26-04-13

Schoonheid

Een schoonheidservaring, ik kan het niet anders noemen, was het claustrum van de abdij Le Thoronet.

Niet alleen de elegantie waarmee dat afhellende terrein werd overwonnen,

IMG_7074.JPG

maar vooral dat een op zich zware kloostergang -zonder de ranke zuilen van later- zo ongelooflijk sierlijk kon zijn enkel door het spel van halve en hele cirkels, die bij elkaar staan en in elkaar verdwijnen.

IMG_7076.JPG


IMG_7077.JPGVooral hoe de kleine halve cirkel zich in de grote vleit, deed mij iets.

IMG_7083.JPG

 

Wat is een schoonheidservaring? Dat het je overvalt, je bestelt het niet. Dat je jezelf vergeet en gefascineerd rondloopt, toekijkt. Dat niet alleen je gevoel wordt aangesproken, maar dat je heel duidelijk ook iets wil begrijpen, wilt begrijpen waarom iets schoon is, nu die kans zich voordoet. Dat je meer dan ooit je geheugen optrommelt: zij moet en zal bewaren. Dat je wilt delen met anderen, al was het maar door wow te zeggen, maar nog liever door woorden te zoeken voor al dat grijpbaar en ongrijpbaar mooie. Dat je mensvisie er beter van wordt. Enz. 

28-06-11

De Aanraking (epiloog)

 

 IMG_5462.JPG

 

De gezichten zijn aan het oplossen in de lucht. Ze krijgen de schutkleur van laat daglicht, laat daglicht laat ze vol- en overlopen.

Maar de eeuwigheid in die vormen lijkt soms zo klein. Misschien heb ik het te vlug koud gekregen. Misschien heb ik teveel geluisterd. Lichamen die aan pijn lijden, ook een eeuwigheid. Pijn in lichamen die er niet om gevraagd hebben. Van al dat mededogen word je vanzelf al kleiner. Er is veel eeuwigheid die mensen verweesd achterlaat.

De tijd die holt en nooit achterom kijkt. Het is alweer begin januari. Hoe klein is een dag. En alle dagen samen. Het geluid dat van de snelweg op me af  komt rollen, onophoudelijk, massief en scherp. Ook dat is overleven. Zoals de stad als ze zich om vijf uur op haar andere zij legt. Bewegingen die andere bewegingen weghonen, wegsissen, wegslaan, hoe lang al.

Het jaar is weg. Opgelost in de lucht die tot de rand onder water staat. Straks komt de echte winter en wil ik een jas van sneeuw, wil ik blind worden voor al die vormen, wil ik het geluid van de diepste stilte, wil ik de leegte na de pijn voor de lichamen die mij dierbaar zijn, wil ik een groot uur om in te zitten, wil ik een stad met gezichten, en heldere stemmen, zo traag als aarzelen. Zo wil ik dat. Ik speel met deze woorden als een ernstig kind

26-06-11

De Aanraking (90)

 

IMG_3262.JPG

 

 

90.   Paradox

 

Nieuwjaarsdag. Kan ik nog stiller worden dan de dag buiten, nog minder bewegen? Het lijkt of al het geschapene collectief in slaap is gevallen.

Verre van mij om daar iets aan te doen. Ik zal hier zitten, dutten, wakker worden en wat bewegen, en voor de rest uit het raam kijken. Helemaal stil mogen zitten is een weldaad. Er moeten geen bruggen meer gebouwd, geen plannen meer besteld, er moet niets dan in leven blijven. Met de onbewogenheid van grijze lucht die zich onmerkbaar laat vollopen met donkerblauwe avond. Dieren kunnen dat, tijdloos de tijd voor schut zetten. Dingen kunnen dat, volmaakt niet meer bewegen. En kinderen ook, als ze, moegespeeld, in slaap vallen.

Soms is een mens moegespeeld en moet hij kunnen zitten. Even op adem komen, zoals men dat zo mooi zegt. De rand voelen van een bestaan dat door die adem opgepakt is en hier neergezet. Voelen hoezeer die adem en dat hele lichaam een geschenk zijn waar niet aan te tornen valt. Weten dat een leven bestaat uit krijgen, dat het hele universum langskomt, of we dat nu willen of niet.

Het maakt het leven tot zo’n paradox. Wie hard bezig, holt misschien van alles weg. Wie zijn vinger op twee ogen legt, heeft misschien een heel lichaam beroerd. Om te spreken kun je misschien het beste zwijgen. Om te weten dat je beweegt, kun je beter niet bewegen. Om intens te leven, kun je maar beter leren doodgaan.

Maar zo eenvoudig is het niet. Er zijn geen regeltjes die men kan opschrijven en doorgeven. In opa’s lichaam is ondertussen zoveel tijd binnengedrongen dat hij langzaam uiteenvalt. Zolang het sterven per beetjes gaat, is er nog zoiets als beheersbaarheid, als een evenwicht misschien. Maar wat als hij zijn lichaam niet meer bijeenhoudt en struikelt en alles morst en onder zijn ogen ziet verdwijnen? Hij is er bang van, opa, van dat moment is hij bang. Dan klaagt hij, opa, en ziet tegelijk dat wij hem niet begrijpen, dat hij wind voelt alsof hij buiten staat, terwijl wij in onze stoel zitten.

Maar misschien dat op dat laatste moment een nieuw evenwicht ontstaat, een nieuwe paradox. Misschien is opa wel dood in een nieuw leven.

Dat denk ik dan, achterovergeleund in een zetel van pure onbeweeglijkheid, terwijl de nacht is volgelopen met zwart en ik de lucht adem van de miljarden wezens van de schepping, mensen, dieren en dingen, en mij erover verbaas hoe weinig ik daarvan vast kan houden en hoeveel ik daarvan krijg.


24-06-11

De Aanraking (89)

 IMG_3286-1.JPG

 

 

89.   Pleidooi voor het oor

 

Muziek is zoveel ouder dan de andere kunsten, want muziek vloeit binnen langs het oor en het oor is zoveel ouder dan de rest van het lichaam. Onze ogen, onze tong en neus, onze stem zijn jonger, eigenlijk zoveel jonger. Als een foetus menselijk is, dan is het omdat ze luistert.

Ook de huid is even oud. Maar de huid is alles of niets, je wordt aangeraakt of niet, altijd is er weer die scheiding tussen begin en einde. Jawel, ooit waren we opgenomen in de totale omhelzing en dat heimwee zal ons nooit verlaten. Mensen verlangen als honden naar lichamelijk contact. Aanraakbaar zijn is hun permanente onrust, het niet meer weg te snijden bewijs van hun onvolmaaktheid.

Maar aanraken is geen kunst. het blijft de dagelijkse onhandigheid van miljoenen, of ze nu kussen of slaan, handen schudden of over een schouder wrijven, liefkozen of zich vastklemmen. Nee, aanraken is geen kunst.

Slechts muziek heeft iets van een volmaakte aanraking. Muziek is zo tastbaar, zo intens aanwezig als een hand over een huid, zo onnadrukkelijk dichtbij als adem, dat het soms lijkt op liefde krijgen, het luisteren. En tegelijk is muziek soms zo volmaakt geschapen, zo eengemaakt, zo voltooid dat met de herinnering aan het vroegere iets van het latere meekomt. Muziek draagt ons als een baarmoeder, muziek voltooit het idee zelf van de schepping.

Zo tastbaar is muziek. Het zijn wonderlijke vingers die zich in je oor leggen, het zijn monden die soms heel dichtbij komen, bewegingen tot onder de huid, daar waar je geboren bent, waar je geen woorden voor hebt, dat je koestert als het oudste deel van jezelf, dat je zo hevig ontroert als iemand er zijn hand op legt. Muziek legt zachte handen op dat deel van onszelf dat als een wees achterbleef toen we geschapen werden. Niemand of niets kan zo diep komen, tenzij ze ook muziek worden. De wind die ruist in de bladeren. De mooiste blik. Een stem die je uit duizenden herkent. Een hoofd dat in slaap valt en onhoorbaar ademt.

Een pleidooi voor het oor is dit, terwijl in de winkelstraten de deuren dichtslaan, gejengel van de muren druipt, schoenen klepperen, kinderstemmen zeuren, vrachtwagens remmen, autobanden toehappen, in alle huizen de verwarming dreunt, de levens koortsig opstaan en iets anders doen, nieuwe woorden uitproberen en oude herhalen in de hoop dat het dan wel lukt, terwijl de honden blaffen en de vogels tekeer gaan, de klokken boven de hoofden luiden en verre vliegtuigen overtrekken, terwijl het hart slaat in de borst en de adem soms stokt in de neus en al de geluiden van de dag echoën in het hoofd.

Zoveel geluiden voor één dag.

Maar dan sluiten we de ogen, strijken door ons haar, en muziek, de zachte machine, maakt ons tot zachte machine, druppelt in ons oor die ene klank die eeuwig is. Of toch bijna.

 

 

IMG_0115.JPG

 

 


22-06-11

De Aanraking (88)

 

IMG_4165.JPG

 

88.    Wennen

 

Uit de nacht ontwaakt in een dag van zware motoren en groot debiet: de auto’s en hun tunnel van geluid, de zon met zijn lichtkanonnen, klaterende bromfietsen, twee deuren die om ter hardst slaan. Als de sluizen open zijn gezet, moet ik altijd even wennen.

Want in de nacht leef ik andere levens, loop ik door gangen en verdiepingen, hoor ik stemmen uit de honderd hoeken die de wereld rijk is, duiken mensen voor mij op en altijd leggen ze wel een of andere hand in mijn nek. En ik hol maar door, minder opgejaagd dan vroeger misschien, maar het blijven roerige tochten.

Soms lig ik op mijn rug, op mijn zij, op mijn rug, op mijn zij problemen op te lossen zoals je een puzzel ineen steekt en er ontbreken stukken. Of je staart op een formule en je kent niet genoeg wiskunde. Of je zit naar jezelf te kijken terwijl je dat doet.. Komaan, zeg ik dan tegen mijn hoofd, hou toch op, vertel een verhaaltje. En soms doet mijn hoofd dat ook. Ik heb een braaf hoofd.

En dan komt de dag met al zijn zintuigen, even luidruchtig als een luidruchtige vriend, even schaamteloos als een die nooit zijn voeten veegt, even spottend. Je hebt niet te kiezen bij zo’n dag: ofwel verweer je je, ofwel ga je stilletjes vluchten.

Maar vandaag blijf ik in gedachten verzonken. Altijd dat aanpassen. Die duivelse golven, nooit houden ze op. Als je verrast wordt, zoals door de kleuren van de dag of door de warmte ‘s nachts, dan wil een mens zich wel overgeven. Maar wat als de geliefde zich omdraait en weggaat, wat als het lichaam struikelt en valt, wat als ze je naam afroepen en je wegsturen. Er zijn van die momenten waarop de wereld een klauw in je nek legt. Je kunt er van weglopen, je loopt ze toch tegen het lijf.

Altijd weer dat aanpassen. Laten we doen alsof het leven gewoon is, heel eenvoudige woorden en gebaren, laten we eten en drinken en groeten, ook als we ‘s morgens wakker worden en iemand heeft ons aangeklaagd, ook als de koude aan onze voeten begint en niet aflaat. Een soort stevig, onversierd gebinte, dat niet de illusie heeft dat het de ruimte zelf moet aankleden, maar voldoende onderdak biedt voor weer een storm of een wat hardere wind.

Het is een oude les, altijd weer wakker worden, altijd weer je kleren aantrekken, altijd weer de spieren van hersenen en lichaam op gang duwen. We zitten lang op de schoolbanken, misschien ons leven lang. De moed van levende mensen.

Maar wat als plots de diepten open gaan in onszelf en we mensen doodrijden om niet, jonge en oude vrouwen uit de straten schieten omdat anderen het ook doen, wat als we ons laten ophitsen en zelf ophitsen, als de waarheid ons zegt: sla, en we slaan, wat als we verslaafd zijn aan de levende dood, zoals het lichaam hem zichtbaar kan maken, bevende bleke angstige stukken dood, in ons of in al die andere lichamen waaruit wij hem willen zuigen?

 Of gebeurt dat zo niet? Toch niet met mij? Met anderen misschien, niet met mij? Zo donker ben ik niet?

Misschien moeten we daarom alleen al wennen en leren, leren afstaan en vrijwillig meegaan, leren dankbaar zijn om wat we krijgen en niet hopen op wat we niet krijgen, om zo licht te worden dat we blijven drijven, wat er ook gebeurt, om niet zo angstig te worden dat we slaan en schoppen om lucht, om niet zo dicht en zwaar te worden dat we niet eens meer zien hoeveel leven er nog over is, buiten ons.

Licht en zwijgzaam, dansend met de tijd.


IMG_4267.JPG

20-06-11

De Aanraking (87)

 

IMG_0057.JPG

 

87.    Tussentijd

 

Kerstmis. En wij naar zee. En naar de zon, want de zon trok de dag zo wijd open, dat we zin hadden om erdoor te rijden, erdoor moesten rijden. We hebben niet voor niets heimwee naar oneindigheid. Daarom: op naar de horizon, op naar de grenzen.

De zee was wild, scheen zich als alles wat veel ouder is niets van ons aan te trekken, en joeg een messcherpe wind over de zeedijk. In je huid kwamen kleine scheurtjes tevoorschijn. We zagen, misschien omdat het Kerstmis was, twee Jan-van-Genten met afhangende vleugel, en een die mankte.

En in de tea-room dronken we koffie, terwijl de levens binnen- en buitengingen, zachtaardig, met zichzelf begaan, glanzend opgewreven door de wind. Het mooist waren de jonge vaders en moeders. Die hadden een soort zorgvuldige spanning die andere levens al kwijt waren geraakt. Er was een punt waar hun aandacht bijeen kwam, zichtbaar werd, en dat maakte hen biezonder.

Toen gingen we de straten in, om te zien of er nog wat flinke, oude gebouwen waren afgebroken in de tussentijd. En jawel hoor, weer een lege plek bij, het kan niet missen, de heren moeten bezig blijven. In plaats daarvan haden ze rode lopers in de winkelstraten gelegd en schalde muziek uit de luidsprekers. We zagen veel lagen van de beschaving zomaar gratis bijeen: haute-couturegezichten, burgerbaarden rond burgerbrillen, hairdressing voor de gewone man. En nergens een kreet, overal vrede en gerechtigheid, en kerstmannen die snoep uitdeelden, en hondenpoep, en oude mannen met bloot hoofd in de kou. Dit was een genadeloos brave Kerst.

Maar onze horizons kregen we. De zeedijk strekte zich, onder een vloed van tegenlicht en vogels, tot in het westen uit. Tussen het blauw hingen, toen we terugreden, rode wolken met grijs oranje. En de zon zelf zakte vuurrood in de grond en schoof dia na dia in de projector. Hier en daar zette ik een moment vast voor mijn geheugen: een kerktoren in de rode brand, een kanaal dat het heelal teruggaf, je haar zoals het toen om je hoofd lag, tegen al wat onderging en avond werd.

En zo eindigde de dag met nog wat horizonten in de gedachten: worden we verliefd omdat iets mooi is, of is iets mooi omdat we verliefd zijn? En kunnen we wel verliefd zijn, moeten we het niet elke keer opnieuw worden?

We hebben geluk, zeg je. Ik dacht het ook.

 

IMG_0060.JPG

 


*

(Die heren die maar mooie dingen afbreken om er lelijke voor in de plaats te zetten, was -en is-  een kleine hommage aan Nescio, die ongelukkig en kwaad werd als de Vooruitgang weer zijn lompe poten ergens had neergezet. Hij zag, in en rond Amsterdam, de kleine plekjes en hoekjes onder zijn ogen verdwijnen waar hij de zon zo mooi had zien ondergaan, of drie bomen majestatisch had zien wachten, of zelf een biezonder moment met het licht had beleefd... Die momenten zocht Nescio, en hij hield ze bij als een soort boekhouder van zijn innerlijke glans. Lees zijn NATUURDAGBOEK.)


18-06-11

De Aanraking (86)

 

IMG_5622.JPG

 

 

86.    Beelden

 

Al die beelden die in mij achter zijn gebleven. Al die tegenlichtmensen, die zwart en wit ingepakte gezichten, die ogen op lichtsterkte, die monden en  handen, al die landschappen in nieuw uitgevonden kleuren. Een mens loopt niet alleen door zijn straat maar ook door de zonnen en werelden in zijn hoofd, opent niet alleen zijn voordeur maar ook zijn televisie, leest niet alleen de woorden van zijn krant maar wordt met huid en haar opgeslokt door de foto’s. In hoeveel werelden moet ik leven?

Al die beelden achtergebleven uit de stroom geluid en beweging, neergedwarreld als bladeren in hun seizoen, verwelkend, langzaam zoals bladeren doen. Zullen ze in mij zinken als humus en mij vruchtbaar maken?

Maar ik heb alles en ik heb niets gezien, alles en niets heb ik gehoord. Deze lawine van beeld en geluid verplettert mij, de stroom kolkt en slaat en breekt de ribben waaraan ik hang. Deze wildernis is ongevormd, wezenloos, lijkt op het niets waarin alles verdwijnt. Ik wil een gezicht waar ik lang naar kan kijken, ik wil een blik die mij lang aankijkt, ik wil een stem die mij vertelt hoe het is om mens te zijn, ik wil namen en verhalen, ik wil brokjes vleesgeworden tijd. Niet deze onophoudende stroom naamlozen, ongevormden, ongeborenen.

Want niet alleen voel ik mij verlaten, onaangeraakt, maar de ene wereld verziekt de andere. Hoe meer naamloze beelden, hoe meer naamlozen in werkelijkheid. Als er geen echte gezichten meer zijn, zullen de maskers ons overheersen. Als alleen de sterren nog mogen schitteren, zal iedereen ster moeten zijn, of niets. En het niets, daar loopt men over, daar trapt men in en men weet het niet. Het niets kermt niet, vraagt niets, het niets verpulvert onder je blik en je weet het niet.

Is er nog tijd om te luisteren? Is er nog tijd om te wachten, stil te zitten, een zin uit te spreken, weg te kijken en terug, is er nog tijd om te aarzelen? Of maak je geen beelden met onaffe mensen, met brokstukken, met verlegenheid, terwijl verlegenheid toch de weigering is iemand anders te zijn? In deze tijd van burgers is het beeld de feodale cultuur van koningen en horigen. In deze tijd van wetenschap viert de aanbidding hoogtij: naar het beeld van de koning en zijn koningin zult gij leven en sterven.

Terwijl de paleizen hun paljassen en wellustelingen en domoren  en hier en daar een mens afleverden, zo produceert het beeld zijn eigen piassen, geschminkt, kromtaal uitslaand en gestoord van motoriek. En de horigen, de laten, de lijfeigenen? Dat zijn de kijkcijfers, die horde naamlozen die het tiende deel aan de heren moeten geven en in naamloze putten worden gegooid als de heren weer eens zo nodig zich moeten laten purgeren.

16-06-11

De Aanraking (85)

 

IMG_3483.JPG

 

85.    Mist

 

Een dag, denkt de oude man, dit is weer een dag. Alsof hij ze niet meer herkent, alsof ze aan hem voorbij lopen zonder te groeten, alsof ze hem op een bepaalde manier aankijken.

En hij heeft niet graag dat gevoel van mist, van onduidelijkheid. Hij wil erbij horen, hij wil grapjes kunnen vertellen, hij wil je mouw kunnen aanraken en zijn doorploegd gezicht dicht bij het jouwe kunnen brengen. De straat is zijn jachtterrein, op zoek naar de zin van zijn leven.

Maar de dag lijkt meer op hem dan hij kan zien. De wolken zijn op aarde gezet en bewegen zich schuw, onopvallend. Over de bomen achter de daken hangt een sluier die hen half onzichtbaar maakt, alsof de zwart-wit foto’s in hun ontwikkelaar zijn blijven steken. En het geluid is ingepakt, watten geluid, dat soms als in een gat slurpend oplost. Tot de stilte weer gaat wegen.

Dat is, denk ik, wat er gaande is in dit oude hoofd. Die loden stilte, die niets heeft van rust, maar suist en drukt tegen de slapen en koude handen op het voorhoofd legt. Die opstand van leegte, die door niets bedwongen kan worden, omdat je niets ziet.

Dan gaat hij drinken, wandelt hij schuw in dat loden lichaam heen en weer in de straat. Misschien dat er iemand uit zijn deur komt, misschien dat er iemand voorbij moet, misschien dat iemand hem ziet. Terwijl de nevel in zijn ogen hangt, de groeven in zijn gelaat dieper trekken, de handen achter zijn rug zijn weggeborgen.

Hij heeft een nette overjas aan, maar zijn woorden zijn versleten. Hij houdt een jong hondje, maar zijn eigen lichaam hangt helemaal stijf aan de lijn.

Zijn er engelen om mee te drinken en moppen te vertellen, tot ze samen omvallen van laveloze stilte, de oude mannen en de volgelopen engelen, drinkebroers die elkaar zien staan in de mist van elke dag en elkaar van ver al groeten, van het begin van de straat? Of zijn er engelen die hem, als jonge verpleegsters, wakker helpen worden wanneer hij maar wil, zijn ogen droog betten en hem toeknikken als hij zegt: weer een dag, is dit weer een dag? Of zijn de honden engelen, zoals ze blijven geloven in elke schim die voorbijkomt en ooit leven was?

14-06-11

De Aanraking (84)

 

(We naderen het einde van dit boek. Nog zes te gaan, tot het ronde getal negentig. De aandachtige lezer van deze aanrakingen zal wel gemerkt hebben dat ze de loop van een jaar volgen, en we nu stilan in de winter zijn beland. Het is wit en leeg geworden, symbool voor verlies, en een ander soort winst...)

 

IMG_5064.JPG

 

 

84.   De behoefte aan wit

 

Wit is zichtbaar geworden leegte. Zoals de winterlucht die tussen de huizen en de bomen hangt, zo precies uitgesneden. Zoals de daken met de dunne sneeuw, zoals de witte lijn van de takken, zoals de mensen als er even licht op hen valt. Zoals ik aan je denk en je beeld alleen al mij warmte geeft, voldoende is om dit grote ogenblik te vullen. Je weet nooit hoe groot een ogenblik is, maar dit lijkt wel een groot ogenblik. Zo tastbaar heb ik je en heb ik je niet. Zo hevig kan afwezigheid zijn.

Misschien dat daarom de ogenblikken, opgejaagd als ze zijn door hun meester, leeglopen in onze gevoelens. En in de herinneringen, aangeklede gevoelens. Het is aan de mensen dat de tijd heeft gevraagd om alles te bewaren, een naam te geven, op te bergen. En dat doen ze, de mensen, in al hun onooglijkheid zitten ze opgestapeld vol flinters tijd, scherven die van de grote steen afsprongen en in hen achterbleven, etterend of glanzend, weemoedig makend of sterk. Bij sommigen woekeren die scherven als kanker, zwellen ze het leven weg, karikatuur van leven. Bij anderen gaat een schijnsel van licht door de huid, zoals een glimlach door een gezicht, steeds meer naarmate die huid dunner wordt, vlekkiger, brozer.

Iedere morgen, als hij wakker wordt, vraagt een mens zich af waar hij nu weer opgepakt en neergezet zal worden, en wat daarvan in zijn hoofd zal achterblijven als hij vannacht zijn ogen sluit. Het stroomt maar door, het leven, het is zo groot als de aarde onder je voeten, die je ook niet voelt bewegen, tenzij misschien in een of ander gelukkig moment dat niemand op de grenzen let.

Maar in die draaikolk heb ik jou gezien. En of je er nu bent of niet, ik hoef mijn hand maar op te tillen om je aan te raken, als ik door mijn haar strijk weet ik dat jij dat doet, ik hoef maar rond te kijken om je overal te zien.

Dunne sneeuw ligt op de daken en de straten te wachten tot het tijd is om te verdwijnen, de zon zet schijnwerpers op de dingen en de vormen, voorbijgangers glijden geruisloos voorbij, en ik houd alles wat van jou in mij is achtergebleven warm.

Zo’n winterdag toch: straks is hij weer voorbijgestapt, hij gaapt en trekt het deken weer over het hoofd. Morgen kan hij zich toch weer uitrekken. Maar stel dat ik je nooit meer zag: zou ik niet bleker en kaler worden, alle grenzen verliezen, wegstromen zonder dag en nacht? Ik weet het niet. De leegte is goed als alles er is, en je dat mag weten. Sneeuw is als een kind dat slaapt, van dat wezenloos stille dat je aangrijpt omdat het zo klein en duidelijk mag zijn, voor jou, nu, het leven dat nog zoveel zal groeien en grijpen en door de bocht gaan en slaan en keren. Straks doe je de deur open, hoor ik je stem, zie ik je eten, kijk ik hoe je hand zich op de wereld legt.

En toch, ooit moet er een vlakte zijn, een witte vlakte waar de sneeuw blijft liggen, en waar ik mij toch goed zal voelen, omdat alles er gebleven is.


12-06-11

De Aanraking (83)

 

IMG_4029.JPG

 

 

 

 

83.   Over begin en einde en hun schoonheid

 

In elk kunstwerk zit de aanraking die ook bomen en mensen heeft gemaakt. Dat wil zeggen wezens met een begin en een einde, die ademen en dat bewustzijn verder dragen, die elke morgen weer wakker worden over de aanwezigheid van hun bestaan, net zoals bezoekers, als ze hen ontmoeten, soms verwonderd constateren hoezeer het leven van hen bezit heeft genomen.

Dat verlangen, hoe fanatiek of lui, naïef of zuiver ook, wil maar één ding: iets vangen, in een eenheid die met zoeken en wachten is opgebouwd, van de totaliteit die door ons trekt, zwijgzaam zoals elk mysterie zwijgzaam is, bodemloos en hard zoals alles wat bestaat bodemloos en hard is.

Daarom heeft een kunstwerk begin en einde, omdat alles stroomt, alles onophoudelijk geboren wordt en wegvloeit, zoals de nacht zich uitstrekt over de dag. Alleen: hier kun je opnieuw en opnieuw kijken, luisteren, voelen. Het wonder herhaalt zijn tover als op bevel: de diepte van een gedicht, de breedte van klanken, het middelpunt van beelden. Zoals je de geliefde meedraagt in je hoofd. Raak mij aan, zegt het hoofd, en je lichaam voelt weer haar lichaam, haar stem, haar woorden. Elke keer als een moeder haar kind ziet, wordt het weer geboren, elke keer als je wakker wordt, word je weer geboren, elke keer als je aan de geliefde denkt, elke keer als het kunstwerk zich voor je ontkleedt, word je weer geboren.

Daarom is schoonheid liefde, de aanraking die dwars door de huid gaat en groter is dan de aanraking, goddelijk is omdat ze zoveel groter is, en liefde is omdat ze dat grote wil achterlaten in dat kleine hoofd, in die kleine handen, zelfs al zijn er geen woorden voor al dit begrijpen. Daarom is een kunstwerk mooi, omdat het als geliefde zijn beeld achterlaat in ons, en ons in die liefde vertelt hoe mooi we zijn. We hoeven niet veel meer te doen dan krijgen in het leven.

Krijgen is belangrijker dan geven, zeg ik altijd, al weet ik bij god ook niet waar ik dat geleerd heb. Of we nu een gedicht schrijven of lezen, krijgen zullen we, want in het al ligt elk woord te wachten, in het voor en het na ligt elke klank stil tot ze opgenomen wordt en mag trillen, steeds dieper in het heelal, in de schouders en de heupen en de vingertoppen van de man en de vrouw slaapt het kind, als je in de nacht heel stil op je rug ligt, kun je de dag al horen, als je tot het einde van je adem hebt leren wachten, weet je dat je doodgaat, even groot en bodemloos en hard, even mooi.

 


IMG_3291.JPG



10-06-11

De Aanraking (82)

 

IMG_2765.JPG

 

82.    Naam

 

Gisteren heeft hij zich onder de trein gegooid, met zijn vriend. De dag daarvoor was er een ander die het moest doen. Zijn er dan teveel mensen, dat we ze kunnen verliezen? Kunnen we ze niet meer tellen, dat we ze kwijt raken? Hebben we geen handen meer, dat de dingen ze moeten aanraken, grondig zoals dingen doen?

De auto’s glanzen van duur lak, ze scheuren hoeken uit de straten en repen stof uit de lakense stilte. De televisies glanzen binnen de huizen, scheuren repen uit de oren van de mensen als ze aanzwellen van dik applaus en gelakt licht, als ze lichamen als voddenpoppen in al die oneindige ruimtes laten vallen, opspringen en vallen, opspringen en vallen. Boven heeft de lucht zich dichtgetrokken in slordig uitgeknipt grijs, overschot uit de stock van vorige jaren. Onder siddert soms de aarde, maar dat zijn foutjes van het toeval, dat gaat wel weer over. Als de auto’s maar blijven rijden en de schermen maar blijven oplichten, één knop volstaat om te leven. Eén knop. Laat ons leven, toeval, sta niet toe dat we stilvallen, dat we dof worden van de grijsheid die uit al dit licht drupt, dat we verplicht zijn uit het raam te kijken, uit onze ogen, dat we de leegte voelen ademen rond onze oren. Eén knop. Schakel ons niet uit, toeval, het is onmenselijk alleen over te blijven.

Een blad dat valt, heeft geen naam, slechts de naam van het seizoen, slechts het weten van dit seizoen. En hij en zijn vriend en die andere jongen, hoe klinkt hun naam als het circus is gedoofd, als de stilte binnensijpelt?

O, moeder aarde, leg hun verhakkelde hoofd weer goed, vouw hun lichaam weer in de oude vormen, bedek het met die donkere warmte die alle seizoenen kent, herken je verloren zonen en neem ze op in de grote omhelzing. We zullen hen een naam geven en stil worden, en niets vragen.

 

 

(Geschreven toen een leerling van mij, één week na een andere jongen, van een andere school, zich van het leven had beroofd, samen met zijn vriend meegenomen door een trein...

Ik noem nog even zijn voornaam: Yves. En ik zeg nog even: dag Yves... )


(De tekst op de gebroken zerk: In memory of my dear son James Dunn, died at White Feather january 25 1895, after 34 years and 9 months. Inserted by his loving mother) (Die 9 maanden zijn het meest ontroerend, alsof ze elke dag van zijn leven heeft geteld...)



08-06-11

De Aanraking (81)

 

IMG_5610.JPG

 

 

81.    Weten

 

Ken ik een god? Ik ken het ongenoemde, dat mij liefheeft, omdat ik besta. Dat mij aangeraakt heeft, zodat er weer een dag was om in rond te kijken;

Maar het spreekt niet, het ongenoemde, dat is teveel eer. De bladeren zuigen zoveel licht als ze kunnen dragen uit de waterlucht, en laten zich dan onder het gewicht van die kleuren vallen in de kleurloze gaten. De bomen krimpen tot lijnen. De vogels floepen aan en uit. Alleen het bietenveld glanst in haar bleekgroen kleed.

Alles is er. Is alles ook zoals het moet zijn? Ik heb mij vandaag vakkundig afgeschermd van overvallen en ondervragingen en honger en oeverloos verdriet. Achter de hoizon ligt lijden te wachten, dat weet ik. Misschien moet ik het morgen mee helpen dragen, je wordt er zomaar uitgepikt, schijnt het. Zal ik dan nog de dag loven die mij leerde zien, de adem die mij draagt en geen naam heeft, zo groot is hij?

Soms denk ik dat weten genoeg is. Het weten en zijn grote broertje, het zoeken. Weten dat het leven zal blijven zwijgen, weten dat het handen tekort komt om alles aan te raken, weten dat na die aanraking de scheiding komt, de eenzaamheid, het wachten.

Er is zoveel liefde in weten, denk ik soms. Weten door te kijken. Maar ook weten door te leren. Door uren in een microscoop te staren. Door nog zorgvuldiger teksten te lezen. Door nog beter woorden te kiezen en uit te wisselen. Door te leren geen enkele stap over te slaan als je handen het karwei overnemen en een ader dichtnaaien, een motor uitkleden, een beeld gieten. De massale liefde die mensen in hun dingen leggen, hun vleesgeworden weten, ontroert mij soms.

Zoals het leven is het weten van iedereen, van de bomen en de mensen, van de grond en de tijd. In al die talen wordt hetzelfde verhaal verteld, van geboren worden en sterven, van aangeraakt worden en een levenlang vragen om die eerste genegenheid, van zoeken en weten.

Het weten is het enige dat niet sterft, ook niet als een blad dan langzaam verdwijnt in de grond, als een mens oud en grijs en bleek wordt en plots een opening achterlaat.

Een mens kan zijn dromen zien verpulveren, kan kou worden tot in zijn merg, kan de angst voelen sluipen door zijn bloed, kan razend worden en bitter, maar als hij blijft denken, als hij blijft zoeken, als hij blijft weten, zal hij mens blijven.

In de nauwelijks zichtbare lijnenboom voor mij laten drie mezen zich als trapezewerkers van tak tot tak vallen, ondertussen vale bessen meepikkend, en wetend dat ze leven. Onder mij draait de aarde zich op haar zij en woelt ze het duister los. Het gebeurt allemaal zo stilzwijgend dat ook dat weten moet zijn.


 

IMG_5611.JPG


06-06-11

De Aanraking (80)

 

IMG_5449.JPG

 

80.   Zoon

 

En weer is het zondag, en weer schijnt de zon. En ik zie de druppels die schitteren voor de hele straat. En het licht heeft zich in vol ornaat, met open rokken, tussen de huizen gezet die, ongewassen en slaperig grijs, al dit geweld maar laten gebeuren. En het licht dat in het blauw dringt, heeft iets van diamant, zo hard en scherp is het dat er geen vogels meer zijn om de afstanden op te meten. Als ze het toch proberen, moeten ze vlugger een tak zoeken, of hun vleugels af en toe dichtklappen, dat ze niet verbranden.

Helder is dit moment, als glas. Als nu een kinderstem riep, brak het.

Ha, dat ik uit een rusteloze slaap wakker mocht worden om dit overschot te zien.

Mijn zoon komt de kamer binnen, met die spottende blik in zijn ogen waarmee hij zijn vader liefheeft, die knoestige vorm waar hij al lang bovenuit is gegroeid, die bewegingen waar hij zich vrolijker over maakt naarmate hij ze meer herkent, alsof het bestaan niet meer is dan een goeie grap. Typisch mijn vader, zie ik hem denken, als ik adem of kijk of weer iets heb gezegd. Alsof de herkenning een aanraking is die licht geeft, en doet glimlachen.

Maar het grinniken is wederzijds. Als hij het niet ziet, bestudeer ik hem: zijn slome lange stap, als een giraffe in mensengedaante, zijn weerbarstig haar waar hij tevergeefs tegenaan wrijft en dat hem daarom dierbaar is, zijn lach die naast zijn ernst ligt te wachten, zijn plotse vurigheid.

Het is dat we naast elkaar zijn komen te staan, dat we van elkaar losgemaakt zijn. De blik waarmee we elkaar fileren, elkaar van de graten van bevliegingen, passies, obsessies en principes ontdoen, kan nu alleen maar het smakelijke deel overhouden, dat je met een glimlach en veel boter opeet, telkens weer.

Het is zondag, net de goeie dag om de geboorte van een man naast mij te vieren. Hij komt de kamer binnen, ik lig languit in mijn stoel door het raam te kijken, hij drukt mij nog dieper de stoel in, ik knijp hem terug, wij blazen, tot mijn ellebogen pijn doen en ik het uitschreeuw. Zo ruw vieren mannen de geboorte, of verjaardag, van hun vriendschap. Zo hard, zo doorzichtig als diamant.


04-06-11

De Aanraking (79)

 

IMG_2724.JPG

 

79.   Geweld

 

Maar de perverse aanraking die geweld heet? Vanop een afstand iemands rug strelen, dat hij languit voorover valt op straat, met een kreet of een zucht, alleen of te midden van voorbijgangers? Schreeuwen dat de tranen in de ogen springen van aanwezigheid, verstaanbaarheid? Gezichten trotseren van binnenin, dwars door de dunne huid slaan, die niets meer blijkt te zijn dan een illusie en geen weerstand biedt, zo weinig is er om bang voor te zijn, net genoeg om toch nog iemand te voelen zonder gevaar, zonder de algehele vernietiging die loert en lonkt en sist.

 Hoe vreemd dat geweld, het onopgevoede, kortademige, stuntelige broertje, zo snel zo intiem wil worden, bloedlippen kust, geheime ingewanden ziet en oppakt, trillende draden doorknipt van blikken, ongewassen handen op de adem legt, met verveelde vingers armen en benen opzij schuift, hijgend binnendringt en voortijdig zaad loost.

Onhandig voorwaar, maar niemand die zo veel krijgt op zo’n korte tijd, niemand die zo dicht in het lichaam komt, niemand voor wie meer tijd wordt uitgetrokken, niemand naar wie stiller wordt geluisterd. Wat willen de sluipschutter, de roepende vader, de slaande jongen, de verkrachter? Is hun nood zo groot dat hun alles moet worden gegeven? Is hun kreet zo luid dat ze alles willen overstemmen?

Vreemd dit samengaan van aanraking en vernietiging, alsof het antwoord onverdraaglijk wordt.

Maar de aanraking vraagt afstand, de mooiste blik, die je het leven gaf, bracht tegelijk afstand mee, eenzaamheid, een nooit meer overgaand verlangen. Soms kijkt ze eens op, de liefde die je in gang heeft gezet, die je heeft uitverkoren, maar meestal is ze met anderen bezig, lijkt ze overal en nergens en liggen we verloren naar onszelf te staren.

Als kind wil je daar doorheen lopen, huil je, sla je desnoods. “Mama, neem me nog ‘ns vast als een baby”. Maar de mama gaat dood en alles wordt mama, aan alles wordt die vraag gesteld, met ogen die te groot geworden zijn.
Maar het leven is een hardnekkige leraar. In het loslaten, in het kijken, in het glimlachen om al dit bestaan, ligt de liefde. Wat met jou is gebeurd, aan anderen gunnen, aan al het andere. Voor alles die mooiste blik, al kan dat niet, al kun je niet van alles vader en moeder zijn, al drijf je soms maar als een stuk hout in de tijd.

Laten we zacht zijn, omdat alles bestaat, alles is gekneed, warm gehouden, schoon gelikt. Laten we zacht zijn, omdat alles hunkert en heimwee heeft, alles ogen heeft die gezien willen worden. Laten we spiegel zijn, omdat we niets meer  zijn dan dat, even stil en willoos, spiegel van het alles dat in ons leeft.

 

(West-Australië, outback-kerkhof in Coolgardie, leeggelopen goudzoekersstadje)


02-06-11

De Aanraking (78)

IMG_4177.JPG

 

 

 

78.    De troostzoekers van de stad

 

Er is mist in de straten en in de lucht die vandaag van geen verroeren wil weten, grijs gewicht dat half dronken maakt, traagheid waardoor je leert van jezelf niet te houden, er is regen die zelfs niet meer wil glanzen.

Straten waarin de slapelozen zwerven, van bakkerij tot dagbladwinkel, van postkantoor tot tram, om het brood en de woorden te kopen waarmee ze rust zullen vinden. Maar de etalages zijn holle gaten die door geen beweging, geen stap worden gevuld en op de gezichten ligt een blik die wegkijkt, de onverschilligheid die veroordeeld is tot zichzelf. De slapelozen in de hoek van de tram, in de winkeldeur, in de hall als ze de sleutel in het slot voelen. De aarzeling die hen dan overvalt, omdat ze geleerd hebben dat ze dronken zullen thuiskomen, een beetje radeloos van al de verloren tijd die zich in hen ophoopt en waar allang geen plaats meer voor is, en dat de dag wreder is dan de nacht omdat hij meer illusies tevoorschijn tovert, meer beelden die niets anders doen dan wegkijken, dan gelijkenis vertonen met wezens om lief te hebben, mee te praten, uit wandelen mee te gaan, om aan te raken.

De troostzoekers van de stad, als ze bijziend van grijs door het inpakpapier van de lucht schuifelen, stapvoets, van etalage tot etalage. Als ze, oud geworden, boodschappen blijven doen, opgemaakt in teveel rouge, ruw in zichzelf pratend, half geschoren soms, waggelend bij elke stoeprand, wegstaren boven de koffie door het doffe raam met de zwarte planten, overdreven grote gebakjes etend, denkend aan al die kinderen die ze hebben gekend en nu kleinkinderen zijn, denkend aan al die tijd.

De troostzoekers van de stad, al die geschapenen die maar één ding willen, weer die eerste blik op zich te voelen, die blik waarin ze het mooist waren. Hij wordt gezocht in de schommelende boot van het Grote Café, in de donker wordende straten, in de trouwe liefde die eten heet, in de herkenning van wat men heeft gezien, in de onderdanige liefde van wat men bezit, in het grote onbekende van kinderen, altijd weer kinderen, in de herinneringen als de nacht valt en de oogleden, in de vriendschap van een nieuwe dag.

In een zijstraatportiek van het warenhuis zit het meisje ineengedoken in haar overjas. Ze glimlacht naar me als ik voorbij ga en haar zie. Maar misschien doet ze dat met iedereen. Misschien glimlacht ze niet, maar grijnst ze, haar lichaam dicht rond het vuur geschaard dat in haar brandt, en wil ze de buitenwereld zo buiten houden. Ze blijft de rest van de namiddag in mijn hoofd zitten. En als het donker wordt, zit ze er nog.


 

 

 

 

 

 

 

 

31-05-11

De Aanraking (77)

 

 

IMG_0092.JPG

 

 

77.   Lege plekken 2

 

Ouder worden is lichter worden. Soms wil ik ouder zijn en lichter. Soms wil ik in een handvol schepping gaan liggen en helemaal volstromen. Twee vogels die voorbij vliegen en de klank is afgezet. Zon die met nooit geziene schaduwen een namiddag bouwt, glooiingen van duister en haarscherp gesneden bladgoud, en zoveel licht. En we rijden erdoor zoals kinderen doen, met dat gulzige omdat alles nieuw is. Je adem naast mij, die aangekleed is met zoveel vormen die ik ken, een heel landschap gaat bij jou naar binnen. Misschien luister ik wel om mee in dat lichaam van jou te liggen, mee te ademen en te kijken naar dat licht van deze namiddag, mee elk ogenblik weer geschapen te zijn.

Er was een eik in het park dat we bezochten, en toen ik onder zijn takken stond, schrok ik en werd heel stil. Hij was ontzagwekkend en liep bij mij binnen zoals mensen die je ontmoet en die indruk maken.

Het jaar werd ouder, het licht was dunner geworden, breekbaar haast, de bladeren trokken naar de grond. Ik zag ouders met kinderen, mensen die elkaar gevonden hadden en elkaar weer zouden moeten loslaten, wandelende verhalen die voorbij gingen zonder dat ik ze aanraakte.

En het werd nacht en het werd dag, het begon zachtjes te regenen en dan scheen het licht weer, en telkens wilde ik achterblijven in het ogenblik dat daar voor me stond, ademde alsof het een eeuwig leven had, keek alsof ook ik een landschap in mijn ogen meedroeg, zijn hand op mij legde zoals geliefden doen, en weer voorbij was, zo vluchtig, zo stil, zo doorschijnend.

Waar heb ik geleerd te leven met dat vol- en leeglopen? Van jou toen ik je liefkreeg en niet ademde dan met jouw adem, niet voelde dan met jouw huid? Van dit oudgeworden jaar dat zich toch nog weggeeft, ogenblik per ogenblik? Van mijn jarenlange lichaam, dat de angsten heeft gesust, en zich moe heeft gezorgd? Langzaam groeien de pijnen naar buiten, ik voel het in mijn lichaam, op een goeie dag zal ik ze loslaten zoals deze adem, glanzend zoals bladeren na een lange zomer.

 

(lege plek: Cantabria...)

29-05-11

De Aanraking (76)

 

IMG_4721.JPG

76.   Lege plekken

 

Ouder worden is lichter worden. De grote beuken staan daar nu al zoveel jaren, steeds overzichtelijker. Straks worden ze kaal, en dat doen ze met gratie. Het licht in deze najaarsdag is nauwelijks meer dan wat vegen waterverfgrijs, nat en zo voorlopig dat, als je even niet oplet, er al een ander vel ligt te drogen. Er blijft voor de bomen en de huizen weinig meer over dan wat aangelengde schaduw. De wind gooit nog late vogels over de daken. Als al die lege plekken vol lopen, krijg je vanzelf  nog wat wind.

In de van overschotjes licht bijeengespaarde woonkamer, in al deze onnadrukkelijkheid, luister ik naar Alfred Brendel die Bach speelt. Het lijkt of ik slechts af en toe een noot hoor, zo intens is de ruimte rond de klanken. Als Brendel de diepe bassen aanslaat, tril ik mee. In mijn leeggelopen lichaam, in deze leeggelopen dag, in Brendels oude vingers en hoofd is ruimte voor Bachs lichtheid, voor zijn naaktste vorm, voor de stam van zijn bestaan. Hoe kan een  klank zoveel eigen leven meekrijgen en dat leven zo tastbaar loslaten?

Instrumenten om leven los te laten zijn we: het zware, elegante ding met snaren, Brendels lichaam met zijn handen, deze kamer met mijn hoofd, de dag met zijn opdrogende  lucht.

Misschien moeten we, ouder geworden, het licht teruggeven, ophouden met levenslang te krijgen, met beschenen te worden en te glinsteren, en ons bezig houden met dat beetje licht dat we zelf zijn, die doorschijnende beenderen en huid die ons dragen, die ene klank in ons hoofd, die blik die ons zo herkenbaar maakt voor wie ons liefheeft, dat ene woord dat we hebben ontdekt en dat alles samenvat, dat gebaar. Daarom willen de beukenbladeren glanzen in het late najaar, goudgeel en koper en alle nuances vandien, een glans die helemaal uit henzelf komt nu, verbijsterende aanwezigheid.

Je krijgt het bestaan en geeft het terug. Misschien moest Brendel een leven wachten om Bach zo te kunnen spelen. Misschien moest Bach een leven lang geloven om die noten te kunnen vinden. Je krijgt het bestaan en je geeft het terug, liefst met de glans die op de bodem van alles ligt te wachten, ook ligt te wachten, tot ze licht genoeg is om weg te vliegen.


27-05-11

De Aanraking (75)

 

 

nunoz 252381961_c929baf061.jpg

 

75.    Dik

 

Zoals mijn adem moet ik de wereld laten binnen komen, zoals mijn adem. Zoals mijn ogen moet ik vol gaten zitten voor al wat bestaat. Zoals mijn ogen.

Maar soms voel ik mij dik, vol, opgevuld tot aan de rand, ondoordringbaar, vetgemest door lagen maatschappelijk belang en overtuiging. En dan zie ik gezichten die ik niet zie, hoor ik geluiden die ik weer vergeet, loop ik door het licht alsof het vanzelf spreekt dat het voor mij opzij gaat, alsof het niet aan alle kanten glinstert. En ik schrijf mijn agenda vol toekomst, alsof ik daar heer en meester van ben, kam mijn haar alsof ik het pas gekocht had, eet en drink, ga zitten en sta op, lach en praat alsof alles op mij wacht.

Mag dat dan? Ja, dat mag. Maar er komt een verloren ogenblik, en dan voel ik mij dik geworden, loom, met stijve huid en ogen die maar bezig waren gangen te boren om bezig te blijven. Het is een vreemd gevoel, te weten dat je te groot wordt, niet meer kunt staren, achterover leunen en door het raam kijken, niet meer iets ontdekken dat daar ook aan het wachten is, niet meer weten dat je ademt.

Soms zit of sta je, op recepties, vergaderingen of andere volle ogenblikken, naast mensen die dat overgewicht een naam mogen geven, en het weten ook. Wandelende functies, vleesgeworden macht, tastbare belangrijkheid. Vaak hangt rond hen een geurloze ondoordringbaarheid, gladde omgang met de wereld die van hoge beschaving getuigt en mindere goden aantrekt, als een koning een hofhouding. Ah, de holle frasen en gebaren waarmee ze zich naar binnen likken. Ah, de minzame neerbuigendheid waarmee ze worden aanvaard.

Soms zit, diep in hen verborgen, een kleine jongen. Je hoort hem niet, maar hij is mager en oud geworden de jongste tijd. Het lichaam kun je niet bedriegen. Het is vriendelijk en geduldig, het lichaam, maar er komt een dag dat het al dat gewicht van zich afschudt.

Soms, maar zelden, zie je er die niet veranderd zijn. Vreemd, ze hebben zoveel macht, en je herkent zoveel vertrouwds, zoveel dat klein is gebleven, dat dichtbij komt.

Het is langzaam herfst geworden. Het jaar werpt zijn kleren af, gaat weer in de kou staan, laat met fijne vingers knopen, versieringen, kleuren los. Er is een goedmoedige wind die alles wel op wil gooien en wegtoveren. Er is een zon die door de gaten wil schijnen. En zeggen dat hier een paleis heeft gestaan.

 

(beeld: Nunoz)


25-05-11

De Aanraking (74)

 

 

IMG_0102.JPG

 

 

74.    Soort ziel

 

Waar heb ik geleerd dat alles een ziel heeft die wil aangraakt worden? Van de moeder die mij schiep? Van de vader die stil werd van de muziek in de kerk, of van het licht op het land, en woorden had voor het grote waar hij tegen aanliep? Van de Indiaanse grootvader en zijn kleinzoon, die ‘s morgens het licht groeten? Van de wind die de bomen deed kraken, van het donker dat fluweeldiep over het huis en de kamer gespannen stond, van de stilte als alles was verdwenen? Van de sterren en de blaffende honden? Van de monnik die zich vooroverbuigt over de afgrond en hoopt dat zijn blik meegenomen wordt? Van de woorden die soms muziek werden? Van de dichters? Van de hond die er altijd was? Van je gezicht dat stilstond en omkeek en mij zag, en de sensatie weer gezien te zijn? Van al de tijd die stenen verzamelen? Van de zee, de grote zee? Van de vogels ‘s morgens vroeg? Van de handen die mijn gezicht betasten? Van de doden als ze een stap dichterbij zetten? Van de zieken als ze roepen, de kinderen als ze wanhopig worden, van de kromme vingers van oude vrouwen? Van de adem die mij in leven houdt? Van mijn ogen?

Soms, als je lang naar iets kijkt, worden de dingen van de schepping bijna transparant, alsof de ziel die hen schiep zich even laat zien, zomaar, omdat je stil blijft zitten en niet van plan bent hen te storen. Wilde dieren die even opkijken, zien dat jij er bent, en verder spelen, genadeloos dicht.

Soms, als je niet bang meer bent, niet meer cynisch, niet meer hard, mag je mee in de rij wachtenden voor je. Waarop ze wachten, de krant en het glas en de wind en de mensen en de duisternis en de woorden en al het andere dichtbije en verre, dat weten ze niet, net zomin als jij het weet. Maar in dat wachten gaat er een glans van het ene naar het andere, een soort medeplichtigheid in het bestaan, een vriendschap die ouder is dan elke wachtende afzonderlijk, een trouw aan elkaar.

Soms, als je even niet meer alleen bent.


23-05-11

De Aanraking (73)

 

 

IMG_3301.JPG

 

 

73.    Over het door het raam kijken 2

 

Het jaar kantelt en ik kantel mee. Doe maar, zeg ik dan, groot is mijn aanvaarden. Als ik maar af en toe door de ramen van het huis, door de ramen van mijn ogen kan toekijken hoe al het andere ook zijn best doet om te veranderen, soms zo hevig dat je ervan schrikt.

De oude collega, ik herken hem niet meer, langs hardgeworden rimpels beklim ik zijn gezicht, waarin een geaffecteerde stem hokt die niet overeenkomt met de blik in zijn ogen. De lijsterbes, die nu al zijn bladeren kwijt is en karmijnrode bessen in trosjes slordig in de ruimte ophangt, hele gaten openlatend tussen de schaduwen waar zijn stam was en zijn takken. De roest in buurmans auto, de roest in de randen van de beukenbladeren, al lijkt het eerste een nederlaag en zal in de haag het licht nog eenmaal hevig schitteren, daar wachten al die blaadjes op.

In al die ramen waardoor ik kijk, zie ik, knecht van de meester, hoe groot de verandering is, de grote stroom die ons in leven houdt en alles wil zijn en alles wordt. Met het ouder worden leer ik daar heviger naar te kijken, vanuit het besef dat het niet alledaags is dat ik daar bij mag horen, vanuit het besef dat kijken zowat elke vorm van liefde in zich kan dragen. Zoals je naar de geliefde kijkt, en ziet hoe ze bezig is tussen de anderen, hoe goed ze in haar huid zit, hoeveel vuur er in haar brandt, hoe ze lacht, zo diep kun je haar dan in je voelen. Dat is bijna volmaakt, al liggen er liters lucht tussen haar en jou, al is het maar een kort moment. Zoals je naar de sterrennacht kijkt en weer de eerste mens bent. Zoals je naar de gezichten kijkt in de tram en weet hoe uitgestrekt elke mens is, in ruimte en in tijd.

Het jaar kantelt en ik kantel mee. Zoals de zomer stil leek te staan, een volheid die achteloos en onbedachtzaam maakte, zo snel verandert alles nu. Alsof iemand de stop heeft uitgetrokken, het gordijn dichtschuift, de verwarming af heeft gezet.

Maar er zijn vlekken zonlicht, we kunnen dichter bij elkaar gaan staan en elkaar warmen, het brood zal beter smaken, en al het andere kleine dat ons leven redt, we kunnen trager leven, we kunnen inslapen. En we kunnen kijken.


21-05-11

De Aanraking (72)

 

 

20100301_1162.JPG

 

72.    Over het door het raam kijken 1

 

Net als katten kijk ik vaak door het raam. Het is passend, vind ik, dat je de schepping eer bewijst door ernaar te kijken. En het is een manier om op veel plaatsen tegelijk te zijn. En je kunt er bij gaan zitten.

Vanavond is het vroeg donker, het regent, het is koud. Onder de donkere lucht hangt een vaalrode gloed, als kleur even ongezond als de regen monotoon is.

Er is dus nauwelijks iets te zien of te horen. Maar in mijn hoofd steken de cafés hun lichten aan, warmen de muren de ruggen van oude mannen die alleen drinken, wisselt de kelner een grapje met de oude dames die samen drinken, zo gelijk hebben ze de ouderdom over hun drieën verdeeld, hangt er tussen de rook nog wat vergeten muziek en slaat de buitendeur hard.

En in mijn hoofd rijdt door de zilveren straten een late tram, er zitten nauwelijks mensen in, en hun levens zijn veilig opgeborgen onder hun kleren, hoewel ze niet kunnen ontkennen dat ze dit kleine stukje ervan nu met anderen moeten delen. De tram jankt soms, en soms schieten er vonken uit zijn voorhoofd.

En in de huizen slapen nu de kinderen, of zouden  moeten slapen. Wat vandaag gebeurd is, heeft zich in hun hoofd teruggetrokken om misschien nooit meer herinnerd te worden. De slaapkamerdeur blijft een eindje open staan, de trap kraakt onder de stille stap die hen nu alleen laat.

Zoveel gezichten dragen vanavond zichzelf de nacht in, gezichten soms zo dicht dat je ze zou kunnen aanraken, gezichten zo dicht dat je ze een voor een zou willen koesteren, als dat niet een beetje vreemd gevoel is tegenover zoveel mensen.

Wat hebben gezichten dat ze je zacht maken? Dat het leven er zijn tekening op heeft gemaakt? Dat ze zo doorzichtig zijn? Of is het omdat ik ouder word, dat ik ze aanvaarden kan, de gezichten van de mensen? Door het raam kijk ik naar de luchten en de gezichten en naar mezelf.



19-05-11

De Aanraking (71)

 

20100301_1163.JPG

71.    Genietingen 2

 

Zo’n bende ruggen die samen zitten, en elkaar hun gezicht aanbieden, met al wat er op te lezen valt. En iemand begint te vertellen, zit niet naar zichzelf te kijken maar kruipt helemaal in zijn woorden en gebaren. En de anderen kruipen in zijn gezicht, geven hem kleine zetjes door te knikken of even kort naar adem te snakken of door zo’n hevig scherp lachje. Of ze trekken de koordjes dicht door elkaar even aan te kijken. Ha, het wonder van bij elkaar te mogen horen.

Zo’n café waar de luchtbel van het tafeltje net groot genoeg is om twee gezichten in te vangen, en je hebt het gevoel dat je met de drank tastbare aanwezigheid in je giet. Ook woorden en blikken kunnen dronken maken, of toch een weldadig gevoel geven. Een moment dat je vriend met zijn handen breekt en dat je samen opeet.

Maar ook het lichaam even laten doen, zijn gang laten gaan, niet aldoor opletten waar het nu weer terecht komt maar al soezend en pratend meelopen. Ook het lichaam wil stromen, overstromen, oplossen in al wat groter is, en er is zoveel dat groter is. En de drank en het Grote Café praten maar op het lichaam in, en jij bent met je dromen bezig, en plots is je lichaam vloeibaar geworden, zweeft het over de straatstenen, hoort het zichzelf niet meer stappen, ademen, moet het weer alles leren, lichaam als jong vaantje, het schrikt en giechelt tegelijk.

En het moment dat je betoverd wordt, plots laat je alle leven achter voor dat ene leven van de acteur op scène, voor de muzikant die de noten speelt waarop je altijd hebt gewacht, voor het verhaal dat je meeneemt. Plots ben je verliefd, moet je vluchten, plots sterf je, plots blijkt de hele schepping bij jou binnengetrokken, plots ben je waar je naar zocht, de stenen zuilen van de kathedraal en er valt zonlicht over en ze blijken zich eindeloos te herhalen, de stem die vertelt en je opneemt en neerzet in een nieuwe huid, de wind die door de bomen ruist, je hand als hij mij weer opnieuw aanraakt.

En de lange geluiden die zo lekker lang uitsterven.

En de schaduwen opzij van het licht.

En de honderd smaken op je tong, de honderd kleuren in je ogen, de duizend vingers in je oren.

En je bed als je mag inslapen.

En je adem voor je inslaapt, altijd je adem, je ruimteloze, naamloze, zwijgzame, zachte, lekkere adem.


17-05-11

De Aanraking (70)

 

 

Berlijn juli 2010-49.JPG

 

70.    Lach

 

Het jaar kantelt maar de zon hijst zich uit de ochtendnevel. De ramen bedampen maar het licht breekt erdoor. Mijn gezicht wordt warm en vloeibaar, zachte massa die ik maar al te goed ken maar nu in nieuwe vormen gekneed wordt.

Met het dansen in en uit het verdriet ontdek je, slim als je bent, dat je ook kunt grinniken om je eigen ondergang, de miserie hansworstkleren aan kunt trekken en pasjes kunt laten opvoeren voor een publiek dat er niet beter aan toe is, dat de gaten in het bestaan zeer geschikt zijn om op te fluiten.

Zoek wat nutteloze momenten en wat nutteloze vrienden, er is niemand die op je lijf zit, en in een mum van tijd gooit de verzamelde aanwezigheid zichzelf op scène, speel maar, woorden en gebaren als clowns august, dansen met elkaars genoeglijk vallen en opstaan, en lachen bij elke geslaagde bocht.

Lachen is even van de grond komen, voelen dat je opgetild wordt door de beweging, door de juistheid van de beweging, de gewichtloosheid van de overgang, het pijnloos vervloeien van de ene situatie in de andere, van jezelf of van het leven dat naast je zit, van de gezamenlijke onmogelijkheid stil te staan, de dingen vast te houden, iets vast te houden van wat we dachten te zijn en te hebben. Lachen is vreugde om het samenvloeien, het kinderlijke plezier om onder te gaan en weer op te duiken, zo sierlijk en glad dat het lijkt of we allemachtig goed in het leven liggen.

Een mens doet dat graag in gezelschap, een mens heeft spiegels nodig, handen, ogen, stemmen, een mens wil zich graag vermenigvuldigen, zo’n groot lichaam dat samenvalt en zich niet meer afvraagt of het goed is, dat samen opspringt en neerkomt, en opgelaten even schatert.

En met de jaren en de schrammen leert een mens zichzelf herkennen, naar binnen te kijken in zijn eigen spiegel en te glimlachen om wat hij ziet. Het is vaak niet veel, maar hij herkent het en voelt genegenheid voor dat hobbelende ding dat botst en opspringt en over wie de golven gaan.

Samen dansen is natuurlijk biezonder, maar in je rug achterover leunen en grinniken om de blauwe plekken die je zelf oploopt, om het tuimelen dat je zo bekend voorkomt, om de zeurzangen in je arme hoofd, dat is nog veel straffer. Dan word je werkelijk groter, een hele vriendenkring verzamelt zich in jou, een die zeurt, een die er de draak mee steekt, een die lacht en van de grond komt, een die naar adem hapt en de randen voelt van zijn bestaan, een die onthoudt wat daar allemaal te zien is. En dat allemaal in één lichaam. Je zou voor minder een feestje geven.

 

(straat in Kreuzberg, Berlijn)


15-05-11

De Aanraking (69)

 

IMG_3890.JPG

 

69.    Massagraf

 

De televisie als massagraf.

In het journaal begraaft een groepje huilende mannen en vrouwen zijn doden, neen, tilt ze van de bebloede grond en voert ze weg in gillende auto’s, neen, wacht wezenloos op de granaat die straks zal inslaan. Het Sonderkommando van mensen zonder naam bij wie de bommen elk moment zelf kunnen komen.

En de kinderen van die beelden, liggend in ziekenhuizen op blote witte bedden, omzwachteld om het leed toch een beetje van hen weg te houden. Zijn dat de kinderen die straks zullen terugkeren en vertellen over wat ze hebben gezien?

Andere ogenblikken. Volgen ze op de vorige, of hebben ze er niets mee te maken? Andere ogenblikken gooien andere doden op, stoffige vormen onder een ploertenzon, mensenhanden die zeiltjes boven zich houden tegen de koorts en de regen, oudgeworden dronkemansgezichten waaruit de ogen zijn verdwenen.

Over de dood moet worden geweeklaagd, over de dood moet worden gezongen, hoop en verdriet in één stem, over de dood moet stilte gaan, de stilte waarin men opgenomen wordt in een groot geheim.

Maar op televisie worden doden verkocht per seconde, tussen het weerbericht en de sportuitslagen, de spelletjes en de uitverkoop. Elke avond de ogenblikken waarop alles wordt getoond en niets wordt gezegd, vliegensvlug toegedekt met lichtval en stemmetjes en gelach en jarige ritmes en plaatstalen glimlachen en handen die vers uit de machine komen en gierende autobanden en slaande deuren en nog zoveel meer waarvan je zou kunnen denken dat het zin had, als er die doden niet waren die in je achtergebleven zijn, bij gebrek aan een beter graf.

 

 

(schilderij van Anselm Kiefer)


13-05-11

De Aanraking (68)

 

 

IMG_3877.JPG

 

68.    Dansen

 

De wals van de tijd.

Met tranen in de ogen opkijken en glimlachen, zo, zomaar, alsof het niets is, en het is niets want in die glimlach draag je elke traan.

Straks door de sneeuw schoppen, en even bleek worden, en even koud worden als je adem, en heel ver kijken, terwijl je de warmte roerloos weet onder de grond, al die beelden die ook in jou zullen opschieten, je geheugen dat weer bloeien zal, je ogen die vol zullen lopen met dat eindeloze veelvuldige, en weer in de sneeuw schoppen als een kind waar men om lachen moet, dat zich omhoog getrokken voelt aan te grote koordjes.

Straks.

Ook de stad keert zich op zijn zij en wordt zo stil. Ook de nacht loopt weer leeg in de dingen.

Word ik niet dronken van al dit bewegen van voor- en achterkant, van einde in begin? Ik word gek en schop als een kind, en struikel en huil, en zink en schud ongelovig het hoofd en zie niets meer. En dan kijk ik op en glimlach en voel hoe de cirkels van mijn leven mijn gezicht uitslijten en hoe de droefheid ook een kracht is en hoe het leven zich aan dit alles toch niets gelegen laat liggen. Zo’n soort monnik ben ik.

Het is een bleke dag vandaag, met wolken zonder veel glans, fletse bladeren, gangen die in niets lijken op wat ze geweest zijn. Op de muren ligt oudgeworden licht.

Maar ook dit magere, benige licht moet iemand te vriend hebben. Ik rek mijn ogen uit om het aan te raken, en nog ‘ns wil ik kijken, en nog ‘ns. Voor wie in het niets gezeten heeft, is ook het weinige veel. Wie de volheid in zijn herinnering meedraagt, kan ook blij zijn met het bijna lege. Zo dans ik met de dag. Ook de volgende danspas heeft een aanloop nodig, ook de moeilijkste beweging moet een einde krijgen.

Zo’n soort mannetje ben ik, dat de zwaluwen ziet keren en probeert mee te vliegen, dat dadelijk loslaat als het leven dat wil maar nadien gek wordt, alleen, of bij zijn rug ‘s nachts, dat hoopt dat de volgende dag zal leren van de vorige, of er tenminste het kind van is, en dat met al die herinneringen een huis bouwt van geuren en kleuren, en stemmen die, als hij zijn ogen sluit, hem nog zullen aanraken. Hem altijd zullen aanraken.

 

 

Op de zijmuur van het Rathuis van Duisburg, een citaat van Immanuel Kant (1724 - 1804): Zwei Dinge erfüllen das Gemüt mit immer neuer und zunehmender Bewunderung und Ehrfurcht, je öfter und anhaltender sich das Nachdenken damit beschäftigt: Der gestirnte Himmel über mir und das moralische Gesetz in mir.

 

 

11-05-11

De Aanraking (67)

 

IMG_3221.JPG

67.    Melancholie 2

 

Maar wat met de melancholie dat alles voorbij gaat, omdat alles beweegt, verandert, leeft, ook het verlangen? Wat als het verlangen geen pijn meer doet, of minder pijn, en dus minder verlangen is? Wat als de blik afdwaalt, de gedachten wegdromen, als je plots merkt dat de dagen vanzelf volgelopen zijn, alsof jij er niet toe doet?

Ik kan verdragen dat de regen zeurt of tekeer gaat, ik kan verdragen dat het licht wegsijpelt, dat er kou binnenkomt door de spleten en kieren van kleren en deuren. Kan ik verdragen dat ik anders word, dat jij anders wordt?

De dagen worden dichtgevouwen, merk ik, de regen spoelt al wat blijven liggen was overhoop, in de verte zijn luide sluizen open gezet, de grote opruiming is bezig. En ik kijk naar je gezicht, en ik heb het koud, voor het eerst weer opnieuw.

Maar weer denk ik, het is sterker dan mezelf, ik klamp er mij aan vast: elk deel heeft zijn tegendeel. Het is een dans, denk ik, de grote dans van komen en gaan, van krijgen en loslaten, van licht en donker. En ik zal dansen, de wals van de tijd, die vandaag het licht oplost in kleine parels en opbergt in de grond, de straten leegspoelt en de hoofden, de blikken en de woorden. Warm zal ik de winter indansen, met open ogen zal ik onrustig worden, ik zal een kopje koffie drinken op een terrasje en dankbaar zijn voor een heel leven, vooral voor al de herinneringen, die beelden van wat was, ik zal staren en je ogen zien, als toen ik ze voor de eerste keer zag, en ik zie ze voor het eerst, zo wervelen zal de dans, zo heb ik je en zo moet ik je weer loslaten, zo ken ik mezelf in de spiegel en zo ben ik wanhopig, zo regent het in mij en zo zie ik je weer glanzen, alsof je nooit bent weggeweest.

Draai om de tijd, en ik ben weer jong met jou, draai om de tijd en ik ben weer jong met mezelf. Mijn dromen gaan weg en komen terug, hoe ouder ik word, hoe meer ik het kind voel dat ik ben, hoe sneller de tijd kantelt, hoe meer ik hem voel terugkeren.

De wals van de tijd. Het zijn mijn ogen waarrond hij wentelt, mijn ogen zijn het punt waarop alles samenkomt, waar alle verandering in- en uitloopt. Mijn en jouw ogen worden niet ouder. Ze zullen sterven en net geboren zijn, ze verenigen alles en laten alles los. We zullen dansen.

Maar een melancholicus is een slechte danser. Hoe kan hij dansen, als hij weet dat de dans ten einde loopt? Hoe kan hij verdragen dat hij je draagt, als hij je straks moet neerzetten?

Maar glimlachen zal hij, terwijl zijn ogen tranen. Bewegen zal hij, met ijlten in zijn hoofd. De regen zal hij zien, en weten dat de regen goed is. Wanhopen, en over de wanhoop inslapen. Huiveren en als een kind naar de huiver staren. Stil worden, en in de stilte het nieuwe horen dat zo oud is.

Dat leven van hem, het leidt zijn eigen leven. Treurig wordt het en blij, wanhopig wordt het en dan weer vol. Hij kijkt ernaar en denkt: hoe vreemd dat ik ben wat ik ben, hoe vreemd dit dansen, hoe vreemd geschapen te zijn.

En dan staat hij op, eet weer wat zijn lichaam vraagt, ziet weer wat de dag meebrengt, bemint weer wat hem aanraakt, en weet dat hoe meer hij dit alles doet, hoe meer hij zal moeten sterven.


09-05-11

De Aanraking (66)

 

IMG_2933.JPG

66.    Schilderij

 

Het schilderij van deze zondagnamiddag. Duif hoog op de schoorsteen, met om haar schouders een lucht van wit en het lichtste grijs en blauw, wolken als continenten die verschuiven en een vorm geven aan wat meestal vormloos blijft, de diepte waarvan je niet weet of ze binnen of buiten je ogen leeft.

Heeft de duif zich een kwartslag gedraaid, ik zie de wind door de veertjes van haar borst gaan. De veertjes en de wolken.

De onderkant van de bladeren van de kerselaar leert wat er gebeurt als je doorzichtig wordt: dan krijg je het mooiste licht van deze namiddag. Tot aan de rand voltooid zijn. En het verlangen dat me telkens weer dwingt ernaar te kijken. Het wiegen als de wind door hen strijkt. Het geruis dat de ouden in verrukking bracht.

De witte poten van de poes, haar kop waarmee ze aarzelend over de wereld loopt, schrikkend van elk geluid, alsof ze nog altijd niet kan geloven dat er ook momenten van rust zijn, dat we haar niet zullen bedriegen.

Op de rozen fladdert een vlinder neer, witte vlinder, verse kleren aan, het is Zondag voor iedereen.

Een trein die verre gangen graaft, plots een groot gat maakt, en dan verdwijnt.

Fietsende stemmen, zoals je een bal opgooit en hem dan laat kaatsen.

Het wijde cirkelen van zwaluwen, prenten knippend als atelierjongens van Matisse, grote vellen kleur in één beweging losgehaakt.

En nog altijd geen auto’s. Geen enkele auto. De helderheid van af en toe iets, de traagheid waarmee je van het een naar het ander kunt kijken, zonder je te moeten haasten, zoals auto’s doen.

07-05-11

De Aanraking (65)

 

IMG_4150-1.JPG

65.    Verlangen

 

Maar het verlangen is toch alles, zeg je. Zijn we dan niet geschapen om verlangen te zijn? Keren we ons gezicht niet naar de zon?

En je ademt daar in de zon, het is een dag waarop de hemel hoog op zuilen staat, en ook op aarde lijkt het alsof je door de huizen en de bomen kunt zien, en ik zie je. Met open of gesloten ogen, het doet er niet meer toe. Met mijn handen op je haar of op de lucht.

Alles moet ik in de vingers leggen die over je huid glijden, dit wezenloze van jou niet te zijn, dit vloeibare van dichtbij en ver, dit woordeloze van spreken en niet weten wat te zeggen, hoe het te zeggen. Er is nu eenmaal een grens tussen alles, anders was er het niets. We bestaan dank zij de afscheiding, dank zij de eenzaamheid zie ik jou, hoor en proef ik jou, je huid van olie in deze zomerdag, je adem die jou stappen geeft en gebaren en een gelaat met duizend spieren voor je glimlach.

Vingers kunnen, als ze dat echt willen, die hele nauwe grens voelen, daar waar ik ophou en waar jij begint. Op die grens wordt verlangen, wordt afstand bijna nodig. We zijn met een heel fijn mes uit het geheel gesneden, met uiterste zorgvuldigheid. Dat is zo groot, daar is niet bij te komen voor onhandige, onzekere wezens die ook alleen maar kunnen wachten op wat hen wil overkomen. Zo scherp kijken, dan voel je het mes weer, dan snokt het door je en moet je even de ogen sluiten. Jij en de lindeboom en de kinderen in de straat en de lucht met zijn wolken en de bij op de bloemenstruik en de deur die zijn schaduw over de stenen legt. Het is er allemaal en,  als je vingers en je ogen en je oren willen, zo dicht dat je kunt duizelen, aan je eigen warme vorm kunt twijfelen, naar adem moet happen.

Laten we daarom maar verlangen, zeg je, altijd opnieuw de afstand voelen die ons scheidt van al het geschapene en ons schept. Omdat jij er bent, mag ik er zijn.


05-05-11

De Aanraking (64)

 

IMG_4240.JPG

64.   Melancholie

 

Melancholie is het plotse verlangen om aangeraakt te worden, gekleurd door het besef dat je niet aangeraakt wordt.

Op de receptie staan honderden mensen, levens die tegen elkaar wrijven tot er gelachen wordt, tot er warmte is. En je beseft, beseft zo hard, dat wat je wil hier niet aanwezig is, hier niet past: iemand die je langer aankijkt dan nodig, iemand die plots wil vertellen over het leven dat door hem of haar trekt, geen cadeau is vreemder en vertrouwder tegelijk, iemand die zijn hoofd tegen jouw hoofd drukt.

En al de straten van de stad, er zijn er zoveel en ze lopen vol mensen en de huizen knippen hun lichten aan en het donker is warm en voedzaam van zoveel leven. En het vreemde verdriet als je wat langer kijkt dan goed voor je is, en al die paden ziet die je nooit meer zult kruisen, die voorbijgaan en oplossen zonder een spoor, een afdruk, een litteken in je achter te laten, zonder je lief te hebben gehad. Waarom is deze wereld zo dichtbij als je haar niet lief mag hebben?

Zo zijn er dagen waarop je wacht, en ze komen niet die moeten komen. Zo zijn er brieven die je schrijft, en het papier wil niet spreken, heeft geen handen, geurt niet, is blind. Zo zijn er telefoontjes die al oplossen na het eerste woord. Zo zijn er bezoeken die onherkenbaar blijven, als was je een vreemde voor elkaar.

Ah, dit onstelpbare verlangen naar genegenheid. Nijg naar me, kijk, kom dichterbij, voel me, omarm me. Het zijn de handen die ons vorm gaven, die we missen. Het zijn de ogen die ons schiepen uit niets, die we willen zien, want enkel in die ogen zijn we goddelijk, goed, mooi. De mooiste blik schiep ons. De zachtste handen hadden ons lief. Die aanraking heeft ons mens gemaakt. Naar die aanraking hunkeren wij.


03-05-11

De Aanraking (63)

 

IMG_3887.JPG

63.   Zomerdag

 

Dan komt er een moment dat alles teveel is, dat het licht zo uitgerokken wordt dat vormen en grenzen vervagen, dat de warmte alles oplost en dik maakt, dat middagen eindeloos lijken stil te staan, dat je geen vogels meer hoort, geen windvlagen, geen stemmen, dat het blauw witgeschilderd lijkt, de auto’s tegen je opkruipen en niemand nog op je wacht. Zomerdag, teveeldag.

Ik merk dat ik met lege plekken rondloop, in mijn borst, in mijn hoofd. De huid aan mijn vingers vervelt. Je zou verwachten dat je dan adem hebt, en verten, en een nieuwe glans op je handen. Maar niets, ik ben even onbeweeglijk als dit middaguur, even voldaan nietszeggend.

Zo’n eindpunt van een beweging, net voor de slinger terugkeert, net voor er iets verandert, hoe leeg is zo’n eindpunt. Stilstand waar je een akelig gevoel van krijgt. Wachten dat je doet twijfelen aan de zin van wachten, aan al wat je vroeger over wachten hebt gedacht. Irritante dichtbijheid. Volgevreten leegte.

Maar straks rolt de steen weer de berg af, staan mensen te wuiven en te wijzen, help ik ongevraagd zelf mee, toont de wereld hoeveel mimiek zij in huis heeft, hoe een grootmeester schaakt met de tijd. Niet dit armzalige verduwen van uren, maar zetten waar je verrast van opkijkt. Er komt regen en de stad zal glanzen. Er komt kou en de lichten steken op, de cafés worden warm, de deuren gaan met de rug naar buiten staan. Straks wordt er weer kleur in de bladeren gedaan, langzaam, voor de liefhebbers. Straks worden er nieuwe luchten uitgeprobeerd, voor een nieuwe generatie die plots stil wordt van het kijken. Straks rijden de fietsen weer, worden er boodschappen gedaan op het gewone uur, door de gewone gezichten. En als de warmte terugkeert, op late namiddagen met late zon, wil men opnieuw buiten zitten, maar zwijgzamer, om het weten niet te storen. Straks komt het donker weer, het blauwe donker dat niets vergeet, dat niets verliest of verloren heeft, het koele donker, dat bij ons blijft tot we inslapen, dat zolang handen op onze ogen legt, het eindeloze donker. Straks mogen we weer een beetje leren sterven.