05-03-15

Late Rembrandt (Rijksmuseum, Amsterdam)

IMG_1458.JPG

 

De Rembrandttentoonstelling in Amsterdam heeft ons hart geraakt. Dat overkomt ons niet elke dag met exposities. Maar dan blijven ze ook bij. Eentje dat ons zéér raakte, was jaren geleden de tentoonstelling in Antwerpen: naturalisme in de 19de eeuw.

Er zijn vaak genoeg mooie tentoonstellingen, goed gemaakt en belicht, logisch opgebouwd, een plezier om in rond te lopen. Henri Van de Velde was er zo een. Vaak ook kom je in tentoonstellingen kleine en grote meesterwerken tegen, zelfs al worden ze zo niet genoemd, je ziet in één oogopslag de grote kwaliteit van het werk. Zo’n ontmoeting alleen al maakt een expositiebezoek goed. Ik herinner mij in Brussel de Zurbaran-madonna’tjes, jongemeisjesmoedertjes, met gezichtjes nog veel te jong voor wat hen overkwam.

 

Maar waarom dan een stuk van ons hart voor Rembrandt?

Het was zeer druk, maar gelukkig hadden die Nederlandse calvinisten de boel stevig georganiseerd. De zalen waren thematisch opgebouwd, met prima uitleg naast de werken zelf, en ook in een klein boekje, zodat niet iedereen de rug voor hem moest wegduwen om te kunnen lezen wat er aan uitleg ophing. Maar zelfs in de drukte van ruggen bleven de schilderijen en etsen en tekeningen overeind: ze keken naar je, die zelfportretten van de langzaam ouder wordende meester. Je mocht stil worden bij de totale verlorenheid van Lucretia, en haar wanhoopsdaad. Je mocht met de meester kijken naar zijn zoon Titus, schrijvend op zijn lessenaar, een familiekiekje bijna. En aanwezig mogen blijven bij de (eerste?) intimiteit van het Joodse bruidje, in het echt zou het onwelvoeglijk zijn, hier was het ontroerend.

Dat was de eerste reden waarom Rembrandt ons raakte: omdat hij “naar binnen kan kijken”, naar wat zich in mensen afspeelt. Je hebt mensen die vragen “hoe is ’t” als ze je zien, en dan gewoon verder vertellen met waar ze mee bezig waren, kleine sociale plichtpleging voor mensen die mekaar tegenkomen. Maar je hebt er ook dat die kleine vraag stellen met veel meer (harts)nadruk, waardoor de ontmoeting plots een dieper karakter krijgt: iemand wil weten hoe het met je is! Met jou! Jij loopt er dus niet zomaar bij, een mens tussen de velen. Het doet altijd iets als je als mens zo eventjes ‘opgetild’ wordt. Als je weer zelf mag beseffen hoeveel binnenkant, hoeveel geschiedenis, hoeveel verlangen je meedraagt.

IMG_1494-001.JPGRembrandt kijkt zo naar de mensen die hij schildert, en vraagt, al schilderend: wie is die mens voor mij. Hij doet het met zichzelf, als hij zichzelf schildert: wie is de man met die doordringende blik, wat is dat ouder worden in mijn lichaam, wat is dat bewustzijn van de genialiteit in mij... Hij doet het als hij Lucretia schildert: wat gaat er in een mens om dat zij niet meer verder wil leven... Hij doet het als hij een levendig familieportret schildert: wat maakt een gezin tot die kleine kern van geluk die het kan zijn... Hij doet het als hij een naakte vrouw etst of schildert, met enkele Japans kalligrafisch aandoende juiste strepen inkt: wat maakt een vrouwenlichaam zo fascinerend... Hij doet het als hij over verliefdheid nadenkt: de verlegenheid die de hand op haar borst veroorzaakt bij het Joodse bruidje, de onzekerheid die over Batseba komt, als ze hoort dat koning David op haar verliefd is...

Zoveel keer stilstaan bij de binnenkant van wat een mens tot mens maakt. Niet voor niets verwijzen drie zaalthema’s expliciet daarnaar: “wedijver”, “intimiteit”, “innerlijke strijd, contemplatie, verzoening”...

 

En dan de tweede reden waarom we Rembrandt hebben ‘ontmoet’ zoals nooit voordien: omdat hij dat willen kijken naar de binnenkant al schilderende doet... Het is zoals ik het zeg: je ziet hem bijna schilderen, vegen verf, krassen in de verf, fijne laagjes verf, met plamuurmes uitgestreken verf (hij was de eerste die dat deed), het zijn even zovele vraagjes ‘hoewist’, even zovele pogingen om te ‘luisteren en te begrijpen’... Rudi Fuchs schrijft dat Rembrandt zelfs eerst in kleur dacht, en dan vanuit die kleur iets begreep van de mens die die kleur droeg. Ik meen daar iets van te begrijpen als ik het rood zie van het Joodse bruidje, die zware mouwen-met-plamuurstreken die de cultuurconventies op haar leggen, maar die toch het bijna wilde rood van haar verlangen niet kunnen tegenhouden. Net zoals haar schaamte het niet haalt van haar hand, die zijn hand-op-haar-borst tegemoet komt en aanraakt, hoe voorzichtig, maar hoe centraal in het schilderij...

Ik meen daar iets van te zien en te begrijpen als ik de gapende zwarte streep zie tussen de stukgebeten lippen van Lucretia, en die kleine verfdruppel die in haar leeggeschreide oog achterbleef.

Soms gaat het zover dat Rembrandt ophield met schilderen als het hem niet meer interesseerde, als het onderwerp maar opvulling was, zoals de hond in de hoek van de Nachtwacht, enkele nooit afgewerkte strepen.

IMG_1479.JPG

 

IMG_1493.JPG

Pierre Kemp moet iets van dat 'schilderend onderzoeken' ervaren hebben toen hij jaren geleden zijn bekende gedicht schreef:

 

     Het Rood van het Joodse Bruidje (Pierre Kemp)

 

Ik heb het Rood van ’t Joodse Bruidje lief,

van toen ik het zag voor het eerst

en ik nog niet begreep,

welk een verkering ik die dag begon.

Ik kwam er ook op dagen zonder zon,

of dat haar licht zich even maar verhief

en vloeide weg in een wankele streep,

dan zocht ik de nuance, die het teerst

en toch nooit diep genoeg

mij lang te blijven vroeg.

Ik zag het Bruidje met de linkerhand

piano spelen op de rechter - van

haar door de tijd bedeesde man

en ik werd niet jaloers. Dat was hún band.

Ik kwam niet door hun minne-schikking treden,

het is mij om het Rood van haar kleed en

anders niets te doen,

ook niet om de entourage in goudig-groen.

Alleen díe kleur zien als een kleur van heden,

of Rembrandt naast mij er mee speelde

binnen de bronzen van de achtergrond

en welke kleuren hij er nog penseelde,

er toch die kleur voor alle tijden vond.

Ontstond zij met of zonder schilderstok,

het is zijn Rood, waarin hij zong Bruidjes rok;

het is mijn Rood, rondom haar rechterhand,

neen, geen juwelen, franjes of kant,

het is maar rood. Het Rood, dat ik aanbid,

vooral als ik in de zon naast Rembrandt zit.

 

 

10-02-15

Vieren

20091104_0073-2.JPG

 

Zondag 40 jaar samen. Een tijd zo dichtbij als een vel. Als licht die ogen doet zien als ze open gaan ’s morgens. Veel is vergeten, maar niet dat we er zijn, dat we er geweest zijn, dat we een pad belopen dat ons zal meenemen, verder nog.

 

Moesten we dat niet vieren? Het regende toen we vertrokken naar Rijsel. Maar in het museum voor moderne kunst van Villeneuve d’Asq viel de zon door de ramen en de vitrages. Lieves kleine handtas werd geïnspecteerd op piepkleine terroristenbommetjes. Het schuine hoofdje van een Modigliani-vrouw keek ons aan, met een nieuwsgierigheid alsof ze zelf ook al langer onderweg was.

 

We liepen door de stad Rijsel en vond een een sleuf waar het goed eten was. Zoals vaak in restaurants stond de eigenaar achter de toog en draafde een vrouw onophoudelijk heen en terug met eten en drank en rekeningen. Ach, vrouwen slijten misschien trager af, door eeuwen oefenen...

 

En dan nog wat bewaarde schoonheid in het Museum voor Schone Kunsten, zo Frans als Frankrijk maar kan zijn: pompeuze architectuur, met zuilen en trappen en gewelven, uitkijkend op een plein en een tegenover staand gebouw van minstens evenveel grootheidswaan. In het grote museumgebouw, toch bedoeld als expo-ruimte voor kunst, ging alle aandacht naar het grote lege atrium, moest de middeleeuwse en andere oude kunst maar zien te overleven in donkere kelders onder de grond, waar allicht ooit nog troepen geslapen zullen hebben. De schilderkunst van de latere eeuwen vond een plek op de opengewerkte eerste verdieping, waar genoeg daglicht was, en lucht van de openingen naar het atrium daaronder. Zo hoort het in een museum: licht en ruimte om te kijken en te ademen. Kijken is ademen.

We zagen een geweldige Permeke: De stal, met een donker verzonken boer tussen de schaduwen van zijn beesten in hun warmte en stro. We zagen een klassieke Chagall, zoals altijd samengesteld uit zijn obsessieve beelden, maar weer zo veroverend.  We zagen een monumentale kruisafneming van Rubens, ooit “revolutionair in beslag genomen”. We zagen de meest intieme kus ooit van Rodin. We zagen verblindende vrouwenportretten: de vrouw met het hondje, de vrouw met de handschoen. Ze hingen hoog om onze arme ogen wat te sparen, wij die toch uit een lagere klasse komen. Ach, een museum is een soort volksverheffing: muren en ramen die niets anders te doen hebben dan hoog te zijn (en duur in verwarming) nodigen het gewone volk uit om zich vrijuit welkom te voelen, en zelfs dicht bij al het verzamelde schone te komen, en uitleg te krijgen wanneer nodig. Deze kasteel- en andere pronk is er voor iedereen, zoals het makerstalent ook over iedereen is verspreid: waren sommige schilders en beeldkappers niet arme sloebers die toevallig de juiste handen hadden, en genoeg geluk om de juiste mensen tegen te komen?

 

01-12-14

Koe

Koe van Paulus Potter (in Mauritshuis, Den Haag). De stier, die het grootste deel van het schilderij vult, heb ik niet gefotografeerd....

IMG_1189-001.JPG

IMG_1191.JPG

IMG_1190-001.JPG

27-11-14

Te Middelharnis is een kind verdronken (Ed Hoornik)

Ik wilde langs Middelharnis, omdat ik al zo lang het aangrijpende gedicht kende van Ed Hoornik. Dat hing, zag Lieve, op een kadepaal in de kleine haven. Daar lag het honderd jaar geleden niet alleen vol met vissersschepen, maar daar verdronk ook die kleine jongen...

Let even op op dat chiasme (omkering, ab-ba) in de laatste strofe, slikkend van ontroering. En dat werkwoord 'bed', waarvan ik eerst dacht dat het 'bet' moest zijn, van betten = stelpen. Maar nee, zegt Van Dale, bedden bestaat ook als werkwoord = te bed leggen, te slapen leggen...

IMG_1295-001.JPG

 

Te Middelharnis is een kind verdronken
Ed Hoornik


Te Middelharnis is een kind verdronken:
sober berichtje in het avondblad
onder een hooiberg, die had vlam gevat;
nevens een zolderschuit, die was gezonken.

Zes dagen heeft het in mij nageklonken.
Op het kantoor vroeg men: zeg, heb je wat?
Ik werkte door, maar steeds weer hoorde ik dat:
te Middelharnis is een kind verdronken.

En kranten waaien weg en zijn verouderd,
de dagen korten, nachten worden kouder,
maar over 't water komt zijn kleine stem.

-Te Middelharnis- denk ik, 'k denk aan hem
en bed zijn hoofdje tussen hart en schouder,
en zing voor hem dit lichte requiem...

25-11-14

Waterstadjes

IMG_1236.JPG

 

Het water heeft in dit lage land meegeholpen om de oude stadjes hun idyllische vorm te geven. Zijn architectenhand leidt ons van bruggetje naar bruggetje, van dun straatje naar pleintje met bomen, van trapgevel naar overhellende pui, van schaduw naar vlekken lucht. Op het water snijden de eendje hun sporen in tegenlicht. Langs het water glooien de wit- of zwartgeschilderde balustrades. Baksteentjes zijn een voor een op hun zij in de stoepen gelegd, en laten zich zachter belopen dan kasseien of beton. De uren worden opgewacht door kerkklokken, hun torens scheef, of stomp, of verondersteld en nooit gebouwd. Delft. Brielle. Goederede. We liepen erin, en keken naar onszelf, lopende.

 

Delft

IMG_1218.JPG

IMG_1222.JPG

Brielle

IMG_1241.JPG

Goederede

IMG_1288.JPG

IMG_1290.JPG

19-11-14

Waterland

IMG_1165.JPG

 

Enige dagen in Zuid-Holland. Een wegenchaos en een verkeersdrukte die doen denken aan de Parijse voorsteden. En tussendoor kleine pareltjes van water: hoger gelegen waterlopen, veel lager gelegen beekjes, plassen en plasjes, en rietvelden en kanalen en doorsteken.

Water is het enige landschappelijke schoon in dit verzopen land. Maar het drukt zich weg tussen de verkavelde, volgebouwde, volgefabriekte stukken land, je moet het vinden, zoals je iets vindt dat plots verrassend mooi is.

En dan gaat de zon onder, en wordt dit kleine stukje plots heel groot. En als de nacht valt, is al het lelijke heel ver weg gevlucht, blijft er alleen dit donkere Thierry De Cordier-schilderij over, met allerlei tinten van meer en minder zwart, en diep verzinkende vegen van iets blekers, soms in het water, soms erboven, in die lucht die ook nog verborgen glans heeft.

 

IMG_1161.JPG

IMG_1206.JPG

IMG_1203.JPG

09-08-14

Over het kleine (3)

IMG_0969.JPG

 

3 Het heeft ook iets te maken met tijd, en met geheugen. De tijd is zo’n massieve beweger, we zijn nu al weer een stuk in augustus. En ik herinner me de beloften van de lente nog, en hoe het jaar vers was begin januari.  Als ik niet oplet, lijkt het jaar wel sprongen te maken, gaten achter te laten, zomaar, zonder het te vragen.

Vandaar dat ik mijn geheugen in stelling moet brengen. Het massieve laat zich niet herinneren, behalve als iets massiefs, verpletterend als je er te lang naar kijkt. Nee, ik moet het kleine vinden in dat massieve, om te zien hoe groot ook dat is, op zijn eigen soms vrolijke, soms aangrijpende manier. Maar altijd verrassend, zodat er nieuwe woorden meekomen, en ik toch even ter plekke een kleine pirouette maak, vanzelf even dit lichaam van mij aangesproken voel, meestal vanbinnen, soms toch ook letterlijk: een lach, een dansje, dat mijn vrouw glimlachen moet.

Als ik het kleine ontmoet (met wat het me doet), lever ik mijn geheugen wapens tegen het massieve wegglijden. Ik zal mij het gezicht herinneren op die grote frescowand (Jenzat, Fr), meer dan de wand zelf.

Dat is het wonderlijke aan foto’s, dat het zulke gedroomde bijhouders-van-je-geheugen zijn. En zelf ook zo machtig scherp willen kijken. Net als camera’s (die ik niet heb). Ik zag ooit een docu over De toren van Babel van Bruegel, door Harold Van de Perre. Zijn camera kon doordringen tot in de kleinste hoek van elke verdieping van dit wonderlijke gebouw. Niet alleen dat ik mij afvroeg hoe Bruegel zo godsonmogelijk klein kon schilderen, maar vooral dat ik toen pas, via die kleine hakkende, tillende, kijkende mensjes iets zag van de immensiteit van de droom Babel, letterlijk en ook figuurlijk.

Het kleine is niet klein, nooit geweest. Het kleine bevat in zijn kleinheid alles van dat grote. Alleen moeten we moeite doen om het te willen zien. En tegen alles ingaan dat maar droomt van succes, en rijkdom, en prinsessenbloed. Maar als we eenmaal het grote van het kleine hebben mogen zien, vergeten we het nooit meer. De tengere, gevoelige Maria Beert (Het recht van de sterkste, Buysse) heeft me meer geleerd over het arme Vlaanderen in de 19de eeuw dan veel geschiedenisboeken...  

08-08-14

Over het kleine (2)

IMG_0931.JPG

 

2  Het is ook dat voor mij zo weinig abstract is. Ik heb blijkbaar overal behoefte aan een lichaam: aan handen die werk verzetten, aan hoofden die een beslissing nemen, aan ogen die schoonheid zien, aan lichamen die te samen het onmogelijke voor elkaar krijgen. Het geloof dat deze kathedraal boven zichzelf doet uitstijgen, ik zie er het hoopvolle vergezicht wel in, maar toch grijpt mij meer de gezichtsloze steenlegger aan, en de scheeflopende vrouw die een kaars aansteekt, en de dromende jongeman achteraan op een stoel alleen. Priesters kleden zich op voor het abstracte idee, terwijl het zo concreet onder onze ogen gebeuren wil: dat schrift dat bij het Mariabeeld ligt en vol staat met schrijnend verlangen. Geen abstract antwoord is er dan, noch veel minder een concrete miraculeuze daad, maar wel nabijheid. Een soort groot luisteren, heb ik het ooit genoemd. Helpt dat luisteren, als het toch geen concrete oplossingen op zak heeft? Jawel, het helpt. Wie ooit diep is beluisterd, weet dat.

Vaak, slenterend door de straten van weer een stad, zou ik achter de deuren en de muren willen kijken, naar de romans die daar geleefd worden, in al hun directe oorspronkelijkheid en tragiek. Zonder enige vorm van bedreiging te vormen aanwezig kunnen zijn bij weer een groot verlangen, hoe verzwegen het ook leeft door de dag. Dat men mij niet opmerkt, en ik mag kijken en luisteren, mijn ogen uit, mijn oren in. En zo weer iets begrijpend van die grote woorden die zo vaak al te abstract worden gebruikt: leven, verlangen, verdriet, vreugde...

 

IMG_0620.JPG 

(foto: kathedraalbouwers, brandglas in Clermont-Ferrand & huizen in Riom)

06-08-14

Over het kleine (1)

IMG_0564.JPG

 

1 Ik vraag mij af waarom die kleintjes mij iets doen. Als ik zoiets onopvallends opvallends  tegenkom, dan is het vaak of ik beter de hand kan zien die daaraan gewerkt heeft, schreef ik eergisteren. Alsof de kleine maat beter de situatie oproept van schepping: iemands inval, iemand die een lijn trekt, of een kleur kiest, de zorg waarmee gewerkt wordt, afgewerkt wordt.

Creativiteit op grote schaal verbluft op een andere manier: de zuilen waar het kerkdak op staat, hoog daarboven; dat grote overzicht dat de bouwmeesters gehad moeten hebben; die kennis, van materiaal, van zwaarte, van evenwicht, van verhoudingen, van licht. En toch is het die ene steen na de andere die alles op- en rechthoudt. Maar die ene steen zien we niet. Behalve als de steenhouwer er zijn merkteken in heeft aangebracht. Dan, ja dan zie ik iets oplichten van een man die met zware werkhanden en misschien wel gebogen rug dagenlang, met meetlat en model, aan de steenblok heeft gekapt. Naamloos als iedereen die voor mij leefde en werk achterliet, maar toch, even riep zijn merkteken hem wat dichterbij.

Het enige wat ik, uitkijkend over de straten en huizen van een stad, de bewerkte landerijen daar rondom, kan verzuchten, is: zoveel last verzet door zoveel handen... En dan werkt het kleine voor mij omgekeerd: de boer die de worteltakken uit zijn nieuw aangelegde land een voor een verwijderde, hij is vergeten door wie na hem kwam en de grond omploegde, en zeker door wie van het geteelde graan croissants kan eten, maar hij is er nog, opgenomen in dat grote, samen geleverde werk. Het grote rondom mij, het is uiteindelijk maar de optelsom van al die ontelbare kleinigheden...

Is dit een bedenking die mij dan, daar en nu toekijkend, een vorm van troost biedt? Misschien wel, al was het maar omdat ze de voorbijgaande tijd enigszins buitenspel zet. Misschien ook omdat ik er een collectief mensenverlangen naar opbouwen in zie, veel sterker dan de evenzeer menselijke razernij die van tijd tot tijd moet afbreken. De handen die het opklimmende straatje in Moulins steen voor steen legden, zijn allang verteerd, tot en met hun botten, maar ik loop op hun werk, ik haal al stappend iets van hun verhaal binnen, zonder daarom details te weten, enkel dat wij allemaal mensen zijn, die elkaar ontmoeten voor en na ons, op een manier die eigenlijk wel ontroerend is, als je er even wil bij stilstaan.

05-08-14

Auvergne: nog wat kleintjes

De staart-tussen-de-benen van het schubbenmonster op de buitenmuur van de kerk van Fleuriel, de borstjes van de heilige Catherina (Jenzat), de verwezen blik van de madonna (Ronzière), de prachtige keitjesvloer en de namiddagzon (St Julien in Brioude), die treiterende spiegel van de duivel (met zijn vrouwelijk slachtoffer op weg naar het inferno, in Ennezat), het kleinste deurtje van Frankrijk (Moulins). En zo voort, er is nog veel meer.

 

IMG_0989.JPG

IMG_0977.JPG

IMG_0756.JPG

IMG_0822.JPG

IMG_0648.JPG

IMG_0547.JPG

 

 

13-07-14

Georgië: de overledenen

Tot slot, om de reeks over Georgië af te sluiten, enkele foto's van overledenen en hun graven, of grafhuisjes. Eentje fotografeerde ik al rijdend, een in het zwart geklede jonge vrouw was het graf-onder-afdak aan het reinigen van wat allicht haar man was geweest. Twee foto's op graven bij een kerkje, met de mooiste indringende blik die ik ooit op graven zag. En voor een jonge vrouw maakte iemand een waar tempeltje... (Ik heb het meer gezien in Georgië, dat men een kastje maakt met herinneringen aan de dode, en soms zijn die herinneringen wat uitgedeind...). In de bergen bouwt men soms graven rond een bron langs de weg, ook dat is mooi. En is er nog die drinkebroer, die zich liet vereeuwigen met de doodsoorzaak in de hand (die ramshoorn maakt deel uit van de aloude toast-met-speechtraditie hier, vijf tot tien keer per feestmaaltijd, met eigen ogen gezien, en je werd verondersteld die hoorn ineens uit te drinken...)

 

IMG_9860.JPG

 

IMG_9505.JPG

IMG_9503-001.JPG

 

IMG_9498-001.JPG

 

IMG_9496.JPG

 

IMG_0449.JPG

10-07-14

Georgië: werken...

IMG_0468.JPG

Horlogemaker en minicafeetje, allebei langs de straat

IMG_0469.JPG

IMG_0461.JPG

Straatwinkel en barbier

IMG_0201-001.JPG

08-07-14

Georgië: ontmoetingen 2

IMG_9768-001.JPG

 

IMG_9836-001.JPG

04-07-14

Nog Georgië

IMG_0133.JPG

 

De man die de varkens naar huis jaagt, ze even in het voorbijgaan tegen hun poten tikt, tot ze kajieten, hoog en schril

De vrachtwagen (in grote letters Wuustwezel erop geschilderd) die een hele lading flesjes water aanbrengt, en pampers waarmee dan individuele auto’s tot barstens toe volgepropt worden (waarschijnlijk smokkelwaar voor of van Rusland)

De jonge monnik die zijn jeep de steile ongeplaveide straat opjakkert

Drie mannen gesticulerend, twee op een van de vele banken voor de huizen, één rechtstaand, over iets dat zo lang is, zoveel breed, zo hoog

Twee oude in het zwart geklede vrouwtjes die de avond wegbabbelen

De jonge koe die op de hoek van de straat vergeten is, en maar blijft burrelen, in hoge melknood

De zware, schonkige Russische vrachtwagen, op dezelfde straathoek

De vreemde, prachtige wilde bloemen

De vele lege huizen in de dorpen

Het monument voor Stalin dat in de reisgids staat maar dat in het bewuste stadje niemand schijnt te kennen, tot er iemand duidelijk aangeeft dat het verdwenen is

De brede poorten waar de armdikke gasleidingen langs en over lopen, en waar een bank staat te wachten op de avondlijke gesprekken

Groot onweer in de Kaukasusbergen, met een overvloed aan bliksems die een hele ruimte doen oplichten

De voorbijganger die ons bedankt dat we de Russen verslagen hebben op het WK voetbal

Fijne ranke gezichten van de meisjes en jonge vrouwen; ronde, ovalen gezichten van de mannen

De op zijn gitaar rockende oude voor de deur van zijn huis, onder de druivelaar, in marcelleke, die loos gaat als ik hem feliciteer, en zijn weemoedig glimlachende vrouw naast hem in het deurgat

De overdekte markt met zijn geuren en smaken en kleuren, en geduldig wachtende verkopers, soms ingedut, soms biddend, meestal starend

De kerken en kerkjes vol fresco’s, als een stripverhaal in steen en kleur en licht

De smerigste appartementsgebouwen voor de Georgische vluchtelingen uit de oorlogsgebieden van begin eenentwintigste eeuw (Abchazië, Zuid-Ossetië)

De door de Russen gebombardeerde dorpen, heropgebouwd in rijen van volkomen identieke kleine huizen

De enkele graven van Duitse krijgsgevangenen, hoog aan de Military Highway naar Rusland, omringd door regen en mist en kou

Het zalige nietsdoen van de monniken (zo lijkt het toch) onder het afdak van hun stille kloosters, achterovergeleund op hun stoel; het onophoudelijke bezig blijven van de nonnen in de kerken (schoonwrijven van de gekuste relikwieën, kaarsstompjes verwijderen, vegen, opletten dat de toeristen niets verkeerd doen...)

De koeien langs en op de wegen, niet achter schrikdraad maar zo vrij als een vogel hier in dit land, en met ware minachting/doodsverachting voor het verkeer

Het Georgische polyfonie zingende trio in de grottenkerk van Vardzia: twee jonge Georgiërs en een Amerikaanse blonde jongen, gedoktoreerd op de materie in Princeton, op één van zijn vele studiereizen hier

Overal dat sierlijke Georgische schrift, zo veraf van onze hoofdletters-in-het-gelid, en de oude leraar (in het winkeltje met drie schriftjes en tien kleurboekjes) die met zoveel passie ons de tekens uitlegt

Het vele mooie roest van Georgië

Kerkhoven waar de foto’s van de overledenen met laser in het marmer zijn gestraald, soms levensgroot en soms in kleur

De “vergeten”, verloederde, lege benzinestations

De vele “vergane” bushokjes, elk nog de schim van zijn eigen oorspronkelijke esthetiek

De lege fabrieken, soms enkel nog hun skelet, als dunne Griekse tempels

De gek bij het afbrokkelende spoorwegperron, die telefoneert met een kopje tegen zijn oor

Zoveel herinneringen aan mijn kindertijd: de elektrische palen, de hoofddoek voor de vrouwen, de kleine winkeltjes met hun eigen specialiteit, de losse boodschappentassen (“malen” noemden we die toen) die altijd meegedragen worden, overal stappende mensen ergens naartoe, het vele eten dat de gasten krijgen, de volksdevotie, de kruistekens op straat bij het voorbijgaan van een kerk, de eerbied voor de popes, de houten weecees, het familiaal samenleven van generaties

De vredigheid van een morgendlijke groententuin: de ranke oma in haar grijze kleed geeft met een kopje de jonge aanplant stuk voor stuk water, achter haar loopt het kleine paadje naar een hekje, onder de fruitbomen door, waarachter een in het zwart geklede zware vrouw een koe naar de wei drijft; er kwetteren vinken, op de bergwanden drijft langzame mist, in de tuin slaapt nog een hond

Warme avonden die niet lijken te eindigen

De schoonheid van het verval, als je er de tijd in ziet, in elke nerf een ander spoor

 

IMG_0409.JPG

(foto's: Gelati-klooster, en het torendorp Ushguli, in Svanetië, het afgelegen hoge Noorden)

 

 

03-07-14

Georgië : ontmoetingen

IMG_9407.JPG

De herder te paard, dicht bij de Azerbeidjaanse grens, die verlegen glimlachend met zijn Hollywoodgezicht een sigaret opsteekt en zegt: Smoking, no good.

IMG_0220.JPG

De leraar Engels, geschiedenis en Georgische literatuur, die ons met overgave het sierlijke Georgische schrift uitlegt: 33 fonemen (klanktekens), een complexe uitspraaktaal. En het verhaal van die ene moeilijke klank, die God betekent in het Georgisch, en ook de eerste klank zou zijn die baby's uitbrengen...

IMG_0019.JPGVrouwen in een avondlijke straat, aan de klap met elkaar, met hen spelende kinderen. En nieuwsgierig naar de vreemde wandelaars die blijkbaar geïnteresseerd zijn in hun huizen. Een van de kinderen spreekt ons in het Frans aan (leeft hier bij oma en opa, ouders werken in Frankrijk) en daar is hun kans om kennis te maken, kinderen te tonen, en hun tuintjes. Een onhandig gesprek, maar zo'n ruimhartige openheid...

IMG_0005.JPGDe man die ons in Akhaltsikhe, een provinciestadje met veel armoeappartementsgebouwen, binnenroept in zijn tuintje, zijn hof van Eden, dat hij bevloeit met zelf gegraven kanaaltjes. Er is geen gesprek mogelijk, behalve die van pure gastvrijheid: even uitnodigen, een hand geven, witte moerbeien eten van de eigen boom, de zoon feliciteren voor de paar woorden Engels, de moeder voor haar vier kinderen (vier vingers omhoog...) en de man voor zijn werk en zijn opsomming van Belgische voetbalploegen.

IMG_9362.JPGDe vrouw die, vlak in het centrum van Tbilisi, een drukke wandelweg, woont in een zelfgemaakte tent, en zorg draagt voor een resem kattenjongen, oude honden en rond haar verzameld spul.

02-07-14

Tbilisi: balkons

IMG_9604.JPG

 

IMG_9593.JPG

 

 

IMG_9393.JPG

 

 

IMG_9392.JPG

 

IMG_9391-001.JPG

16-05-14

West-Zeeuws Vlaanderen: over kleine en grote lichamen

IMG_9175.JPG

 

West-Zeeuws Vlaanderen: kleine en grote lichamen

Een stel duiven scheert over de daken, donker eerst en, kerend, plots helwit oplichtend, van de glans die op hun borst valt.

Scheren is het juiste woord: ze gaan rakelings langs iets, in een beweging die juist lijkt, juist is, en daardoor ruwheid weghaalt en schoonheid achterlaat.

En dan, op de nok van het dak, een beetje gaan flirten: wat stapjes die geen stapjes zijn, maar uitnodiginkjes, en dan even zien wat de ander daarmee doet.

Tijdens de wandeling: wellicht toch een leeuwerik gezien, met die frenetieke vleugelslag, een beetje wild, net zoals hij zelf zingt. Bird on speed.

Die duiven kunnen ook landen als volleerde passagiersvliegtuigen: zonder vleugelslag dalen, borst vooruit, louter op restsnelheid en zwaartekracht.

4  

De ekster in zijn gothic pak, zwart-wit als levenshouding, en toch hiphoppend zich voortbewegend, je verwacht dat hij het volgende moment op z’n kop gaat breakdancen.  Hij heeft zo’n oog om je kwaaier aan te kijken dan allicht bedoeld, klein hartje maar grote bek, zoiets. En als hij op het laatste moment opvliegt, toont hij al zijn tatoos.

5

Sommige wezens, daar moet je gewoon bij blijven staan of zitten, ze zijn te groot voor je, maar ze verdragen je wel. De zee: dat zo’n massief lichaam toch op z’n plaats blijft liggen, zich kerend en draaiend, dat wel, onrustig als altijd, maar geen dreiging om plots agressief uit te halen. Of de regen die over het dak loopt, een heel leger van infanteristen trekt voorbij, over daken en grond, en je hoort de militaire training in de looppas, en de verbetenheid in de snelheid. Soms stampt er een luider dan de anderen, maar in het algemeen vormen ze één lichaam.

6

En dan de zwaluwen. Hybride straaljagertjes zijn het, gas geven met de vleugels open, energie sparen en ze dichtklappen. Het gaat allemaal zo gezwind, aangeleerd van jongs af en genetisch voorbereid door de voorvaderen. Open, dicht, open, dicht. Was er niet ook een Engelse fighter die zijn vleugels zo schuin naar achteren had? Die kon ook loodrecht landen, dacht ik, misschien dat zwaluwen dat ook kunnen. Maar nooit voor de show. Misschien wel in oorlogstijd.

En dan de kreetjes van het zwaluwvolk. Gezelle maakte ze onsterfelijk, in dat onomatopeeën-taaltje van hem. Zie zie zie, zie zie zie, zie zie zie, / tieren de zwaluwen één twee drie. Het is een perfecte weergave, dat gedicht (Gierzwaluwen), van het zingend gieren van die kleine jagertjes. Ze vliegen laag als de insecten ’s avonds laag hangen, en soms komen ze recht op je af en net als je denkt oei, gaan ze links- of rechtsaf, of hup de lucht in. Voor hen ben je maar een van de vele bomen die wat trillen in de wind. Niks eetbaars, gewoon een wezen op hun radar.

Ach, die zwaluwen, met hun gevorkte staart en zenuwtrekkerig racen. Toen ik klein was hingen de nesten onder aan de daken en keken de kinderen hoe de kopjes van die andere kleintjes boven de rand uitstaken, en piepten om eten. Vandaag zouden de nesten ‘weggesaneerd’ worden, in naam van de God Hygiëne, en hoor ik op de radio dat de Belgische kleine Nobelprijs wetenschappen, de Franquiprijs, toegekend is aan een onderzoeker die ontdekt heeft dat onze afweerstoffen, door al die hygiëne, het noorden kwijt zijn, en in plaats van te reageren op virussen, nu gaan reageren op allergieën.

7

Vergis je niet in die dorpjes hier. Ze lijken ingeslapen, oudjes met ingezakte schouders bij elkaar op de bank, er is weer een dag die lijkt op de vorige, er gebeurt toch niets. Maar net in deze dorpjes golfde vroeger de zee, vochten de Spaanse troepen, kwamen de Noord-Franse Hugenoten binnengevlucht, spoelden tsunami’s over, werd een predikant tijdens zijn eerste kerkdienst doodgeslagen door Roomsen, liet Vader Cats zijn poëzieschrift liggen om nog een stuk land in te polderen, begon hoofdonderwijzer Van Dale aan zijn woordenboek, waaien agressieve winden, rekken hemels zich uit met volle borsten, en varen koppig zwijgend nog altijd schepen met vracht voorbij, vroeger over het Zwin dat nu horizon is geworden, en vandaag over die andere horizon, de grote Noordzee. Mooie namen hebben ze: Hoofdplaat, Ijzendijke, Groede, Waterlandkerkje.

 

 

05-05-14

Dagje Brussel: zaterdag 03.05

IMG_4211.JPG 

De meisjeskopjes van Zurbarans Madonna’s in het PSK...

De acterende personages van Michaël Borremans in datzelfde PSK, soms overtuigend, soms (en te vaak) enkel acterend...

Elegante sluierdragende moslimmeisjes, met spannende jeans en laag uitgesneden balletschoentjes...

De zon die door de lange straten valt, hoe langer, hoe luier...

De afgedankte kleren waarop Alain Platels dansers, in Tauberbach, hun leven bewegen, verder dragen of opgooien, spastisch bevechten of met overgave toevertrouwen aan elkaar...

De naaktheid waarmee die ene, door het leven versleten schizovrouw, zich wapenend met kleren en geschreeuw tegen de stemmen in haar hoofd, durft te eindigen, haar kwetsbare lichaam nu bijna naakt, zonder bescherming, maar gedragen door de anderen, en zonder de stemmen...

De Afghaanse vluchtelingen in de Begijnhofkerk, afgeschermde tentjes in de linkerbeuk, met rechts een expo over slavernij vandaag, en in het midden een tafel met stoelen rond, waar zoals thuis brood en wijn worden gedeeld, om toch iets van het perspectief gaande te houden. En wij die tegen elkaar zeggen: dit zal inderdaad niet het soort kerk zijn waar Leonard van houdt, vandaar dat hij ze buiten wil...

De loverboy aan het restauranttafeltje voor ons, die de jonge vrouw naast hem gek maakt met zijn grote ogen en brede tandenglimlach, één en al zelfvertrouwen in dat lichaam, en zij maar kirren, giechelen, tegenaanvlijen, handen laten opvliegen, en weer kirren, giechelen, vlijen, opvliegen...

 

15-04-14

Kleinmuziek

IMG_8972.JPG

Aansluitend bij de voorvorige post: we gingen in de Handelsbeurs luisteren naar Kristiaan Bezuidenhout, die op zijn glanzendhouten pianoforte Mozart speelde, en de wonderlijk creatieve C.P.E. Bach.

Wat een verschil toch met het grote geweld van het symfonieorkest! Dit was luisteren naar het geheim dat in één klank kan zitten, naar het geheim dat vrijkomt als klanken naar elkaar willen luisteren, op het juiste moment hebben leren spreken, elkaar lijken te verstaan in dat spreken.

Wat een buitengewoon respect toch in kamermuziek, een les voor de levenden, die door de straten banjeren, die deuren dichtsmakken, die vormeloos getater normaal vinden, die nooit lijken te willen wachten, die zelfs niet weten hoe vol wachten al kan zijn, zoals ze nooit de tijd en de ruimte hebben om te leren luisteren naar de stilte tussen twee noten. Noch dat ze iets weten van kracht als die volkomen beheerst ingehouden wordt, zoals de vingers van Bezuidenhout hun toetsen kunnen aanslaan, die hamertjes met leer kunnen laten klinken: handelen, maar dan volledig in samenspraak met voor en nadien, met boven en naast en onder, met mens en ding, met zelfs het woordeloze waarom van deze aanwezigheid op dit moment...

Tuurlijk, ook in een grootmacht als zo'n orkest-in-de-breedte-en-in-de-diepte draait alles om respect, om het luisteren-in-samenspraak. Dat is net een van de fascinerende kanten van dit "geweld": dat het zo precies klinkt, zo op het juiste moment gebeurt, zelfs met al die mensen en al die instrumenten.

Maar deze vingers aan de zachte pianoforte spelen met stilte en klank tegelijk, die ongrijpbare overgang tussen waar een noot ophoudt, en na-klank wordt, alsof die verder gaat in een voor ons onhoorbare wereld. Of net dat moment waar, uit die grote stille leegte, weer een nieuwe klank tevoorschijn treedt, het is alsof wij als publiek mee op de juiste manier moeten ademen, wachten, verwachten.

Wat er is, in al zijn toch onverwachtheid, van waar komt het toch? Waar gaat het naartoe? Waarom !klinkt! alles wat bestaat? Waarom horen we in aandacht nog net dat beetje verder? Waarom is luisteren opgetelde kracht?

Geen grote vragen hoor, ze waaien vanzelf als een vlaagje wind door mijn kop, en verwondering is hun kleur, ze hoeven niet direct een antwoord. 

11-04-14

Lente-wilskracht

IMG_8969.JPG

 

Verbazingwekkend die gerichte wilskracht die elke lente weer rondom losbarst. Er ligt een plan d’attaque klaar, en de troepen gaan ervoor, als op bevel.

Ik zou een beter beeld moeten kunnen vinden. Een heel atelier van de meest begaafde ambachtslui werkt dag en nacht nu, en maakt toch geen onnodig lawaai, scheldt niet op elkaar als het ritme stokt, als de bestelling vervroegd wordt. De maestro zelf zie je ook niet. Er is een stille afspraak dat hij zijn werk kan doen zonder gestoord te worden.

Maar de hele lichtdoorschoten ruimte rondom mij is zijn showroom: de tulpenboom draagt zijn crèmebladeren nu al met kragen van lichtgroen, wiegend op lange ballerinabenen; de kerselaar wordt weer overdadig barok in haar paarse tenue; de tulpen staan in groepjes ogenschijnlijk te lanterfanten, als straatmeiden op de hoeken, maar ze zijn wel degelijk met hun eigen willetje en uitstraling bezig; de viburnum kaatst met zijn witte bollen als een jongleur die niets meer te leren heeft; het krentenboompje beleeft zijn korte moment de gloire; de perelaars schuimen ook, maar weten dat het zwaarste werk nog moet komen, het zijn taaie werkmannen, soms krom gegroeid van het vele werk...

Wie dit licht afstelt, weet ik niet, maar het is van een klaarheid die schittert als lak. Oude Japanners allicht, ingehuurd voor het seizoen, en dan weer naar huis.

IMG_8981-001.JPG

06-04-14

Grootmuziek

 IMG_8816.JPG

 

Grootmuziek

Indrukwekkend concert van het groot symfonieorkest van Wrocław, Polen, in de Bijloke gisteren: de Klaagzangsymfonie van Gorecki, die diep in mijn merg kroop, en een  spectaculaire Lutoslawski (een Treurzang, en zijn beroemde Symfonie voor orkest). Bij dit laatste werk wist je niet waar eerst gekeken en geluisterd...

Daarvoor gaat een kamermuziekmens als ik naar een groot orkest luisteren: om opgetild te worden en elders neergesmakt, zoals de golven van de oceaan doen, als je het waagt in hen te gaan zwemmen. Om die muur van geluid als kiezels in het schuim tegen je te krijgen. Om dat diepe grommende geluid te horen, dat soms van voor de mensen lijkt.

Maar ook om te zien dat het toch mensen zijn die zulke brede poorten kunnen openzetten: hun armen, dat lijf dat beweegt, hoe ze zitten op het puntje van hun stoel, hoe hun blik is, vol geconcentreerde leegte. En dat er een mannetje is, gisteren zo ongeveer anderhalve meter groot, dat met zijn lichaam, half dansend, heel dat massieve geluid laat beginnen, en eindigen, op datzelfde moment dat maar een fractie seconde groot is. En net daardoor zo ongrijpbaar. Alsof je een snee maakt, en nog geen pijn voelt.

 

 

04-03-14

T.S. Eliot

IMG_8140.JPG

 

Maandag 03.03. Hele dag met Eliot bezig geweest. Eerst de boeiende internetles van prof Nick Mount (universiteit Toronto) over The Waste Land. Wat mij daarin trof was Eliots visie dat achter de fragmenten realiteit die tegen ons aan botsen, oude verhalen verborgen zitten. Klassieke verhalen, middeleeuwse verhalen, bijbelse verhalen, mythologische verhalen. Dat is iets wat mij ook steeds duidelijker wordt, en waarom ik aan de hand van Willem Barnard de hele bijbel wil doorlezen. Vertalen is niet ‘strippen’, betoogt Barnard, ontdoen van al wat we niet (meer) begrijpen, omzetten in ons taaltje zoals vandaag veel gebeurt met oudere literatuur (hertalen noemt men dat, maar soms is het regelrecht herschrijven, leegschrijven). Lezen is volgens hem proberen, met moeite jawel, het vraagt tijd en studie, is proberen binnen te gaan in die oude taal, om weer wat mythologisch te leren denken, weer historisch te leren denken (al die verwijzingen maakten toch wel een groot bouwwerk, cfr de ‘constructie’ van de bijbelse boeken, waar zoveel joodse en christelijke geleerden hun leven aan hebben gewijd).

Ook trof mij Eliots “impersonal theory of poetry”, dat grote poëzie geboren wordt uit “the continual extinction of the personality”, zodat de dichter niet zijn persoonlijke wereld uitdrukt, maar toegang krijgt tot de vele gemeenschappelijke stemmen...

Die verschillende stemmen die Eliot in The Waste Land laat horen, herkennen die oude verhalen niet meer. Net zoals wij, lezers, ze niet meer herkennen en ons geconfronteerd zien met wat we dan maar een hermetisch gedicht noemen. Net die breuk in de geschiedenis is de grote droefheid die door het gedicht loopt, letterlijk door de Eerste Wereldoorlog in landschap, dorpen, steden en mensen gekerfd. Die versplintering zie je in alle kunst na WO1, bij ons bijvoorbeeld in de Van Ostaijen van Bezette Stad, waar de bominslagen letterlijk uitgebeeld worden in klank en lettertype en lay-out.

Maar boeiend is de eenheid die Eliot in die versplintering probeert aan te brengen: het verlangen namelijk naar een vrede die groter is dan we kunnen uitdrukken... Zo eindigt het gedicht trouwens. Dat verlangen zal Eliot een aantal jaren later ertoe brengen lid te worden van de Anglicaanse kerk: hij zocht zijn vrede-groter-dan-kan-worden-uitgedrukt in de traditie van zijn nieuwe vaderland.

Je zou heel de 20ste eeuw is het verhaal kunnen noemen van brokstukken waarachter een verhaal schemert: van de Ijzertoren en Guernica tot Irak, van de instorting van de grote godsdiensten en ideologieën (al spartelt het kapitalisme in blinde hoogmoed fel tegen) tot de trouweloze kiezer en zijn demagogische voorman, van nauwelijks nog geschiedenis- en literatuurles op school tot de plaatjesmedia, generaties zonder werk of op de vlucht, enzovoorts.

Maar Eliot is te somber, ik ben te somber als ik hem volg in zijn nostalgie. Geschiedenis is altijd al een verhaal van breuken geweest, en de oude verhalen zijn niet mooi rechtlijnig doorgegeven, soms zelfs helemaal vergeten onderweg. En de kracht van mensen om een tegenstem te laten horen is weergaloos: ik ging vorige week luisteren naar een jonge vrouw die al jaren bij AZG werkt als vroedvrouw en nu een hulpkreet liet horen over wat er gebeurt in de Centraal-Afrikaanse Republiek, over de onverschilligheid van de wereld voor een land zonder olie, ertsen, havens... Als we spreken over vrede, dan kunnen die mensen daar iets over zeggen... Gisteravond een jong koppel op wafelbakbezoek: ze hebben bewust geen televisie, geen auto, eten bewust, proberen bewust hun hele jonge leven te doorweven van het grotere verhaal van een aarde die voor ons kan zorgen als dat ook wederzijds is. En wat de oude verhalen betreft: zij studeert, tussen haar andere werk door, godsdienstwetenschappen. Niet om devoot een clerus te dienen, maar om die oude traditie met eigen ogen te leren zien en te begrijpen. En Patrick Lateur vertaalde de Ilias en de Odysee in prachtig vertrouwd klinkende jamben. En, en, en: er zijn zoveel hoopvolle en’s, allemaal kleine breuken waar het vroegere doorstroomt in het latere, zinvolheid is niet tegen te houden. “There’s a crack in everything, that’s how the light comes in,” zingt Leonard Cohen.

Ik las verder in Eliot en stootte op de vierde van zijn Preludes. Maar daarover een volgende keer meer.

 

IMG_8273.JPG

 

(foto: verlaten fabriek in Arques, Nord-Pas de Calais + kathedraal Bourges. Het ene oude verhaal, dat van de industrie, moet herdacht worden, het andere, dat van de Roomse kerk, ook)

 

01-02-14

Wellevendheid

IMG_7164.JPG

 

Iedereen vindt vandaag dat hij zijn zeg moet kunnen doen, zei Lieve gisteren in de auto, op weg naar Gent, en mede daardoor gaat beleefdheid achteruit. Ze had net verteld over de oudere man die haar twee keer bedankte omdat ze de stugge deur van het postkantoor voor hem open had gehouden, en ik had gezegd dat beleefdheid soms zoveel genoegen kan doen, een genot kan zijn, een beschavingsgenot.

Vroeger gebruikte men het woord wellevendheid als het om beleefdheid ging, zei ze nog. We kregen er zelfs les over, op school.

Vandaag floreren weer de boeken over hoe goed te leven, maar wat betekent wellevendheid anders dan letterlijk op een goede manier (‘wel’) te leven? Danken is niet sentimenteel, noch een nors voorrecht, maar delen van de rijkdom die menselijk respect nu eenmaal is, je wordt er rijker mens van, je zelfvertrouwen draait er soepeler van, en vlugger. Groeten is geen verplichting, maar delen in de rijkdom van menselijke aanwezigheid, je wordt een boom in plaats van een eenzaam blad. Laten voorgaan is geen zwakheid, maar het diepe besef dat leven geen bezit is, maar een spontaan krijgen, van moment tot moment zelfs, zo gaat het met jou, zo geef je het terug aan wie toevallig bij jou in de buurt is. Aandacht voor de juiste woorden en gebaren en kleren en houding en stemvolume en zwijgen is geen overdreven gehoorzaamheid, maar historisch inzicht dat een maatschappij het best zo geleefd kan worden, niet in chaos en moord en doodslag, maar in stijlvolle omgang, die soms de graad van schoonheid bereikt, in elk geval meer bezig is met genot en rust dan met spanning en conflict...

20-01-14

einders

IMG_4224.JPG 

Uitkijken over de hemels die ik vanuit mijn bureau kan bezien, doet mij goed. Alsof er een continuïteit in mijn leven zit die de veranderingen zichtbaar maakt. Ik ben nog altijd de kleine jongen die aan de achterkanten van huis en stallen en Duitse bunkers naar de horizon bleef kijken. Die grote natte canvassen, dat eindeloze licht, die boomtakken, die doffe en felle kleuren, die wind, ze waren er toen en ze zijn er nog altijd. Ik raap mezelf bijeen als ik over hemels uitkijk.

Het geren van de stad en haar straten: ook daar moet ik stilstaan tegen een gevel, of aan een zwaaideur, tot ik dat ene gezicht zie dat me raakt, of die weerspiegeling in een plas op het wegdek, of die stem hoor die een hele wereld meebrengt, al is het maar voor even.  Van teveel winkelramen die op elkaar gelijken, van teveel geroezemoes dat stationair draait, van teveel verkoopsters die allemaal dezelfde bewegingen lijken te maken, word ik zelf ontvreemd uit mijn eigen lichaam. Laat mij even achter de frons op hun voorhoofd kijken, alsof dat de vraag was die ik wilde maar niet mocht stellen. Laat mij binnengaan achter een voordeur, en ruiken aan een verhaal van jaren oud. Ik zat in de hall van een rusthuis pal in het centrum, met een bushalte voor de deur en auto’s die maar blijven langsrijden, en ik wachtte om buurman T. naar huis te brengen, en ik kon de oude voeten zien die voorbij kwamen, en hoe elk leven zijn eigen gewicht meedroeg, soms in een soort kramp, maar veel vaker als een soort dans. Vertraagd, verstild, dat wel, maar toch, je zou moeten oefenen om het te kunnen. Ik vermoed dat ik geschiedenisboeken heb gezien, en romans, en hier en daar ook een lied of een gedicht, en elk gezicht borg niet alleen schilderijen in haar of zijn hoofd, maar was er zelf ook een. In dat eenvoudige kwartiertje daar in die hall, met een kleine volle zwartharige Gents pratende vreemde vrouw aan de receptiebalie, zag ik genoeg einders om weer een eindje voort te kunnen.

 

(Foto: Brussel)

10-01-14

een mooie dag

Mooie dag in Brussel gisteren. Henri Van de Velde bleek een meester-schoonheidsvinder. Zijn niervormige bureau maakte grote indruk: die onderbroken curve, die pootjes die nog even naar binnen gaan, die lijn rond het tafelblad die een kleine aanrollende golf lijkt, en breder wordt ze naarmate meer naar achter plooit (Van de Velde laat vaak lijnen aanzwellen en weer dunner worden), dat eikenhout dat de eeuwige jeugd lijkt te hebben...

Bij het bureau herkende ik Karen V., als gids van het museum uitleg gevend aan een groep vrouwen. Het was een kort maar prettig weerzien, dat iedereen van de groep in haar hoofdtelefoon kon meebeluisteren. Dag Guido, zei een van de vrouwen toen ze voorbij liep...

Ik kon Van de Velde op niks pompeus of smakeloos betrappen, behalve dan het allerlaatste stuk: dat plompe bureau voor koning Leopold 3.  Ook naar het einde stond daar de kop van de oude Van de Velde, in arduin (door Georges Minne probeer ik me te herinneren), een van de weinige geslaagde beelden die ik ooit zag in die dwarse steensoort. Een symbolisch einde: zo elegant als de man gekleed was op de foto’s, zo elegant als zijn art nouveau-kandelaars de tentoonstelling openden, zo onherkenbaar uitgezakt was zijn gezicht op het einde van zijn leven, getergd door klachten van collaboratie in eigen land wellicht, en door een leven van onophoudelijk werken en scheppen.

Daarna liepen we langs en in de Kapellekerk, en wou ik het graf van Bruegel zoeken. Er is geen graf, wel een plakkette met een tekst van Timmermans. Maar er was wel een stil makende Nuestra Signora de la solidad: een voorover gebogen (bijna voorover vallende) Madonna, als een treurende Spaanse vrouw in streng zwart gekleed, de handen in elkaar gewrongen van leed, zonder blozend kind aan de triomfantelijke borst, zoals Michel de Ghelderode schrijft in dat merkwaardige fragment uit Sortilèges dat bij het beeld stond. Daarin schrijft De Ghelderode over eenzaamheid, over zijn eenzaamheid, en hoe hij troost vindt door ze te delen bij dit beeld, zwijgzaam bij elkaar gezeten. Dit beeld zou door de Spanjaarden in de tachtigjarige oorlog zijn meegebracht en achtergelaten

jacob pins.jpg

Tenslotte, in het Joods Museum, ontdekken we een houtgraveur van wereldformaat: Jacob Pins. Even overweeg ik kunstdief te worden, maar ja, je moet daar voor opgeleid zijn. Dan maar zo aandachtig als mogelijk kijken en blijven kijken en opnieuw kijken. 

Een mooie dag, zei ik. Er was zon en nu valt de regen. Maar het is niet koud, de dagen rekken zich al weer wat uit, en met de forensen lopen we naar de Kunstberg, naar ons paard dat onder de Koninklijke Bibliotheek wacht op zijn meesters. Voor we de parkeergarage ingaan, zie ik dat Elizabeth nog altijd met veel bewondering opkijkt naar Albert.

We sluiten de dag bij nicht Y. Ze is 82, maar heeft de leergierigheid van een jong meisje behouden, gekoppeld aan de wijsheid van haar leeftijd. Als ze Franse, Duitse gedichten uit het hoofd opzegt, straalt haar gezicht, omdat ze zelf hoort wat een mooie muziek ze maakt. Als we samen vertaalde gedichten lezen en foto's bekijken op deze blog, straalt haar gezicht, omdat ze de muziek hoort die daar wordt gemaakt...

De nacht is gevallen en in de donkere auto in de donkerte buiten op weg naar huis denk ik: dit was een mooie dag. En nog geen twee minuten later zegt Lieve het luidop, met bijna dezelfde woorden. Ook dat is mooi, dat bewustzijnen zich blijkbaar ook buiten de grenzen kunnen uitstrekken...

15-08-13

Ontmoeting

IMG_7016.JPG

 


In de winkel, voor mij, oude gebogen man achter een rollator, waar hij voorzichtig zijn ingescande boodschappen in neerzet en dan aan meisje achter de kassa, zomerjobstudentje met bolle wangen, vraagt hoeveel hij moet betalen.

Na haar antwoord, hij, met een glimlach: jij hebt het laatste woord.

Zij, nu helemaal rood geworden: ja, ik ben de cassière.

Hij geeft haar met die trage gebaren van oude mensen zijn geld, kijkt nu naar mij, ook met een glimlach en gaat dan met een dank u wel weg.

Aan de voordeur staat hij het bonnetje te lezen, glimlacht mij nog eens toe met zijn oud gezicht, zijn rode uitgezakte oogleden. Kom, zegt hij, we zijn er mee weg.

Een goeie dag nog, wens ik hem, en fiets de straat op, ondertussen denkend: dit is toch een gezicht dat ik ken, maar niet zo oud, nee, niet. Er zitten in de tijd sprongen die je kunnen verwarren.


(foto: beeld Giacometti, Fondation Maeght, St Paul de Vence, eigen foto, zoals bijna altijd ;-)

23-07-13

Evensong in Wells Cathedral

IMG_7856.JPG

 

  

Evensong in Wells Cathedral

 
 
Ze kwamen in twee rijen aangesjokt
de jongste knapen engelachtig
de oudsten als een trage klok
die wacht en tikt en dan weer wacht.
 
Vooraf gegaan door Mister IJdel
zo zwaaiend met zijn zilverstok
een koningszoon om nu te wijden
maar nu vergeten door zijn God.
 
De kleinsten in hun klein gezicht
ze dragen kraagjes om hun keel
hun grote ogen maken zingen licht
zoals zij kijken, van nabij, en veel.
 
De banken zijn een houten glans
en lampen doen hen langzaam drijven
een boot vol zang en oude dans
een lot vergeten mensenlijven.
 
Ze zijn soms moe, ze geeuwen dan
dan sleept de klank die rond hen windt
heel even, plots een aardse ban.
Het is het orgel dat hen toch weer vindt.
 
De preacher leest gebeden, al te stil
voor deze ruimte van gevlochten dromen
te groot verlangen voor een kleine wil
maar uitgezongen, uitgesproken.
 
De ijdelmeester stapt naar voor
en leidt de lome kudde weer
terug naar daglicht, dat plots schreeuwt.
De dromen liepen leeg, maar ooit nooit meer.

 
 
(foto's: Salisbury Cathedral)
IMG_7850.JPG

21-07-13

The old ways

IMG_7818.JPG

 
 
Geen land dat meer voetpaden heeft dan het Verenigd Koninkrijk. Bridleways, footpaths, publiek toegankelijke paadjes, ze liggen als een fijnnervige bloedsomloop verborgen over dit golvende landschap. Geen land ook dat meer wandelboeken maakt. Niet alleen met het doorwandelde landschap als achtergrond of thema (de paden van bijvoorbeeld romantic poet Wordsworth, of Ian MacEwans roman On Chesil Beach), maar veel meer nog geweldige boeken over het wandelen zelf, rambling over all these old ways. Wij hebben Cees Nooteboom, zij hebben John Berger, Synge, Bill Bryson, Eric Newby, Jonathan Raban, Laurie Lee, Redmond O’Hanlon, John Hillaby, om alleen nog maar in mijn bibliotheek een greep te doen. Van laatstgenoemde begeesterde me, jaren geleden, de voettocht van Land’s End in Cornwall tot John O’Groats in Noord-Schotland, een klassieker onder de langeafstandswegen, met tientallen individuele verslagen op het internet.
 
Een verschil met de Amerikaanse wandelaar is dat deze laatste meer wildernis ontmoet, en ook vaker een doler is. Denk maar aan Jack Kerouacs On the road, of Blauwe Wegen (van William Least Heat Moon), of Zen and the art of motorcycle maintenance (van Robert Pirsig). Of aan een van mijn helden, Thoreau, die in Walden zijn eigen wildernis herschept... In the old country is de wildernis weggeduwd, door mensen, parken, wegen, dreunende auto’s, uitzwellende steden. Enkel in het Noorden en het Westen ligt er nog natuur groter dan de mens.
 
Dacht ik. Tot ik op reis Robert Macfarlane ontdekte, en zijn boek The old ways, een schitterende gecomponeerd en geschreven verslag over zijn exploratie van letterlijk de oude wegen, over kalkheuvels, zandstranden bij eb, of het hardste graniet en gneis. Bedolven onder zand, of onder de westelijke onmetelijke hemel bijna onzichtbaar aangeduid met kleine piramides of drie stenen als een schoof tegen elkaar gezet...

En de erudiete Macfarlane loopt niet alleen zelf die oude paden af, maar de Cambridgedocent overstelpt je ook met lectuur, nieuwe namen en een fascinatie die heel ver teruggaat. Wandelen als levensvorm: bewegen moeten elk levend wezen vanzelf al doen, anders komt er geen eten op tafel en wacht er geen bed. Maar bij dit bewegen, te voet en in mijn geval zwervend met de auto, is er die voortdurende nood aan het onverwacht grotere, zelfs al is het maar een blad in avondlicht, of de zang van een leeuwerik, of de helling van een heuvel, of de ontmoeting met een onbekende. Wat ik uit dit boek leerde, is dat dit onbekend grotere zo vaak een diepe melancholie moet doen vergeten: het eigen kleine bewegen, dat op zichzelf al zo zwaar kan wegen, kan verwarren, paradoxaal genoeg kan doen verlammen (niet meer bewegen). Als de wereld zo groot is dat ze je kan verwonderen, weegt het eigen gewicht minder, is het makkelijker vertrouwen, kracht en vreugde te bewaren...

Daarom kijk ik zo vaak door het raam. Daarom wil ik zo graag op zwerftochtreis, ’s morgens niet wetend waar je ’s avonds terecht komt. Sommigen vullen dan een rugzak en trekken weg, alleen onder die grote hemel. Misschien heb ik teveel van die grote hemels gezien in mijn jeugd, dat ik dat zou doen. Maar er was ook nog zoveel niet geziene wereld die moest worden gezien. Die opgejaagdheid is, tot tevredenheid van mijn vrouw, nu rustiger geworden. Waardoor ik meer heb leren houden van het stappen zelf, iets wat zij al heel lang graag deed. En dat Macfarlane vergelijkt met het ritme in poëzie: de onophoudelijke jamben (of trocheeën) van voet na voet, van voet na voet...

31-05-13

Lof

IMG_7399.JPG

 

 

Vannacht opgestaan om het noodzakelijke water naar de zee te laten vloeien.

Het was iets tussen vier en vijf, aan het begin van een nieuwe dag, en buiten was een merel indrukwekkend aan het zingen. Tussen de bewusteloze huizen en bomen zong een keel te groot voor deze ruimte. Hij leek niet alleen rond maar ook door het huis te klinken. Klinken is het juiste woord, want het ging om een beweging, breed en opwaarts tegelijk.

Ik bleef luisteren, zoals ik ook bleef luisteren naar Boris Giltburg, toen hij woensdagavond in de Elizabethwedstrijd zijn derde Rachmaninoff speelde: de noten klonken, dat wil zeggen ze bewogen op en breed uit. Maar klinken moet ook zingen zijn, dit innerlijke spreken & luisteren van al die klanken, dit samen beginnen en samen stil worden. Zo klonk Giltburg, zo klonk deze naamloze merel-buiten-elke-competitie.

Biologen stellen dat de merel zingt uit territoriumdrift. Dat zal wel zo zijn, maar voor mij is er meer aan de hand. Deze merel zingt de lof van de komende dag. Zingt de lof van in leven zijn. De lof van het leven zelf...

Doet de pianist dat ook? Ik denk het. De muziek is er voor de schoonheid, vertelt dat klanken huizen, zelfs kathedralen kunnen bouwen. Een beetje zoals het luisteren naar het levensverhaal van een mens haar of hem plots veel rijker, dieper, boeiender kan maken. Het is twee keer luisteren naar het leven zelf, hoe het eigenlijk ‘gemaakt’ is voor diepte, voor verbinding, om zich groot en groter nog uit te vouwen. Schoonheid is plots iets van die levenskleur, die levensklank mogen zien & horen...

Altijd plots. Ook dat is een geheim...


(avondval met vogels in Oostende)

18-04-13

Cinque Terre (een verhaal van nestelen...)

De kust van Liguria is in die mate rots en klip en steil, dat de weg erlangs (de beroemde Via Aurelia) meer bochten telt dan je ooit geloofde. Soms moet die weg op hoge poten door een dorp, en zelfs boven de wandelaars aan de Genuese haven rijden auto's...

Maar er zijn plekken waar zelfs een weg onmogelijk is. Eeuwenlang zijn de vijf Cinque Terre dorpen enkel langs de zee bereikbaar geweest (nu ook via een trein en tunnels). Maar zelfs op die onmogelijke kuststrook bouwden mensen hun nest, en schraapten de berghelling tot ze terrassen hadden om hun wijn te verbouwen. Al moesten ze hun boten tot voor hun huizen trekken, ze bleven wonen en hun bijenkorf vol kleuren schilderen. En ze kapten een voetpad om bij elkaar te kunnen komen, hangend boven de golven daar beneden (maar omdat er zoveel regen was gevallen dit voorjaar, was het pad voor ons, bezoekers, gesloten). Er wordt gezegd dat ze van Etruskische origine zijn, in elk geval waren ze koppig, allicht met een groot gevoel van eigenwaarde en vrijheid.

 

IMG_6913.JPG

 

IMG_6896.JPG

IMG_6876.JPG

IMG_6880.JPG

IMG_6882.JPG

IMG_6875.JPG

IMG_6883.JPG