijpen’... Rudi Fuchs schrijft dat Rembrandt zelfs eerst in kleur dacht, en dan vanuit die kleur iets begreep van de mens die die kleur droeg. Ik meen daar iets van te begrijpen als ik het rood zie van het Joodse bruidje, die zware mouwen-met-plamuurstreken die de cultuurconventies op haar leggen, maar die toch het bijna wilde rood van haar verlangen niet kunnen tegenhouden. Net zoals haar schaamte het niet haalt van haar hand, die zijn hand-op-haar-borst tegemoet komt en aanraakt, hoe voorzichtig, maar hoe centraal in het schilderij...

Ik meen daar iets van te zien en te begrijpen als ik de gapende zwarte streep zie tussen de stukgebeten lippen van Lucretia, en die kleine verfdruppel die in haar leeggeschreide oog achterbleef.

Soms gaat het zover dat Rembrandt ophield met schilderen als het hem niet meer interesseerde, als het onderwerp maar opvulling was, zoals de hond in de hoek van de Nachtwacht, enkele nooit afgewerkte strepen.

IMG_1479.JPG

 

IMG_1493.JPG

Pierre Kemp moet iets van dat 'schilderend onderzoeken' ervaren hebben toen hij jaren geleden zijn bekende gedicht schreef:

 

     Het Rood van het Joodse Bruidje (Pierre Kemp)

 

Ik heb het Rood van ’t Joodse Bruidje lief,

van toen ik het zag voor het eerst

en ik nog niet begreep,

welk een verkering ik die dag begon.

Ik kwam er ook op dagen zonder zon,

of dat haar licht zich even maar verhief

en vloeide weg in een wankele streep,

dan zocht ik de nuance, die het teerst

en toch nooit diep genoeg

mij lang te blijven vroeg.

Ik zag het Bruidje met de linkerhand

piano spelen op de rechter - van

haar door de tijd bedeesde man

en ik werd niet jaloers. Dat was hún band.

Ik kwam niet door hun minne-schikking treden,

het is mij om het Rood van haar kleed en

anders niets te doen,

ook niet om de entourage in goudig-groen.

Alleen díe kleur zien als een kleur van heden,

of Rembrandt naast mij er mee speelde

binnen de bronzen van de achtergrond

en welke kleuren hij er nog penseelde,

er toch die kleur voor alle tijden vond.

Ontstond zij met of zonder schilderstok,

het is zijn Rood, waarin hij zong Bruidjes rok;

het is mijn Rood, rondom haar rechterhand,

neen, geen juwelen, franjes of kant,

het is maar rood. Het Rood, dat ik aanbid,

vooral als ik in de zon naast Rembrandt zit.

 

 

De commentaren zijn gesloten.