06-10-14

Bomen

IMG_1054.JPG

 

In het Engels klinkt het gewichtiger: naturalist. Wij hebben daar het woord natuurkenner voor. Maar ben ik ook al een natuurkenner als ik twee vogels uit elkaar kan houden?

Ik lees Notes from Walnut Tree Farm, het laatste boek van Roger Deakin, de man die op mij zoveel indruk maakte met zijn boek Wildwood. Daarin heeft hij zoveel te vertellen over hout, dat je vanzelf zijn fascinatie gaat delen. Deakin vertelt er over de bomenfamilies die hij ontmoet, over kunstenaars die van hout kunst maken (David Nash!), over zijn zoektocht naar de oorsprong van de appel (in Kazachstan), en waar de balken in zijn oude Suffolkhoeve vandaan komen. Hij zwerft door wouden in zijn eigen Engeland, door bossen notelaars in de Languedoc, door de oerbossen van Oekraïne. Zoekt met aboriginalvrouwen naar pruimen in de bush. Vertelt over de fascinatie van kunstenaars voor drijfhout (een fascinatie die ik deel...), over de werktuigen om hout te snoeien, te bewerken. Over hoe je hagen maakt en onderhoudt. Over, uiteindelijk, hoe elke boom een individu is, en, in de ogen van Deakin, een soort hoog staande bewaarengel voor het land.

Deakin stierf jong, als zestiger. Deze Notes zijn een soort dagboek, samengesteld door zijn zoon, met notities van de vogels, de planten, de wegen, de common ground rond de hoeve waar hij woont in Norfolk. En maand na maand horen we een bewogen liefhebber, die zich met veel aandacht en respect invoegt in het grote Bewegen rondom hem, gedragen door de seizoenen, maar ook door wat door vroeger is doorgegeven aan nu...

 

IMG_8763.JPG

 

(foto's: eik in Berry, Fr - ratelpopulieren in De Pinte, Be)

03-10-14

Meervouden... (Inleiding op de geliefde 39)

pasen engeland 042-001.jpg

 

 

Meervouden...

(Inleiding op de geliefde 39)

 

Lig jij een paar dagen ziek in bed, een ziekte uit te zweten, pijn en ongemak uit je lijf te jagen, lig ik zelf meer dan gewoonlijk in de zetel, staar ik meer dan gewoonlijk door de kamer die nu leger is, overvallen mij scenario’s van leven zonder jou, en dat schuurt van binnen.

Op de middag geef ik mezelf een schop, en dat helpt: er wordt bewogen, en wat nuttig heen- en weer geloop verricht, dat de dag niet helemaal verloren lijkt. Koken. Uitwisseling van najaarsfruit met buurvrouw, praatje met haar over de dingen des levens, die niet altijd zijn wat ze moeten zijn, verre van. Maar zij blijft bewegen, zij wel, een strijd die ze nooit kan winnen, maar die in haar geval een net huis en waardigheid oplevert, en blijvende moed in de zorg voor een gekwetst leven.

Je kan wat leren van een praatje met de buurvrouw, en ondertussen ben jij even opgestaan, wankelend, met een kop vol overlopend water, die je met moeite rechtop houdt. En ik vraag hoe het is, of de pijnen er nog zijn, of er koorts bijgekomen is. Maar met een hoofd dat buiten zijn oevers dreigt te lopen, is het moeizaam neen knikken. En honger heb je ook al niet.

En weer is de dag van mijn eenzame alleen. Beetje zitten, beetje zappen, beetje tijd verprutsen, beetje staren, enfin het klassieke gamma van lichte verlorenheid zonder jou.

Het lijkt wel of ik twee motoren heb, en er nu een is uitgevallen. Zonder uitslaande brand, of zelfs maar rook, maar toch, mijn gewicht helt af, ik verlies hoogte, straks wil ik toch wel weer landen. Vreemd toch, dat jouw motor ook in mij werkzaam is, en ik allicht in jou energie aanlever. Vreemd toch, hoe aanwezigheden die zo duidelijk afgescheiden zijn als lichamen, zich ook voor een groot stuk in elkaar bevinden, al zal een metende wetenschapper alle moeite hebben om dat vast te stellen. Er zal wel ergens een lampje oplichten in de hersenen, of wat elektriciteit heen en weer schieten tussen zenuwbanen,maar wat er eigenlijk gaande is tussen die lichamen van ons, kom daar maar eens achter. Dat mee koorts hebben, het blijft een persoonlijke ervaring, vaak onuitgesproken. Kunst houdt zich zich ermee bezig, in liederen, verhalen, afbeeldingen. De herinnering bewaart het, zoals we elke ervaring willen meedragen van overlopen in wat ons dan zo dierbaar wordt. En de angst slorpt het op, want ooit wordt elk lichaam achtergelaten, verloren gelegd in een onmetelijkheid die pas echt onbenoembaar is. Zullen we ook dan nog in elkaar haken, wiegen in elkaar als de ijlste wind? Of zullen we met elkaar uiteenvallen, de ene dood, de andere levend?

Dat in elkaar groeien van lichamen, je voelt het als geliefde, maar ook als ouder, als kind, als vriend. Het verruimt je vel, je zintuigen, je denken, en het vergroot ook je pijn. Een mens heeft al zo weinig te zeggen aan al wat er in zijn eigen lichaam samenstroomt, blijft haken, trekt en botst, of glanst. Leven en lot is de titel van een beroemde roman van de Russische schrijver Vassili Grossman. Het is meet- en waarneembaar, dat leven van ons, maar het is in de diepte ook lot: een ervaring die ons ongevraagd uitschuurt, soms lang ons dezelfde vragen stelt, maar ook zo gul is om veel mee te nemen en te bewaren. En hoe moet het dan als je zo nog een lichaam in je lichaam voelt.

Misschien, zeg ik na wat staren door het raam, misschien is het omgekeerd. Misschien hebben we altijd al geleefd in meer dan één lichaam. Is de ervaring in het lichaam van onze moeder te groeien, veel ouder en dieper dan de ervaring afgescheiden individu te zijn. Is daarom eenzaamheid zo’n grondeloze verlorenheid, waarin mensen tegen muren praten, tegen muren lopen, straten afdolen. Mensen worden wezenloos in dat voor de rest gezonde lichaam van hen, als ze enkel hun eigen omtrek zien. Als geen andere huid achtergebleven is om voor hen te zorgen, geen andere aanwezigheid in de drukte van de dag, de onbeweeglijkheid van de nacht hun naam uitspreekt. En dan dat lijf zelf, dat ons aankijkt in de spiegel, hoe leren we omgaan met zo’n  dichtbijheid, als niemand het ons toont. Als niemand onze hand neemt, en voorzichtig alle randen aftast, en ons leert wat een wonderen dan kunnen gebeuren.

Mensen zijn geen enkelvouden, mensen zijn meervouden: van huid, van gebaren, van woorden, van weten. Misschien zelfs van voorouders, van een nog altijd mee-ademend verleden. Misschien zelfs van een soort grote goedheid, zoals we altijd weer de richting kiezen van onze verbondenheid, zoals we altijd weer opruimen na de brokstukken, en zingen over ons verlangen.

Het heeft me jaren een beetje kwaadaardige paradox geleken: eerst geven we ons over aan de vriendschap en de liefde, en dan wordt, wat jaren is opgebouwd en gekoesterd, wat altijd moest blijven duren, afgebroken alsof het niets is, opgelost in ongrijpbaarheid. Maar nu ik dit schrijf, hoop ik dat de dood voor onze lichamen een wederopname is in een veel grotere buik. Ik weet het, beelden lijken enkel voor zichzelf te spreken, stil voor zich uit, maar hoe moet je anders de binnenkant beschrijven dan met een beeld: een beeld is verbondenheid, en over verbondenheid gaat het. Geboren worden is al een big bang: zoveel dat groot is, uit zo iets kleins. Misschien dat sterven met onze lichamen een even onbegrijpelijk groot spel speelt. Nog dichter bij die andere lichamen, met al wat we er met ons eigen geleefde lichaam aan toevoegen kunnen. Liefde voegen bij de liefde.  Het weten groter. Het uitzicht verder. Zoiets.

Als wij het niet meer kunnen, moeten de voorouders het voor ons oplossen, denkt men in Afrika. En men komt samen, eet samen, zingt samen, en hoopt dat een groter lichaam aanwezig is, en een arm om hun armen zal slaan. Zoiets.

Het is wat mensen een gebed noemen. Of als ze het niet zo noemen, het toch vaak wel doen: een kaars aansteken, ergens in de holte van de nacht woorden richten tot. Ja, tot wie, of wat. Eigenlijk is dat niet belangrijk. Het gaat om de kleine hoop, om het kleine, hardnekkige, misschien dwaze geloof dat leven meer is dan een overlevingsspel, een onberekenbaar Fortuna, een afvallingskoers. De aard van een goedgunstig levensmysterie is niet zo belangrijk, het gaat niet om theologie, maar om gedeeld vertrouwen en, ingebed in dat woord, trouw. Goden en afgoden leiden af van waar het echt over gaat in dit leven: dat het kind de arm voelt van een vader en een moeder, dat het leert lezen en schrijven en dat die grote gulzige nieuwgierigheid gevuld wordt met passie; dat de ene mens de andere tegenkomt en diep van binnen weet dat daar een stuk van zijn lichaam loopt; dat ogen ver leren kijken, naar de lichamen die er nog niet zijn, die van de kinderen en de kindskinderen; dat we goed leren bewaren, uit respect voor al wie ooit een lichaam had, en ademde van dezelfde lucht die nu ook onze longen vult; dat we bewaren wat zij aan schoonheid vonden, dat we zorgzaam leren worden zoals zij ook zorgzaam waren; dat het besef in ons groeit dat het geschapene heilige grond is, mens en dier en plant, en dat we dat heilige, zelfs al hebben we er geen naam voor, in elkaar moeten vinden. Aanraken zelfs, omdat het gemaakt is om aangeraakt te worden. Omdat het ons aanraakt.

Zoiets.

Nog zo’n beeld, die aanraking. Wat moeten wij ons daarbij voorstellen? Maar als ik denk aan de zwangerschapsaanraking, aan de handen die de pasgeboreren opvingen en droogwreven, aan de ogen die zich lieten vullen met dit wonder, en het wonder teruggaven in hun zorg, dan weet ik dat die eerste aanraking ons mensen nooit meer zal verlaten. Hoe oud of rijk of bekend we ook zijn mogen, snakken blijven we naar die eerste aanraking, naar dat eerste wonder, dat opvangen en droogwrijven, om geen andere reden dan dat we er zijn. Zo dichtbij als ons bloed willen we het voelen. En onze eigen handen zullen ons nooit zo kunnen vullen als die andere handen die we meedragen in ons. En de stem die zich voorover buigt en onze naam fluistert, zal altijd zoveel meer deuren open zetten dan onze eigen stem, waarvoor we soms bang blijven, zelfs na zoveel jaren leren spreken.

Dat we er zijn, is aanraking geweest, is creativiteit geweest die zomaar gaf, volheid uitdeelde om niet, niets terugvroeg dan de toestemming om nog meer te geven.  Zolang er mensen zijn, heeft men gepoogd dat grote geven te ‘vangen’, in denken, rituelen, poëzie. Maar het zal altijd ongrijpbaar blijven, net omdat het maar één wens lijkt te hebben: zich uitdelen, zich weggeven, zich toevertrouwen aan weer een klein lichaam. Dat groeien kan en moet, en zoals alle groeien daarvoor volheid kreeg.

Ik besef dat ik aan het jubelen sla, om een oud woord te gebruiken dat verder reikt dan vreugde. Ik ben geen godendienaar, ik ben een mens die in zijn vlees en bloed een groter ruisen hoort, en daardoor nog beter wil luisteren.

En zo kom ik weer bij jou, mijn zieke andere helft, mijn medeadem, mijn tweede hoofd, mijn vingers in mijn vingers, mijn wil, mijn weg, mijn andere pijn. Dat van al die onbewuste lichamen in mij jij mij zo bewust werd, ik kan er alleen maar om jubelen. Jij mijn lied. Jij mijn vlag. Jij mijn geliefkoosd verhaal. Jij mijn inwezigheid. Word maar gauw weer beter. Dat ik ook gauw weer beter ben.

 

 

 

 

 

 

29-09-14

Psalm 139 (een bewerking)

Iemand mailt mij dat ik hem groot plezier gedaan heb met mijn bewerking van zijn lievelingspsalm 139...

IMG_3243-001.JPG

 


Psalm 139

 

Dit is mijn droom:

dat in de mooiste blik

ik mooi kan zijn.

 

Achter mij, voor mij

rondom mij de blik

die mij zegt

dat ik ben.

 

Een wonder voor

die ogen, weelde

voor de hand

die op me wil rusten.

 

Altijd al was ik er,

de mooiste blik

heeft me verlangd

en geweven.

 

Nooit was vreugde heviger

als toen ik er kwam

als toen ik werd gezocht

en gevonden.

 

En al ga ik verloren

als woestijnzand

niet meer te tellen,

de mooiste blik

 

zal mij bewaren

mij altijd weerzien

mij vertellen

aan duizenden geslachten.

 

 

26-09-14

Bontigheid

IMG_3951-001.JPG 

 

Glorie zij God voor bontigheid

(door Marjoleine de Vos, in NRC weblogs 23 juni 2008)

In een andere taal kunnen dingen uitgedrukt worden of een gevoelswaarde krijgen die ze in de vertrouwde alledaagse bewoordingen niet (meer) hebben. Tijdens de studie leerden we bij het vak taalbeheersing, als een geloofsartikel bijna, dat alle talen in staat waren alles uit te drukken en dat er geen rijkere of minder rijk, poëtische of minder poëtische talen bestonden. Gelijkheid of op zijn minst gelijkwaardigheid was een belangrijk emancipatorisch punt, we zouden ook nooit meer op een taal neerkijken omdat die bijvoorbeeld een dubbele ontkenning gebruikte („he ain’t got nothing”), meervouden verving door enkelvouden enz. en evenmin mochten we een taal hoger aanslaan omdat die, bijvoorbeeld, de mogelijkheid bood een onderscheid te maken tussen ‘u’ en ‘jij’ of  door verschillende bewoordingen onderscheid wist te maken tussen verschillende soorten liefde waar wij met omschrijvingen moesten werken.

Wetenschappelijk gezien is dat natuurlijk juist, daar gaat het niet om oordelen immers maar om beschrijvingen, maar voor de ervaring ligt het anders. De vreugde die het kan geven om het Griekse woord voor ‘eenzaam gelegen kerk’ uit te spreken (één woord!), het gemak, want de ongegeneerdheid, waarmee je soms in een vreemde taal een woord gebruikt – ‘tendresse’ of ‘tenderness’ kun je zeggen, maar wie durft het zo maar over ‘tederheid’ te hebben? – die maken dat het gebruik van een andere taal soms als een rijkdom voelt.

Als een verarming natuurlijk ook, de woorden of woordcombinaties die in het Nederlands zoveel betekenis met zich meeslepen kun je in een andere taal maar moeilijk vinden. Waarmee ook de diepte van de ervaring, de rijkdom, de gelaagdheid verdwenen is.

Soms lijkt het niet zo’n slecht idee om uitingsvormen als kunst of religie ook als talen te beschouwen. Talen waarin je sommige dingen kunt uitdrukken die zich niet maar zo laten vertalen naar de huis-, tuin- en keukentaal van alledag. En net zoals je een gewone taal moet leren, zo heb je ook kennis nodig voor de taal van de religie of de kunst, anders versta je eenvoudigweg niet wat er gezegd wordt. Kees Fens benadrukte dat nog eens in het laatste interview dat met hem verscheen, gemaakt door Hans Maarten van den Brink en Rachel Visscher, dat zowel in Trouw als in het laatste nummer van De Gids verscheen: „Als je naar de Mattheüspassion gaat of naar de Mariavespers van Monteverdi luistert, dan moet je daar iets van wéten”. Het is een mededeling die mensen vaak ergert, en het is natuurlijk ook niet verboden om zo maar van alles te ondergaan. Maar je hoort of ziet meer met meer kennis en sommige kunst leent zich helemaal niet voor onvoorbereide beschouwing zonder dat dat tegen haar pleit.

Fens was zelf natuurlijk een schitterend voorbeeld van iemand die steeds de moeite nam om zich te verdiepen, om kennis te verwerven, en om die aan ons, minder ijverige lezers, door te geven, waardoor ook wij soms leerden iets van die andere talen te verstaan.

Tijdens zijn uitvaartmis afgelopen vrijdag viel nog weer eens duidelijk te ondergaan hoezeer religie een taal is. Er kunnen, dankzij het ritueel, de traditie en de leer, dingen gezegd worden die buiten de viering niet gezegd en dus ook niet nagevoeld kunnen worden – neem alleen al dat woord ‘viering’. Je kunt gemakkelijk tegenwerpen: „Wat nu ‘viering’, er is iemand dood!” Maar binnen het geheel geeft het een merkwaardige, weerbarstige troost. Zo ook het uitspreken van woorden als: „Wij danken God”. Woorden, denk ik weleens, die je niet vaak genoeg zou kunnen uitspreken, zij het dat ze alleen maar betekenisvol kunnen zijn binnen dit verband. Daarom heeft het zin om dat verband soms op te zoeken.

Vlak voor de kist de kerk verliet werd die dank nog eens herhaald in andere bewoordingen, die van de door Fens grotelijks bewonderde dichter Gerald Manley Hopkins. Zijn gedicht ‘Pied Beauty’, gevlekte pracht, werd voorgedragen in een heel mooie vertaling van Leo Vroman: „Glorie zij God voor bontigheid”.

Gevlekte pracht

Glorie zij God voor bontigheid,
Voor hemelen, marmerend als koeienhuid;
Voor bloemsproetjes uitgestippeld op vlugge forellen;
Vers vonkgepoft kastanje-herfstlicht; vinkvlerk; wijd
Landschap siergekaveld: eg-ploeg-braak geruit;
En alle beroepen, hun gerei, tuig, toestellen.
Ieder net ander, zeldzaam eigenaardig ding;
Alles wat grillig uitschift (en wie weet hoe uit?)
In snel, sloom; zoet, zuur; hel, gedoofd;
Hij vadert voort boven verandering:
Hij zij geloofd.

Fens heeft zelf in zijn bundel  Leermeesters drie stukken over Hopkins opgenomen, en in één daarvan citeert hij ook deze lof der  gespikkeldheid, waarin allerlei gevlekts en gespikkelds wordt opgesomd: „bloemsproetjes uitgestippeld op vlugge forellen”,  en hij legt uit hoe belangrijk voor Hopkins het beeld was van een wereld die uit zoveel verschillende dingen bestaat en daardóór een eenheid vormt: „God schept niet een geheel met fraaie delen erin, hij schept slechts voortdurend de dingen afzonderlijk, en de schoonheid ontstaat door het contrast dat zij met elkaar vormen”.

Zinloos is het om dan tegen te werpen: God schept niets, er is geen God of iets dergelijks, daarmee wordt een wereld van ervaring, en vooral een taal waarin die ervaring wordt uitgedrukt, weggevaagd. Het is niet nodig om de visie van Hopkins te delen, wel om hem te kénnen teneinde het gedicht ‘in al zijn volheid te kunnen verstaan’, zoals ze dat in de kerk  zeggen. En daardoor valt dan ook ineens te begrijpen dat dankzegging en lofprijzing hun plaats niet alleen kunnen maar móeten hebben, ook, juist, als er iemand verdwijnt, vanwege „alle dingen die hun eenheid vinden in hun tegenstellingen tot elkaar, wat ook hun schoonheid uitmaakt” .

Nu Kees Fens er niet meer is, zal er meer kunst zijn, meer traditie, die niet meer in al zijn volheid verstaan kan worden. Hij was zelf, al zag hij dat geloof ik niet zo, een leermeester. Een native speaker van uitstervende talen.

 

IMG_3952-001.JPG 

24-09-14

Psalm 127 (een bewerking)

IMG_0815.JPG

 


Psalm 127

 

In zonen en dochters

werken de armen

van vaders en moeders.

 

Het huis is gebouwd

door handen die

er niet meer zijn.

 

Zovelen dragen we mee

in onze rug, in onze stem,

zovelen dromen in ons.

 

Zo oud is de blik van mensen.

Elk kind leert stappen

waar anderen gingen

en loopt nog verder

 

en elk woord heeft leren zingen

van duizenden stemmen die zwijgen

en luisteren, hoe lang al,

naar die ene stem.

 

22-09-14

Psalm 96 (een bewerking)

IMG_8265.JPG

 

Psalm 96

 

Een lied van vreugde,

een lied voor de vreugde:

 

zoveel ogen voor de glans

zoveel vleugels voor het hoge.

 

Bomen spreiden de hemel open

maken lucht van aarde

 

kleur van donkerte

vruchten van pure wil.

 

Het water loopt sneller dan rotsen

bindt de wereld samen

 

tot ontelbaarheid,

en toch hebben we een naam.

 

Een mens is zo diep als de zee,

zijn adem raakt

 

alle hoeken van de aarde,

zijn stem raakt eeuwen.

 

En in elk kind

begint alles opnieuw,

 

moed die bergen verzet

hand die een andere hand vastgrijpt.

 

Nooit zal het stilvallen

deze stroom van vreugde.

 

Heftig of stil,

in golven of druppels,

 

dit oude lied

wentelt zich om

 

en wordt het eerste lied

van de schepping.

 

 

16-09-14

Hercken...

IMG_8904.JPG


Ik weet wel dat het niet klopt
, dat mijn familienaam een toponiem verbergt (het kleine zijriviertje van de Demer, de Herk), dat verraadt het voorzetsel 'van' maar al te duidelijk.

Maar ik vond het onderstaande in het Rhetoricaal Glossarium van J.J. Mak, een wondere woordenschatlijst ( http://www.dbnl.org/tekst/mak_001rhet01_01/). En klopt het vormelijk niet, het klopt inhoudelijk wel met de persoon die ik ben, en met de thema's waarover ik schrijf: verlangen, hunkeren, wachten, luisteren... Of zoals Mak het nog mooier zegt: attente affectueuse...

Ach ach, wat een mens allemaal hoort in woorden...

 

Hercken

(I), ww. Zie MNW i.v. Herken, 3e art., WNT i.v. Herken (III).

(Heftig) begeren, verlangen, haken (vg. kil.: hercken. vetus. Inhiare, captare, appetere, percupere, affectare, cum affectu quaerere aut petere en plant.: Hercken / verlangen. Desirer, ou attendre affectueusement. Exoptare, percupere desiderio expectare, affectare). ‖ Tgelooff der genaden doet hercken wt lieffden in lieffden, Bruyne 3, 201 [2e h. 16e e.] (hic?); Och tis al van tvercken. Ick mocht wel hercken // om tvonnis te hooren, Antw. Sp. E iijv [1561]; Die gheest den mensch suyuer tot het doen Voeghende elck seer coen // dat sulck inwendich herct, ald. Rr iiij; Ja om in te nemen, eest dat sy hercken De Mase, de Moesel en den Rhyn, houwaert, Or. v.d. Ambass. 84 [1578].

- Inz. in de verbinding hercken na(er), verlangen, hunkeren naar. ‖ St 1, 277 [vóór 1524]; Doesb. 94 [vóór 1528]; a. bijns 113, 150, 160 [1548]; Trudo 1642 [ca 1550]; H.d.Am. F 8 [m. 16e e.]; Neringe 244 [m. 16e e.]; ghistele, Virg. Aen. 135a [1556]; Bruyne 3, 141 [1556]; Antw. Sp. R ijv, 1 ijv [1561]; Rott. Sp. O vij [1561]; Bruyne 2, 181 [1567]; Saeyere 821 [2e h. 16e e.]; houwaert, Lusth. 2, 116 [1582-'83], Vier Wterste bl. 195 [1583]; Kackadoris 2 [eind 16e e.]; Const-thoon. Juw. blz. 303 [1607]; Schadtkiste der Philosophen fol. 228 [1620]; z. heyns, Victorie v. Ivry, blz. 214 [1e. kw. 17e e.].

Hercken (II), haercken,

ww. Zie WNT i.v. Herken (IV).

1) Blijven steken, vastzitten, verwijlen (vg. kil.: hercken...Haerere). ‖ Dus ziet, dat ghy dit kint aen elcken cant tant En doeghet in sonden duer u wercken hercken, Trudo 74 [ca 1550]; Van der Trouwen en weet ick gheen bescheet, Waer hy mach hercken, Trauwe 1183 [1595?].

- Sonder hercken, zonder ophouden, gestadig. ‖ Houdt my stantvastelic zonder haercken By dordonnancye der helygher kaercken, Gentse Sp. 186 [1539]; Sij ontsteken die Jonckheyt wel ingloedich / Dat sij overuloedich // ia sonder hercken / Natuerlijck naer alle Consten wercken, Antw. Sp. f ijv [1561].

2) Dralen, toeven, wachten (vg. kil.: hercken... morari). ‖ Wie sou langher duer die ionstighe wercken hercken, Daer God syn gratie dus Vlodich ter stont iont? Trudo 2393 [ca 1550]; Neve, duer u wordick den moet verstercke, Dus ick niet en hercke // om gaen daer ghy my leyt, Trauwe 1378 [1595?].

- Sonder (eenich) hercken, onverwijld (vg. ongeherct in Brab. Yeesten 6, 3835). ‖ Soo wilt dan naer dy vunten gaen sonder hercken, Trudo 188 [ca 1550] (zie ook ald. 341, 581, 903, 1557, 1811, 2923); Dit lieff heeft ons wtvercoren sonder hercken, Bruyne 1, 141 [1556]; Edel princersse Sonder eenich hercken Salt volbracht werden, Antw. Sp. n. iv [1561].

Herckinge,

zn. Van hercken.

Het verband in de aanh. maakt niet duidelijk, aan welke bet. van hercken wij hier moeten denken. Plantijn kent het woord als afl. van Hercken (I): ‘Desir, ou attente affectueuse. Desiderium, exoptatio’. Daarnaast zou ook nog aan hercken, horken (= luisteren) gedacht kunnen worden. ‖ L.: Bor, duyvel, wat es van deser herckingen? B.: Hoe thierdy soo ghelyck den helsghen dondere? L.: Bor, duyvel, omdat hoerekint van Serckingen, Trudo 2860 [ca 1550].

12-09-14

Psalm 8 (een bewerking)

IMG_8280.JPG

 

Naar psalm 8 

 

Altijd als ik de hemel zie,

zie ik vingers aan het werk

die zich eindeloos vermoeien

en dan achteloos vergeten.

 

Is dit ook niet de mens,

denk ik dan, eindeloos

moe worden,  en dan vergeten

als wind die iemand ooit kende.

 

En toch legt hij de wereld

vol kleuren, geeft hij het licht

namen als zovele schaduwen,

randen die hij even goed legt.

 

En toch hoort hij alle stemmen

en geen weg die hij niet vindt,

paden van dieren en

hemelhoge van bomen.

 

En door zijn ogen vloeit

het water van dagen en

ook zijn handen worden

bleker en bleker, oud geworden

 

licht waarin doorzichtigheid

komt staan, bekommerd om

wat was, dun als stilte, als

de klank van een naam.

 

Zo klein als de mens is, zo groot

legt hij zich over de wereld.

Kleine beetjes adem die samen zingen,

telkens weer opkijken naar wat hen roept.

 

IMG_7371.JPG

 

08-09-14

Herlezen: Slachthuis vijf (Kurt Vonnegut)

IMG_6980-001.JPG

 

 

Slachthuis vijf, van Kurt Vonnegut, heeft na al die jaren nog niets van zijn unieke toon verloren: die mengeling van droevige joligheid van clown, van terloopse tragiek, van de lezer direct aanspreken alsof de verteller naast ons staat.

Die bijna casual toon waarop Vonnegut zijn roman ineen steekt, als het over een onhandig, kinderlijk bijeenzoeken van speelgoedbouwsteentjes gaat. Zoals ook na een bombardement een huis of een stad weer bijeengezocht moet worden, in dit boek de onbevattelijke brandhaard Dresden, die Vonnegut als Amerikaanse krijgsgevangene overleefde in de kelder van slachthuis vijf...

Hoe doe je dat, het onbevattelijke proberen vatten? Door de lezer over het stuntelen en tasten te vertellen. Door de hoofdpersoon Billy Pilgrim in en uit de tijd te laten vallen, en in en uit de werkelijkheid. Want is een werkelijkheid waar een stad volledig opbrandt de enige werkelijkheid? Is een werkelijkheid waarin de soldaten nog kinderen zijn (een ‘kinderkruistocht’) de enige werkelijkheid?  Is een werkelijkheid waarin mensen zo onmachtig elkaar begrijpen kunnen, zelfs in naam van een zekere liefde, de enige werkelijkheid? Wie is gek: Billy Pilgrim, of deze wereld die plots razend kan worden...  

 

Foto: fragment uit schilderij van Chagall (Chagallmuseum, Nice)

04-09-14

De rechtvaardigen (Jorge Luis Borges)

Je ziet ze lopen op straat, ze lijken op alle andere mensen, maar van binnen zijn het de rechtvaardigen, zegt Borges. Het lijkt onspectaculair wat ze doen of laten, zeker gemeten aan de manische criteria van vandaag, maar ze houden er wel de wereld mee recht...
Hulde aan wie in alle stilte de rechtvaardigheid over de wereld draagt, in planten, genieten, onderzoeken, spelen, werken, lezen, tederheid, moreel besef, dankbaarheid...

IMG_0847.JPG


De rechtvaardigen

(Jorge Luis Borges, 1899-1986)

 

Een man die zijn tuin verzorgt, zoals Voltaire voorstond.

Wie dankbaar is dat er op aarde muziek is.

Wie tot zijn vreugde de herkomst van een woord ontdekt.

Twee bedienden die stil zitten te schaken in een café in Buenos Aires.

De zetter die zich uitslooft voor deze bladzijde, die hem wellicht niet zint.

Een vrouw en een man die de laatste terzinen van een bepaald canto lezen.

Wie een slapend dier aait.

Wie het leed rechtvaardigt, of wil rechtvaardigen, dat hem is aangedaan.

Wie blij is dat er op aarde een Stevenson is.

Wie liever heeft dat anderen gelijk hebben.

Deze mensen, die elkaar niet kennen, houden de wereld in stand.

 

27-08-14

Gebaren, geintjes... (Inleiding op de geliefde 38)

24A_0370.jpg

 

Gebaren, geintjes... (Inleiding op de geliefde 38)

 

Ik zou een bloemlezing willen maken van je gebaren. Ze zijn zo delicaat als het moment dat ze te zien krijgt, zo herkenbaar, en ook zo vlug weer voorbij.

Je hand die mee uitlegt, als de schaduw van je stem die spreekt. Beetje schuin opgericht, niet weids noch theatraal, maar galant en toch genoeg aanwezig.

Je vingertje dat wijst als je iets gevonden hebt dat werd gezocht: die mengeling van voldane trots en spel, alsof het zoeken en vinden een spel blijft, ook voor volwassenen van hart.

Je pink die aan tafel de kruimeltjes bij elkaar veegt, veegje na veegje, pink en nagel ten strijde tegen de chaos, tot je een mooi hoopje broodkruimeltjes bij elkaar hebt. En zelfs dan nog even verder ‘pinken’, tot er een vierkantje ligt, dat daar mag blijven liggen. En ondertussen maar babbelen.

Je onderlip waarmee je ik-weet-het-niet poseert, of lichte verbazing (een ander trekt dan zijn wenkbrauwen op, maar zo opvallend hoeft het voor jou nu ook weer niet).

En die twee gestulpte lippen waarmee je op me af komt gestapt, als een bevel tot direct stante pede een kus, ogen licht gesloten, maar de spleetjes toch voldoende open om te zien hoe deze scène af zal lopen, dat je op tijd kunt ingrijpen met nog wat ironie. Je slaat geen armen rond mijn hals, nee, die twee stulplippen zijn arm genoeg. En in al hun gespeelde overdrijving ook aanwezig genoeg.

En dan de gebaren die je twee keer doet: twee keer afstoffen, twee keer afspoelen, twee keer afdrogen. De dingen verdienen evenveel respect als de mensen, dat vergeet jij nooit.

En dan je gebaren als je iets vertellen wil. Niet  iets dat uitgelegd moet, nee, het simpele vertellen van wat er zo allemaal gebeuren kan. Dan ontstaan gebaren die mij zeer bevallen kunnen, aha. Is iets ergens gevallen, dan doen je armen en handen dat vallen na. En als iets weerklonk, of zeer groot was, of op een bepaalde manier dichterbij kwam, dan beelden ze ook dat allemaal uit. Het is sterker dan jezelf, je moet even meebewegen. Dat klein moment van spontaan mee-spelen geeft mij altijd een kickje. Hoe viel het, vraag ik dan. Vroeger liep je daar dan in, en herhaalde het wonder zich soms. Maar nu herken je mijn plagen, en hou je de boot af (met weer zo’n speciale beweging die jij alleen kent, onbewust bewust). En je glimlacht. Of je trekt de krant dichterbij, en bent alweer aan het lezen. Of je geeft een stompje tegen mijn arm. Of je steekt je mes even rechtop de lucht in, hoofdje opzij, opletten jongen...

Er zit in jou een actrice, en je weet het niet. Allicht niet: dat je zou kunnen acteren voor publiek is een te grote aanslag op je nog altijd wankele zelfvertrouwen. Het bloeit wel, en de vruchten hangen er te pluk voor zovelen rondom je. Maar toch, spreek er niet te luid over, dan lijkt een oud onheil afgeroepen te worden. Beter leven en laten leven, in de kleine vrijheid van elke dag, dan bekeken en beoordeeld te worden, zelfs al is het bewonderend.

En dan zou ik nog een bloemlezing willen van de geintjes tussen ons. Ze zijn net zo klein en breekbaar, maar met onze jarenlange zachte spot werken ze als vlinders: ze vliegen op, en trekken even alle aandacht naar zich toe. En zijn dan weer weg.

Zoals deze middag: ik had risotto met prei en rode biet klaargemaakt, en toen ik het kleurrijke hoopje opgeschept had, zei ik dat we  ook op de helft van ons bord konden eten, dat spaart de helft in de afwas. Aha, zei je, maar hoe moeten we dat aan de afwasmachine uitleggen?

Zo’n geintje is vaak wat kinderlijk stom, ik weet het, wij weten het. Maar daar gaat het niet om. Het gaat om het pingpongen van andere aaien dan die van hand en wang. Het gaat om het besef dat spelen een mens zuurstof geeft, even van de grond tilt. Het gaat om het besef dat er veel werkelijkheden mogelijk zijn, en dat ook wij niet één werkelijkheid zijn, ingesnoerd en saai geworden.

Geintjes zijn te klein om er publiek bij te hebben, die kennen de fijne regeltjes niet van het spel. En een geintje uitleggen (of navertellen) is tot mislukken gedoemd. Het is de werkelijkheid die een kleine opening laat, en de verbeelding die even voor je uitloopt, als bij een plotse ontdekking. Geintjes hebben niets met succes, of scoren, of de slimste willen zijn, of een rekening vereffenen, of zelfs maar dikke lach. Geintjes zijn per definitie vriendschappelijk, improvisaties van twee die elkaar graag zien.

Een huisvriendin van Leo en Tineke Vroman schreef net een boek over dat bijna legendarische stel. Er is natuurlijk die opvallende levensloop, die dwars door oorlog en kampen en tijdelijke scheiding loopt. Maar mij bleven vooral de geintjes bij tussen die twee. En hoe mooi de auteur ze toch kon opschrijven. Zij kende blijkbaar, na jaren vriendschap, genoeg van de spelregeltjes om telkens weer, zelfs als buitenstaander, toch binnenstaander te zijn, en te mogen mee-glimlachen. 

 

24-08-14

Nog wat onzichtbare Shinto-godheden

Deze tekst verscheen eerder in VINGERAFDRUKKEN EN VERGEZICHTEN, tweede bundeling van mijn poëtische essays (na DE AANRAKING) en in boekvorm te krijgen bij mij (zie ook de categorie hiernaast).

Ik weet zo direct niet hoe oud deze tekst is, maar dat hij over hetzelfde gaat als het gedicht van Borges in de vorige post, dat is duidelijk.

 

IMG_3666.JPG

 

  Verlangen

 

   Het verlangen naar een goed gesprek, dat met zijn blote handen in de grond graaft, tot er water opkomt.

   Het verlangen naar begrijpen, dat gevoel van: zo is het.

   Het verlangen naar zachtheid, zowel in het verdriet als in de vreugde.

   Het verlangen naar hevigheid. Af en toe wil een mens door een muur lopen.

   Het verlangen naar nabijheid, twee lichamen die zouden kunnen samen liggen, als ze dat wilden. Maar samen ademen, samen kijken is ook al genoeg.

   Het verlangen naar de lach. Leven, versnel even; tonen, klink door alles; smaken, ga rechtop staan. Ben ik nu hier of daar, ben ik nu kind of overlevende, hoeveel levens heb ik in mij?

   Het verlangen naar goedheid: dat ik mijn moeder weerzie, dat ik kan geloven in mezelf en in het geschapene.

   Het verlangen naar stilte, dat de onzichtbaarheid een stap naderbij zet, naast mij komt staan, wil wachten met mij, in iets van eindeloosheid.

   Het verlangen naar beweging, naar de stap die alles verandert, liefst een stap die danst. Zoals alles een dans is, afgescheiden is en weer bij elkaar komt, de ongrijpbare grens tussen oplossen en voortbestaan.

   Het verlangen om iets te maken dat verder bestaat: een kind, een gedicht, een tak die in de grond wordt gezet en gaat bloeien. Dat ondoordringbare bloeien, zo weerloos dicht en zo oneindig ver. Dat verlangen dat kind werd, nooit meer zal het leven nog van mij zijn, ik ben uitgedeeld, de dood kan mij niet meer overwinnen en heeft mij al overwonnen.

   Het verlangen naar verhalen: waarom dragen we anders alles mee, als we het niet uitdelen? Wil er iemand tonen wat hij verzameld heeft?

   Dat verlangen naar zonlicht, dat verraderlijk-eenvoudige gebaar dat de binnenkant naar buiten trekt.

   Dat verlangen naar adem, dat verraderlijk-eenvoudige gebaar dat de buitenkant naar binnen trekt.

   Het verlangen naar oud worden, archivaris van de tijd die in mij langskwam, tekening van de krassen die de tijd wilde maken, ik kan mijn ogen niet geloven.

   Het verlangen naar jou, mijn spiegel, mijn tweede lichaam, mijn tweede vader en moeder, mijn onuitgesproken woord, mijn gebaar van altijd, mijn grond, mijn geheugen, mijn verlangen. Hoe zal jij er altijd zijn, ook als je er niet meer bent?

   Het verlangen naar dit moment, verte en nabijheid van geluiden en kleuren, vogels en honden, auto's en stemmen en het gejaag in mijn aders, en hoe alles ineenvloeit om zichzelf toch niet te verliezen. Licht over dat alles, en aan de onderkant de donkerte van weggaan. En toch nooit ophouden. Moment na moment, als de stap van de blinde die langzaam leert zien.

   Het verlangen naar wolken die groot en traag zijn, naar lange tonen, naar het uur blauw 's avonds, naar de eerste vegen 's morgens, naar het gevoel van begin 's morgens, naar de stem die zingt, het oor dat schaamteloos genomen wordt, naar een vinger langs de mond, naar een blik die blijft hangen, naar het lichaam in spanning en overgave, in bed, op het sportveld, tijdens de dans, tijdens het werk.

   Het verlangen naar boeken, stilte en diepte en vriendschap ineen, en geduld, en aanraking, zoals woorden kunnen aanraken, vingers in de huid.

   Het verlangen naar verlangen, honger naar leven, onrust van leven, mededogen met het leven.

   Het verlangen naar de dood, zwijgzaamheid die spreekt, wachter aan de deuren, hand die de tegendelen opheft, gebaar dat alles mooi maakt, klank en stilte ineens, evenwicht, laatste aanraking, honderd namen zou ik je moeten geven, dood, allerlaatste vriend, terugkeer, grote rust. Zoals mijn verlangen verzamelt wat nog niet is, zo verzamel jij wat geweest is, een geheim even onbenoembaar als geschapen worden. Mijn verlangen naar dat geheim. Het eerste verlangen. Het grootste verlangen misschien. Het verlangen dat nooit meer over kan gaan. Beweging die zich voor immer herhaalt.

 

(foto: Gent, universiteitsgebouw bij St Pieterskerk. Er zijn ook godheden op te zien...)

22-08-14

Shinto godheden (Jorge Luis Borges)

Wat een schitterende verwondering, dit gedicht. Verwonderingen zijn het, want ze komen als ongeziene godheden, en ze raken ons aan en genezen het verdriet dat toch altijd met ons meereist...

Laten we in de momenten dat verdriet knaagt, proberen onze eigen ongeziene godheden te benoemen: al die reizende aanrakers van ons mensen, welke hebben mij aangeraakt... Bij mij zijn er inderdaad ook zachte windvlagen bij, en de geur van een bibliotheek of antikwariaat, en de geur van hooi, en de slagen van een kerkklok, of soms onverwacht een wandklok, en de schaduwen op gezichten, en het zonlicht in vlekken, of zoals Hopper het wilde schilderen, op de zijkanten van een huis, en diepe lange klanken, en lange stille avonden, en een lange kronkelende weg, en een plots verdiepend gesprek, niet alleen met een mens, ook met een boek, en -ach wat een aanraking- een onverwachte glimlach...

 

IMG_0817.JPG

 

Shinto godheden (Jorge Luis Borges)


Als, soms, verdriet ons overmant,
dan worden we gered
door de nederige windvlagen
van aandacht of herinnering:
hoe fruit smaakt, en water
het gelaat dat de droom ons teruggeeft
de eerste jasmijn van het jaar
het oneindige hunkeren van een kompas
het boek dat we kwijt waren
de snik van een hexameter
de smalle sleutel die een huis voor ons openmaakt
hoe een bibliotheek ruikt, en sandelhout
de vroegere naam van een straat
de kleuren van een landkaart
een verrassende etymologie
hoe glad een gevijlde nagel kan zijn
de datum die we zochten
de twaalf donkere slagen van de klok,
die uitdeinen terwijl we tellen
plots een lichamelijke pijn

Acht miljoen Shinto godheden
reizen ongezien over heel de aarde
Die bescheiden godheden raken ons aan -
raken ons aan en trekken weer verder

20-08-14

De grootste aanraking

IMG_0624.JPG

 

 


De grootste aanraking


Het lichaam is een museum van aanrakingen.
Overal sporen van ooit, toen, dan.
En helemaal achteraan het jongste moment
dat nog niets heeft gehad, zo
onwaarschijnlijk jong en verloren.
Al die andere momenten met hun grote verhalen.

Maar het jongste moment,
het glimlacht verlegen en stil,
en begrijpt plots dat verlangen
de grootste aanraking is
de zachte, soms harde
wang van pijn

 

 

(foto: zonlicht op ouwe poort in Riom, Fr.

Let even op de stijlfiguren van de werkelijkheid: die symmetrie en tegenstelling in een groot rechthoek rechts en een klein vierkant links, enne een grote cirkel links en een kleine deurklinkcirkel rechts.  En dan die machtige lijn in het midden, geassisteerd door al die andere verticale lijnen. En dan die wilde Manetvlek daar overheen...

Zeg niet dat ik dat er allemaal in zie, het is dat die poort ferme esthetische smaak heeft, dat is het.)

12-08-14

Herlezen : twee oorlogsromans

Uit mijn bibliotheek: twee oorlogsromans herlezen.

1

20100406_1342.JPGHet gebruik van de mens, van de Joegoslaaf Alesandar Tisma, heeft me net zo aangegrepen als zoveel jaar geleden. Herlezen is geen herkauwen blijkbaar, maar teruggaan naar het restaurant waar je al eens zo geweldig hebt gegeten, en dan weer zo totaal verrast worden als die eerste keer. Dat dat kan. Dat dingen weer totaal nieuw kunnen zijn, al zijn ze niet nieuw. Zoals met een goede vriend. Je wist het wel, van hem, van haar, maar dat zo’n gesprek toch weer alles ten overvloede kan bevestigen.

Ten overvloede: dat zoek ik in de werkelijkheid... Heb ik dat altijd gehad? Ik weet het niet, ik kan mezelf op dat punt niet teruglezen...

Ten overvloede: dat is de roman van Tisma. Al die mozaïekstukjes van kleine levens, die, naarmate je verder opgenomen raakt in het verhaal, steeds duidelijker een aangrijpend beeld aan het maken zijn, van de kleine Servische stad Novi Sad, van een oorlogstijd die weinig mensen kunnen overzien, waar ieder op zijn eigen manier moet zien te overleven. De ongetrouwde lerares Duits van het stadje, en de sleep ongeluk die ze binnen haar armoede en strenge privélessen opsluit. Vera Kroner, die in het kamp als hoer kan overleven. Twee buurtjongens die rond Vera cirkelen, de ene raakt uiteindelijk bij de partizanen, de andere beëindigt de oorlog als een romp zonder armen en benen, en zonder ogen of stem. En hun ouders, met al hun ongelukkige, of domme beslissingen.  Wat een leeservaring.

 

Herlezen 2

20100406_1343.JPGDe kleine roman Het brood der liefde, van de Zweed Peder Sjögren, ooit tweedehands gekocht en allicht tweedehands gebleven, want bij mijn weten nooit herdrukt. Sjögren baseert zijn verhaal over de oorlogsstrubbelingen tussen Finland en de Sovjet-Unie op zijn eigen ervaringen toendertijd, tussen 1941 en 45. Een jongeman geraakt heelhuids uit de gevechten en komt aan de oude moeder de dood melden van zijn meest nabije vriend. Maar haar blik is van die aard dat hij niet weg kan gaan na het doodsbericht, maar een hele nacht bij haar blijft, om te vertellen over hoe er aan toeging, en over hoe zijn vriend uiteindelijk stierf: over de eindeloze kou in die eindeloze sneeuw, over de putten ondergronds waar een beetje warmte en beschutting wordt gezocht, over de soorten stiltes, over de diepere nood waarom mensen gaan vechten. En vooral, over hoe liefde iemand in die hel recht kan houden, letterlijk, verlangen als brood en lucht en water...

Ik lees een exemplaar uit 1953, van Uitgeverij Leopold, en het verhaal heeft nog niets van zijn aangrijpende kracht verloren. Een klein meesterwerkje.

*

De graflegging is uit Normandië. Op zichzelf ook de uitbeelding van een oorlogsdaad... Ik koos de foto's omwille van het verdriet op het gezicht van Maria.

09-08-14

Over het kleine (3)

IMG_0969.JPG

 

3 Het heeft ook iets te maken met tijd, en met geheugen. De tijd is zo’n massieve beweger, we zijn nu al weer een stuk in augustus. En ik herinner me de beloften van de lente nog, en hoe het jaar vers was begin januari.  Als ik niet oplet, lijkt het jaar wel sprongen te maken, gaten achter te laten, zomaar, zonder het te vragen.

Vandaar dat ik mijn geheugen in stelling moet brengen. Het massieve laat zich niet herinneren, behalve als iets massiefs, verpletterend als je er te lang naar kijkt. Nee, ik moet het kleine vinden in dat massieve, om te zien hoe groot ook dat is, op zijn eigen soms vrolijke, soms aangrijpende manier. Maar altijd verrassend, zodat er nieuwe woorden meekomen, en ik toch even ter plekke een kleine pirouette maak, vanzelf even dit lichaam van mij aangesproken voel, meestal vanbinnen, soms toch ook letterlijk: een lach, een dansje, dat mijn vrouw glimlachen moet.

Als ik het kleine ontmoet (met wat het me doet), lever ik mijn geheugen wapens tegen het massieve wegglijden. Ik zal mij het gezicht herinneren op die grote frescowand (Jenzat, Fr), meer dan de wand zelf.

Dat is het wonderlijke aan foto’s, dat het zulke gedroomde bijhouders-van-je-geheugen zijn. En zelf ook zo machtig scherp willen kijken. Net als camera’s (die ik niet heb). Ik zag ooit een docu over De toren van Babel van Bruegel, door Harold Van de Perre. Zijn camera kon doordringen tot in de kleinste hoek van elke verdieping van dit wonderlijke gebouw. Niet alleen dat ik mij afvroeg hoe Bruegel zo godsonmogelijk klein kon schilderen, maar vooral dat ik toen pas, via die kleine hakkende, tillende, kijkende mensjes iets zag van de immensiteit van de droom Babel, letterlijk en ook figuurlijk.

Het kleine is niet klein, nooit geweest. Het kleine bevat in zijn kleinheid alles van dat grote. Alleen moeten we moeite doen om het te willen zien. En tegen alles ingaan dat maar droomt van succes, en rijkdom, en prinsessenbloed. Maar als we eenmaal het grote van het kleine hebben mogen zien, vergeten we het nooit meer. De tengere, gevoelige Maria Beert (Het recht van de sterkste, Buysse) heeft me meer geleerd over het arme Vlaanderen in de 19de eeuw dan veel geschiedenisboeken...  

08-08-14

Over het kleine (2)

IMG_0931.JPG

 

2  Het is ook dat voor mij zo weinig abstract is. Ik heb blijkbaar overal behoefte aan een lichaam: aan handen die werk verzetten, aan hoofden die een beslissing nemen, aan ogen die schoonheid zien, aan lichamen die te samen het onmogelijke voor elkaar krijgen. Het geloof dat deze kathedraal boven zichzelf doet uitstijgen, ik zie er het hoopvolle vergezicht wel in, maar toch grijpt mij meer de gezichtsloze steenlegger aan, en de scheeflopende vrouw die een kaars aansteekt, en de dromende jongeman achteraan op een stoel alleen. Priesters kleden zich op voor het abstracte idee, terwijl het zo concreet onder onze ogen gebeuren wil: dat schrift dat bij het Mariabeeld ligt en vol staat met schrijnend verlangen. Geen abstract antwoord is er dan, noch veel minder een concrete miraculeuze daad, maar wel nabijheid. Een soort groot luisteren, heb ik het ooit genoemd. Helpt dat luisteren, als het toch geen concrete oplossingen op zak heeft? Jawel, het helpt. Wie ooit diep is beluisterd, weet dat.

Vaak, slenterend door de straten van weer een stad, zou ik achter de deuren en de muren willen kijken, naar de romans die daar geleefd worden, in al hun directe oorspronkelijkheid en tragiek. Zonder enige vorm van bedreiging te vormen aanwezig kunnen zijn bij weer een groot verlangen, hoe verzwegen het ook leeft door de dag. Dat men mij niet opmerkt, en ik mag kijken en luisteren, mijn ogen uit, mijn oren in. En zo weer iets begrijpend van die grote woorden die zo vaak al te abstract worden gebruikt: leven, verlangen, verdriet, vreugde...

 

IMG_0620.JPG 

(foto: kathedraalbouwers, brandglas in Clermont-Ferrand & huizen in Riom)

06-08-14

Over het kleine (1)

IMG_0564.JPG

 

1 Ik vraag mij af waarom die kleintjes mij iets doen. Als ik zoiets onopvallends opvallends  tegenkom, dan is het vaak of ik beter de hand kan zien die daaraan gewerkt heeft, schreef ik eergisteren. Alsof de kleine maat beter de situatie oproept van schepping: iemands inval, iemand die een lijn trekt, of een kleur kiest, de zorg waarmee gewerkt wordt, afgewerkt wordt.

Creativiteit op grote schaal verbluft op een andere manier: de zuilen waar het kerkdak op staat, hoog daarboven; dat grote overzicht dat de bouwmeesters gehad moeten hebben; die kennis, van materiaal, van zwaarte, van evenwicht, van verhoudingen, van licht. En toch is het die ene steen na de andere die alles op- en rechthoudt. Maar die ene steen zien we niet. Behalve als de steenhouwer er zijn merkteken in heeft aangebracht. Dan, ja dan zie ik iets oplichten van een man die met zware werkhanden en misschien wel gebogen rug dagenlang, met meetlat en model, aan de steenblok heeft gekapt. Naamloos als iedereen die voor mij leefde en werk achterliet, maar toch, even riep zijn merkteken hem wat dichterbij.

Het enige wat ik, uitkijkend over de straten en huizen van een stad, de bewerkte landerijen daar rondom, kan verzuchten, is: zoveel last verzet door zoveel handen... En dan werkt het kleine voor mij omgekeerd: de boer die de worteltakken uit zijn nieuw aangelegde land een voor een verwijderde, hij is vergeten door wie na hem kwam en de grond omploegde, en zeker door wie van het geteelde graan croissants kan eten, maar hij is er nog, opgenomen in dat grote, samen geleverde werk. Het grote rondom mij, het is uiteindelijk maar de optelsom van al die ontelbare kleinigheden...

Is dit een bedenking die mij dan, daar en nu toekijkend, een vorm van troost biedt? Misschien wel, al was het maar omdat ze de voorbijgaande tijd enigszins buitenspel zet. Misschien ook omdat ik er een collectief mensenverlangen naar opbouwen in zie, veel sterker dan de evenzeer menselijke razernij die van tijd tot tijd moet afbreken. De handen die het opklimmende straatje in Moulins steen voor steen legden, zijn allang verteerd, tot en met hun botten, maar ik loop op hun werk, ik haal al stappend iets van hun verhaal binnen, zonder daarom details te weten, enkel dat wij allemaal mensen zijn, die elkaar ontmoeten voor en na ons, op een manier die eigenlijk wel ontroerend is, als je er even wil bij stilstaan.

05-08-14

Auvergne: nog wat kleintjes

De staart-tussen-de-benen van het schubbenmonster op de buitenmuur van de kerk van Fleuriel, de borstjes van de heilige Catherina (Jenzat), de verwezen blik van de madonna (Ronzière), de prachtige keitjesvloer en de namiddagzon (St Julien in Brioude), die treiterende spiegel van de duivel (met zijn vrouwelijk slachtoffer op weg naar het inferno, in Ennezat), het kleinste deurtje van Frankrijk (Moulins). En zo voort, er is nog veel meer.

 

IMG_0989.JPG

IMG_0977.JPG

IMG_0756.JPG

IMG_0822.JPG

IMG_0648.JPG

IMG_0547.JPG

 

 

04-08-14

Auvergne: enkele kleinigheden

Nog wat rondgetrokken met de slaapauto in Noord-Auvergne. Zwerfbloed, jaja. Maar het was als rijden door een openluchtmuseum.

Niet alleen de oude weggetjes (we rijden bij voorkeur op de kleine wegen, wit op de Michelin) roepen de herinnering op aan voorbije generaties, mensen die hier rondstapten, wijnranken plantten, stenen op elkaar zetten tot huizen en kerken, maar ook de kleine versiering hier en daar doet dat: een ontroerende bloem op een verloren hoekje kerkmuur, een sierlijke uitsnede in een versleten houten poort, een mensenkop ingewerkt in het gietijzeren beslag op een kerkdeur, enzovoorts.

Als ik zoiets kleins tegenkom, dan is het vaak of ik beter de hand kan zien die daaraan gewerkt heeft...

IMG_0755.JPG

IMG_0623.JPG

IMG_0884.JPG

 

23-07-14

Grappig 4

IMG_3132.JPG

 

Ergens onderweg in Nieuw-Zeeland...

22-07-14

Grappig 3

IMG_6667.JPG

 

Jezus met zijn baardje...

(Weer een ander kapelletje ergens in de Vlaamse Ardennen)

21-07-14

Grappig 2

IMG_6645.JPG

Dit is mijn wonde, beste mensen.

IMG_6644.JPG

IMG_6643-002.JPG

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kapelletje in de buurt van Louise Marie (Vlaamse Ardennen)

 

20-07-14

Grappig

IMG_0218.JPG

 

Grappig: de ontmoeting tussen beeld en mens...

Foto: Kutaisi (Georgië)

18-07-14

Ruzie en trots (Inleiding op de geliefde 35)

IMG_4213.JPG

 

Inleiding op de geliefde 35

Ruzie en trots

Maken we dan nooit ruzie? Ach wat is ruzie. Het woord is zo vaak veel te groot. Toen jij, jaren geleden, het recht opeiste om een opmerking te maken (“Ik mag toch iets zeggen, toch?”), toen is al een eerste angel uit dit grote woord getrokken. Als het zo logisch is als het klinkt – inderdaad, jij hebt evenveel recht van spreken als ik -  wat kan ik dan meer doen dan leren mijn mond te houden en te luisteren. Wetende dat je opmerking niet mijn hele persoon in vraag stelt, maar enkel dat ik weer het licht liet branden, of vergat je op te halen van het werk, of nog iets anders dat niet dodelijk was maar wel irritant.

Wat ook helpt is dat ik ondertussen door dat zwijgen en luisteren al heel wat heb bijgeleerd. Ik ben nog van het soort mannen dat met smaak eet, dan hun bord op het aanrecht zet en denkt dat ze flink hebben bijgedragen aan de afwas. En dat het leven verder mag gaan met de krant, of de teevee. Dat jij nog een uur bezig was met afruimen, schoonvegen, klaarzetten voor morgen (de boekentassen van de kleine mannen, hun nog vlug even schoongewreven schoentjes, een stuk fruit en een drankje voor hun brooddoos, hun rapport tekenen en een herfstblad op vraag van de juf), de was uit de wasmachine halen en ophangen, mentaal noteren dat straks de koffie op is, dat heb ik moeten leren door het van jou te horen, recht in mijn gezicht. Daardoor heb ik geleerd dat ik bijgod niet wist waar een huishouden begint, en waar het eindigt. En dat het tijd werd dat ik dat leerde. Al was het maar uit respect voor jou.

Het heeft van mij een andere man gemaakt. Strijken kan ik nog altijd niet, maar ik weet tenminste dat je je kleren beter netjes ophangt in plaats van ermee te gooien, dat je vuile was beter in de mand stopt in plaats van te laten vallen, en dat je het gewassen goed uit de wasmachine beter wat opplooit in de wasmand omdat dat het strijken makkelijker maakt. Kuisen is nog altijd een kleine straf, maar ik loop tenminste niet meer met mijn vuile voeten door jouw kuiswerk. En wat jij een kleine straf vindt, koken, dat is nu voor mij een genot geworden. Ach, ik hoop dat we het in ons huishouden wat meer eerlijk verdeeld hebben, met de jaren. Jij klaagt niet, dus ik vermoed dat het wel goed zit.

Als we, soms eens, onze stem verheffen tegen elkaar, dan is dat omdat er ergens toch een schroefje wat los zit: moeheid die al dagen zeurt, een toon die wat scherper klinkt dan bedoeld, domweg een misverstand. Ook de wind kan zo onverwachts in de bomen slaan dat je ervan opkijkt. Dat moeten zij verdragen en vergeten. Wij ook.

Liever merk ik dat je opmerkingen nu zoiets bij mij losmaken als trots. Trots dat ik een vrouw heb die stevig in haar schoenen staat, die zelfrespect heeft, die het moment aanpakt en niet de persoon, die niets achterna draagt. Soms, bij de vrienden, wil ik daar wel eens lachend allusie op maken, op dat verstand en die ruggengraat van mijn vrouw, opdat ze zouden weten dat in die stille, zachte mens een ferm motortje draait. En dan overdrijf ik romantisch: dat ik zonder haar allang onder een of andere luifel van een marmeren bank zou liggen, met kleren die vele oorlogen hebben gezien, en zelf verloren voor veel communicatie en inspiratie. Ik mag het dan al lachend zeggen, ergens diep van binnen hecht ik er geloof aan. Jij hebt die structuurloze mens wat meer gebinte gegeven, en hem geleerd dat orde adem geeft, en nieuwe ideeën. En jij hebt van mij geleerd dat je met angsten ook mag spelen, als zeepbellen, en dat de dag van morgen er is om mee te helpen, nu al, vandaag.

Een beetje trots zijn op elkaar is niet slecht voor het samenleven. Trots als vorm van dankbaarheid dan. Niet trots als hoge borst. Nee, geboren uit het besef dat je alles moet krijgen in dit leven. Leren krijgen dus, en je kan eraan meewerken door zelf wat je best te doen. Maar de hoofdzaak moet je krijgen, en dat krijgen is niet gelijk verdeeld. Je hebt het niet in de hand als je partner net niet wil luisteren. Als hij of zij de ongelijkheid, of erger, niet wil (leren) inzien. Als blindheid koning is,  of gemakzucht,  of de onderdrukking in je cultuur, of ander venijn. Samenleven is ook schoollopen bij elkaar, en de ene is al een betere leraar of leerling dan de andere.

Misschien zou ieder  die met een ander gaat samenleven, eerst een examen in humor moeten afleggen. Leren dat een ironische boodschap, naast de (misschien noodzakelijke) inhoud, ook de bedoeling heeft even te aaien. Dat een grapje toont dat je elkaar ziet als intelligente wezens. Dat je dan een opmerking kunt incasseren met een buiging, of een hand op het hart, of je beste beteuterde gezicht of zoen, of iets anders uit de wereld van het theater spelen. Hoe vaak heb ik een opmerking van je aanvaard met de trotse boodschap dat je toch wel een hele goede man gekregen hebt. Humor is iets dat ver staat van de mogelijke naaktheid van enkel incasseren en ondergaan.

Samenzijn moet gewoon een genot zijn, en humor is dat in verhevigde vorm. De verbeelding om meer te zien dan er is, ook in elkaar, dat is humor, en je krijgt er soms vleugels door, als kleine mens met korte armpjes.

 

 


13-07-14

Georgië: de overledenen

Tot slot, om de reeks over Georgië af te sluiten, enkele foto's van overledenen en hun graven, of grafhuisjes. Eentje fotografeerde ik al rijdend, een in het zwart geklede jonge vrouw was het graf-onder-afdak aan het reinigen van wat allicht haar man was geweest. Twee foto's op graven bij een kerkje, met de mooiste indringende blik die ik ooit op graven zag. En voor een jonge vrouw maakte iemand een waar tempeltje... (Ik heb het meer gezien in Georgië, dat men een kastje maakt met herinneringen aan de dode, en soms zijn die herinneringen wat uitgedeind...). In de bergen bouwt men soms graven rond een bron langs de weg, ook dat is mooi. En is er nog die drinkebroer, die zich liet vereeuwigen met de doodsoorzaak in de hand (die ramshoorn maakt deel uit van de aloude toast-met-speechtraditie hier, vijf tot tien keer per feestmaaltijd, met eigen ogen gezien, en je werd verondersteld die hoorn ineens uit te drinken...)

 

IMG_9860.JPG

 

IMG_9505.JPG

IMG_9503-001.JPG

 

IMG_9498-001.JPG

 

IMG_9496.JPG

 

IMG_0449.JPG

10-07-14

Georgië: werken...

IMG_0468.JPG

Horlogemaker en minicafeetje, allebei langs de straat

IMG_0469.JPG

IMG_0461.JPG

Straatwinkel en barbier

IMG_0201-001.JPG

08-07-14

Georgië: ontmoetingen 2

IMG_9768-001.JPG

 

IMG_9836-001.JPG

04-07-14

Nog Georgië

IMG_0133.JPG

 

De man die de varkens naar huis jaagt, ze even in het voorbijgaan tegen hun poten tikt, tot ze kajieten, hoog en schril

De vrachtwagen (in grote letters Wuustwezel erop geschilderd) die een hele lading flesjes water aanbrengt, en pampers waarmee dan individuele auto’s tot barstens toe volgepropt worden (waarschijnlijk smokkelwaar voor of van Rusland)

De jonge monnik die zijn jeep de steile ongeplaveide straat opjakkert

Drie mannen gesticulerend, twee op een van de vele banken voor de huizen, één rechtstaand, over iets dat zo lang is, zoveel breed, zo hoog

Twee oude in het zwart geklede vrouwtjes die de avond wegbabbelen

De jonge koe die op de hoek van de straat vergeten is, en maar blijft burrelen, in hoge melknood

De zware, schonkige Russische vrachtwagen, op dezelfde straathoek

De vreemde, prachtige wilde bloemen

De vele lege huizen in de dorpen

Het monument voor Stalin dat in de reisgids staat maar dat in het bewuste stadje niemand schijnt te kennen, tot er iemand duidelijk aangeeft dat het verdwenen is

De brede poorten waar de armdikke gasleidingen langs en over lopen, en waar een bank staat te wachten op de avondlijke gesprekken

Groot onweer in de Kaukasusbergen, met een overvloed aan bliksems die een hele ruimte doen oplichten

De voorbijganger die ons bedankt dat we de Russen verslagen hebben op het WK voetbal

Fijne ranke gezichten van de meisjes en jonge vrouwen; ronde, ovalen gezichten van de mannen

De op zijn gitaar rockende oude voor de deur van zijn huis, onder de druivelaar, in marcelleke, die loos gaat als ik hem feliciteer, en zijn weemoedig glimlachende vrouw naast hem in het deurgat

De overdekte markt met zijn geuren en smaken en kleuren, en geduldig wachtende verkopers, soms ingedut, soms biddend, meestal starend

De kerken en kerkjes vol fresco’s, als een stripverhaal in steen en kleur en licht

De smerigste appartementsgebouwen voor de Georgische vluchtelingen uit de oorlogsgebieden van begin eenentwintigste eeuw (Abchazië, Zuid-Ossetië)

De door de Russen gebombardeerde dorpen, heropgebouwd in rijen van volkomen identieke kleine huizen

De enkele graven van Duitse krijgsgevangenen, hoog aan de Military Highway naar Rusland, omringd door regen en mist en kou

Het zalige nietsdoen van de monniken (zo lijkt het toch) onder het afdak van hun stille kloosters, achterovergeleund op hun stoel; het onophoudelijke bezig blijven van de nonnen in de kerken (schoonwrijven van de gekuste relikwieën, kaarsstompjes verwijderen, vegen, opletten dat de toeristen niets verkeerd doen...)

De koeien langs en op de wegen, niet achter schrikdraad maar zo vrij als een vogel hier in dit land, en met ware minachting/doodsverachting voor het verkeer

Het Georgische polyfonie zingende trio in de grottenkerk van Vardzia: twee jonge Georgiërs en een Amerikaanse blonde jongen, gedoktoreerd op de materie in Princeton, op één van zijn vele studiereizen hier

Overal dat sierlijke Georgische schrift, zo veraf van onze hoofdletters-in-het-gelid, en de oude leraar (in het winkeltje met drie schriftjes en tien kleurboekjes) die met zoveel passie ons de tekens uitlegt

Het vele mooie roest van Georgië

Kerkhoven waar de foto’s van de overledenen met laser in het marmer zijn gestraald, soms levensgroot en soms in kleur

De “vergeten”, verloederde, lege benzinestations

De vele “vergane” bushokjes, elk nog de schim van zijn eigen oorspronkelijke esthetiek

De lege fabrieken, soms enkel nog hun skelet, als dunne Griekse tempels

De gek bij het afbrokkelende spoorwegperron, die telefoneert met een kopje tegen zijn oor

Zoveel herinneringen aan mijn kindertijd: de elektrische palen, de hoofddoek voor de vrouwen, de kleine winkeltjes met hun eigen specialiteit, de losse boodschappentassen (“malen” noemden we die toen) die altijd meegedragen worden, overal stappende mensen ergens naartoe, het vele eten dat de gasten krijgen, de volksdevotie, de kruistekens op straat bij het voorbijgaan van een kerk, de eerbied voor de popes, de houten weecees, het familiaal samenleven van generaties

De vredigheid van een morgendlijke groententuin: de ranke oma in haar grijze kleed geeft met een kopje de jonge aanplant stuk voor stuk water, achter haar loopt het kleine paadje naar een hekje, onder de fruitbomen door, waarachter een in het zwart geklede zware vrouw een koe naar de wei drijft; er kwetteren vinken, op de bergwanden drijft langzame mist, in de tuin slaapt nog een hond

Warme avonden die niet lijken te eindigen

De schoonheid van het verval, als je er de tijd in ziet, in elke nerf een ander spoor

 

IMG_0409.JPG

(foto's: Gelati-klooster, en het torendorp Ushguli, in Svanetië, het afgelegen hoge Noorden)

 

 

03-07-14

Georgië : ontmoetingen

IMG_9407.JPG

De herder te paard, dicht bij de Azerbeidjaanse grens, die verlegen glimlachend met zijn Hollywoodgezicht een sigaret opsteekt en zegt: Smoking, no good.

IMG_0220.JPG

De leraar Engels, geschiedenis en Georgische literatuur, die ons met overgave het sierlijke Georgische schrift uitlegt: 33 fonemen (klanktekens), een complexe uitspraaktaal. En het verhaal van die ene moeilijke klank, die God betekent in het Georgisch, en ook de eerste klank zou zijn die baby's uitbrengen...

IMG_0019.JPGVrouwen in een avondlijke straat, aan de klap met elkaar, met hen spelende kinderen. En nieuwsgierig naar de vreemde wandelaars die blijkbaar geïnteresseerd zijn in hun huizen. Een van de kinderen spreekt ons in het Frans aan (leeft hier bij oma en opa, ouders werken in Frankrijk) en daar is hun kans om kennis te maken, kinderen te tonen, en hun tuintjes. Een onhandig gesprek, maar zo'n ruimhartige openheid...

IMG_0005.JPGDe man die ons in Akhaltsikhe, een provinciestadje met veel armoeappartementsgebouwen, binnenroept in zijn tuintje, zijn hof van Eden, dat hij bevloeit met zelf gegraven kanaaltjes. Er is geen gesprek mogelijk, behalve die van pure gastvrijheid: even uitnodigen, een hand geven, witte moerbeien eten van de eigen boom, de zoon feliciteren voor de paar woorden Engels, de moeder voor haar vier kinderen (vier vingers omhoog...) en de man voor zijn werk en zijn opsomming van Belgische voetbalploegen.

IMG_9362.JPGDe vrouw die, vlak in het centrum van Tbilisi, een drukke wandelweg, woont in een zelfgemaakte tent, en zorg draagt voor een resem kattenjongen, oude honden en rond haar verzameld spul.