02-07-14

Tbilisi: balkons

IMG_9604.JPG

 

IMG_9593.JPG

 

 

IMG_9393.JPG

 

 

IMG_9392.JPG

 

IMG_9391-001.JPG

01-07-14

Tbilisi in Georgië

IMG_0531.JPG

 

Terug uit het weelderige land Georgië. Weelderig in zijn naam (zie de Georgica van Vergilius), weelderig in al het door de Kaukasus beschermde groen (al die wijnranken voor en opzij en achter bijna elk huis in bijna elke straat, die weiden, zelfs de hoge bergen zijn groen), weelderig in zijn gastvrijheid (de rijke tafel die men gasten aanbiedt...), weelderig zelfs in zijn verval, in zijn armoede. In elk geval is Georgië geen geëgaliseerd, uitgevlakt land zoals we er in het westen al zoveel hebben gekregen, de jongste halve eeuw, waar alles op alles gaat lijken: huizen, winkels, straten, auto’s, mensen.

Vandaar dat ik de weelderigheid maar opsommend opschrijf, als een waaier die opengaat, als de verrassing die verborgen kan liggen in elk voorbijkomend moment: er is geen indeling mogelijk, alles lijkt even opvallend aanwezig, de kleine muurinscriptie zowel als de zogende straathond, de langzame popes als de bliksems boven de bergketen, de niet geplaveide straat als de in slaap gevallen verkoopster bij haar kartonnen tafeltje, de icoon naast de deur als de pantocrator vooraan in de kerk. Want ook de kerkruimte is alles tegelijk: de grote lichtstraal door het zijraam zowel als het licht van al die kleine waskaarsjes, als de kleuren van de fresco’s en de wierook en het gemummel van de monniken en de heen en weer lopende gestalten en de eeuwenoude stenen...

 

Laat ik beginnen met de hoofdstad Tbilisi, het oude Tiflis, altijd al een kruispuntstad, waar invloeden samenkwamen uit Europa maar ook uit Perzië en uit het naburige Tsarenrijk en de andere Kaukasusrijkjes met hun vele talen en volkeren:

De vijgenboom onder mijn kamervenster, die tot in mijn raam groeit, en het gezang van de grote lijster daarboven

De kleine verzonken donkere winkeltjes, open tot ’s avonds laat, want elke klant is wat meer overleven (maar ondertussen worden ze met soms eigen gemaakte bezems proper gehouden, en wordt er geroepen en gepraat, het leven hoeft niet lijdzaam toe te zien en af te wachten)

Galerijen en balkons van de huizen, oud, maar waardig oud, en met een patina die je nergens elders vindt

De vertellende baardige oude pope op een bank buiten de kerk, en de oudere vrouw naast hem, ook volledig in het zwart maar zich bescheurend van het lachen om wat ze hoort (op een bepaald moment legt ze, van louter plezier en dankbaarheid om het plezier, haar hoofd op zijn schouder)

De ongeplaveide straat waar we doorlopen, en hoe een jonge vrouw op hakken ook haar eigen stappen zet over de glooiingen (waarin soms honden slapen, met half afgesneden oren) en putjes en losliggende stenen

De ontdekking achter elke hoek: trappen uitkomend op andere trappen, galerijen achter glas, overal de druivelaars, de binnenkoertjes en de koertjes achter de koertjes, de scheve muren (al of niet onderstut), de open gasleidingen. En in de betere huizen die ene mooie brede trap, of die verwaarloosde Jugendstilversiering, of toch weer dat keldergat waar de bakker zijn brood bakt in die kleine ovens

De vele kleine busjes die hier het openbaar vervoer uitmaken, en de vele vaak afgeleefde taxi’s die wachten, en dat het gevaarlijk is om de straat over te steken want zebrapaden tellen niet voor wie een auto heeft

Trots en weemoed van de vrouwelijke gids in het Nationaal Museum, met zijn ene verdieping, maar vol geweldige kunstschatten, meesterwerk na meesterwerk, maar in een berooid museum, en met gidsen die er nog, zoals zovelen, een tweede job bij moeten doen om enigszins rond te komen

Op de heuvel het beeld van Mama Georgië, met haar borsten van staal

Gemaaid gras in de oude kerk, restant van een voorbije ceremonie

De pope die de kinderen zegent die hun moeders voor hem vasthouden, met een borsteltje met olie even armen, voorhoofden, benen aanraakt

De kleuren in de kerken, van de groene, rode, zwarte kazuifels, van de iconen, van de kaarsen

De grote kruistekens die mensen maken, en hoe ze aanraken en kussen wat ze aanbidden

De gebedsintenties die ze op briefjes schrijven

De jonge vrouw die ik van op een afstandje fotografeer, weemoedig als de Madonna zelf

En overal de aanplakfoto’s van politieke koppen, van een komende of al voorbije verkiezing

En de bijeenkomst op het grote plein met vlaggen (nationaal en de sterren van Europa), en een podium en groot lawijt en gedans en speeches en bodyguards als een hoge pief ter plekke gebracht wordt om te speechen, allemaal pogingen om dichter bij de Europese Unie te komen, weg te raken van de Russische beer, wat die daar ook geïrriteerd over zal denken

En op de terugweg ruwe polyfonie van mannenstemmen, diep en bijna grommend mooi

 

IMG_9370.JPG

12-06-14

Pauze: op reis naar Georgië

Even 14 dagen foetsie, reizend in het schone land Georgië.

We zien elkaar bij leven en welzijn terug begin juli.

Let the good times rock 'n roll...

 

09-06-14

Achterblijven (Inleiding op de geliefde 33)

IMG_7423.JPG

 

Achterblijven (Inleiding op de geliefde 33)

 

Hoeveel van mij is, in al die jaren, in jou achtergebleven. Dat je mij zo goed kent, dat je me zelfs kunt voorspellen. Dat je mijn geheugen bijhoudt en mijn wilde verhalen corrigeert. Dat je mijn verstrooidheden opwacht. Dat je weet wanneer het moment mij voetje licht. Of wanneer ik boos zal worden door de tragiek die nooit iets zegt, enkel een mens in het gezicht staart. Dat je de juiste humor hebt om mij te doen grinniken. Dat je mijn stilte zo goed kunt delen. Dat je al die kleine ritueeltjes tussen ons zo zorgvuldig bewaart. Zoals je alles zo zorgvuldig wil verzorgen en bewaren.

Als ik aan al dat achterblijven in jou denk, dan is het weer tijd voor een glimlach, van binnen. De van-binnen-glimlach is de meest ongrijpbare. Ze gebeurt in je, kleurt daar het moment als water dat opwelt in droge grond en laat je dan achter met een kleur die te diep is voor veel uitleg.

(Gelukzak, zei iemand, schreef iemand, toen ze in deze Inleiding lazen. Ja, het leven is een vreemde bron, gelijk verdeeld is het niet. Maar wie weet zijn er overal bronnen en bronnetjes, en hebben we ze nooit, of niet (lang) genoeg, leren zien. Een individueel leven is geen Universele Verklaring, maar een uniek verhaal, soms schokkend duister, meestal gespikkeld en bont, als in het beroemde gedicht van Gerard Manley Hopkins.)

Zonder dat ik dat zelf zo expliciet heb beslist, zijn duizenden stukken en stukjes van mezelf in jou, in andere mensen, in andere dingen, in andere plekken achtergebleven. Bram Vermeulen heeft er een van zijn mooiste liederen aan gewijd (‘Verlangen’), aan dat achterblijven of meegenomen worden, noem het zoals je wil. Mensen delen zich uit aan elkaar, aan kinderen, aan de weg die ze gaan, aan de overtuigingen van die weg, aan grote en kleine dingen, aan gekoesterde momenten, aan gezangen en geluiden, aan vertrouwen en zachtheid die ze zich nog herinneren van toen ze klein waren en die hen door de nachten loodsen, hoe dicht die ook zijn.

Het mooiste is wel dat we, uitgedeeld als we zijn in elkaar, samen ons nog verder hebben achtergelaten in zoveel meer. Onze zonen hebben nu ook al zonen, en weer nemen die grote happen uit onze genegenheid. Weer zien we de bloei van zo’n kindergezicht, de vreugde van te mogen ontdekken, de volheid van al wat er te ontdekken valt.

En vogel vliegt in de takken van de boom, naar ergens daar een nest. Al spreekt hij onze taal niet, we noemen hem merel, en de boom noemen we beuk. En de bladeren zijn groen, omdat het licht zich verliest in werkelijk alles dat er is, een wezenloos diep wezen, dat zonder onderscheid overal weer ontdekt wat er te ontdekken valt, elke dag opnieuw.

En de vrienden hebben andere kleuren, gespikkeld en bont; en als ze erover vertellen, dan glimlachen we vaak, omdat niemand zo is als zij.

Eeuwigheid is niet alleen dat we elkaars atomen delen, hergebruiken mogen. Eeuwigheid is ook dat we ons overal uitdelen, achterlaten, vergeten waar we komen, zonder ook maar aan eeuwigheid te denken. Koning David is een stamboom. Mijn zonen en kleinzonen zijn het ook. Net als de tuin, en de ogen van de kat. Net als de steen in de muur van de kathedraal, en de eerste noot van de Mattheuspassie. En niet het ding op zichzelf is eeuwig (want zelfs bergen en bergketens kunnen verpulveren en verdwijnen), maar de vreugde en het verlangen, die zijn eeuwig. Die bewaren we door ze uit te delen aan elkaar. Die versterken we door ze te bewaren in elkaar. Generatie na generatie willen mensen uitkomen op de Genesis-conclusie: zien dat het goed is...

De polders en de zee zorgen voor dat deel van mijn blik dat van verten houdt. De wolken voor mijn liefde voor licht, en randen, en het onmogelijke dromen. Gezichten herkennen mijn nieuwsgierigheid naar verhalen, hoe de grote beweging ook daar langskomt of al zo lang afwezig blijft. Woorden weten van mijn vele vragen, en van de klank die zingen wordt genoemd. Huid bewaart mijn tijd. En dat doet ook de dag, die voor mij ’s morgens alles weer nieuw maakt. Gelukkig maar, voor zo’n wonder ben ik veel te klein, maar ik mag er wel zonder voorbehoud in rondlopen. En ik mag afspreken, en dan werken twee mensen samen. En ik mag het artikel lezen, of de foto nooit meer vergeten, of de actrice nog horen na vele jaren. En soms, als vanzelf, ademen de doden in mij. Ik kijk door het raam, en het zijn mijn moeders ogen die staren. Ik vertel een anekdote en besef plots dat mijn vader aan het uitleggen is in mij. Hoeveel zal ik in bewaring gegeven hebben voor ik zelf sterf?

Bram Vermeulen eindigt zijn lied met een mooie gedachte: al wat we elders achterlieten, bij plek en moment en mens, doet ons blijvend verlangen. Verlangen om het terug te zien. En verlangen is een vorm van bijhouden en loslaten tegelijk...

 

04-06-14

De gedichten van vroeger, die ik uit het hoofd blijk te kennen... (A. Kossmann)

IMG_5514-001.JPG

 

De gedichten van vroeger, die ik uit het hoofd blijk te kennen

 

In mijn vak vermorzel je veel boeken. Lange tijd had ik de gewoonte om de bibliotheek waarin ik woon eens per jaar te ontvluchten, voor een maand of drie, en dan zwervend, of verblijvend op een geriefelijke rots in de Griekse zee zelf een boek te schrijven. Op reis heb je lectuur nodig, en in Athene zijn een paar uitstekende boekhandels. Zo kwam ik steeds weer thuis met een koffer vol boeken.

Hier, in het huis in Wassenaar waar ik na een autoongeluk en de ervaring van het doodgaan en drieëneenhalve maand ziekenhuis op twee krukken probeer te leren lopen, beschik ik over een voortuin en een achtertuin en uitzicht op een weiland met een hooiberg en koeien, maar gedichten zijn er niet, en dat is een gemis waarmee ik me kan verzoenen.

Ik beweer graag dat het onderwijs verkeerd is ingericht, en dat het met de dag verkeerder wordt. De kinderen moeten nuttige kennis verwerven, rekenen leren, Engels leren, elektrisch lassen leren, ze moeten een girobiljet leren invullen, en dat alles om geschikt te worden voor een baan in een maatschappij die praktische eisen stelt.

Aan het slot van hun opleiding zijn ze ‘klug als wie zuvor’, en als ze een loopbaan in het onderwijs kiezen, zuchten ze misschien wel eens, net als Faust, dat ze graag zouden willen zijn ontslagen van de plicht om ‘met zuur zweet te moeten zeggen wat ik niet weet’.

In de jaren – dat beweer ik graag – waarin het kind en de jongeling spelenderwijs kennis kunnen opdoen, moet je hun kennis aanbieden die op het eerste gezicht nutteloos is. Ze onthouden ook wat ze niet begrijpen, en een vriend vertelde mij dat hij op een School met den Bijbel was geweest, psalmen uit het hoofd had geleerd waarvan hij niets snapte, zijn geloof was kwijtgeraakt en nog steeds met intens genoegen zich de psalmen herinnerde. Zij waren, zou je kunnen zeggen, in hem gerijpt, ze hadden betekenis voor hem gekregen, en hij zou ze niet willen missen, hoe overbodig ze voor hem, de ongelovige, ook waren.

In de ontvankelijke jaren van mijn jeugd, toen het brein gretig was en het geheugen soepel, heb ik mijn schoolwerk slecht gedaan, zo slecht dat ik na een paar slordige jaren op het gymnasium door mijn vader gestald werd in een boekhandel, als volontair zonder taak en zonder ambitie. Ik las veel, vooral poëzie, en de omstanders vroegen zich, net als ik zelf, hoofdschuddend af wat er van mij zou worden.

Nu, - hier in Wassenaar gestald, betreur ik mijn verzuim van toen niet. Ik heb behoefte aan poëzie, maar ik kan mijn bibliotheek niet raadplegen, en mijn geheugen blijkt veel meer nutteloze kennis uit die verslonsde jeugdjaren te hebben bewaard dan ik vermoedde. Bijna elke dag zeg ik: ‘Yda, luister nou eens,’ en begin een gedicht op te zeggen. Laatst viel mij pure kitsch uit de mond: ‘Es is im Leben hässlich eingerichtet / Dass bei den Rosen gleich die Dornen stehn,’ en pas een paar minuten na mijn – ietwat langere – declamatie wist ik weer dat de biedermeier-dichter Victor von Scheffel de tekst had vervaardigd.

Ze komen te voorschijn, de gedichten van vroeger, die ik uit het hoofd blijk te kennen, zonder ze ooit uit het hoofd te hebben geleerd. Ze zijn de meest welkome gasten in dit huis van comfortabele verbanning. En als ik nu wél de school had afgemaakt? Dan zou ik nu misschien de merkwaardige produkten of de stelling van Pythagoras moeten ontvangen.

Poëzie heeft trouwens best nut. In 1944 verbleef ik in een dwangarbeiderskamp in Heidelberg, en ik werkte aan de spoor. Wanneer we aan de spoorweg stonden, om met een houweel steentjes onder bielzen te slaan, kwamen Engelse vliegtuigen ons aanvallen, felle vliegtuigen met machingeweren en twee bommen. We renden de spoorweg af en het veld in. Je moest dan plat op je buik gaan liggen, maar dat kon ik niet, ik vond dat te veel zelfvernedering; ik hurkte in een berm, sloot mijn ogen en zei de laatste twee strofen op van een gedicht van Johan Andreas dèr Mouw. Een lange, vuile jongen, gekleed in vodden en met klompschoenen aan prevelde regels die helemaal niets met zijn situatie te maken hadden maar die erg geruststellend waren:

 

Zo wil ik dan in nevel van bewustheid

Staan als een bergtop staat voor zonsopgang:

‘K zal, tot ik sterf, zijn als een orgelzang,

Een largo maëstoso van gerustheid.

Er is gezegd, dat ‘vreesloos Brahman’ is;

Als zij ben ‘k Brahman; niets kan mij doen vrezen.

Ja: in Zijn Zelfontvouwing viert mijn Wezen

Het eeuwig feest van haar herrijzenis.

 

Zomer [fragment]

 

 

uit: De seizoenen van een invalide lezer - Alfred Kossmann

 

IMG_5512.JPG 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

foto's: fragmenten uit werk van Brody Neuenschwander, de bekende Amerikaans-Brugse calligraaf. Foto's genomen tijdens de jongste Beaufort-tentoonstelling.

 

 

 

30-05-14

Deken

IMG_9085.JPG

 

Door de vitrage van de badkamer valt het me ineens op: hoezeer al het groen van de bomen deze wijk inpakt, als een gekleurde sjaal, of een dekentje om de schouders. Er schuift een patchwork van licht en donkerder grijs over de lucht (het zwerk, zeiden de oude dichters), maar dit beeld van een zorgdragend groen pakt ook mijn ochtendhumeur in.

Ik hou van zachtheid in en op de juiste maat. Niet de softe zachtheid van een sofa die niet meer weet wat dragen is, of een lui geworden matras, of een week handje en glimlach, maar zachtheid die even elegant nabij kan zijn als afstand bewaren, even elegant kan bewegen als ook wachten. Dat heerlijke ontspannen gevoel dat iets je kan dragen. Wil dragen.

Dat is iets wat ook grenst aan begrijpen en begrepen worden. De zachtheid van hout als het genoeg glad is geschaafd, zoiets. Iemand kijkt je zo aan, dat je spontaan begint te vertellen, zoiets. Vertrouwen is gemaakt van stevige zachtheid, dat weten mensen en dieren en wellicht ook bomen en planten. Een tak moet bewegen, maar hij moet ook ophouden, vasthouden, blijven dragen.

27-05-14

Vertrouwen

Heb (als het zo van pas kwam, ik heb niet zoveel politieke discussies gevolgd) met aandachtige ogen naar De Wever zitten kijken, dezer dagen  Vanwaar die nijdigheid, die vanonder alle woorden en lichaamstaal komt bovendrijven? Het lijkt wel of hij in niets en niemand vertrouwen kan hebben, enkel in zijn eigen overtuigingen en capaciteiten. Alles is een gevecht (vandaar dat “de moed het geweld overwint”, zoals hij zijn overwinningsspeech begon). Vandaar zijn reactie op de dag van de verkiezingen, bij de vraag van de journalist hoe hij zich voelde: hij voelde zich “gelaten”, zei hij, de teerling was geworpen en even kon hij zelf niets meer doen, moest hij een vorm van vertrouwen verzamelen om te kunnen wachten.

Vreemd, zo weinig vertrouwen in je medemensen (zelfs medewerkers krijgen ervan langs, als ze geen cola light hebben voorzien; dan klinkt het: “ik vraag niets aan de partij, behalve een cola light, en zelfs dat kan er niet van af”).

Vreemd, en toch niet vreemd. Ik lees er het karakter van veel Vlamingen in. Historisch bezorgd om de centen (lees de romans van Buysse, over hun groot- en overgrootouders, en ontdek weer die gore ellende en armoede). In veel zuiderse landen was (en is) corruptie dan een uitweg, maar daar is de Vlaming historisch dan weer te argwanend voor: hij vertrouwt de staat niet, kent ook die kronkelwegen niet, vindt dat hij het zelf moet doen in het leven. Hard werken en sparen, en woest worden als hij denkt dat er van dat labeur geprofiteerd wordt. Vandaar ook die historische argwaan tegenover al wie vreemd is. Daar komen alleen maar vodden van, is hij bang, nogmaals terugdenkend aan de ingewikkelde levens van de generaties voor hem, bezet, geoorlogd, uitgebuit, straatarm gehouden, en zonder scholing en intellectuele elite. 

(Iets van die historisch beladen afstand zag ik gisteren in de foto van Filip en De Wever, op het bordes van het paleis; de aristocratie eerder minzaam glimlachend, zoals aristocraten zich dat kunnen permitteren, en De Wever, eerder kop in kas, beetje hoge rug, misschien zelfs nukkig naar de grond kijkend, geïrriteerd misschien door wat hij daar moést komen doen...) 

26-05-14

Tijd... (Inleiding op de geliefde 31)

PICT0454.JPG

 

Tijd...

Hoeveel tijd is er in ons achtergebleven. Die handen van ons, hoe die dunner zijn geworden en toch nog altijd de handen zijn van toen, en nog altijd de eerste aanraking kennen. Al was het maar in de herkenning als je mijn hand grijpt: dat alles klopt, ja dat is jouw hand, en dat vanzelfsprekendheid ons invult zonder dat we dat nog hoeven te bepalen, opstellen, verwerken, klasseren.

Het vreemdste is ons gezicht. Hoe het meisje en de jongen zo onmerkbaar een tweede, derde, vierde gezicht kregen, als lagen boven elkaar, die, soms merk ik dat, ook licht afgeven. Dan zie ik je twintiggezicht nog oplichten door je zestiggezicht, en dat is niet verwarrend, want net als die handen zo eigen gebleven.

En alle verhalen in ons. Ze praten soms nog even luid als toen. Of lachen, of zijn ontroerd als toen. Dat is zelf ontroerend. Alsof wij veel en veel uitgebreider zijn dan dit ene moment nu. Niet deze kleine cel van vel houdt ons gevangen, of anders en beter gezegd, biedt ons onderdak, nee we leven zowat overal en op zoveel andere momenten. Zoveel opgestapelde, zorgvuldig bewaarde levens, in momenten en plekken die daar toen waren, met stukken van ons, en die we nu meedragen, met stukken van toen. Je denkt als je jong bent, dat je huid je bewaart voor de buitenwereld. Je weet als je ouder wordt, dat de buitenwereld je huid bewaart. En je blikken. En je woorden. En zoveel van wat je deed. Vanavond zijn we uitgenodigd op een etentje. Is dat niet mooi dat je, voor je vertrok naar je werk, op tafel een briefje hebt gelegd, met daarop: vandaag geen warm eten. Je weet dat ik, gewoontebeest, zonder denken aan die warme maaltijd zal beginnen, en mij dan flink voor het hoofd zal slaan als alles bijna klaar is en ik ontdek dat al dat werk niet nodig was. Jij houdt dat allemaal bij, als vanzelf. Een stukje in je hersenen waar je die vroegere verstrooidheden hebt liggen, niet op een hoop gegooid, maar zo dat ze op tijd kunnen gaan zwaaien en alarmeren. 

Ouwe foto’s tonen een moment: hoe we jong en enkelhuidig waren, met die dunne laag van onwetendheid die nog op ons lag, dat kinderlijke, dat gretige ook. Maar vandaag, maal drie ouder geworden, lijken we soepele 3-D foto’s, die zich plooien en schuiven en veranderen. Etsen van meester tijd, ons gezicht, boven op dat eerste van toen we elkaar voor het eerst ontmoetten. Beeldhouwwerken van het fijnste brons, onze handen, maar nog altijd gedragen door de kootjes van toen, en van later, dezelfde die ooit in het graf zullen liggen en koppig weigeren te vergaan.

Wegen de jaren, maken ze onze lichamen zwaarder? Er zijn dagen dat je daar ja op zou willen antwoorden. Als je je opricht uit bed, of zelfs uit je stoel, en die rug weegt plots iets teveel. Of als je hoofd water moet torsen dat noch helder noch rustig is. Maar soms is er weer die lichtheid van toen, die vanzelfsprekende kracht van bestaan, in oppakken, verleggen, antwoorden, opmerken, glimlachen, alsof dit lichaam het nog allemaal weet, en kan overnemen als het nodig blijkt. Of zomaar, om ons een plezier te doen.

Tijd is de rijkdom waarmee elk wezen zich vult. De boom, zowel als het meisje met haar dunne gezicht en haar fijnkrullende haar, ze zijn met de jaren gevuld met al wat in en door en langs hen dreef, en waaruit zoveel kleine en grote kostbaarheden achterbleven, zovele vragen en antwoorden, zovele nabijheden die nooit meer zouden weggaan.

Tijd is ook wéten, van het soort waar een accent op mag: het soort dat misschien zich wel uitstrekt in de breedte, als de horizontaal sterke takken van een oudere boom, maar vooral in de diepte. Diepte, dat is het besef, gaandeweg uit tijd gemaakt, van waar je sappen komen. Aha, daarvan leef ik dus, zo stroomt het leven mij dus binnen. Het komt van diep, dat besef, en het schept de kalmte om op één plaats te kunnen blijven staan. Dat het goed is, die plek, die schaduw, die bladeren met hun ene vorm, die lucht en vogels en vruchten die even willen uitrusten.

Dat wéten, van jou naast mij, van jou in mij geschoven, aslof we drinken van hetzelfde besef van leven, dat wéten, daar ben ik dankbaar voor. Dankbaarheid is nog zo’n tijd-woord: je beseft maar goed wat dankbaarheid is, als je er een heel leven van hebt geleefd...

 

*

(de andere stukjes uit Inleiding op de geliefde vind je door op de knop rechts te drukken)

23-05-14

Zeeën bijeen...

Al die zeeën bijeen: zeeën van zand, en water, en lucht...

En daarin die eilandjes: palen, wolken...

En het staat nooit stil. Zelfs het zand heeft zijn schuim, en zijn korrels, en zijn schaduwen...

 

IMG_9124.JPG

IMG_9129.JPG

IMG_9128.JPG

22-05-14

Groede (Zeeuws Vlaanderen)

IMG_9125.JPG

16-05-14

West-Zeeuws Vlaanderen: over kleine en grote lichamen

IMG_9175.JPG

 

West-Zeeuws Vlaanderen: kleine en grote lichamen

Een stel duiven scheert over de daken, donker eerst en, kerend, plots helwit oplichtend, van de glans die op hun borst valt.

Scheren is het juiste woord: ze gaan rakelings langs iets, in een beweging die juist lijkt, juist is, en daardoor ruwheid weghaalt en schoonheid achterlaat.

En dan, op de nok van het dak, een beetje gaan flirten: wat stapjes die geen stapjes zijn, maar uitnodiginkjes, en dan even zien wat de ander daarmee doet.

Tijdens de wandeling: wellicht toch een leeuwerik gezien, met die frenetieke vleugelslag, een beetje wild, net zoals hij zelf zingt. Bird on speed.

Die duiven kunnen ook landen als volleerde passagiersvliegtuigen: zonder vleugelslag dalen, borst vooruit, louter op restsnelheid en zwaartekracht.

4  

De ekster in zijn gothic pak, zwart-wit als levenshouding, en toch hiphoppend zich voortbewegend, je verwacht dat hij het volgende moment op z’n kop gaat breakdancen.  Hij heeft zo’n oog om je kwaaier aan te kijken dan allicht bedoeld, klein hartje maar grote bek, zoiets. En als hij op het laatste moment opvliegt, toont hij al zijn tatoos.

5

Sommige wezens, daar moet je gewoon bij blijven staan of zitten, ze zijn te groot voor je, maar ze verdragen je wel. De zee: dat zo’n massief lichaam toch op z’n plaats blijft liggen, zich kerend en draaiend, dat wel, onrustig als altijd, maar geen dreiging om plots agressief uit te halen. Of de regen die over het dak loopt, een heel leger van infanteristen trekt voorbij, over daken en grond, en je hoort de militaire training in de looppas, en de verbetenheid in de snelheid. Soms stampt er een luider dan de anderen, maar in het algemeen vormen ze één lichaam.

6

En dan de zwaluwen. Hybride straaljagertjes zijn het, gas geven met de vleugels open, energie sparen en ze dichtklappen. Het gaat allemaal zo gezwind, aangeleerd van jongs af en genetisch voorbereid door de voorvaderen. Open, dicht, open, dicht. Was er niet ook een Engelse fighter die zijn vleugels zo schuin naar achteren had? Die kon ook loodrecht landen, dacht ik, misschien dat zwaluwen dat ook kunnen. Maar nooit voor de show. Misschien wel in oorlogstijd.

En dan de kreetjes van het zwaluwvolk. Gezelle maakte ze onsterfelijk, in dat onomatopeeën-taaltje van hem. Zie zie zie, zie zie zie, zie zie zie, / tieren de zwaluwen één twee drie. Het is een perfecte weergave, dat gedicht (Gierzwaluwen), van het zingend gieren van die kleine jagertjes. Ze vliegen laag als de insecten ’s avonds laag hangen, en soms komen ze recht op je af en net als je denkt oei, gaan ze links- of rechtsaf, of hup de lucht in. Voor hen ben je maar een van de vele bomen die wat trillen in de wind. Niks eetbaars, gewoon een wezen op hun radar.

Ach, die zwaluwen, met hun gevorkte staart en zenuwtrekkerig racen. Toen ik klein was hingen de nesten onder aan de daken en keken de kinderen hoe de kopjes van die andere kleintjes boven de rand uitstaken, en piepten om eten. Vandaag zouden de nesten ‘weggesaneerd’ worden, in naam van de God Hygiëne, en hoor ik op de radio dat de Belgische kleine Nobelprijs wetenschappen, de Franquiprijs, toegekend is aan een onderzoeker die ontdekt heeft dat onze afweerstoffen, door al die hygiëne, het noorden kwijt zijn, en in plaats van te reageren op virussen, nu gaan reageren op allergieën.

7

Vergis je niet in die dorpjes hier. Ze lijken ingeslapen, oudjes met ingezakte schouders bij elkaar op de bank, er is weer een dag die lijkt op de vorige, er gebeurt toch niets. Maar net in deze dorpjes golfde vroeger de zee, vochten de Spaanse troepen, kwamen de Noord-Franse Hugenoten binnengevlucht, spoelden tsunami’s over, werd een predikant tijdens zijn eerste kerkdienst doodgeslagen door Roomsen, liet Vader Cats zijn poëzieschrift liggen om nog een stuk land in te polderen, begon hoofdonderwijzer Van Dale aan zijn woordenboek, waaien agressieve winden, rekken hemels zich uit met volle borsten, en varen koppig zwijgend nog altijd schepen met vracht voorbij, vroeger over het Zwin dat nu horizon is geworden, en vandaag over die andere horizon, de grote Noordzee. Mooie namen hebben ze: Hoofdplaat, Ijzendijke, Groede, Waterlandkerkje.

 

 

12-05-14

De laatste seconden van Alain-Fournier (Frans Budé)

IMG_3708.JPG

 

De laatste seconden van Alain–Fournier 

 

Van welke kant een scherf in wiens kop, bajonetten onder

kogelregen, lijklucht aarde alom? Ach, die kapotte ribben,

verscheurde rijglaarzen. Kramp gaat in mij tekeer, chère Pauline,

ma bien-aimée, gespook van noodrantsoenen, bloeddoordrenkte

 

modderdekens. Ik ben bereid, zeg ik u. De zon spookt rond

in duisternis, totdat de maan boven de velden dienstig en

getrouw mijn bed opmaakt, in een wade van grijzig licht

voor het laatst mijn ransel toont. Waarom dit onverwachte

suizen van een afgedwaalde kogel in het hoofd? Ik twijfel

 

van welke zijde het fatale schot, terwijl ik met u in gedachten

tergend langzaam aan een fietstocht begin, een frisse zwempartij,

volstrekt geluidloos, en o zo volmaakt het laatste licht zich recht.

 

Frans Budé

 

Op verzoek van het Vlaamse literaire tijdschrift Het liegend konijn schreven 112 dichters een of meer gedichten over het thema 'Oorlog'.

Bovenstaand gedicht komt uit een reeks van vijf gedichten over bekende dichters en schrijvers die aan de Eerste Wereldoorlog deelnamen. Alain-Fournier, schrijver van het romantische meesterwerk Le grand Meaulnes, stierf als officier in de eerste dagen van de Grote Oorlog.

 

IMG_3709.JPGEen bijzonder gedicht van de Nederlander Frans Budé.

Hoe intens die laatste seconden. Kramp die de oorlog binnenin verder zet, nadat de bajonet of de scherf of de kogel voorop gingen. Noodrantsoenen die, weggeslagen, als spoken verspreid liggen, hoe vreemd dat hij dat nog ziet. Zoals de modder: geen huid zoals de aarde over de wereld spant, maar een deken, in zijn wat losgewoelde vormen, in zijn zwaarte, in zijn verlangen om toe te dekken.

Dan staat de tijd even stil voor het afscheidsritueel: een zon doordrenkt van duisternis, en dan een maan die een wade van grijzig licht (hoe prachtig, dat grijzig) klaarlegt.

En dan slaat de pijn weer toe, onverwacht, een suizen is het, maar in een hoofd kan suizen luid klinken.

En terwijl hij nogmaals zich bewust wordt van de fatale klap, laat hij zich wegzinken (of wegdragen) door zijn geliefde, en hoe rijk het leven kon zijn, en nog altijd is, nu, nu “o zo volmaakt het laatste licht zich recht”...

 

*

(foto's van Duits oorlogskerkhof van Vladslo, bij Diksmuide, met de beroemde beelden van Kate Kollwitz)

07-05-14

Lente-melancholie

IMG_4166.JPG

 

 

Lente maakt ook wat melancholisch.

Al dat jong geweld, dat uitbarst, al tien stappen verderop is, bloemen in overschot heeft, wiegt alsof wiegen een splinternieuw cadeau is, glanst alsof er een wedstrijd bezig is.

En wij die stijf worden na een dag stappen, na te lang zitten, na wieden in de tuin, na een te lang gesprek, na teveel eten... Herbeginnen wij dan niet? Onze stam is al getekend als de kerselaar voor mijn raam, met scheuren in en een spleet waar een hand in kan, maar gezond, zei de boom-man vorig jaar, gezond hoor. En de perenbomen zijn in vreemde vormen gegroeid, maar ze beloven weer veel vrucht dit jaar.

Moet dit mijn melancholie verdrijven: de belofte dat op die krakende, gescheurde stam van ons weer veel sappigs bezig is, veel dat nog altijd een jonge kleur heeft, veel dat kan wiegen als een jonge danser?

Ach, vertrouwen is boom en plant en dier zo diep in hun wezen ingebakken, maar mensen, ho!, die moeten elke keer weer diep adem halen, hun ogen weer op een verte richten, hopen dat iemand zal beginnen zingen met die zachte stem van haar of hem, zoals ze woorden uitspreken, kunnen laten hangen rond je hoofd.

Mensen moeten zeggen tegen die rug en die benen van hen: allez, hop, wiegen. Ook de eerste stap kan al mooi zijn.

Mensen moeten leren blij zijn als ze wakker worden uit eentonig, zeurderig gewaai in hun hoofd. Dat er overal licht is, zonder onderscheid, ook voor hen. Dat er geen echte pijn hen naar beneden trekt, als een hinderlaag, maar dat het licht alles doorlaat wat kan en wil bewegen.

In dat licht mag je zelfs een beetje naakt zijn, je gezicht naar de zon draaien, onbeschermd, je ogen laten vollopen, je armen die koffie zetten en dan je helpen bij het eten, je lichaam dat weer weet dat het een belofte is voor de komende dag...

05-05-14

Dagje Brussel: zaterdag 03.05

IMG_4211.JPG 

De meisjeskopjes van Zurbarans Madonna’s in het PSK...

De acterende personages van Michaël Borremans in datzelfde PSK, soms overtuigend, soms (en te vaak) enkel acterend...

Elegante sluierdragende moslimmeisjes, met spannende jeans en laag uitgesneden balletschoentjes...

De zon die door de lange straten valt, hoe langer, hoe luier...

De afgedankte kleren waarop Alain Platels dansers, in Tauberbach, hun leven bewegen, verder dragen of opgooien, spastisch bevechten of met overgave toevertrouwen aan elkaar...

De naaktheid waarmee die ene, door het leven versleten schizovrouw, zich wapenend met kleren en geschreeuw tegen de stemmen in haar hoofd, durft te eindigen, haar kwetsbare lichaam nu bijna naakt, zonder bescherming, maar gedragen door de anderen, en zonder de stemmen...

De Afghaanse vluchtelingen in de Begijnhofkerk, afgeschermde tentjes in de linkerbeuk, met rechts een expo over slavernij vandaag, en in het midden een tafel met stoelen rond, waar zoals thuis brood en wijn worden gedeeld, om toch iets van het perspectief gaande te houden. En wij die tegen elkaar zeggen: dit zal inderdaad niet het soort kerk zijn waar Leonard van houdt, vandaar dat hij ze buiten wil...

De loverboy aan het restauranttafeltje voor ons, die de jonge vrouw naast hem gek maakt met zijn grote ogen en brede tandenglimlach, één en al zelfvertrouwen in dat lichaam, en zij maar kirren, giechelen, tegenaanvlijen, handen laten opvliegen, en weer kirren, giechelen, vlijen, opvliegen...

 

28-04-14

Studie van een moment

IMG_9092.JPG


Studie van een moment

 

Als de kamer vol lichtvlekken is, van een morgenzon die zich niet schaamt, lijkt het alsof iemand zijn ogen open doet. En dan heb ik het niet alleen over mezelf. De kamer kijkt mij aan.

De postbode rijdt op een brommertje dat koppig knort als hij moet optrekken, als een onwillige ezel.

De ijskast snurkt, de klok tikt, mijn adem suist. Er zijn geluiden die zo diep ingesleten zijn dat ze onzichtbaar worden. Ruimte met de ruimte. Ze zeggen: maak je geen zorgen, de wereld beweegt verder. En al zit ik stil, van binnen wiegt het.

Ver vliegtuiggeronk. Met de ruimte staan ook herinneringen recht, even maar. Hoe ik als kleine jongen in het gras lag te luisteren naar datzelfde geronk… De klok mag dan wel tikken, maar er is geen tijd.

Soms wiegt het niet van binnen, soms schuurt het. Niet bij mij, nee, dit moment spaart me. Maar bij jou, weet ik. Pijn is een moeilijke vraag. Zijn we dan niet volmaakt gemaakt? In de industrie doet men daar niet moeilijk over: wat scheef trekt, wordt weggegooid. Maar leven spiegelt zich niet aan volmaaktheid, lijkt het, maar aan… Ja, aan wat? Vreugde om de loutere gegevenheid? Een zekere trouw, zelfs met de pijn van het onvolmaakte? Of het wiegen van seconden die willen vollopen met eten maken, vertellen, glimlachen? Ach, zelfs per moment is leven al een lastige vraag…

Laat ik daarom zelf wat wiegen. Boodschappen doen.  Nog even en de volgende vergadering moet weer een stukje wereld redden. En ik heb een nieuwe jas. Die ruikt naar het begin. Straks zet ik daarom de eerste stap.

Maar eerst nog even de vogels. Ze drijven soms zo hoog dat ik ze verdenk van allerlei nutteloze bevliegingen. Daar hangen toch geen insecten meer rond? Nee, er moet iets zijn dat de vogels aantrekt. Een soort puur genot dat alleen heel hoog in de lucht te voelen is.

En voor ik in de auto stap en weg rij (op zichzelf al een wonder wiegen), voel ik de wind op mijn hand. En zie dat het blad het ook gevoeld heeft.

26-04-14

Improvisatie-regels toegepast op het dagelijkse leven...

IMG_3096.JPG

 

Begin met een JA en kijk waar die je brengen wil…

(improvisatieregels die je leven veranderen)

 

1 De eerste regel van improviatie is BEAMEN. Beaam, zeg JA.

Neem je deel aan een improvisatiespel, dan moet je akkoord gaan met wat je partner begonnen is. Als ik dus improviseer en zeg “Niet bewegen, ik heb een geweer,” en jij zegt “Da’s geen geweer. Dat is je vinger, je steekt je vinger uit naar mij,” dan is het gedaan met onze improvisatie. Maar als ik zeg “Niet bewegen, ik heb een geweer,” en jij zegt “Maar dat is het geweer dat ik je met Kerst als cadeau heb gegeven! Jij smeerlap!”, dan zijn we goed vertrokken met de scène, omdat we AKKOORD GINGEN dat mijn vinger een geweer is.

Natuurlijk moet je in het gewone leven niet altijd akkoord gaan met wat iemand beweert. Maar de Regel van het Beamen (“respecteer wat je partner is begonnen”) maakt dat je op z’n minst start vanuit een opengeeststandpunt. Begin met een JA en zie maar waar dat je naartoe leidt. Als improvisator vind ik het altijd onaangenaam wanneer ik in het gewone leven iemand tegenkom die als eerst reactie een neen heeft. “Nee, dat kunnen we niet doen.” “Nee, ons budget laat dat niet toe.” “Nee, ik doe daar niet aan mee.” Wat een manier van leven is dat toch.

 2 De tweede improvisatieregel is niet zomaar enkel ja te zeggen, maar eerder nog JA, EN. Je wordt verondersteld te beamen én er dan iets van jezelf aan toe te voegen. Als ik een scène begin met “Ongelooflijk hoe warm het hier binnen is,’ en jij zegt enkel “Ja...”, dan zijn we weer bij af. Maar als ik zeg “Ongelooflijk hoe warm het hier binnen is,” en jij zegt “Wat had je dan verwacht, we zijn hier toch in de hel, of wist je dat niet meer”, of jij zegt: “Oei, dat zal niet zo best zijn voor de wassen beelden”, of jij zegt: “Ik heb het je toch gezegd dat we niet in de muil van die hond moesten kruipen,” dan, zeker en vast, geraken we ergens.

Voor mij betekent JA, EN dat je niet bang bent om een bijdrage te leveren. Het is zelfs jouw verantwoordelijkheid om een bijdrage te leveren. Zorg ervoor dat je altijd aan een discussie iets kunt bijdragen, want het is altijd de moeite waard.

 

3 De volgende regel is: BEWEER IETS. Dat is een andere, positieve manier om te zeggen: stel toch niet de hele tijd vragen. Als we in een improvisatie-scène zitten en ik zeg: “Wie ben je? Waar zijn we? Wat doen we hier? Wat zit er in die doos?,” dan leg ik de hele tijd druk op jou om alle antwoorden te geven.

Met andere woorden: wat ook het probleem mag zijn, wees deel van de oplossing. Zit daar niet de hele tijd vragen op te werpen en obstakels te schetsen.  

 

4 En dat leidt ons tot de beste regel van allemaal: ER ZIJN GEEN FOUTEN. Als ik start met een scène waarin ik, voor mij, duidelijk een flik uitbeeldt die op een fiets rijdt, maar jij denkt dat ik een hamster toon in zijn loopwieltje, wat krijgen we dan? Wel, dan ben ik een hamster in een loopwieltje. Ik ga niet beginnen alles stil te leggen om uit te leggen dat het echt wel over een fiets ging. Want wie weet, misschien eindig ik wel als een politiehamster, die rondjes moet lopen in zijn wieltje, omdat hij op zijn ronde zich teveel als een ongeleid projectiel gedroeg. In improvisatie zijn er geen fouten, alleen gelukkige toevallen. En veel van ’s werelds grootste ontdekkingen gebeurden bij toeval...

*

Fragment uit: Bossypants (Tina Fey)

Gevonden op de blog http://prinsvandenemarken.blogspot.be/  Zelf vertaald en bewerkt.

Dit is nu eens een verrassende invalshoek: improvisatietoneel toepassen op het leven zoals het zich elke dag voordoet, ook vaak als nieuw te verwerken situatie. Maar een invalshoek die ik zo goed herken. Regelmatig denk ook ik (in vergaderingen bijvoorbeeld): allez, waarom nu weer die nee-die-alles-lamlegt, of die tegenspraak die leidt tot discussie-om-het-eigen-gelijk, een tijdje oplaaiend en dan uitdovend als een nooit begonnen vuurtje. En waar zijn we dan beland? Nergens. Er moet weer een portie negatieve emotie een plaats gegeven worden, dat vaak wel...

 

 

18-04-14

Van licht en een avond...

IMG_7396.JPG

 

Waar ik hier zit, aan mijn schrijftafel uitkijkend door het glas van mijn ogen en van het trouwe raam, zie ik plots hoe glanzend het licht buiten is. Het is nochtans april, en nog lente, maar de avond laat op zich wachten, het is alsof het zonlicht elk onzichtbaar partikeltje van de lucht met eigen hand heeft geschilderd, er zit een helderheid in die lucht die niet meer normaal is, normaal betaal je daar veel geld voor, of gebruik je trukken als edelstenen en glimlachen en spiegels everywhere. Maar nu, kijk toch eens, de hele ruimte staat in bloei, en iedereen kan gratis een stuk meepikken, of gewoon maar, zonder lastig gevallen te worden, blijven toekijken. Bladeren lijken wel vers gewassen, het azuur is helemaal nieuw opgespannen, en toch heb ik niemand zien werken, of horen roepen en aanwijzingen geven. En ook de wolken zijn lichter dan anders, een troep straatjongens zonder kousen en met opengewerkte schoenen sloffend, hun gemakske ervan nemend, kan het nog trager, ja het kan nog trager m’neer.

En dan, hé, begint er een een spelletje te spelen met heer zon, en zie, in een oogwenk is half het licht uit deze kosmos gelopen, er is een deur kregelig dichtgedaan, en komt de schijn nog terug, mijn ogen verlangen het, de bladeren worden wat onrustig, zie ik, het kan toch niet, allez, zomaar gedaan.

Maar we moeten met z’n allen toegeven dat ook de avond zijn rechten heeft, vandaag is hij oud, vandaag geen jongleur die met ballen gooit, nee, met een voorzichtige tik schuift hij dichterbij. En ik, ik blijf kijken hoe deze wereld onder mijn voeten verder schuift, die grootbeweger die verdraagt dat de kleinbeweger erbij blijft, en eventueel ook een voet verzet, of even met zijn tong over zijn lippen strijkt. Waarom? Ah, de vochtigheid van een tong herkent misschien zijn grote broer in de vochtigheid van de avond, wie weet zijn we allemaal wel familie van elkaar. Soms doet een mens dingen omdat dat al jaren traditie is in zijn familie. Of spiegelgedrag, kan ook. Of mezelf even kort bewijzen dat ik nog besta.

15-04-14

Kleinmuziek

IMG_8972.JPG

Aansluitend bij de voorvorige post: we gingen in de Handelsbeurs luisteren naar Kristiaan Bezuidenhout, die op zijn glanzendhouten pianoforte Mozart speelde, en de wonderlijk creatieve C.P.E. Bach.

Wat een verschil toch met het grote geweld van het symfonieorkest! Dit was luisteren naar het geheim dat in één klank kan zitten, naar het geheim dat vrijkomt als klanken naar elkaar willen luisteren, op het juiste moment hebben leren spreken, elkaar lijken te verstaan in dat spreken.

Wat een buitengewoon respect toch in kamermuziek, een les voor de levenden, die door de straten banjeren, die deuren dichtsmakken, die vormeloos getater normaal vinden, die nooit lijken te willen wachten, die zelfs niet weten hoe vol wachten al kan zijn, zoals ze nooit de tijd en de ruimte hebben om te leren luisteren naar de stilte tussen twee noten. Noch dat ze iets weten van kracht als die volkomen beheerst ingehouden wordt, zoals de vingers van Bezuidenhout hun toetsen kunnen aanslaan, die hamertjes met leer kunnen laten klinken: handelen, maar dan volledig in samenspraak met voor en nadien, met boven en naast en onder, met mens en ding, met zelfs het woordeloze waarom van deze aanwezigheid op dit moment...

Tuurlijk, ook in een grootmacht als zo'n orkest-in-de-breedte-en-in-de-diepte draait alles om respect, om het luisteren-in-samenspraak. Dat is net een van de fascinerende kanten van dit "geweld": dat het zo precies klinkt, zo op het juiste moment gebeurt, zelfs met al die mensen en al die instrumenten.

Maar deze vingers aan de zachte pianoforte spelen met stilte en klank tegelijk, die ongrijpbare overgang tussen waar een noot ophoudt, en na-klank wordt, alsof die verder gaat in een voor ons onhoorbare wereld. Of net dat moment waar, uit die grote stille leegte, weer een nieuwe klank tevoorschijn treedt, het is alsof wij als publiek mee op de juiste manier moeten ademen, wachten, verwachten.

Wat er is, in al zijn toch onverwachtheid, van waar komt het toch? Waar gaat het naartoe? Waarom !klinkt! alles wat bestaat? Waarom horen we in aandacht nog net dat beetje verder? Waarom is luisteren opgetelde kracht?

Geen grote vragen hoor, ze waaien vanzelf als een vlaagje wind door mijn kop, en verwondering is hun kleur, ze hoeven niet direct een antwoord. 

11-04-14

Lente-wilskracht

IMG_8969.JPG

 

Verbazingwekkend die gerichte wilskracht die elke lente weer rondom losbarst. Er ligt een plan d’attaque klaar, en de troepen gaan ervoor, als op bevel.

Ik zou een beter beeld moeten kunnen vinden. Een heel atelier van de meest begaafde ambachtslui werkt dag en nacht nu, en maakt toch geen onnodig lawaai, scheldt niet op elkaar als het ritme stokt, als de bestelling vervroegd wordt. De maestro zelf zie je ook niet. Er is een stille afspraak dat hij zijn werk kan doen zonder gestoord te worden.

Maar de hele lichtdoorschoten ruimte rondom mij is zijn showroom: de tulpenboom draagt zijn crèmebladeren nu al met kragen van lichtgroen, wiegend op lange ballerinabenen; de kerselaar wordt weer overdadig barok in haar paarse tenue; de tulpen staan in groepjes ogenschijnlijk te lanterfanten, als straatmeiden op de hoeken, maar ze zijn wel degelijk met hun eigen willetje en uitstraling bezig; de viburnum kaatst met zijn witte bollen als een jongleur die niets meer te leren heeft; het krentenboompje beleeft zijn korte moment de gloire; de perelaars schuimen ook, maar weten dat het zwaarste werk nog moet komen, het zijn taaie werkmannen, soms krom gegroeid van het vele werk...

Wie dit licht afstelt, weet ik niet, maar het is van een klaarheid die schittert als lak. Oude Japanners allicht, ingehuurd voor het seizoen, en dan weer naar huis.

IMG_8981-001.JPG

06-04-14

Grootmuziek

 IMG_8816.JPG

 

Grootmuziek

Indrukwekkend concert van het groot symfonieorkest van Wrocław, Polen, in de Bijloke gisteren: de Klaagzangsymfonie van Gorecki, die diep in mijn merg kroop, en een  spectaculaire Lutoslawski (een Treurzang, en zijn beroemde Symfonie voor orkest). Bij dit laatste werk wist je niet waar eerst gekeken en geluisterd...

Daarvoor gaat een kamermuziekmens als ik naar een groot orkest luisteren: om opgetild te worden en elders neergesmakt, zoals de golven van de oceaan doen, als je het waagt in hen te gaan zwemmen. Om die muur van geluid als kiezels in het schuim tegen je te krijgen. Om dat diepe grommende geluid te horen, dat soms van voor de mensen lijkt.

Maar ook om te zien dat het toch mensen zijn die zulke brede poorten kunnen openzetten: hun armen, dat lijf dat beweegt, hoe ze zitten op het puntje van hun stoel, hoe hun blik is, vol geconcentreerde leegte. En dat er een mannetje is, gisteren zo ongeveer anderhalve meter groot, dat met zijn lichaam, half dansend, heel dat massieve geluid laat beginnen, en eindigen, op datzelfde moment dat maar een fractie seconde groot is. En net daardoor zo ongrijpbaar. Alsof je een snee maakt, en nog geen pijn voelt.

 

 

02-04-14

Over stil zitten en liggen

Een stukje uit januari. Maar het is niet omdat de wereld ondertussen in derde versnelling is geraakt, dat het stukje niet meer zou gelden...

IMG_8452.JPG

 

 Over stil zitten en liggen 

Door het raam kijken in januari en de tijd wat stil zetten. Wolken trekken als een zwaar tapijt over de lucht, de wind vlaagt hoorbaar rond het raam, maar ik ontsnap eraan. Hangend tussen mijn schouders mogen toekijken hoe de wereld jaagt, en zelf zo onbeweeglijk mogelijk blijven. Mogen blijven. Dan ben ik de jongen die onder het afdak de storm gadesloeg: het land en de boerderijen kop in kas, maar daarboven een oerwereld van lang voor de mensen, waar geen verlangen was of herinnering. Ik begreep het niet, zoals ik zoveel niet begreep toen, maar ik mocht erbij blijven. Zoals je op een terrasje heel dicht bij mensen kunt komen, al zeggen ze niets en lopen ze voorbij, traag of haastig, onhandig of sierlijk. Kijken als een poging te begrijpen, ik heb het vaker ervaren als stilstaande tijd. Toch zeker als tijd die vertraagt. En daar zit toch ook al het idee van stilstaan in.

Zo zit ik uit te kijken in dit hok van mij dat geen millimeter beweegt (tenzij op de grotere schaal van het uiteindelijke aftakelen van alles, maar goed, dat zit in mijn hoofd bij de afdeling theorie). Auto’s behouden hun doel (de auto is het enige wezen dat altijd weet waarheen, en zich nooit vragen stelt), mensen gaan op hun voeten door de straat (al bergen hun voeten de droesem van een heel leven, gaan zullen ze, en soms komen ze nog van de grond, als een kind huppelen wil), de straten zelf verliezen nooit hun zelfbewustzijn (geen wezens die meer klassebewustzijn hebben dan straten, spreek ze nooit met de verkeerde titel aan, zeg geen weg tegen een straat, of hij staat recht en gooit je eraf). Door die straten waaien nog restjes kerstmuziek, de etalages spelen Driekoningen na, maar dan zonder verhaal en uitkomst, en overal rondom vullen ramen zich met lucht, zwart en grijs en soms lichter, als waren ze echt de opening die ze beloofden. Zoals de plassen in het wegdek iets laten zien van de mogelijke werelden onder onze voeten. En alle stemmen van de mensen, dichtbij en onhoorbaar ver, dragen de wereld verder, zoals je een te groot voorwerp verplaatst, met beetjes, met kleine schokjes, met onverhoedse bewegingen, met genot en ongeduld. Morgen is er weer een dag, dat is bijna zeker, maar wat we vandaag kunnen doen is meegenomen.

Alleen de zieken, in hun eindeloos bed, in die eindeloze ziekenhuisgangen, onder dat eindeloos ziekenhuislicht, alleen de zieken bewegen niet, net als ik. Alles aan hen is veel trager geworden, en ze kijken naar hun raam als naar een belofte, of een herinnering. Het helpt als af en toe een glimlach binnenkomt, en handen die juist aanvoelen. Ik heb geen pijn en mijn adem laat een volle toon horen. Toekijken is zo anders dan moeten wachten. Wachten is zo lastig vaak. Wij hebben het ongeduld van levende wezens, van een lichaam waar bloed door stroomt en energie in wacht, ook ongeduldig. Hoe moeten we ziek dan noemen? Als tijd die rond je oren voorbij kleppert, norse tijd die zich verspilt aan het teveel dat er blijkbaar is, en waar jij niet bij bent. Deuren, stemmen, geluiden, ruimtes, een hele meute mensenactiviteiten staat op het punt op te vliegen, en jij hangt aan de grond. Iets of iemand heeft een gewicht op jou gelegd.

Daarom, om hun zwaarte, zal ik deze vooravond wachten met de zieken en het besef in mij loslaten van mijn lichaam gevuld met tijd en ruimte, met warmte en gewicht. En luisteren naar al die cellen die hun eigen keuze hebben tussen bewegen en stilstand, en me afvragen hoe ze dat zovele jaren zonder mij oplossen. En de grond danken en de lucht, in naam van mijn voeten en van mijn adem. Het is duidelijk dat het vliegen van de ene vogel de loop van een andere mee helpt sturen, dat zie je zoals ze met het geweld van een jeugdbende door de lucht zwalken. Zal het de stillen in de ziekenhuisbedden iets helpen als ik aan hun stilliggen denk? Als wij gevoelig blijken te zijn voor de grote beweging, kunnen wij dan niet ook elkaars kleine beweging even aanraken? Ik hoop het.

(Ik sla een oude stuk krant open en vind dit citaat van de Schot Alasdair MacIntyre: “Ik kan de vraag ‘wat moet ik doen’ pas beantwoorden als ik de daaraan voorafgaande vraag kan beantwoorden: ‘In welk verhaal of geheel van verhalen ben ik opgenomen?’”)

7-1-14

30-03-14

portretten7

IMG_0228.JPG

28-03-14

portretten6

IMG_0250.JPG

26-03-14

portretten5

20100407_1359.JPG

 

 

24-03-14

portretten4

IMG_5438-001.JPG

22-03-14

portretten3

IMG_5651.JPG

20-03-14

portretten2

IMG_4270.JPG

18-03-14

portretten1

Af en toe krijg ik een mailmemo van de blog van fotograaf Steve McCurry (http://stevemccurry.wordpress.com/author/stevemccurry/). Een aanrader, die foto's, niet in het minst ook omdat ze die reizen tonen zoals je ze in je verlangen droomt...

Laatst reflecteert hij even over het portret. En die prachtige foto ziend van een Italiaanse schone realiseer ik mij dat tussen mijn foto's bijna geen portretten steken. Eén reden daarvoor is dat ik een snapshot-fotograaf ben, ik poog het moment te pakken als het zich aandient, met alerte ogen en handen. Nog een reden: ik heb niet altijd het juiste fotomateriaal. Maar misschien ben ik gewoon te blo om mensen te vragen te poseren. Misschien moet ik dat gewoon meer durven...

Ik breng in een aantal posts enkele van mijn portretten bij elkaar. Soms (vaak) zijn ze profielfoto's (omdat ik dan niets hoef te vragen, enkel vlug afdrukken).

IMG_4178.JPG

16-03-14

Twee odes, of elegieën 2

IMG_7265-002.JPG

 

 

Twee odes, of elegieën

 

2

 

Bij elke moeder die nog sterven moet

sterven wij, moederlozen, ook voorgoed

 

mee met haar mond en blik en hand en arm,

met al haar lichamen hield ze ons warm.

 

Ze hield ons dicht, een huid zonder een scheur.

Ze was de grond, het water en de deur.

 

Ze leerde ons wat kijken was en vloog

met ons door vergezichten, en ze loog

 

hoe dicht ze waren, hoe ze van ons wisten

die dierenpoten, vogelstemmen, morgenmisten.

 

Ach moeder, moeders, ademmakers stil,

hoe doet u dat, ons jagen door uw wil

 

de bron zijn van een nieuwe bron, die zingt,

met adem, tintel, jeuk en stap nog klinkt.

 

Ach moeder, moeders, schaduwmakers fel,

hoe doet u dat, met aftrek van uw vel

 

zo lang nog meegaan met wat uit u viel.

Of zij een schoonheid is, of hij zo schriel,

 

ze voelen aan uw hand als ’s avonds laat

de hele wijde wereld hen verlaat

 

en zinken dan met zachte ruggen zo verloren

als werden zij, in u, opnieuw geboren.

 

15-03-14

Twee odes, of elegieën

IMG_7747.JPG

 

Twee odes, of elegieën

 

1

Bij elke vader die nog sterven moet

sterven wij, vaderlozen, ook voorgoed

 

mee, want het is van ons allen, dit vader-

lichaam, deze vader van lichamen

 

die zich verdwalen liet in ons,

wij hebben nu de adem die hij nodig heeft

 

wij ritsen nu de woorden van zijn tong

en hopen dat de dag een winnaar is.

 

En als hij valt uit uur en dag en wegen

komt hij dan onze voetstap tegen

 

een klein geluid dat hem herinneren mag

aan wat hij weggaf, aan zijn lijf, zijn zegen

 

zijn verste blik, die verre die hem nog

glimlachen doet, zijn hele eigen moed.

 

Ach, doodgaan, deed hij het niet zovele keren

al voordien, voor ieder die daar liep

 

en die hij nog kon zien, als hij zich rekte

tot wij, te ver gelopen kinderen,

 

eindelijk ontdekten hoe vaak

hij voor ons al was doodgegaan.

 

Nu weer, dichter dan ooit in deze vader,

die stiller ligt dan hij ooit wachten kon.

 

Je kunt dood niet uitleggen, enkel zien

en met je vingers even licht beroeren.

 

Je kan een beetje meesterven, dat is dan

wat men doet, en soms is dat voorgoed.