25-05-15

Noord-Oost Italie: 2x man

 

IMG_1934.JPG

IMG_1935.JPG

2x Verona

 

23-05-15

Noord-Oost Italië: 2x architectuur

IMG_1844.JPG

IMG_1755.JPG 

(Padua, Caorle) 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

19-05-15

Thuiskomen

IMG_8966.JPG

 

 

Thuiskomen van reis, en gulzig het groen indrinken dat vanuit mijn tuin de woonkamer binnenvloeit. De tulpenboom en de kerselaar zijn deze lente weer wat gegroeid en liggen als een wiegend tapijt voor de ramen van mijn studiehok, met een lucht daartussen die twijfelt tussen groot licht en alle schaduwen donkerte.

En de wind verwelkomt mij: verre zee, ritselen, soms even slaan.

En al het geluidloze geluid dat beweging maakt in ogen: je weet dat er geluid moet zijn, al die energie moet zingen, dat kan niet anders, maar ik hoor het niet. Het immense stille schuiven van wolken. De hele ontelbaarheid van bloem- en andere blaadjes die zich strekken, en blijven strekken. Die uitschuiven, uitplooien, en aan hun randen lijken over te lopen van kleur, en kleur, en nog eens kleur.

Mindfullness, zegt men, maar je hoeft maar even wat langer een blad te bekijken met die horende ogen, en je mind zit vol. Of de radio of oordopjes uitschakelen, en je laten verrassen die de kamermuziek die je dan hoort.

En dan je eigen lichaam: het bloed stroomt, mijn pink luistert als ik hem iets zeg, ik sta op en val niet om, er ligt een weldadige warmte op mijn huid, ik heb dat beginnende hongergevoel dat straks rond de noen zijn hoogtepunt zal bereiken, overal om mij heen hebben de dingen en de mensen nog een naam in mijn hoofd, ik kan onthouden en verlangen, ik kan plannen maken of gewoon aan de zegening denken dat ik deze plek lucht mag vullen met dit lichaam van mij, dit huis, deze lucht die mij aandoet, deze tuin die wil glanzen, deze boom en wolk die willen bewegen, de stem van haar die beneden een deur opendoet, of sluit, dat kan ook.

01-05-15

op reis

IMG_6935.JPG

 

We zijn voor een paar weken op reis.

Italië.

Zon voor lijf en geest en tong.

Tot binnenkort.

30-04-15

Citaat Milosz

IMG_4040.JPG

 


"Niet dat ik een god wil zijn of een held.
Enkel veranderen in een boom,
heel lang groeien,
en niemand pijn doen."

 

    Czesław Miłosz

28-04-15

In mei (Adem Zagajewski)

IMG_3667-001.JPG

 


IN MEI

 

Toen ik bij dageraad door het woud wandelde,

in mei, vroeg ik me af waar jullie waren,

zielen van de doden. Waar zijn jullie, jonge

vermisten, waar zijn jullie,

de volledig veranderden?

In het bos heerste grote stilte,

en ik hoorde de groene bladeren dromen,

ik hoorde de droom van de schors waaruit boten,

schepen en zeilen zullen ontstaan.

Dan, langzaam, begonnen de vogels te herleven,

distelvinken, lijsters, merels, verborgen

op balkons van takken, elk in een andere taal,

elk met een andere stem, niets vragend,

zonder bitterheid of spijt.

En ik besefte dat jullie zang zijn,

onvatbaar als muziek, onbegrijpelijk

als muzieknoten, ver verwijderd van ons

zoals wij van onszelf.

 

Adam Zagajewski

 

23-04-15

Freek de Jonge (2)

freek.jpg

 

 

 

naar wie gaat mijn verdriet
naar wie liever zelf getroost wordt
of naar wie weg kijkt
de pijn niet ziet
waar moet ik er mee heen
ik kan het niet alleen
 
naar wie gaat mijn verdriet
met wie kan ik er over praten
wie wil mijn zorgen kennen
en wie niet
waar moet ik er mee heen
ik kan het niet alleen
 
vroeger had je god en kon je bidden
vroeger dacht je ach het komt wel goed
vroeger ging je nooit verloren
nu weet je niet waar je het zoeken moet
 
naar wie gaat mijn verdriet    
ik wil er niemand mee belasten
ieder heeft zelf meer dan genoeg
ik laat het in een lied
daar gaat mijn verdriet

21-04-15

Freek de Jonge

IMG_3688.JPG

 

Zaterdag een magistrale Freek de Jonge gezien in Dilbeek. Een magister, ja, een meester in zijn vak humor: woordgrappen in allerlei gedaantes, lichaamstaal, timing, opbouw, herhaling, tegenstelling, improvisatie (de zebra’s waren nog maar net door Vilvoorde gerend en hij opende er al zijn show mee), zang en mime, zelfs de enkele verspreking in twee uur tijd was bron van ad remmigheid.

En  de zaal, die dronk uit zijn hand.

Maar wat mij het meest raakte, was het moment, naar het einde toe, dat hij stil werd en vertelde dat zijn vrouw (ik wijs spontaan naar achteren, zei hij, omdat zij daar zit) en hij dertig jaar geleden een kind hadden verloren. En hoe hij toen al zo met zijn carrière bezig was, dat hij het verdriet nooit heeft kunnen toelaten. Identiteit en imago, het was een thema in zijn vertellen geweest, die avond. Ik zat gevangen in mijn imago, zei hij.

En toen vertelde hij dat ze verleden jaar hun oudste kleinkind hadden verloren, een meisje van zeven, dat al een operatie nodig had vlak na de geboorte, en toch nog zeven was geworden. Dat kind heeft mij mijn gevoelens teruggegeven, zei hij. En de zaal was muisstil. Hij vertelde hoe ze bij haar verjaardag, bij het zingen van ‘lang zal ze leven’, haar handje op zijn arm legde en fluisterde: dat vind ik niet zo’n leuk liedje, opa...

En hij liep naar de micro, en met zijn muzikanten zong hij: waar kan ik heen met mijn verdriet? Ik kan het niet alleen...  Hij moest het ons vertellen, Freek de Jonge, elke avond opnieuw vertelt hij het aan die volle zalen die hij trekt. Zoals ik het hem ook al hoorde zeggen vorig jaar, toen hij drie uur lang televisie vulde als gast in het programma Zomergasten.

Voor sommige levenservaringen is er geen ander antwoord dan het duizend keer vertellen, in de hoop op duizend keer liefdevol beluisterd te worden. Tot het verdriet niet weggaat, nee dat zeker niet, maar zacht wordt, zacht en zelf liefdevol...

19-04-15

Wit (K. Schippers)

IMG_9875-001.JPG

 

Wit

Het wit tussen regels 
Ook het wit tussen woorden 

Dat is iets anders dan 
‘daar staat niets’ 
of 
‘daar gebeurt niets’ 

Wit wordt gezien 
omdat het op papier 
niet alleen is 

Vergezeld wit geeft richting aan ogen 

Richting lijkt er ook altijd 
te zijn als je gewoon 
om je heen kijkt: toch hoeft 
er niet speciaal iets te gebeuren 

Dat is het verschil met papier: 
zolang er wit is 
volgen er meestal wel 
scènes of gebeurtenissen 

Wit is een oude meester 





K. Schippers

Uit: Een leeuwerik boven het eiland
Uitgever: Querido, Amsterdam 2003

(foto: Kasbegi, Georgië)

17-04-15

lente-overvloed

IMG_8971.JPG

 

Leven is overvloed: elke lente verrast het me weer, als een soort kopstoot zelfs: kijk toch ‘ns, het houdt niet meer op, het wil, het zal, het doet het: dansen, wiegen, open komen met in elk hand een tuil kleuren, bladeren etsen met een nauwkeurigheid die nooit vermoeid raakt, groen uitdelen waar licht in zit, of de zon laten plenzen als een kind in een bad...

Dat ik er midden in mag staan, ook dat verwondert me telkens weer, dat ik dit roze kleed van de Japanse kerselaar om mijn schouders voel leggen, dat ik de tulpenboom zie nijgen, als de beleefdste onder de bomen, voor wie, voor mij nu, dat de krokusjes, hoe klein ook, mijn blik willen aanraken in hun schelpjes, glooiingen die hogere kunsten hebben gestudeerd...

En deze hemel, zij heeft zich weer opgespannen als een jong dier, grijs en blauw en wit vel, rimpelend van losgelaten kracht, en ik hoef mijn hand maar uit te strekken om haar te voelen... En deze wind, hij is een acteur, met veel gezichten en stemmen, en zo lichamelijk dichtbij als hij nu weer speelt, en mij uitnodigt om mee te doen, we improviseren, we zwijgen dan weer en durven wachten, en dat is het wat theater zo spannend maakt, dit ogenschijnlijke nietsdoen, terwijl iedereen toekijkt en verwacht en...

 

 

13-04-15

Den Trew (in 't Gentsch, vrij naar Elsschot)

20100209_1098.JPG

 

Den Trew 

                                    Vrij naar Het huwelijk van Willem Elsschot
 
 
Tege dat'hij in't snotsen' oa 'op t'eijnde van 't compleêtse
in ploatse vân da schuun  moakske meê 'en spaneetse an'
eur scheetse 'thij op zeijn dâk zât meê 'en êwe zoage van
'en meêtse, 'twas' zjuust ne pleujrok 'en verrumpelde pirre
 
hij kost'er nie mier op ziejn, kierde g'em hertefrittend omme
en trokt oast van mizeere zeijnen board'uijt; geboardige da'
thij eur nie szag; jhij die vroêger zuu zot of nen top liept 'iet
van de goeste, oa neu ne platten band, liet zijne velo roeste.
 
En kreêjg z'em tog nog iene kier zuu verre da szijne sjoarel
stôndt en ghingt' hij op eur zoâle meê jhoar op van de grônd
was't alsof t' hij als nen poater in' t wijwoater spertelde en
zong sze zij d' uugst 'irre uijt d' oopperette 't fvliegent pird.
 
Moar d'er inblijve deej sze nie, al verschôt' hij uuk nog zeijn
allerloatste poêr uit de luup van zeijn gewirre, d'oarvan duu
goan dee sze nie, uuk al kroaktige eur êwe matrasse en al
spronge de ressors, zij bleusde leijk ne' nappel zuu gezond.
 
Hij peisdigde klop eur de kop in en 'k steke 't kot in brande
ik doe iets in eur soepe, k' trekke de liere op en 'k kuische
meijn schuppen af, k' pakke de vlieger over de gruute plas
veur' en tropiese liefde en 'k bên d'er tons veur goe van af.
 
Moar zijne' nhoamer pakken deej' thij nie, want tusschen iets
zêggen en iets doen es ter bleijkboar toch 'en gruut verschil
veur daddet' weet hange de flieken an euw belle om ulder
te moeie meej' euw menoaze, moede gij in 't zakse bloaze.
 
Want den tijd da vliegt veurbij moar t'es uuk iets da slijt en
een vrêwe krijgt d'heur hormonal 'humeur van eur vapeurs
en ne vent da drinkt' em van tijd' en stuk in zijne gilee en in
zeijn' voete, dad' es t' leve, doar veure moeme soame boete.
 
Jowan Anthoniez 

11-04-15

Liedje voor Hubert Van Herreweghen

IMG_9193.JPG

 


Zo zingen als Van Herreweghen:

je hoort de adem springen

 

wat wind komt je dan tegen

een slok een groet

 

en voor de dans

de juiste voet

 

Van al wat leven doet

niets moet

 

behalve tegenwringen

 

een gloed voor oren ogen

en voor het bloed

 

een zegen

 

 

06-04-15

Drie gedichten van Hubert Van Herreweghen

IMG_1244.JPG

 

Eerst een dienstmededeling: wegens ziekenhuisverblijf van mijn computer ben ik langere tijd afwezig gebleven op de blog. Ik probeer het goed te maken.

Dan terug naar de blessings die een mens ontmoet op zijn weg: ik kocht in Amsterdam, in de bekende boekhandel Atheneum, de jongste dichtbundel van Hubert Van Herreweghen, De bulleman en de vogels, met veel schone zorg en respect uitgegeven door de moedige uitgeverij P.

Ik las in de gedichten, en de woorden begonnen te dansen en te zingen rond mijn oren. Wat een dansante (soms letterlijk in de versregels weergegeven), klinkende poëzie... De man is 95, en in die 75 jaar dichten lijkt hij jonger en jonger te worden.

Ik weet niet voor wie dat eerste gedicht geschreven is, maar dat streepje licht, dat loopt ook voor de voet van mijn vrouw...

 

M.B.B ii

 

In dagelijkse zorg,

                          op eeuwigheid gericht,

en onbewust in heiligheid gerezen,

keek zij niet om

                          in lachen of in vrezen,

maar voor haar voet

                          liep steeds een streepje licht.

 

*

 

Plons

 

Onrustig wordt voor de zee

en 't klotsen

tegen inhumane rotsen

plons na plons,

het ernstig, nadenkend water,

in ons.

 

*

 

Avond

 

Licht, laatste korrel licht,

draal nog even,

verlaat me niet

als 't donker valt,

de gruwelijke nacht

waarin de dieren dolen

uit de oudste holen,

windhol en gracht

en geen oog wat ziet.

Verlaat me niet,

wees zacht.

 

25-03-15

Gebed van een tuinier (Karel Capek)

20100329_1281.JPG 

GEBET (EINES GÄRTNERS)

Karel Capek (1890-1928)

Herrgott, richte es so ein,
daß es täglich von Mitternacht bis drei Uhr früh regne,
aber langsam und warm, weißt du, damit es einsickern kann;
doch soll es dabei nicht auf die Pechnelke, das Steinkraut,
Sonnenröschen, den Lavendel und andere Blumen regnen,
die dir in deiner unendlichen Weisheit als trockenliebende Pflanzen
bekannt sind - wenn du willst, schreibe ich es dir auf ein Blatt Papier auf;
ferner soll die Sonne den ganzen Tag über scheinen, aber nicht überallhin
(zum Beispiel nicht auf den Spierstrauch und Enzian, noch auf Funkie
und Rhododendron) und auch nicht zu stark;
dann möge es viel Tau und wenig Wind geben, genug Regenwürmer,
keine Blattläuse, Schnecken und keinen Mehltau,
und einmal in der Woche verdünnte Jauche mit Taubenmist regnen.
Amen.

 

Heer God, wilt u het zo in elkaar steken

dat het elke dag regent van middernacht tot drieën ’s morgens,

en liever traag en warm, weet u, dat het diep kan inzinken;

maar zou het misschien niet op de rode pekanjer, en het steenkruid,

de bodemroos, en de lavendel en de andere bloemen kunnen regenen

die u in uw oneindige wijsheid bekend zijn als planten die de droogte

nodig hebben – als het nodig is, schrijf ik het wel op een blaadje papier;

plus laat de zon de hele dag schijnen, maar toch niet in het wilde weg

(bijvoorbeeld niet op de spirea en de gentiaan en de hosta

en de rhododendron) en liefst ook niet te fel;

en veel dooi en weinig wind, en genoeg regenwormen,

geen bladluizen of slakken en geen meeldauw,

en een keer in de week een buitje van dunne beer met duivenstront.

Amen.

 

23-03-15

God says yes to me (Kaylin Haught)

IMG_9236.JPG

 

God Says Yes to Me

(Kaylin Haught)

 

I asked God if it was okay to be melodramatic
and she said yes
I asked her if it was okay to be short
and she said it sure is
I asked her if I could wear nail polish
or not wear nail polish
and she said honey
she calls me that sometimes
she said you can do just exactly
what you want to
thanks God I said
and is it even okay if I don't paragraph
my letters
Sweetcakes God said
who knows where she picked that up
what I'm telling you is
Yes Yes Yes

19-03-15

Le chat et le soleil (Maurice Carême, 1899-1978)

Een klein gedichtje van de Belgische dichter Maurice Carême, die meer zulke 'liedjes' geschreven heeft. Of hoe eenvoud kan zingen... Zelfs de verwondering is van een grote eenvoud...

 

IMG_5017.JPG

 

 

Le chat et le soleil

 

Le chat ouvrit les yeux.

Le soleil y entra.

Le chat ferma les yeux.

Le soleil y resta.

Voilà pourquoi le soir,

Quand le chat se réveille,

J'aperçois dans le noir

Deux morceaux de soleil.

 

 

16-03-15

Gerritje Brandt (Annie M.G. Schmidt)

Ik lees in "Tot hier toe" van Annie M.G. Schmidt, meegenomen van de bib. Wat zeg ik: ik savoureer die teksten als waren het chocolaatjes van de fijnste soort. Wat een ritme heeft dat mens, wat een rijmgevoel, wat een ongelooflijke fantasie. Ach ach, ik hoor zelfs theaterdialogen in mijn hoofd, let als vanzelf op de timing als ik ze lees, op de intonatie, zelfs op mijn gezicht let ik, alsof ik zelf op scène sta...

Bij één gedicht moest ik spontaan aan een meisjeskopje denken dat ik in het Rijksmuseum fotografeerde. Het komt uit een groter schilderij (mijn fototoestel mag dichter kijken dan ik...), waarvan ik de naam niet genoteerd heb. Let even op het wonder dat gebeurt in de versregel: "En na een poosje zie ik ademen en bewegen." Eerst ademen...

IMG_1438.JPG

 

Gerritje Brandt 

 

Gerritje Brandt zit aan het spinet

zo omstreeks zeventienhonderd.

In deze museumzaal hangt haar portret

in een hoekje, wat afgezonderd.

 

Als niemand het ziet, blijf ik voor haar staan

en glimlach en groet haar even.

En vraag: hoe is het met jou gegaan,

Gerritje Brandt, in jouw leven?

 

Zij glimlacht terug en zwijgt weliswaar,

maar is me niet ongenegen.

En dan na een poosje zie ik haar

ademen en bewegen.

 

Ik zie hoe ze woont in de Spieghelstraat

in een van die deftige huizen.

Hoe ze met klikkende hakjes gaat

over de grote plavuizen.

 

Bedrijvig de grote keuken bestiert

met allemaal koperen dingen,

en hoe ze Driekoningenavond viert

met spelen en eten en zingen.

 

Misschien was het leven een beetje saai,

maar ze had tijd om te dromen.

Ze hoefde nooit door het stadslawaai

te jachten om ergens te komen.

 

Ik voel me een beetje aan haar verwant

en zou even bij haar willen schuilen.

Ben ik jaloers op Gerritje Brandt?

Wij kunnen nu toch niet meer ruilen.

 

(Annie M.G. Schmidt)

 

 

 

 

 

09-03-15

Rembrandt 2

IMG_1473.JPG

 

 Een ets van Rembrandt waarin je het beste van hem ziet samenkomen.

Een kerststaltafereel met de koningen: in het diepe duister dat in zo'n stal heerst en waarin de lamp een plas licht werpt, zien we Maria die met haar linkerhand even het deken opzij schuift waaronder ze naast haar kind probeert te slapen, om het onverwachte bezoek te monsteren...

Van Rembrandt werd gezegd dat hij het leven zelf uitbeeldde, en zich niks aantrok van voorschriften om dat leven zo of zo te tekenen. Dat zien we hier, zo klein maar zo opvallend: die hand die even een opening maakt in haar moeilijk vergaarde warmte, waar vind je nog zo'n ongelooflijk detail? Die nog half-toeë ogen van haar. Dat kind dat met de diepe rust kinderen eigen, dwars door alles heenslaapt. Je hoort het onder je ogen zwaar ademen...

En dat alles in een relatief kleine ets, in het metaal gekerfd met een naald die zich geen fouten kan permitteren. Rembrandts hoofd keek en verbeeldde, zijn hand volgde. Of was het omgekeerd...?

05-03-15

Late Rembrandt (Rijksmuseum, Amsterdam)

IMG_1458.JPG

 

De Rembrandttentoonstelling in Amsterdam heeft ons hart geraakt. Dat overkomt ons niet elke dag met exposities. Maar dan blijven ze ook bij. Eentje dat ons zéér raakte, was jaren geleden de tentoonstelling in Antwerpen: naturalisme in de 19de eeuw.

Er zijn vaak genoeg mooie tentoonstellingen, goed gemaakt en belicht, logisch opgebouwd, een plezier om in rond te lopen. Henri Van de Velde was er zo een. Vaak ook kom je in tentoonstellingen kleine en grote meesterwerken tegen, zelfs al worden ze zo niet genoemd, je ziet in één oogopslag de grote kwaliteit van het werk. Zo’n ontmoeting alleen al maakt een expositiebezoek goed. Ik herinner mij in Brussel de Zurbaran-madonna’tjes, jongemeisjesmoedertjes, met gezichtjes nog veel te jong voor wat hen overkwam.

 

Maar waarom dan een stuk van ons hart voor Rembrandt?

Het was zeer druk, maar gelukkig hadden die Nederlandse calvinisten de boel stevig georganiseerd. De zalen waren thematisch opgebouwd, met prima uitleg naast de werken zelf, en ook in een klein boekje, zodat niet iedereen de rug voor hem moest wegduwen om te kunnen lezen wat er aan uitleg ophing. Maar zelfs in de drukte van ruggen bleven de schilderijen en etsen en tekeningen overeind: ze keken naar je, die zelfportretten van de langzaam ouder wordende meester. Je mocht stil worden bij de totale verlorenheid van Lucretia, en haar wanhoopsdaad. Je mocht met de meester kijken naar zijn zoon Titus, schrijvend op zijn lessenaar, een familiekiekje bijna. En aanwezig mogen blijven bij de (eerste?) intimiteit van het Joodse bruidje, in het echt zou het onwelvoeglijk zijn, hier was het ontroerend.

Dat was de eerste reden waarom Rembrandt ons raakte: omdat hij “naar binnen kan kijken”, naar wat zich in mensen afspeelt. Je hebt mensen die vragen “hoe is ’t” als ze je zien, en dan gewoon verder vertellen met waar ze mee bezig waren, kleine sociale plichtpleging voor mensen die mekaar tegenkomen. Maar je hebt er ook dat die kleine vraag stellen met veel meer (harts)nadruk, waardoor de ontmoeting plots een dieper karakter krijgt: iemand wil weten hoe het met je is! Met jou! Jij loopt er dus niet zomaar bij, een mens tussen de velen. Het doet altijd iets als je als mens zo eventjes ‘opgetild’ wordt. Als je weer zelf mag beseffen hoeveel binnenkant, hoeveel geschiedenis, hoeveel verlangen je meedraagt.

IMG_1494-001.JPGRembrandt kijkt zo naar de mensen die hij schildert, en vraagt, al schilderend: wie is die mens voor mij. Hij doet het met zichzelf, als hij zichzelf schildert: wie is de man met die doordringende blik, wat is dat ouder worden in mijn lichaam, wat is dat bewustzijn van de genialiteit in mij... Hij doet het als hij Lucretia schildert: wat gaat er in een mens om dat zij niet meer verder wil leven... Hij doet het als hij een levendig familieportret schildert: wat maakt een gezin tot die kleine kern van geluk die het kan zijn... Hij doet het als hij een naakte vrouw etst of schildert, met enkele Japans kalligrafisch aandoende juiste strepen inkt: wat maakt een vrouwenlichaam zo fascinerend... Hij doet het als hij over verliefdheid nadenkt: de verlegenheid die de hand op haar borst veroorzaakt bij het Joodse bruidje, de onzekerheid die over Batseba komt, als ze hoort dat koning David op haar verliefd is...

Zoveel keer stilstaan bij de binnenkant van wat een mens tot mens maakt. Niet voor niets verwijzen drie zaalthema’s expliciet daarnaar: “wedijver”, “intimiteit”, “innerlijke strijd, contemplatie, verzoening”...

 

En dan de tweede reden waarom we Rembrandt hebben ‘ontmoet’ zoals nooit voordien: omdat hij dat willen kijken naar de binnenkant al schilderende doet... Het is zoals ik het zeg: je ziet hem bijna schilderen, vegen verf, krassen in de verf, fijne laagjes verf, met plamuurmes uitgestreken verf (hij was de eerste die dat deed), het zijn even zovele vraagjes ‘hoewist’, even zovele pogingen om te ‘luisteren en te begrijpen’... Rudi Fuchs schrijft dat Rembrandt zelfs eerst in kleur dacht, en dan vanuit die kleur iets begreep van de mens die die kleur droeg. Ik meen daar iets van te begrijpen als ik het rood zie van het Joodse bruidje, die zware mouwen-met-plamuurstreken die de cultuurconventies op haar leggen, maar die toch het bijna wilde rood van haar verlangen niet kunnen tegenhouden. Net zoals haar schaamte het niet haalt van haar hand, die zijn hand-op-haar-borst tegemoet komt en aanraakt, hoe voorzichtig, maar hoe centraal in het schilderij...

Ik meen daar iets van te zien en te begrijpen als ik de gapende zwarte streep zie tussen de stukgebeten lippen van Lucretia, en die kleine verfdruppel die in haar leeggeschreide oog achterbleef.

Soms gaat het zover dat Rembrandt ophield met schilderen als het hem niet meer interesseerde, als het onderwerp maar opvulling was, zoals de hond in de hoek van de Nachtwacht, enkele nooit afgewerkte strepen.

IMG_1479.JPG

 

IMG_1493.JPG

Pierre Kemp moet iets van dat 'schilderend onderzoeken' ervaren hebben toen hij jaren geleden zijn bekende gedicht schreef:

 

     Het Rood van het Joodse Bruidje (Pierre Kemp)

 

Ik heb het Rood van ’t Joodse Bruidje lief,

van toen ik het zag voor het eerst

en ik nog niet begreep,

welk een verkering ik die dag begon.

Ik kwam er ook op dagen zonder zon,

of dat haar licht zich even maar verhief

en vloeide weg in een wankele streep,

dan zocht ik de nuance, die het teerst

en toch nooit diep genoeg

mij lang te blijven vroeg.

Ik zag het Bruidje met de linkerhand

piano spelen op de rechter - van

haar door de tijd bedeesde man

en ik werd niet jaloers. Dat was hún band.

Ik kwam niet door hun minne-schikking treden,

het is mij om het Rood van haar kleed en

anders niets te doen,

ook niet om de entourage in goudig-groen.

Alleen díe kleur zien als een kleur van heden,

of Rembrandt naast mij er mee speelde

binnen de bronzen van de achtergrond

en welke kleuren hij er nog penseelde,

er toch die kleur voor alle tijden vond.

Ontstond zij met of zonder schilderstok,

het is zijn Rood, waarin hij zong Bruidjes rok;

het is mijn Rood, rondom haar rechterhand,

neen, geen juwelen, franjes of kant,

het is maar rood. Het Rood, dat ik aanbid,

vooral als ik in de zon naast Rembrandt zit.

 

 

27-02-15

apathia

afscheid th-nath parijs maart10-16.JPG

 


De bomen en de struiken en het gras en het mos, ze zijn van een bewonderenswaardige stoïcijnse apathia: die stevige fond die aanvaarden kan wat er komt, hard of zacht, verstikkend of lucht gevend. Die dikke laag rubber die ook onder bruggen ligt: het leven kan erover rijden, de brug trilt maar wankelt niet. Eind december wilde ik al de kleine treurwilg in de tuin van de buren waarschuwen: doe dat niet, hou op met die nieuwe katjes uit te hangen, het is nog veel te vroeg. En ja, dan kwam de kou, en alles bevroor. Maar hij gaf niet op, opnieuw proberen is eigen aan al wat natuur is, het is misschien de essentie van natuur. En kijk nu eens, een boom vol op springen staande botten. Vrienden van hem zijn er al mee begonnen...

En zo zitten overal, op alle takken en takjes, de botten klaar, en elk jaar opnieuw is mij dat een tastbaar raadsel. Ik probeer het kleine geluid te horen van sap dat naar boven klimt, ik probeer de symfonie te horen van al die geluiden samen, ik kijk en kijk of ik iets van de dirigent zie die alles opjaagt en draagt.

En ik zie in kleinzoon een lente van taal doorbreken. Niet alleen het voortdurende vragen ‘wat is dat’, maar dat hij ook alles onthouden kan, zijn gevoeligheid voor intonatie en tonen en zelfs krachttermen (denk niet dat wij hele dagen lopen te vloeken, maar een mens zegt al ‘ns verdomme, en dat zo’n woord een heel speciaal muziekje is, dat heeft ie goed gehoord natuurlijk).

Ik begon over apathia en deed verder over de lenige lente en zijn zingen. Laat ik nog eens stilstaan bij het eerste. Vriend R. twijfelde of er nog een doktoor zijn mes wilde slijpen voor zijn al eens overbrugd hart. Die negatieve boodschap kreeg hij in elk geval. Maar vorige week kwam de bevestiging dat de prof die hem eerder geopereerd had, hem toch opnieuw wilde opereren. Ik was blij voor hem, maar wat mij het meest raakte, was zijn onverwoestbare apathia: die innerlijke zee van rust in hem, die aanvaarden kon wat kwam, zelfs met de glimlach van humor en zelfspot. Je kijkt ervan op als mensen zo bewust diep in hun eigen leven gaan staan, als mensen zo wijs het onderscheid kunnen maken tussen waar ze zelf iets kunnen aan doen, en wat hen te boven gaat...

Maar hij moest het toch eens kunnen zeggen, dat de prof hem een nieuwe kans had gegeven. Zo menselijk was hij wel, dat hij het nodig had om zijn leven even in het mijne te hangen...

afscheid th-nath parijs maart10-004.JPG

20-02-15

Over kijken en kijken...

IMG_1309.JPG

 

Een fascinerende Boris Giltburg in de Gentse Handelsbeurs gisteravond, met Brahms’ derde sonate, vreemd ongrijpbaar stil naast wild als wind die slaat in bomen.

Dat was al boeiend genoeg, maar na de pauze, waw: Rachmaninovs Moments musicaux werden ter plekke uitgevonden, en Prokofievs tweede sonate was van een indrukwekkende persoonlijkheid, waar je je ogen niet van af kon houden.

Voor de pauze waren die ogen van mij moe, wegens moeheid van de dag. Ik dacht aan de woorden van Dirk Roofthooft ’s morgens op Klara: hij vertelde hoe hij een muziekvoorstelling had meegemaakt in werkelijk totale duisternis, en hoe dat bij hem voor groot kippenvel had gezorgd: die nieuwe ruimten die klanken schiepen, ervaren hoe ook de muzikanten in hun totale duisternis nieuwe wegen vonden om elkaar te vinden, hoe een klank in zichzelf al een ruimte was. Ik dacht, luisterende naar Giltburg, hoe zijn Brahms zou klinken als er algeheel zwart was. Deed mijn ogen dicht en probeerde mij daar een voorstelling van te maken. En inderdaad, hoewel de zaallichten door zijn oogleden schenen, klonken de klanken toch al ruimtelijker. Daarna hield ik ze open, want dichte ogen kunnen misleid worden en denken dat ze mogen slapen, zeker als ze al een beetje moe zijn...

Maar na de pauze, hemeltjelief. Het viel mij op dat ik ze de hele tijd open heb gehouden, die ogen van mij, geen moment meer heb gedacht aan die ervaring van in duisternis luisteren. En toch: heb ik nu eigenlijk wel gekeken... Geen moment ben ik me van mijn kijken bewust geweest, zo gefascineerd was ik. Ook dat is dus een soort kijken in het donker: als je zo opgeslokt bent in wat je ziet, dat je blik van je weggenomen wordt, totaal opgaat in wat je ziet, je tijd en omgeving vergeet... Is dat niet het magische kijken van elke diepe kunstervaring? Jawel jawel. Kwam dat zich uit handen gevende kijken en luisteren maar meer voor...

 IMG_1311.JPG

(foto's: Vitry sur Seine, voorstad Parijs)

12-02-15

lopen over vers gevallen sneeuw

 

 IMG_1336.JPG


In 'De onbereikbare muziek', inleiding bij Het muzikaalste gedicht. De mooiste gedichten over muziek uit Nederland en Vlaanderen (Podium, Amsterdam 2006) legt P.F. Thomése o.a. uit waarom je gedichten niet moet verklaren. Hij schrijft:

 

Het uitleggen van een gedicht houdt in dat je het omzet in andere woorden. Je vernietigt de vorm en zet er een andere, lelijke want vormeloze vorm voor in de plaats. Poëzie-exegese betekent poëzie lezen en er proza van maken.
Een gedicht blijft leven zolang het niet begrepen wordt, althans niet volledig begrepen wordt. Er is altijd een vermoeden van begrijpen nodig, een intuïtief begrijpen zoals dat in de hermeneutiek met het Duitse begrip Verstehen wordt aangeduid. Ontregeling moge de norm zijn, toch is er steeds het vermoeden van een verborgen orde. Niet alle onzin wordt vanzelf poëzie. Probeer het maar uit. Zoals ook niet allerlei klanken zomaar muziek worden.
Wat af is, is niet gemaakt, zegt Paul Valéry. Een gedicht staat, als het goed is, altijd aan het begin. Het staat op het punt begrepen te worden, maar blijft, als het erop aankomt, vooralsnog onbekend. Een goed gedicht lees je daarom steeds opnieuw. Steeds blijft het hetzelfde gedicht, vertrouwder en vreemder tegelijk. Je leest het en je leest het weer, steeds vertrouwder komt het op je over, totdat je het, vreemd is dat, uit je hoofd blijkt te kennen. Je begrijpt het, dat wel, je begrijpt het zolang je het niet uit hoeft te leggen.
Het is deze herhaalbaarheid die de poëzie in de richting van de muziek brengt. Je verwerkt een gedicht niet, zoals je een verhaal parafraseert in je eigen woorden. Je ondergaat het steeds opnieuw. Net als een muziekstuk kan een gedicht niet uit zijn vorm worden losgemaakt. De woorden kunnen niet door andere vervangen worden, ze bevinden zich onvertaalbaar, onwrikbaar in dit ene verband. Haal je er een paar losse woordjes uit, dan vernietig je het hele gedicht.
Muziek bestaat bij gratie van haar vorm. Inhoud heeft zij niet. De inhoud ben je zelf. Telkens wanneer je de muziek hoort, vul je haar met je eigen gedachten, herinneringen, stemmingen. Soms ook verdwijn je, denkend aan je-weet-niet-wat, tijdelijk in de ruimte die door de tonen wordt gecreëerd en weet je, als je terugkeert in het hier en nu niet meer waar je bent geweest.
Zo leeg, zozeer vorm kan de poëzie nooit worden. Geen gedicht blijft zo leeg, zo oningevuld als een muziekstuk, geen gedicht kan je dan ook helemaal in zich opnemen. Aan een gedicht moet je je aanpassen. Het doet zich in zekere zin altijd als probleem aan je voor. Het vraagt je om na te denken over wat er staat, het van een andere kant te bekijken, het niet te nemen zoals het is. Het nodigt je uit iets te lezen wat je niet eerder hebt gelezen. Het vraagt je om helemaal leeg te worden. Oningevuld.
En dat is het mooiste wat een poëzielezer kan overkomen: dat alles wat hij weet wordt uitgewist en dat hij, eventjes, voor het eerst mag leren lopen op vers gevallen sneeuw.    

10-02-15

Vieren

20091104_0073-2.JPG

 

Zondag 40 jaar samen. Een tijd zo dichtbij als een vel. Als licht die ogen doet zien als ze open gaan ’s morgens. Veel is vergeten, maar niet dat we er zijn, dat we er geweest zijn, dat we een pad belopen dat ons zal meenemen, verder nog.

 

Moesten we dat niet vieren? Het regende toen we vertrokken naar Rijsel. Maar in het museum voor moderne kunst van Villeneuve d’Asq viel de zon door de ramen en de vitrages. Lieves kleine handtas werd geïnspecteerd op piepkleine terroristenbommetjes. Het schuine hoofdje van een Modigliani-vrouw keek ons aan, met een nieuwsgierigheid alsof ze zelf ook al langer onderweg was.

 

We liepen door de stad Rijsel en vond een een sleuf waar het goed eten was. Zoals vaak in restaurants stond de eigenaar achter de toog en draafde een vrouw onophoudelijk heen en terug met eten en drank en rekeningen. Ach, vrouwen slijten misschien trager af, door eeuwen oefenen...

 

En dan nog wat bewaarde schoonheid in het Museum voor Schone Kunsten, zo Frans als Frankrijk maar kan zijn: pompeuze architectuur, met zuilen en trappen en gewelven, uitkijkend op een plein en een tegenover staand gebouw van minstens evenveel grootheidswaan. In het grote museumgebouw, toch bedoeld als expo-ruimte voor kunst, ging alle aandacht naar het grote lege atrium, moest de middeleeuwse en andere oude kunst maar zien te overleven in donkere kelders onder de grond, waar allicht ooit nog troepen geslapen zullen hebben. De schilderkunst van de latere eeuwen vond een plek op de opengewerkte eerste verdieping, waar genoeg daglicht was, en lucht van de openingen naar het atrium daaronder. Zo hoort het in een museum: licht en ruimte om te kijken en te ademen. Kijken is ademen.

We zagen een geweldige Permeke: De stal, met een donker verzonken boer tussen de schaduwen van zijn beesten in hun warmte en stro. We zagen een klassieke Chagall, zoals altijd samengesteld uit zijn obsessieve beelden, maar weer zo veroverend.  We zagen een monumentale kruisafneming van Rubens, ooit “revolutionair in beslag genomen”. We zagen de meest intieme kus ooit van Rodin. We zagen verblindende vrouwenportretten: de vrouw met het hondje, de vrouw met de handschoen. Ze hingen hoog om onze arme ogen wat te sparen, wij die toch uit een lagere klasse komen. Ach, een museum is een soort volksverheffing: muren en ramen die niets anders te doen hebben dan hoog te zijn (en duur in verwarming) nodigen het gewone volk uit om zich vrijuit welkom te voelen, en zelfs dicht bij al het verzamelde schone te komen, en uitleg te krijgen wanneer nodig. Deze kasteel- en andere pronk is er voor iedereen, zoals het makerstalent ook over iedereen is verspreid: waren sommige schilders en beeldkappers niet arme sloebers die toevallig de juiste handen hadden, en genoeg geluk om de juiste mensen tegen te komen?

 

04-02-15

Overvloed

IMG_3679.JPG

 

Overvloedige zon, en takken, daken, muren, straten krijgen een laagje. En de auto’s, en de bloemknoppen.

Een lik verf van de overvloed. Gulheid, iets van een teveel, is de natuur ingebakken. Zelfs de stenen in de huizen mogen nu elk voor zich een beetje uitsteken, met een randje schaduw van al dat felle licht.

En de mensen?  Ook mensen zijn stenen in muren, en met die muren bouwen we steden, en verkeer, en winkels, en geroezemoes, en files. Krijgen de mensen ook af en toe de kans om er een beetje uit te steken, met een randje licht of donker? Ik hoop het, het doet me iets als uit de massa een gezicht mij opvalt, om welke reden dan ook. Als iemand zo langssloft dat ik blijf kijken, zonder het zelfs maar te beseffen. Ik merk dat ik zelf ook groter word, als ik een gesprek cadeau krijg waarin iemand groter wordt dan hij of zij was in het begin van het gesprek. Verstandiger, wijzer, warmer. Dichterbij dus. Ik weet niet welke zon, welk teveel dan aan het schijnen is, maar dat het deugd doet, voor beide kanten, dat is zeker.

30-01-15

2x toneel

IMG_3682.JPG

 

 

Parcifal (Peter Verhelst, NTGent, gezien op dond 22/01)

Theater als onderzoeksveld. Het trof mij dat het theater in dit stuk op het domein van het ritueel komt: dezelfde traagheid (de wil om los te komen van tijd), dezelfde stiltemomenten, het samen zingen, de herhalingsmomenten, de symboliek (bloemen, licht, zag ik achteraan niet ook een tafel klaar om gedekt te worden...), het samen nadenken over diepere zingeving (een kind dat geniet van de grote gave Leven dat het overkomt, ipv een held die alle aandacht op zich laadt en toch maar kan neerstorten - zien is meer waard dan offer), korte getuigenissen (met nauwelijks uitleg want net sterk genoeg en ook om moraliseren te vermijden), geen verhaalontwikkeling maar een soort gezamenlijk blijven staan en proberen op te gaan in, ja in wat, dat weten wij niet en dat weet het ritueel zelf ook niet (maar zeg eens geen goeiedag aan je buurman, en het is een slag in zijn gezicht...), enz.

Ritueel ook in de lichamelijkheid: ons oeroud elkaar aanraken werd hier ontroerend en vanzelfsprekend getoond door dat blinde meisje, dat met veel genegenheid aangeraakt werd door Wim Opbrouck, dat behoed werd voor vallen, dat geleid werd bij het grotere bewegen... Frank Focketijns verhaal ging helemaal over dat lichamelijke (nabije onvermogen), en hij bracht het ook zo lichamelijk, met zijn handen, met zijn stem, zelfs al bleef hij zitten op een stoel...

 

Achter 't eten (Erik Devolder, Campo, gezien op dond 29/01)

Op de dag dat in de krant vermeld staat hoeveel honderden doden in België vallen door huiselijk  geweld, gaan zien naar een tien jaar oud stuk van Erik Devolder over incest: Achter ’t eten, gespeeld door Marijke Pinoy en Ineke Nijssen.

Een stuk met een thematiek die snijdt, met twee ongelofelijke actrices, met een regie die met letterlijk bijna niets zoveel deed, zoveel angst en verlorenheid beeldend op scène toverde. Maar hoe jammer dat het incestverhaal ergens in een katholiek, plattelandsverleden werd gesitueerd, alsof het zich louter dan afspeelde, en niet nu, en niet nu in alle milieus, van het zogenaamde hoge tot het zogenaamde lage. En is de schrijnende, onmenselijke behandeling van vrouwen, zoals het stuk het tekent (werkslavinnen, bevredingingswezens, onbestaande schimmen voor politie en andere machtbeschermers), is die vernedering nu vandaag echt van de baan? Ik denk het niet. De leugen rond incest zal vernuftiger moeten klinken, maar liegen blijft hij doen...

Ik weet het, dan had er een ander stuk gemaakt moeten worden. En het publiek zal wat toen gebeurde, ook wel “meenemen” naar vandaag, jawel. Maar wat had ik wat graag die eeuwige lachers in de zaal een hedendaagse stomp in hun maag gegeven...

24-01-15

In memoriam L.

IMG_7020.JPG

 

Half december

Op bezoek bij L., uitgemergeld maar toch alert in dat stervensbed van haar, liefdevol maar wanhopig verzorgd door haar nieuwe vriend, afgeschreven door het ziekenhuis, in de steek gelaten door de behandende arts na desastreuze fouten. Dichterbij kan noodlot niet komen.

Ze wilde ons nog eens zien. Het was als waken bij het sterven, maar ook warme vriendschap. De spuit morfine werkte nauwelijks, en toch waren er woorden die een glimlach op haar gezicht brachten. Toen we bij het weggaan van haar nog een foto zagen van een half jaar geleden, sloeg het nog eens naar binnen: wat een verwoesting dit lichaam had ondergaan, hoe wreed verdwijnen kan zijn.

*

Half januari

L. is gestorven. Haar sterfbed was elke dag in mijn gedachten. Noodlot is van alle tijden, spaart niemand. Maar ook de zorg van de ene mens voor de andere, hoe zou haar sterven geweest zijn zonder alle zorg van haar levensgezel...

Ik luister naar Beweend door de wind van de Georgische componist Guyla Kancheli, als eerbetoon aan dit door grotere krachten meegenomen lichaam. Van die krachten kan ik me zo weinig voorstellen, ik roep de wind om hulp. Ook om te wenen, in allerlei toonaarden.

*

Vandaag

Vandaag L. begraven. Er waren mensen van ver gekomen. Er waren mensen van dichtbij niet gekomen...

Het mooiste was dat ze ons toesprak, bij het begin en op het einde: “Mijn dierbaren...”

En dat ze begon met de kreet van Jacques Brel: jaja ik kom wel...

 
Mais qu'est-ce que j'aurais bien aimé

 Encore une fois traîner mes os

 Jusqu'au soleil jusqu'à l'été

 Jusqu'au printemps jusqu'à demain

 J'arrive, j'arrive

 Mais qu'est-ce que j'aurais bien aimé

 Encore une fois voir si le fleuve

 Est encore fleuve voir si le port

 Est encore port m'y voir encore

 J'arrive j'arrive

 Mais pourquoi moi pourquoi maintenant

Pourquoi déjà et où aller

J'arrive bien sûr, j'arrive

Mais ai-je jamais rien fait d'autre qu'arriver

 

En eindigde met de wijsheid en de poëzie van Jean Gabin: ik heb veel gezocht, hier is wat ik vond…

Le jour où quelqu'un vous aime, il fait très beau

j'peux pas mieux dire, il fait très beau

 

C'est encore c'qui m'étonne dans la vie

Moi qui suis à l'automne de ma vie

On oublie tant de soirs de tristesse

mais jamais un matin de tendresse

 

Toute ma jeunesse, j'ai voulu dire: je sais

Seulement, plus je cherchais, et puis moins j'savais

 

Il y a soixante coups qui ont sonné à l'horloge

Je suis encore à ma fenêtre, je regarde, et j'm'interroge

 

 Maintenant je sais

je sais qu'on ne sait jamais

 

 La vie, l'amour, l'argent, les amis et les roses

 on ne sait jamais le bruit ni la couleur des choses

 c'est tout c'que j'sais

Mais ça, j'le sais

 

 

 (foto: figuur van Giacometti loopt naar "de kleuren", in Fondation Maeght, St Paul de Vence) 

22-01-15

In memoriam Levi en Lara

Vijf jaar geleden stierven de twee hele kleintjes Levi en Lara...

 

IMG_7004.JPG

20-01-15

Voorzichtige droom van een lente

IMG_7332-001.JPG

19-01-15

Eerste sneeuw

 IMG_6674.JPG

 

Gesneeuwd vannacht. Niet het zware tapijt dat men zich daarbij voorstelt, maar een lichte sprei, een half doorzichtige tule, die van de lichamen eronder zo goed als naakte lichamen maakt. En de halfwazige nevel die er vanmorgen hangt, helpt ook mee om de kleur uit alles te halen en het verder te doen met zwart en wit. Fotografie voor estheten vandaag. Bezonkenheid. Inwezigheid, zou Guus Kuiijer zeggen.

Soms zwiept nog een zwart vogelsilhouet voorbij. Is hij meeuw, dan heeft hij een kleine bleke glans, die past bij deze lucht. Geen waterverf, die lucht, eerder een strak geperst monochroom van zilvergrijs, uit een verse fabriek met de modernste technieken. Maar als je goed kijkt, zeker naar het westen, zit er weer zoveel ongrijpbaars in. Licht achter licht, dunner kan niet. En een soort onmogelijk ver blauw, dat misschien alleen maar door mijn oogpit erin wordt gelegd, maar goed, zien moet je altijd met z’n tweeën doen. Een afwezigheid ook, waar je niet door kunt kijken omdat kijken door niets wel heel veel gevraagd is van een mens. En toch, mag ik zeggen dat dit niets alleen maar de stilstand is voor alles weer begint? (Hoor mij nu spreken: alleen maar...  Een beetje zenmonnik zou zijn leven geven voor dit soort verlichtingsmoment...)

 

IMG_8763.JPG
 

 

12-01-15

Ja (Hester Knibbe)

IMG_1226.JPG

 

Ja
(Hester Knibbe)


Liefde, ja er zit altijd een lichaam aan vast
en dat maakt het en maakt het, maakt het

soms lastig. Maar het geeft niet, we zijn
al zo lang samen dat we ons in elkaar hebben
opgeslagen, niet meer zoek niet weg kunnen raken.

Natuurlijk, voorbodes kruipen onder de huid, dansen
mee als je danst, rennen mee als je rent, hangen

ook op de bank, zitten daar en later gaat Haper
aan de haal met je dromen, teistert een winter
de oude rivier die wil stromen. Maar het

geeft niet en de sfinx die ons het raadsel
opgeeft wie van wie het meest is niks.

om je druk over te maken, we houden elkaar gewoon
bij de hand en waar de weg ophoudt zullen we slapen.
 
 
(uit de bundel Archaïsch de dieren, uitg. De Arbeiderspers)