20-12-13

Afwezigheid

IMG_8354.JPG


Aansluitend bij de vorige foto, dit citaat uit een gedicht van de Russische dichter Joseph Brodsky, banneling, Nobelprijs literatuur. Het citaat komt uit: Aan Urania.

Het vraagt wat scherpstellen van je blik, wat Brodsky hier zegt, maar dat moet de gemiddelde lezer(es) van deze blog wel makkelijk lukken, denk ik. Maar dan zie je het ook helemaal, vooral dat "in elk punt":

 

“De afwezigheid, in elk punt, van je lichaam –

wat kan ruimte eigenlijk anders zijn?”


Nog een citaat, nog sterker. Hier noemt Brodsky onze afwezigheid een kunstwerk, geboetseerd 'naar de natuur'. Prachtig intens is die toevoeging. Ik raak er niet op "uitgekeken".

Maar daar houdt het niet op. Als overal-waar-wij-niet-zijn (en dat is veel!, zeker als we die blijvende afwezigheid die de dood is, er bijnemen) een kunstwerk is, wat kunnen we dan anders doen dan daar zelf een eigen kunstwerk tegenover te stellen. Ook wij zijn meesters, en de afwezigheid van paniek in ons openbaart onze eigen schoonheid: ons meesteroog, onze meesterhand, ons oor en stem van maestro...

Kijk toch eens hoe wij beschilderd raken, wat een licht en diepte.
Luister eens hoe wij klinken, met de ongrijpbare diepte van oude instrumenten.
Voel toch eens hoe waarlijk-naar-de-natuur het marmer is van ons lichaam. En mogen wij niet spreken, soms, met volmaakte woorden?

 

“Want dit is wat men ‘meesterschap’ noemt:

 

een vermogen zonder paniek te leven

 

om het niet-zijn – het als een vorm te zien

 

van je afwezigheid, naar de natuur weergegeven.”

 

(uit: Op een expositie van Carel Willink, 1985)


 (foto: stadje Felletin, Limousin, Fr)

17-12-13

De muziek der sferen

IMG_4408.JPG

De muziek der sferen

Waarom een mens altijd die muziek rond zijn oren moet hebben? Watten van strijkers en slagwerk met zwachtels, in winkels, in straten, zelfs bij de tandarts, tussen het boren door? Muziek drijft in keukens en auto’s en cafés, of direct in mensenoren via kleine onopvallende kabeltjes, wordt meegenomen op de fiets, te voet, in bed en wie weet zelfs in bad.

Waarom toch die panische behoefte om alle ruimtes rondom op te vullen met muziek waar we vaak toch niet naar luisteren?

Het is dat de wereld groot is. Het is dat de wereld voor zichzelf geen betekenissen vent zoals een reclamespot, zoals een marktkramer op de markt, zoals een verkoper in de showroom. De wereld is er, in zijn overweldigende nabijheid en meervoud. Verdolen is makkelijk, als er zoveel straten zijn, als er zoveel mensen doorlopen. Dan helpt het wellicht als de ruimten rondom je minder van hoeken zijn maar van melodieën, als je ze herkent te midden van de veelheid, zelfs al ben je je van die veelheid niet bewust. Alsof je een hand krijgt van je moeder.

Maar een mens moet groot worden, want een moeder is sterfelijk, blijft niet. Doe eens uit die muziek en luister hoe buiten het raam, buiten je ogen een ruimte zich opspant: grijsgrauwblauwe lucht, als het grootste lichaam op aarde. En het geheim van haar zichtbaarheid: de lucht had ook dik kunnen zijn als mist. Maar nee, een grote verte, waarin alles zichtbaar mag zijn, bereikbaar voor je voet, voor je oog, voor je oor.

Er waait wind door, en wind is de aanraking van die grote lucht. Zacht met vingers die veel beschaving hebben geleerd, of hard als van ruwe werkhanden.

Voor bomen is de wind een danspartner. Nu mijn radio uit is, hoor ik de ritmes waarin ze zich samen storten. Het zijn ingewikkelde passen, een twee stoppen omkeren herhaling een twee.

Maar vooral: het is heel eigen muziek die ik hoor, en ze scherpt mijn oor voor alle andere muziek die de aanwezigheden rond mij maken. Daarnet liet een bruingroengeel kerselaarblad los van zijn tak. Dat moet een kort krakje hebben gegeven, dat moment van loslaten, afhaken, het verbreken van de band met de stam waaruit het kwam. Van vorig jaar zat het al klaar, met zoveel medebroeders, opende zich in de koude lente maar langzaam, steeds spitser, tot het uitvouwen kon beginnen, origami van de oude soort, maar in een kleur die totaal nieuw leek, pas ontdekt en op de markt gebracht. En al dit kleine bewegen moet zijn eigen muziek hebben gemaakt: het stuwen van de sappen in stam en tak en knop, het openvouwen van de blaadjes, het zich verspreiden van kleur tussen de nerven. En over die kleine muziek rolde de grotere van wind en regen, en knapperige vorst, en het wilde verdampen in de zomerhitte. En nu, ouder geworden, met een laatste trots in de kleuren, laat het los, dit blad, dit naamloze, en ik wou dat ik dit korte breken had gehoord. Of het onhoorbaar zachte schuifelen naar de grond. En dat ik daar, tussen de andere bladeren en de bedauwde graspollen, het zuchten kon horen van langzaam verdrinken, in het donkere van de grond, in het vocht dat zijn ruimwerk doet, in onzichtbaarheid. Hoe klinkt een blad dat vergaat...

Er is niets sentimenteels aan dit willen. Het gaat mij niet om de melancholie van het vergaan, het gaat mij om die kleine muziekjes, waarvoor ik als mens niet genoeg hoor. Het gaat mij ook een beetje om respect voor al wat bestaat. Per slot van rekening zal ik, straks, of liever nog na vele jaren, ook oplossen als dit blad, even naamloos in de oeverloze aanwezigheid, in die oeverloze tijd. Misschien dat iemand dan mijn muziekje wil beluisteren, mijn fluisterend verstillen, mijn krakje.

Maar dit blad moet mij ook helpen om de grotere beweging te begrijpen. Er zijn grotere ritmes bezig, van komen en verdwijnen, van kleur en onkleur, van licht en duisternis, van ophouden en herbeginnen. Grotere ritmes van willen, die elke kleine wil ondersteunen. Grotere ritmes van ophouden, die elk klein ophouden het moeilijke aanvaarden leren.

Die ritmes fascineren mij. Zulke grote kantelingen, en ze beginnen al bij elke cel die leven krijgt. Ze zijn niet alleen van kennis, maar ook van schoonheid. Ze zijn van verwondering, en daarom ook van lofprijzing. Lofprijzing zoals de verliefde, die wil aanraken wat hij zo diep al van binnen voelt. Lofprijzing zoals de wandelaar, die stil staat en zijn hoofd in de ruimte steekt boven hem. Lofprijzing zoals het kind dat geaaid wordt, met glimlach en ernst tegelijk. Lofprijzing zoals de stervende die niet alleen gelaten wordt als zij oplost, wegvloeit, vervliegt in de leegte, zodat de leegte nooit meer leeg kan zijn, en aanwezigheid alleen maar groter wordt.

Soms denk ik dan aan de muziek der sferen, dat prachtige antieke wereldbeeld, waarin de maan en planeten en de sterren in immense cirkels rond elkaar draaien en hun onhoorbare muziek neuriën. Dat is een passend beeld om te beschrijven wat een kleine mens voelt als hij in de diepten staart: er is een grootheid die ons overstijgt, we kunnen haar niet aanraken noch begrijpen, maar we kunnen wel intens luisteren hoe haar zwijgen klinkt als muziek...

Ik heb als kind veel in luchten gestaard: zomerhemels die bijna scheurden van licht; luchten waarin stormlegers voorbijtrokken en soms slag voerden voor mijn kleine ogen en opgetrokken schouders, ergens onder een afdakje; nachten van velours, van een zwart dat diep en toch dichtbij leek, en waarin de melkweg een streep trok als tekening van een meesterhand (we leven niet meer in echte donkerte, en zien dus die melkweg ook niet meer, een mens moet ervoor op reis, en dan nog niet gelijk waar).

Dacht ik als kind toen aan muziek? Nee, een kind is zelf een grote lege sfeer, ruimte die eindeloos kan vollopen. Maar dat staren herinner ik mij, dat tijdloos kijken, als bij een ontmoeting die je ‘meeneemt’. (En ik hoorde wel de pijnlijke muziek die al dat misverstaan tussen mijn oude ouders maakte... Ook in mensen openbaart zich soms een eindeloosheid...)

Ik heb mijn radio uitgezet. Ik probeer weer te luisteren met dat kind in mij, of iets ons wil meenemen. De wind is zwijgzaam vandaag, maar er komt een merel op een tak voor mijn raam zitten. Hij is zo zwart als zwart kan zijn, alsof iemand vlugvlug een vogelomtrek uit de werkelijkheid heeft geknipt, een zwart gat openbarend. Hij is van het bedachtzame soort, zie ik, als hij rondkijkt doet hij dat zelfbewust en traag, niet zenuwachtig als die opgefokte brommertjes van mezen. Een intensiteit van zwart, waar een intensiteit van geel in zit, als dat ene vlekje kleur waar de schilder lang op heeft gebroed. En dan wipt zijn staart en vloeit in de lege plek die hij achterlaat de dag weer terug. Het gebeurt allemaal zo vanzelf, en toch had ik het graag vertraagd, om te kunnen horen hoe dat dan klinken mag...

 
29/11/2013

 

16-12-13

ruggen 4

IMG_8688.JPG


Om de reeks ruggen af te sluiten: deze kleine, gebogen rug zagen we toen we uit de veelkleurige frescokerk van St Savin kwamen. Op deze rug waren ook veel kleuren te zien.

En toen we voorbij liepen en dag knikten, zagen we: ook op zijn neus. Daar liep bovenaan, uit een donkerblauwe zwelling, een dikke straal bloed, waar de oude man met bevende hand aan voelde, in een soort stille bevende wanhoop. We vroegen een paar keer of we konden helpen, maar hij zei dat het niets was.

Toen bood Lieve hem een verse zakdoek aan en daar leek hij blij om. Het maakt ook een verschil: het verschil tussen zinvol stelpen en verloren tasten...

Ach, zei hij, quand on est seul, c'est difficile...


IMG_8675.JPG

 

 

15-12-13

ruggen 3

 

IMG_7739.JPG


De inleefziel in mij zegt: je kan op vele manieren alleen zijn. Dit zijn er twee. In Devon zagen we, bij de kathedraal van Chichester, Morris dancers in hun allicht voorchristelijke dansen. Lopend door Parijs met zijn gierend, astmatisch ademen zag ik deze rug, op een bank alleen, tussen scooters en auto's en voorbijstappende benen en palen en achtergelaten kranten...)


IMG_8100-001.JPG


IMG_7736.JPG

IMG_7748.JPG

IMG_7745.JPG

IMG_7733.JPG

14-12-13

ruggen 2

IMG_6468.JPG

IMG_6467.JPG

13-12-13

ruggen 1

IMG_5498.JPG

12-12-13

wonen

 

IMG_8351.JPG

  

WONEN

 

Ik heb in een huis gewoond van grond gemaakt

met een gebinte voor een Westenlucht

 

ik heb een bed gehad in nokken waar de wind

kwam slapen als hij weer moest dolen

 

ik heb gegeten in slome eethuizen waar de geuren

even luidruchtig langsliepen als de schaduwen

 

ik heb gedronken in stille hoeken, bijeengeveegd

uit herinneringen, oude foto’s en het krassen van een hand

 

ik heb ruggen gezien die mij hun leven vertelden

en slapen waar teveel hart in klopte, al zo lang

 

ik heb een jas gedragen die nog van mijn vader was

en van zijn vader, en nog ouder, nog zwaarder

 

ik zeul woorden mee die mij hebben gesmeekt

en woorden die nog altijd niet willen spreken

 

ik heb honderden gezichten gehad ik waste ze

met koud water omdat de dag mij dat vroeg

 

ik heb honderden gezichten gevoeld, altijd dit ene

dat op me toekwam, tot ik wist, ja, dit is het gezicht

 

IMG_8352.JPG

09-12-13

tellen

IMG_8719.JPG

 

 

Ik tel mijn zegeningen deze morgen: de zon schijnt met een overvloed haar soms eigen, ik kan vanuit mijn studiehok uitkijken over drie windrichtingen, er staat een hemel opgespannen in lichtblauw met strepen van vliegtuigen en niet bij te houden waterverven van wolkenslierten, de takken van de bomen zijn vers geschilderd en pronken, ik hoor de warmte tikken in de radiatoren en misschien zelfs, als ik heel goed luister, ook in mij, rond mij staan boeken als vrienden te wachten op een goed gesprek, maar wachten is voor hen geen reden om zich van mij af te keren, zij zijn aan de tijd voorbij en weten dat ik dat nog moet leren, hoewel deze hele voormiddag van mij is, van mijn adem en mijn spieren en mijn ogen, er is een uitgestrektheid rond mij waarvoor ik dank wil zeggen, al doe ik dat niet luidop, maar ergens in mijn hoofd, zodat het toch nog klinken mag, en dan luister ik naar de pianohanden van Svatoslav Richter, al zo lang dood maar toch nog wil hij spelen voor mij, en ik weet dat straks mijn geliefde thuis zal komen en dat haar mond niet stil zal staan over al wat ze nu weer heeft gezien en gehoord met die ogen en oren van haar in de klapperende stad waar ook de zon over schijnt, democratischer kan licht toch niet zijn... 

(Vrijdag 06.12)

(Foto's: Kluisberg)

IMG_8718.JPG

06-12-13

sporen

IMG_8725.JPG


 

«Dat waar zo'n roman over gaat, zie ik dan als een soort kern — die ik niet ken, daarom schrijf ik en met elke zin kom ik er dichtbij. Ik kom er oneindig dichtbij, op den duur, en ook blijf ik er oneindig ver vandaan: ik zou, overeenkomstig de eigenschappen van de wiskundige limiet, om er te komen oneindig lang door moeten schrijven.» (Uit Wanneer is een boek af, Gerrit Krol)

De leegte van zo’n kern, de aantrekkingskracht van die leegte, daarom schrijf ik mijn stukjes tekst. Om dichterbij te komen bij die kern die ik niet ken, maar met de jaren meer en meer vermoed. Toch wel. Denk ik. Het kan niet dat daar waar je vaak loopt, geen weg ontstaat. Een richting, toch. 

Er zijn in dat grote landschap van mezelf, met de jaren toch sporen getrokken. Ik herken ze als ik er weer eens langskom. Hé, zeg ik dan, hier was ik al. Maar tegelijk weet ik dat ik niet verder zal komen dan dit begin van herkenning. Dichterbij is tegelijk ook weer verder weg. En zo schrijf ik maar verder, op zoek naar waar de roman van mijn leven naartoe gaat.


(foto: Kluisberg)

05-12-13

smalle handen

IMG_5601-001.JPG

 

Nobody, not even the rain, has such small hands

(E.E. Cummings, 1894-1962, USA)

04-12-13

Onscherpte

IMG_4836.JPG

 

 
Morgenmist in november: tussen de huizen en door de bomen hangen de dunste gordijnen die ik ooit zag, vitrages die hun eigen grijsdunne licht bevatten en stilletjes vasthouden. Het is van een betovering die alles doet stoppen, zie ik: geen blad beweegt, geen auto durft nog op straat, geen hond blaft meer. Enkel het spinrag rilt, wit uitgeslagen door al dit vreemde licht.

 
Op tv docu over Gerrit Krol, naar aanleiding van zijn dood. De ingehouden grote man, meer en meer gebogen naarmate hij ouder werd, zijn gezicht verborgen achter een ruwe baard, stal mijn hart. Geen tafelspringer in allerlei nepuitzendingen, niet de zoveelste meninkjesverkondiger, niet dat vlotte waarmee praatjesmakers de wereld in hun zak steken, maar een voorzichtig formulerende man, op dezelfde manier voorzichtig zoals hij pen en papier vastnam en voor zich uit klaarlegde aan zijn werktafel, alsof hij daarmee vooral zichzelf open moest zetten en klaarleggen. Nadenkend in het leven staan, het blijft een soort eenzaamheid voor wie die opdracht over zichzelf afroept.
Ik neem Een Fries huilt niet uit mijn boekenkast, laat mij meevoeren door zijn stijl: blokjes tekst, alsof hij tussendoor nog even vlug stilte maakt en rondkijkt. Verwondering in de verwarring. Een soort vreemde lichtheid die betovert, zelfs al gaat het over pijn.
En het gaat over pijn: hoe sta je in het leven, als dat leven vreemd blijft? Als zelfs de vrouw die je liefhebt, vreemd blijft. Als zelfs het aanvaarden van die vreemdheid geen rust brengt. Betekenis geven is het moeilijkste wat het bestaan van ons vraagt. Je mag nog zoveel wetenschap en wiskunde klaar hebben, zoals de hoofdpersoon in deze roman, het blijven brokstukjes die ooit uit een geheel vielen, zo lijkt het wel. 
En altijd weer je broek ophouden, je ogen droog, die sociaal noodzakelijke glimlach rond je mond. ‘Een Fries huilt niet,’ verweet zijn moeder hem.  Hoe zou een mens dan moeten leren iets te doen met zijn verdriet? Met die schoonheid die je toch niet vasthouden kunt? Met dit vreemde leven?

03-12-13

Een schone brug, voorwaar

IMG_8612.JPG

  

(Uit die andere wereld, die van de dingen -cfr vorige post- dit brugje in St Jean-de-Cole. Het dorpje (is een dorp een ding of is een dorp menselijk?) is al behoorlijk mooi, zeker als er nog nevel in de straten hangt en de rust er een is van eeuwen terug, maar deze kleine brug doet meer dan zijn best: al dat licht in zijn keitjes, die boog die getuigt van veel intuïtie voor maat en schoonheid, dat vastgeklonken vertrouwen dat, hoe het water ook zwelt, er geen millimeter zal bewegen. Mensen willen het moment (dat ik daar met mijn lief in het morgenlicht mag lopen en kijken...), maar dingen zijn groots in hun overgave aan wat is zoals het is.)

 

IMG_8605.JPG

02-12-13

Een schone aai, voorwaar

IMG_8381.JPG

  

(Onderschat de dingen niet. Ze bewegen niet zoals mensen, maar dat betekent niet dat er geen gevoelens in hen kunnen leven, tekeer gaan zelfs. Hoe moet ik anders die stille aai begrijpen, tussen dat hek en het stenen graf erachter? Hier is sprake van een schone relatie, van jaren ver al, en wie weet ben ik de eerste die daar iets van ziet (of mag zien? Je weet nooit hoe je gebruikt wordt in dit bestaan van ons allemaal, mens en ding. Ach, ik wil graag boodschapper zijn voor de goede zaak...)

(Verloren dorpje in de onderbuik van de Limousin, zo verloren dat we de naam vergeten zijn, mochten we die ooit geweten hebben. De 12de-eeuwse kerk was vreemd genoeg gesloten, zo werden direct doorgesluisd naar het kerkhof aan de overkant van de straat.)

01-12-13

Een schone boekee, voorwaar

IMG_8704.JPG

 

(Een schone tuil. Ik verkies deze boven alle megabloemenschilderijen in hun megalijsten in de musea van de Schone Kunsten. De schilder die dit kleine handvol schilderde tussen grotere, bijbelse fresco's, was een begaafd beeldmens, kon complexe werkelijkheid vertalen naar eenvoud, zonder de complexiteit te verliezen. Knap.)

IMG_8696.JPG(In hetzelfde kerkje van Antigny (bij St Savin) bad, ook al enige jaren, Treeske van Lisieux. Ze had ook een tuil mee, en probeerde, aandoenlijk, een van haar rozen te slijten. Slijten zal wel niet het goede woord zijn, ze wil een verhaal slijten, het verhaal achter de roos, blank als haar blanke handen en haar blanke ziel...)

IMG_8697.JPG
 

30-11-13

Een schoon evenwicht, voorwaar

IMG_8573.JPG

  

(Een schoon evenwicht, voorwaar. Strakker dan dit kun je het niet hebben. Maar daar droomt Frankrijk van: te midden van de alpins, en de croissants, en de ingedeukte ouwe kazen, en de hellende straatjes, en de pathetische armen van de platanen, een soort overzicht bewaren: abstracte noties voor het denken, lijnen voor de werkelijkheid, één Franse taal voor iedereen in dit land. Ik dacht, op dit pleintje van Perigueux, laat ik maar een beetje meehelpen met die strakheid, mijn foto mooi netjes uitsnijden. Het deed mij een abstract soort plezier, terwijl achter mijn rug in de straten de baguettes voorbij liepen, zo mooi recht en lang onder een of andere menselijke arm.)

29-11-13

Een schoon balkon, voorwaar

IMG_8539.JPG

 

(Hier is over nagedacht.  Of toch niet, kreeg zij (hij?) de inval van het moment cadeau? Dat kan, je hebt zo van die ogenblikken dat alles lukt.

Maar dat hekwerk dan, dat de kleur van de stenen aannam? Geen momentopname, dat hekwerk, maar jarenlange inspanning. Trouw, bijna.)

28-11-13

Een schoon gesprek, voorwaar

IMG_8276.JPG

 

 

(Voor de kathedraal van Bourges is een aangelegd tuin. Vandaar. In elk Eden begint de schepping opnieuw.)

27-11-13

Een schone engel, voorwaar

IMG_8191.JPG

 

(Hij zou zo kunnen meelopen in een of andere modeshow. Met zijn wierookvat erbij. Die zou trouwens passen in de show. En is zijn kleed niet haute couture, met die kanten boord aan arm en onderaan?) 

(St Benoit sur Loire, voorportaal)



26-11-13

Klanken met verlangen

IMG_4754.JPG

 

 

Op Spotify een weelde aan muziek ontdekt. Een heel landschap vol Vaughan-Williamsmuziek, het lijkt wel een zomerdag met vergezichten en geuren en zingende stemmen en geruis in de bladeren. Ik loop door Engeland met al die klanken: ze wiegen als de glooiingen in het landschap, ze stijgen op met de leeuwerik, ze verstillen in kleine kerkjes, er weerkaatst zonlicht op het opgeblonken koper aan de stille kerkmuren, en achter de scheve graven liggen nog veel oudere schaduwen. Ach, zo’n muziek maakt mij week op de enige manier die ik kan verdragen. Alle andere manieren zijn vals van sentimentaliteit, zo voel ik het aan. Waarom dan nu niet? Het is het verre kijken, denk ik, dat uitzicht dat God nog geschilderd moet hebben. Het is dat oud worden hier niet iets verwerpelijks is, iets om op te ruimen, maar verstilde wijsheid, enfin in elk geval de belofte ervan. En indien geen wijsheid, dan toch een eeuwenoude verlangen dat niet overgaat.


(foto: Cotswolds)

22-11-13

herfstkleuren

IMG_8197.JPG

 

 

Diep in november.

Als oud worden evenveel kleuren mag dragen als de bladeren buiten (dat groenroodgeeloranjebruin dat niemand kan namaken omdat het per blad verschilt), als de luchten boven (dat lichtendonkergrijsblauw, soms een zwaar deken, soms een lichte voile), dan kan ik niet genoeg kijken naar de gezichten van de oudere mensen rondom mij, zelfs even langer dan nodig naar dat ouder wordende gezicht dat ik ontmoet als ik voor de spiegel sta.

Het zijn dan minder de kleuren die opvallen dan wel de lijnen. Oudere gezichten zijn soms tekeningen van een meesterhand, etsen die een hele wereld daarachter blootleggen, houtskoolschetsen met de mooiste schaduwen in.

En hun kleuren zijn verstild licht geworden, met alle ongrijpbare en toch wezenlijke aanwezigheid van licht. Soms lijkt het of je er dwars door kan kijken. Soms lijkt het of het alle aanrakingen van de wereld heeft gevoeld. Soms lijkt het of je ervan kan ademen, of je ervan kan leven.

En ik kijk weer uit het raam, en zie dat ook in de bladeren een diep ingekeerd licht mag glanzen.

 

IMG_6168-001.JPG

 

(foto: oude Indiaanse vrouw, foto van foto, Monument Valley, USA)

19-11-13

Opgehouden regen in november

20100402_1285.JPG

 

 

Veel kan verdwijnen,

maar niet zo:

 

de kramp in bomen

verlate kramp in een druppel

 

en het licht dat geen licht meer is

maar een gezicht dat uiteenvalt

 

en mijn moeders gezicht is ruw

afgewreven met haar oude hand


(foto: Dieppe, Normandië)

15-11-13

Twee nieuwe eigen boeken


IMG_8714.JPGDe pijn na het moment
 

Ik heb een nieuwe dichtbundel samengesteld. Een keuze uit wat de voorbije jaren op deze blog verscheen.

Gedichten over ontmoetingen: met geliefde kunstenaars, met regen in de tuin, met dode lichamen, met het geliefde gezicht.

Gedichten over afscheid, de pijn als het moment weer voorbij is, zoals in dat eucaplyptusblad op de voorpagina het afsterven al begon.

Gedichten die nadenken en gedichten die kijken.

Gedichten die amen leren zeggen en gedichten die zwijgen.

 
   Het verlegen licht
 
   Het licht is met het land verdronken
   nee ligt te slapen in een bed van mist 
   zoals de oever tussen twee verhalen
   zoals die oever niet is uitgewist
 
   Zo is het als men is verzonken
   als men begraven weg moet gaan
   Er is de aarde nog, er is de stilte
   en het verlegen licht na dit bestaan
 
 
* Paperback, 137 p., 33 kleurenfoto’s, 15 euro & 5 euro verzendingskosten
* Bestellen persoonlijk of via mail (guido.vanhercke@telenet.be) 
    
 
 
 
 
 

IMG_8713.JPGHet grote luisteren
Over leven als overvloed

 
Geschreven na verlies en na geboorte... Een kleine poging om dat grote gedeelde leven van ons spiritueel te duiden. Luisteren als de lege ruimte die alles geboren laat worden, voor het eerst, en opnieuw en opnieuw, groter dan we ooit kunnen vermoeden...
 
* Paperback, 60p., 16 kleurenfoto’s, 10 euro & 5 euro verzendingskosten. Indien samen besteld: slechts 1 keer verzendingskosten natuurlijk.
 
 
 
 
 

12-11-13

Onderweg in Frankenland 4

Nog wat zonlicht...

De stutten van de kathedraal van Bourges, en de Vézère.

IMG_8277.JPG

IMG_8496.JPG

09-11-13

Onderweg in Frankenland 3

Maar de zon is niet van de 12de eeuw, zonlicht is de enige eeuwigheid die we kunnen aanraken, die ons zowaar persoonlijk kent, zo lijkt het toch.

We hebben geluk. Er is een nazomer bezig die lui blijft lanterfanten, niet ophoudt met lummelen, spelen, grapjassen aan alle straathoeken, vensterluiken en dorpels, plooien in de gezichten. En als de dag vindt dat het genoeg is geweest, nog met een spottende vinger door de boomkruinen priemt, en over de randen van de heuvels rondom wrijven wil. Ach tijdloze zon, het is bijna november, en toch, dit is wellust die oud en wijs is geworden, maar wel wellust, jazeker.

Het zijn ook de gouden stenen die het doen: ze stralen als vanzelf, en in dit late seizoen kleuren de blaren mee, het is bijna teveel, een boeket dat te groot uitvalt, te duur zal worden voor een eenvoudige portemonnee als de onze.

IMG_8488.JPG

IMG_8612.JPG

08-11-13

drie verlegen engelen (Moutiers d'Ahun & Sornac)

IMG_8344.JPG

IMG_8346.JPG

IMG_8361.JPG

06-11-13

Onderweg in Frankenland 2

IMG_8666.JPG
Het romaanse erfgoed leidt onze wegen. We zien een wegwijzer naar de 12de eeuw, en we slaan in. En komen meestal terecht in een eeuw van vocht, en afgesleten muurstenen en plavuizen, en een nauw deurgat met een elegante halve cirkel rond, en wat stil licht in vensters en hoeken, en bogen die een dak ophouden, en oud kerkelijk spul in de hoeken en de kanten.

En soms staat er een bloem, is alles opgeruimd, vloeit licht binnen van ergens een bron buiten.

IMG_8287.JPGEn soms gaat het kerkje drijven, als vanzelf, je legt het niet uit. In Plaimpied tilt de crypte bloemknoppen op, in Moutiers d’Ahun staan twee verlegen engelen op ons te wachten, in Montmorillon zie ik de slankste middeleeuwse taille die je maar kunt voorstellen, één lange dansbeweging, het kleed met de heup mee naar binnen, haar ene arm verloren in de mouw die tot op de grond reikt, haar andere verloren gelegd in de andere heup, haar glimlach ingehouden. 

Maar meestal blijft zo’n kerkje op de grond, is ze een kleine wandeling lang. Ergens boven je stap beeldhouwwerk waar iemand lang aan wreef, of een fresco die nog alle borstelstreken laat zien. Er klinkt niets dan een soort stilte. Als dan een deur in het slot valt, lijkt het een ontploffing. 

Maar ook in de stadjes lopen we in een zwijgzame 12de eeuw. Huizen van dezelfde gerimpelde, vaak betraande stenen, deuren die kleine poortjes willen zijn, straatjes waarvan je je afvraagt wie er eerst was, zij of de huizen. In elk geval willen ze samen afbuigen, of glooien naar een beneden in het halfdonker.

04-11-13

Onderweg in Frankenland

De kathedraal van Bourges was een ontdekking: hoog op zuilenpoten, maar evenzeer hoog van verbeelding in de kleinste brandraamhoekjes (wat zagen al die naamloze ambachtslui toch in hun dromen 's nachts...), en van buiten een soortement spaceship, bezet door een buitenaardse macht. En daarboven een glanzend ondergaande zon. Praise the Lord.

 

IMG_8242.JPG

IMG_8237.JPG

IMG_8273.JPG

IMG_8275.JPG

19-10-13

Op reis

Even ertussenuit, tot begin november. 

Nomade over 's Heeren wegen. Op zoek naar het klein verhaal achter elke bocht. En wat zon voor koude botten.

Tot dan.

 

 

IMG_3751.JPG

15-10-13

Lullaby (W.H. Auden)

Een van Audens bekendste gedichten: een slaapliedje. Maar dan eentje à la Auden: tederheid die omringd wordt door denken en tasten, die niet bang van een groot gebaar in gedachten, en toch niet het gevoel verplettert, of vergeet. Zodoende wordt dit gedicht én een gevoelvol slaaplied (zoals het hoort, toch) én een credo van menselijke vrede en rust en verbondenheid...

Hieronder een poging tot eigen vertaling.



Slaaplied (W.Auden)
 
Laat je hoofd nu slapen, liefste,
Jij een mens, op mijn arm die niets gelooft.
Tijd en koorts, ze branden weg
Al die eigen schoonheid van het 
Denkende kind, en het graf zegt:
Kijk, het is toch een schim.
Maar in mijn arm tot morgenrood
Laat wie leeft maar liggen stil,
Sterfelijk, schuldig, maar voor mij
Zo totaal de schoonheid zelf.
 
Ziel en lijf zijn zonder perken:
Als geliefden nu gaan liggen
Op haar milde toverglooiing,
In hun zwijm van twee keer niets,
Hoe zwaar dan de blik die Venus zendt,
Van voelen dat van hoger komt,
Van liefde en hoop die ieder kent.
En dit onvatbaar inzicht wekt,
Zelfs tussen rots en ijskap, 
Bij een kluizenaar verrukking in zijn lijf.
 
Zekerheid en trouw, ze deinen
Als het midnacht slaat mee weg
Met het trillen van de klok.
En van de deftige verdwaasden
Stijgt een schrei, ijdel, leeg:
Dat elke duit van rekening,
Al wat kaarten bang voorspellen
Wordt betaald, maar niet vannacht
Niet nu een zucht en een gedachte
Noch een kus of blik raakt zoek.
 
Schoonheid, midnacht, uitzicht sterven:
Laat de nieuwe winden zachtjes
Rond je dromend hoofd maar wiegen
Dat de dag de welkom brengt
Die weer oog en hartklop zegent.
Tevreden met een sterfelijke wereld.
Middagen met slechts droogte zullen zien
Hoe je zomaar voedsel kreeg.
Nachten vol geschimp laten je gaan
Nu alle liefde naar je kijkt.
 
*
 
 
Lay your sleeping head, my love, 
Human on my faithless arm; 
Time and fevers burn away
Individual beauty from
Thoughtful children, and the grave
Proves the child ephemeral: 
But in my arms till break of day
Let the living creature lie, 
Mortal, guilty, but to me
The entirely beautiful.
 
Soul and body have no bounds: 
To lovers as they lie upon
Her tolerant enchanted slope
In their ordinary swoon, 
Grave the vision Venus sends
Of supernatural sympathy, 
Universal love and hope; 
While an abstract insight wakes
Among the glaciers and the rocks
The hermit's carnal ecstasy.
 
Certainty, fidelity
On the stroke of midnight pass
Like vibrations of a bell
And fashionable madmen raise
Their pedantic boring cry: 
Every farthing of the cost, 
All the dreaded cards foretell, 
Shall be paid, but from this night
Not a whisper, not a thought, 
Not a kiss nor look be lost.
 
Beauty, midnight, vision dies: 
Let the winds of dawn that blow
Softly round your dreaming head
Such a day of welcome show
Eye and knocking heart may bless, 
Find our mortal world enough; 
Noons of dryness find you fed
By the involuntary powers, 
Nights of insult let you pass
Watched by every human love.
 

 



11-10-13

Tak (Hubert Van Herreweghen)

IMG_7991.JPG


Nog een religieus gedicht (religieus in de zin dat de woorden diepe verbondenheid willen vieren...),  van een even oude dichter als Vroman, wonend op een van die Vlaams-Brabantse heuvels, uitkijkend over een lang leven, maar vooral toch naar de tak voor hem, die trilling van licht, zelfs naar die grashalm. Hoe jong ben je dan gebleven, als een grashalm je nog kan ontroeren... 
Schaverdijnen is een oud Vlaams woord voor schaatsen.


Tak
 
Even, even tijdens het leven 
word ik een ander ding gewaar, 
een trilling van licht, om het even, 
twee dingen gevoelen elkaar; 
zoals engelen vroeger verschenen 
verschijnt mij een kind of een tak, 
een grashalm kan mij doen wenen, 
zo oud werd ik, zo zwak. 
Daar blinkt iets, ik loop er neven 
zoals het rond mij schaverdijnt, 
maar de nacht heeft het uitgewreven. 
Wij zien maar iets als 't verdwijnt. 
Zoals engelen vroeger verschenen 
verschijnt mij een berm of een beek. 
En een kind. Het is al verdwenen. 
Zo oud werd ik, zo week. 
Binnenkort ben ik uitgewreven, 
een heilicht, een misverstand. 
Maar even, nog tijdens het leven, 
met oog, huid, oor, hand, 
voel ik een ander ding beven 
boven en naast mijn verstand. 
In water, in licht, in zand, 
staan hiëroglyfen geschreven. 
In vriendschap daarmee wil ik leven 
en geloven in het verband.
 
 
Hubert van Herreweghen