08-10-13

Scheppinkje (Leo Vroman)

IMG_7987-001.JPG

 

 
Scheppinkje

Kon ik Jou, Heer, tezamensponzen 
tot een gebaartje op mijn hand 
en gaf Jou alle kralen, donzen, 
poesjesmiepsen en hommelgonzen 
en Jij weefde het verband ... 
 
ik zou mijn vingers rond Je sluiten 
en Jouw gekriebel zó beminnen 
terwijl Je scheppend was daarbinnen 
dat ik mijn vuist héél zacht van buiten 
zou kussen; 
 
en als ik op een teken 
Jouw werk voorzichtig zou ontbloten 
nimmermeer zijn uitgekeken 
op mijn lege handpalm, grote 
God 
en nooit meer spreken. 

 
Leo Vroman
Uit: De gebeurtenis en andere gedichten (Querido 2001)
 


Dit is een wonderlijk geheimzinnig gedicht. Alleen een dichter als Vroman (heel zijn leven bioloog-onderzoeker in de V.S., hij wordt stilaan 100!) kan zo ontwapenend over zoiets ongrijpbaars als God spreken.

Ik zou veel over dit gedicht willen zeggen, maar het ontsnapt mij, zo kinderlijk mystiek is het. Dat tezamensponzen tot een gebaartje, dat niet groter is dan een hand, die eigen hand dan nog, met al het voelen en
mee-maken dat die ervaring meebrengt. Dat scheppend zijn daarbinnen, op zoek naar een verband. Dat wachten van de dichter, het enige wat hij doet is zijn vuist héél zachtjes kussen.
En dan wat hij krijgt: nooit meer uitgekeken zijn, een leegte die hem de rest van zijn dagen zo zal vullen dat hij nooit meer moet spreken... Daar geeft zo’n zenmonnik drie levens voor, en hier gebeurt het bijna vanzelf. In het universum van zijn lege palm. Waw.

Waar is nu het geweven verband? Het verband is een soort volheid in de leegte, ik kan niet anders dan met de paradoxen van de mystici spreken. Nimmermeer zijn uitgekeken op iets wat je niet ziet. Doe het maar eens. Met wilskracht waarmee taaie gelovigen hun broek ophouden zal het niet lukken. Wel als een soort cadeau. Ook daarover spreekt het gedicht: er is een verlangen (‘Kon ik..’) en er is een antwoord (‘op een teken’).  Maar niet als een bovenmenselijke prestatie, eerder als een soort nooit volwassen geworden naïviteit. Met een onschuld als van kinderen. Een onschuld die niets weet van dogma’s, en macht, en met macht beklede wezens. Maar veel nog weet van een oorspronkelijke verwondering. En vertrouwen.

02-10-13

gulzigheid

 

IMG_8009.JPG








In de kleine kleinzonen zie ik hoe groot de mens omgaat met het leven dat hem aandoet. Dat is zelf zo wild en alomvattend groot, dat je zou verwachten dat die kleine mensenlichamen en –bewustzijnen er door krimpen, zoals je krimpt bij te grote aanwezigheid, bij te grote dreiging. 
Maar nee, niets daarvan: die kleine hummels dragen een gulzigheid uit die verbijstert, waar je naar blijft kijken, zo groot is die honger naar leren, naar ervaren, naar beseffen en weten. Naar bijhouden en meedragen.  Naar zelf ook van dat leven maken...
Soms moeten ze even gaan zitten, om bij te komen. Dat is ten dele schijn. Ze hijgen wat na, maar schoffelen ondertussen in zichzelf, maken weer plaats voor nieuwe tochten. Ze hebben weer getankt, en zijn weer goed voor honderden kilometers.
Mijn vrouw valt nog iets anders op. 
Naast de gulzigheid raakt haar de vreugde waarmee die kleine kinderen in het leven staan. Je kijkt hen aan, en je krijgt al een glimlach. Ze zien iets nieuws, en stralen. Elke ontdekking is een kreetje waard. Verwondering en vreugde zijn bij die kleine menswezens nog synoniem. En er is, zoals gezegd, veel te verwonderen in dat grote leven.
De melancholicus in haar vraagt zich dan af waarom het bij grote mensen niet zo kan blijven. Waarom zoveel gezichten op onweer staan. Zoveel nijdigheid op straat komt, bijvoorbeeld die hoogpotige terreinwagens die gas geven bij elk zebrapad. 
IMG_7930.JPGVerwondering is en blijft een beetje naïef, het zal dat zijn. En die arme ouders spenderen jaren van hun leven om dat naïeve rondkijken toch een beetje te beschermen tegen wat wat ruw is, steekt, pijn doet. En op de duur wordt beschermen zowat een tweede natuur. En vergeten we onze eerste: die van glimlachend genieten, van spontaan kraaien, van vingertje in de lucht bij elke nieuwigheid...

30-09-13

Woelen...

IMG_7914.JPG 


Je hoeft maar eens een nachtje wakker te liggen in bed, te woelen over de pijntjes in die onbekende buik van je en je verbeelding gaat met je op de loop, om, als het weer dag is en de wereld zijn verhoudingen terugvindt, je de hele tijd te verwonderen over alles wat er wel is: je adem en zijn strakke ritme, en het brood met het boter en de bessengelei, en jouw aangezicht zo stil naast het mijne, en dit huis dat zich uitstrekt zonder ooit moe te worden, en het licht door het raam, en dat ik kan gaan en staan en zitten en weer opstaan en aan niemand toestemming moet vragen, ook niet aan mijn eigen lichaam, en dat kundige vingers die muziek spelen die ik nu op de radio hoor, muziek waarin alles klopt, dat hoor je, en dat, als ik wil, ik mij nog zoveel kan herinneren, beelden en stemmen en vergezichten, en zelfs smaken en geuren herinner ik me, en er zijn aanrakingen die nog altijd in mijn huid liggen, zo mooi bewaard zijn ze daar, en dat ik een tuin heb waarin ik de wereld in het klein zie ontstaan en verdwijnen, verglanzen en verkleuren, en dat al wat ik geleerd en bijgehouden heb nog een schakeltje mag zijn in het grote bewegen, dat ik niet opgesloten ben, of op de vlucht, of vergeten in een kamertje, of ergens sta te rillen aan een hoek vol wind, maar dat ik een naam heb die mensen uitspreken, en dat ik samen mag werken tot weer een steentje is gelegd, en dat ik mezelf niet moet sussen daarin met onmogelijke dromen, maar vrede kan hebben in die kleinheid, omdat ze nabijheid is, steeds meer nabijheid, dat ik niet bitter moet worden als een lied van Leo Ferré maar mij kan verwonderen over al die verwondering, zoiets, ja, dat alles beseft een mens maar weer eens goed als hij zich een nachtje druk heeft gemaakt om mogelijke ziektes en al wat de verbeelding daarbij kan bedenken, zo, losgelaten in het donker...


(foto: Koppenbergbos, Vl.Ardennen)

27-09-13

Varenheuvel (Dylan Thomas)

 IMG_0174.JPG
 
 
 
  Nu de zomer onrustig wordt en wil vertrekken, plaats ik hier graag dit oude favoriete gedicht van Dylan Thomas, dat ik al zo lang met me meedraag omdat het -afgezien van alle ruzies tussen mijn ouders- zo precies (raar woord voor een gedicht...) weergeeft hoe mijn jeugd was, te midden van schuren en zon en gouden koren en huishoog hooi en kalveren en sterrenhemels en klinkende morgenden en schoorstenen en graslanden en tijd die per dag kwam, meer was er niet, maar ook niet minder, volgeladen zomerwagen... 
Ik vond een vertaling op het net.
 
 
Varenheuvel 
(vertaling Goaitsen van der Vliet)

Toen ik jong was en op m'n gemak onder de appelboom
bij het fluitende huis, en zo gelukkig als het grasland groen
en de nacht boven de vallei vol sterren,
toen liet de tijd mij wenken en meerijden
als goud in de glans van zijn ogen,
en geprezen door de wagens was ik prins aan het appelhof
en eens ondertijds had ik boom en blad vorstelijk
verbonden met gerst en madelieven
langs rivieren van toegevallen licht.
 
En toen ik groen was en argeloos, beroemd bij de schuren
rond de blije brink en liep te zingen als de hoeve thuis was,
in de zon die maar eenmaal jong is,
toen liet de tijd mij spelen en gedijen
als goud in de genade van zijn gaven,
en groen en als goud was ik jager en hoeder, de kalveren zongen
mee met mijn hoorn, de vossen in de heuvels blaften koud en klaar,
en de sabbat werd rustig ingeluid
in de kiezels van de heilige stroom.
 
De hele zon lang ging het maar door, het was heerlijk, het hooiland
hoog als het huis, de deuntjes uit de schoorsteen, het was buitenlucht
en spelen, lekker met water
en vuur zo groen als gras.
En 's nachts onder de simpele sterren
terwijl ik de slaap inreed, sleepten de uilen de hoeve weg.
De hele maan lang hoorde ik, gezegend door de stallen, de zwaluwen
vliegen met de hooioppers, en de paarden
het donker in schichten.
 
En dan te ontwaken, met de hoeve als een zwerver, wit
van de dauw, teruggekeerd, de haan op z'n schouder: alles was
schitterend, het was Adam en maagdelijk.
De hemel stak de koppen weer bij elkaar
en de zon rijpte rond in die ene dag.
Zo moet het zijn geweest na de geboorte van het simpele licht
in de allereerste molen, de verwonderde paarden warm lopend
uit de hinnikend groene stal
op naar de velden van eer.
 
En geroemd door vossen en fazanten bij het fleurige huis
onder de gloednieuwe wolken en zo blij als het hart oneindig was,
in de zon die steeds weer het licht ziet,
zo draafde ik mijn dromerige drafjes,
mijn wensen stoven door het huishoge hooi,
en niets deed het mij, in mijn hemelsblauwe banen, dat de tijd in al zijn
klinkende klokwerk maar zo weinig van die ochtendgezangen toelaat,
voordat de kinderen groen en als goud
met hem uit de gratie geraken,
 
niets deed het mij, in de lammerwitte dagen, dat de tijd mij meenam
naar de zwaluwzwarte zolder, aan de schaduw van mijn hand,
in de maan die altijd opkomt,
en ook niet, terwijl ik de slaap inreed,
dat ik hem hoorde vliegen met de hoge weiden
en wakker werd met de hoeve voorgoed vervlogen uit het kinderloze land.
O, toen ik jong was en gerust op de genade van zijn gaven,
hield de tijd mij groen en stervend
al zong ik nog zo in mijn ketens als de zee. 



Fern Hill
 
Now as I was young and easy under the apple boughs / About the lilting house and happy as the grass was green, / The night above the dingle starry, / Time let me hail and climb / Golden in the heyday of his eyes, / And honoured among wagons I was prince of the apple towns / And once below a time I lordly had the trees and leaves / Trail with daisies and barley / Down the rivers of the windfall light.
And as I was green and carefree, famous among the barns / About the happy yard and singing as the farm was home, / In the sun that is young once only, / Time let me play and be / Golden in the mercy of his means, / And green and golden I was huntsman and herdsman, the calves / Sang to my horn, the foxes on the hills barked clear and cold, / And the sabbath rang slowly / In the pebbles of the holy streams.
 
All the sun long it was running, it was lovely, the hay / Fields high as the house, the tunes from the chimneys, it was air / And playing, lovely and watery / And fire green as grass / And nightly under the simple stars / As I rode to sleep the owls were bearing the farm away, / All the moon long I heard, blessed among stables, the nightjars / Flying with the ricks, and the horses / Flashing into the dark.
 
And then to awake, and the farm, like a wanderer white / With the dew, come back, the cock on his shoulder: it was all / Shining, it was Adam and maiden, / The sky gathered again / And the sun grew round that very day. / So it must have been after the birth of the simple light / In the first, spinning place, the spellbound horses walking warm / Out of the whinnying green stable / On to the fields of praise.
 
And honored among foxes and pheasants by the gay house / Under the new made clouds and happy as the heart was long, / In the sun born over and over, / I ran my heedless ways, / My wishes raced through the house high hay / And nothing I cared, at my sky blue trades, that time allows / In all his tuneful turning so few and such morning songs / Before the children green and golden / Follow him out of grace,
 
Nothing I cared, in the lamb white days, that time would take me / Up to the swallow thronged loft by the shadow of my hand, / In the moon that is always rising, / Nor that riding to sleep / I should hear him fly with the high fields / And wake to the farm forever fled from the childless land. / Oh as I was young and easy in the mercy of his means, / Time held me green and dying / Though I sang in my chains like the sea.

 
 Wie de fascinerende stem van de dichter zelf wil horen: 
 

26-09-13

blauw 7

IMG_7364.JPG

 

 

(Monument voor de vissers, Oostende: één trots, één treurend...)

25-09-13

blauw 6

IMG_7240.JPG

 

 







 

(blauwe tor in mijn tuin, dit voorjaar)


IMG_7243.JPG

24-09-13

blauw 5

IMG_6527.JPG

 

 

 

(Schilderij E. Munch, Getty Museum L.A., eigen foto)

21-09-13

blauw 4

 IMG_8148.JPG

 

 

Blauw is mijn lievelingskleur. Misschien omdat er zoveel blauw boven mij hing, toen ik klein was en rondliep in de open vlakten van de polders. Als je voor je uitkeek, zag je maar een dun streepje land, in de donkere dagen schimmig zwart, in de zomer bevend van de hitte. Maar daarboven begon pas de echte schepping, zo leek het wel, met al dat blauw, en die bergen van wolken, en dat opnieuw en opnieuw geschilderde grijs in al zijn tinten.

In diezelfde lege dagen verzamelde ik broederwoorden voor blauw: azuur, lazuur, ultramarijn, opaal, schalieblauw, staalblauw, saffier, marine, indigo (al vraag ik mij af of ik dit laatste woord wel kende, want jeans had ik niet).
En al leek het alsof het geel en het rood en zelfs het groen meer tinten en schakeringen en afgeleiden hadden, wegens hun pact met de florawereld, toch bleef mijn voorkeur uitgaan naar blauw, dat grote lichaam boven ons. Het gras heeft de wereld veroverd, schrijft Walt Whitman, maar pas als je het blauwe vlies opgespannen ziet boven ons, kun je de wereld thuisbrengen, als een huis om in te wonen, als een plek waar alles mag zijn wat er is.

Blauw heeft daarom iets van een seigneur, iets van de kracht van zijn stand, iets van onbeweeglijk mogen toekijken want van niemand afhankelijk, met alle mildheid die je dan bij een dergelijke vrijheid veronderstelt. Blauw is daarom niet koel, maar gewoon ten diepste zichzelf, zelfs in zijn lichtste azuren vorm. 

Rood is een aanhalig lichaam, smeekt om aanraking, om dichterbij komen, verkoopt zichzelf met de belofte van warmte en vuur. Geel is jeugd in al zijn glanzen, is jonge kracht, spontaniteit op het randje van overmoed. Groen is volwassenheid, gedegen aandacht, het tegenovergestelde van onbezonnenheid. Groen kan wachten, wil wachten, lijkt wel te wachten, tot het verkleuren begint en het grote vallen. Maar blauw is het meest gewoon zichzelf, hoe mysterieus dat ook is.

IMG_6520.JPGHet diepste blauw zie je, als over een wintersneeuwlandschap traag de avond valt. Het licht glijdt weg, of lost op in de aanzwellende kou, schaduwen zetten een stap naar voor, de verten en de dingen worden weer het dunne perspectief of de dunne vorm waarmee ze de dag begonnen. En dan, voor het donker doorbreekt, komt over die steeds blekere sneeuw een blauw te staan dat in alles uitzonderlijk is. In zijn tint: zo’n onwaarschijnlijk uniek blauw. In zijn stilstand: rechtopstaand, voor je wachtend, je aankijkend, zo lijkt het wel, alsof blauw ook een wezen is met bewustzijn, net als jij. Een ontmoeting is het. Een kostbaarheid, die je meeneemt naar huis, als het zwart uiteindelijk toch alles oprolt en wegjaagt. Zwart is afwezigheid, hoe mooi afwezigheid ook kan zijn, of hoe angstaanjagend. Maar dit blauw heeft, in al zijn stilte, dingen gezegd waar je nog lang aan terug zal denken.

Misschien is het omdat blauw een speciale relatie heeft met licht. Blauw in glasramen, blauw in vallende, brekende golven van de zee, blauw in kinderogen. Moeder licht maakt alle kleuren, schijnt het. Maar ik vermoed dat het blauw toch een lievelingskind is...
 
 
(foto: Cassel, Noord-Frankrijk; eigen foto van een schilderij van Monet in Gettymuseum, L.A.: hooioppers in sneeuwlandschap bij avondval)

20-09-13

blauw 3

IMG_8104.JPG

19-09-13

blauw 2

IMG_8130.JPG

17-09-13

voormiddag (getijdenboek)

IMG_8119.JPG
 
 

Voormiddag (getijdenboek)

 
De eerste keer vandaag dat ik roekeloos mag kijken
dat wil zeggen even uit mijn ogen 
mag klimmen en voelen hoe stevig alles in zichzelf
is opgespannen, dit blauw met wolken
dit groen waarin een boom hangt
dit licht dat iemand onhoorbaar slijpt
tot aan alle kanten een rand zelf 
ook licht geeft, het hardste dat ik ooit zag
 
Wees een ogenblik letterlijk, schrijft Heaney
maar als de duif op het dak al haar zwaarte
de lucht in tilt voel ik mij wegen aan de rand
van het raam, zo scherp afgesneden was ik nooit
en zo hevig twijfelend of ook ik
niet zo zou kunnen vliegen, bloedend


13-09-13

het meervoud (4)

IMG_7970.JPG

 

 

Wanneer wordt een man volwassen? Wanneer laat hij de jongen in hem achter en wordt hij de volwassene waartoe zijn eerstgeboorterecht hem roept en het gewicht van zijn aankomende ponden hem voorbestemt?

Wat een vraag, denk je. Hij heeft toch een inkomen voor zijn troost, hij rijdt toch met een propere voiture, hij kan toch zijn belastingbrief zelf invullen?
Wat een vraag, dank je. Maar als mijn zoon zijn pianospel wil opgeven, twijfelt of het wel ooit iets wordt en komt uithuilen op de schouder van zijn moeder, dan weet ik: zo ben ik nog. Alleen huil ik niet meer, en mijn moeder is ver en weg. Maar de schouder van een vrouw heb ik nog nodig.
Als mijn andere zoon in een plotse ernstige bui zegt dat hij zichzelf lelijk vindt, zijn haar lelijk vindt, zijn stem lelijk vindt, dan kijk ik naar de spiegel en zeg: zo ben je nog altijd, oude makker. En ik wrijf hem over zijn jonge kop en zeg hem dat ik dat ook altijd van mezelf heb gedacht, schurkachtig lelijk was ik tot ik de eerst vrouw ontmoette die het tegendeel beweerde en bewees. En ik vertel met hand en tand het verhaal van de man die zichzelf zo lelijk vond dat hij op zoek ging naar een ander hoofd. Maar hij heeft geen zin in grapjes. Papa!, zegt hij, serieus... Dan leg ik hem drie keer uit dat het tegendeel waar is, dat iedereen verliefd is op zijn gezichtje en trek die mooie kop van hem op mijn schouder want dat heeft hij nu nodig en zoveel vader ben ik wel.
Als ik hem nadien iets zie maken, zo met de tong uit het bekje en in de onmogelijkste houdingen, iets met ijzerdraad en nagels en een hamer (alleen voor het zagen moet ik even komen helpen, de rest klopt hij er zelf wel in), als ik hem zo bezig zie, terwijl hij de hele doos met nagels omkiepert om er een paar uit te zoeken, dan denk ik: kijk 'ns aan, wat een fijn mechaniekje heb ik in gang gezet. En dan, ja dan wil ik wel 'ns iets voelen dat ik zou herkennen als ouder worden.

Maar even later zijn ze daar weer. Met ogen van comme ça en hun hart bloot komen ze tonen en vragen of het wel mooi is wat ze gemaakt hebben, echt mooi ja? Dan weet ik: zo blijf je, mijn jongen, dat onzekere raak je nooit meer kwijt. Deze ouwe rakker weet er alles van. Alleen: ik durf het nu niet meer vragen, ik draai drie keer heel mijn hoofd rond en hoop dat iemand zal zeggen dat het wel degelijk goed is zo. Alleen: ik vraag het niet meer, en niemand zegt het.

Harry Mulisch, geloof ik, heeft ooit gezegd: sommige mannen zijn vaders, andere zijn hun leven lang zonen. Ik zal het maar eerlijk zeggen: ik denk dat ik tot de tweede soort behoor. Die zonen onder de mannen, ze zullen wel nooit premier worden of sterke man in een vers regime of goeroe in een of ander gestoord pakkie, maar wat doet dat er toe, ieder heeft zo zijn eigen waardigheid. Zoon of vader zijn overstijgt trouwens het beroep, het onderscheid zit dieper, je merkt het aan andere zaken, het steekt niet de ogen uit, wat dacht u, ieder heeft zo zijn eigen schuchterheid.
Maar dat zonen niet buiten vrouwen kunnen, dat staat vast. Een vrouw om te ontdekken, als een avontuur uit een jongensboek, een land om te veroveren en een hart om in door te dringen of naartoe te vluchten. Stelt u zich van die beeldspraak niet veel voor, een kinderhand is gauw gevuld maar ook vlug weer leeg.
Vrouwen vallen trouwens op zonen. Die zijn vaak niet zo opgejut macho, willen al eens meer luisteren, openstaan voor het spel van blikken en stralingen waarmee een vrouw haar verlangens en angsten verkondigt.... Zo'n zoon, die herinnert zich nog een beetje uit welk groot mysterie hij op de wereld is gezet.

Vader of zoon zijn heeft ook niets met fysiek te maken. De reuzen onder mannen zijn vaak de braafste, hebben zonder uitzondering dwergvrouwtjes van louter bijtend zuur. Ik heb eens Johan Anthierens door Tom Lanoye uitgekleed zien worden, voor een publiek en waar Anthierens zelf bijzat, manke loebas van een hond, zo een die wil likken en bijten tegelijk, in zijn nek gesprongen door een keffertje van anderhalve meter met geslepen tanden en flink besproeid ego. Zoon die de mantel uitgeveegd wordt door zijn vader, één van zijn vaders, want dat is het noodlot voor zonen, dat ze in hun leven vaders blijven ontmoeten. Opmerkingen blijven krijgen. Het nooit goed doen. Zonen vechten hun leven lang met hun zelfvertrouwen. Vaders weten zelfs niet dat ze zoiets hebben. Het overschot van gelijk van een vader. De aarzeling van een zoon. 
Maar de aarzeling is mij sympathieker. Of wat dacht u.

09-09-13

het meervoud (3)

IMG_7998-001.JPG

 

Je moet nog 'ns naar boven, zegt Lieve, ze vragen je.
Als ik de donkere jongenskamer binnenkom -de deur open, voor het licht in de gang dat blijft branden- trekt hij de lakens tot aan zijn kin. Zit neer, zegt hij. Ik moet bij hem zitten op bed. Hij grijnst en lacht. Dat noemt men genieten. Waarom heeft hij zo graag dat er iemand op z'n bed zit, in het halfduister, voor hij inslaapt. Waarover zullen we het hebben, grijnst hij. Je zult later iemand moeten zoeken om op je bed te zitten, zeg ik. Een hoertje, zegt hij lachend.
Weet je wat, zeg ik, verdien jij veel geld en betaal ons ruim om 's avonds bij jou op bed te komen zitten. Dan zijn we allemaal tevreden.
Van de ene kamer naar de andere. Papa, zegt nummer twee, terwijl hij mij aan mijn arm op zijn dekens trekt, ik heb een geheim. Ik zeg ja? Ja, zegt hij, en ik zie zijn ogen opzij kijken in een poging om in ijltempo nog een geheim te vinden voor zijn vader weer opstaat en weggaat. Ik zeg: jij hebt geen geheim. Welles, zegt hij, en hij trekt mijn oor tot bij zijn mond: ik haat school, zegt hij. Het is wel geen echt geheim, maar toch. Jamaar, zeg ik, je bent nu eenmaal geboren in een maatschappij waar men naar school gaat en...
Dat weet ik, zegt hij, want hij kent z'n vaders argumenten en kan ze zo nodig ook zelf bedenken.
Enig over en weer gepraat. Het blijkt vooral de maandag te zijn die hij haat. De rest is niet zo slecht. De donderdag zelfs biezonder interessant. Van de overkant van de straat roept zijn broer dat ik een pietzak ben dat ik niet meer leren moet. Dat is inlands voor geluksvogel.
Ik zeg dat ik nog elke dag leer, en graag leer. Maar dat bedoelt hij niet. Het is het blijven zitten, op de rand van het bed. Het is het keuvelen in het duister. Welke ritus plegen we hier? Ik realiseer me het niet. Lijken de wereld en het leven in de avond makkelijker te bezweren? Is het zitten op de rand van een bed een oersymbool van troost? Of het zitten bij iemand die ligt, de weerloosheid zelve?
Ineens vraagt er een hoe ik mijn statuut van gewetensbezwaarde heb aangevraagd. Het beste is niet te zeggen dat dit geen zaken zijn voor een winterse zondagavond maar duidelijk antwoord te geven. Wie weet wat er achter hun associaties zit. Misschien is het wel het koordje waarmee ze zich de slaap van het vertrouwen intrekken. Hoe schrijf je zo'n brief, vraagt de andere. Ik zeg: geachte heer minister. En terwijl ik de trap afdaal, reciteer ik zo'n paar officiële zinnetjes die, weet ik, op hen een ongelooflijke indruk moeten maken, alsof er toch nog iemand is die weet van welk hout pijlen snijden.
Als ik bijna aan de deur beneden ben, roepen ze nog vanuit een tot rust gekomen verte: doei, ciao, dada, bonne nuit, slaap lekker. Hoe meer formules, hoe beter.

04-09-13

het meervoud (2)

IMG_8102.JPG

 

 

 
Juli. Op reis door Spanje deden we Madrid aan. We moesten er niet zijn maar gingen toch. Toeristen willen nu eenmaal alles zien (reizigers zoals vroeger, die een jaar of twee onderweg waren, kunnen we al lang niet meer zijn). En een paar mensen meer in Madrid, er zijn dingen die meer opvallen.

Maar Spanjes hoofdstad ontving ons met allure. Wat een stad! Een stad zoals een stad moet zijn: elke straat zes banen breed, met hoge huizen en bomen die staan toe te kijken hoe al die spartelende auto's zich ergens heen spoeden en de mensenmieren langs en tegen elkaar lopen. Maar er was ruimte, je verwachtte dat alles wel een weg, zijn weg zou vinden. Alleen als van zweet druipende vrouwelijke politie-agenten hun dunne ziel wegbliezen bij elke voortdreunende vierwielige, bij elk verspringend licht, wilden we wel 'ns kregelig en ook wat droevig worden. Ook aan de schelle vrouwenstemmen konden wij, noorderlingen zijnde, moeilijk wennen. Soms draaiden wij ons dodelijk geschrokken om, denkende nu slaan ze elkaar met messen om de oren, maar nee, een burenpraatje bij de kruidenier.

Wat doen we met de bedelaars, vroegen de jongens (8 tot 10 jaar leven achter de rug, in een land dat zijn bedelaars oplevert aan de sociale dienst). We raakten er niet uit, het liefst was ons nog als er wat creativiteit aan te pas kwam. Zoals die doofstomme jongen die van tafel tot tafel ging met een gedichtje in gebarentekens, dat hij nadien weer kwam ophalen, met of zonder gift. Woordeloos, met een buiging toe. Ik legde de jongens het verschil uit tussen naastenliefde en recht hebben op een uitkering, een levensminimum. Ze begrepen het wel, maar bleven het moeilijk vinden. Want als zij het voor het zeggen hadden, zouden ze toch onmiddellijk al die bedelaars helpen? Zo eenvoudig was dat toch? Vandaar kwam de discussie op hoe een staat met het geld van zijn bevolking omspringt, en hoe de staat aan zijn geld geraakt, en waarom het ene land rijker is dan het andere, enzovoorts. Het koord waarmee de ons omringende wereld samengebonden lijkt, daar mogen wij met ons gezinnetje graag aan trekken, vooral aan tafel of als het journaal net achter de rug is of op reis als we andere dingen zien die in ons geëgaliseerd landje niet meer opvallen. Het merkwaardige is dat hoe meer je begint uit te leggen hoe meer er uitgelegd schijnt te moeten worden, en dat de kinderen daar niet genoeg van krijgen, ook al zijn er zo weinig oplossingen (hun aangeboren menselijke nieuwsgierigheid, jawel, en laten we hopen dat die later niet zal struikelen over het betonnen gewicht van de school...)

Schoonheid dan. In het Prado amuseerden ze zich rot met De triomf van de dood van Bruegel (een man stond hen af te piepen en zei dan, grijnzend, met Hollands accent:"Lekker griezelen"), terwijl ik daar kapot van was en elke cm2 van het schilderij met mijn ogen opdronk om toch maar niets te vergeten ('Ze komen op magere paarden', zingt Boudewijn de Groot in Apocalyps. Ik zag de magere paarden...) Ze werden, net als ik, aangegrepen door Goya's Saturnus die zijn kinderen opvreet (herinnerden zich uit vele gangen eerder nog een vleesetende Saturnus!) en vonden, net als ik, Rubens maar niks. Er is veel Rubens in het Prado. Het werd teveel voor hen. Ze moesten buiten en kwamen weer tot leven in het Archeologisch Museum. Kijken hoe andere mensen vroeger leefden, daar zijn ze sterk in. Daar zit tenminste enige variatie in, wat je van schilderijen niet kunt zeggen, vinden zij. Zowaar als wij in het Prado elk schilderij wilden zien, zo willen zij dan geen speerpunt of silexsteen of grafinscriptie missen, met alle uitleg die ze maar kunnen verzamelen (nooit zomaar langs iets lopen, is ons devies, al word je er wel eens moe van...)

Als mijn vrouw nadien vraagt wat ze zich nog aan details herinneren, dan blijken ze een klein gotisch kruis in ivoor, vol ingenieuze diertjes en mensen in half-reliëf, biezonder mooi gevonden te hebben. En kistjes in beslagen zilver. Dat is zo mooi gemaakt, dat willen ze dan namaken, later, als ze thuis zullen zijn. En ondertussen al tekenen, in hun schetsboek. Wat heet mooi? Wat hen op ideeën brengt is mooi. Wat nieuw is, aantrekkelijk, spectaculair, is mooi, zoals de grootstad die rond onze oren klappert en siddert van ongeduld, zoals moeder natuur met haar grillen en verrassingen.

Maar het louter esthetische genoegen, kennen zij dat?
Het is hen in elk geval niet vreemd. Ze stellen er vragen over: waarom vind je dat mooi? In Burgos waren ze zelf onder de indruk van hun vaders fascinatie voor een in carraramarmer gebeiteld (gebeiteld? met zachte handen losgemaakt...) grafmonument van de Condestables, in een zijkapel van de kathedraal. Drie keer ging ik er terug naartoe (want mijn geheugen is een draagbaar fotoapparaat, en om goed te onthouden moet ik goed kijken). Waarom ik die twee zo mooi vond, vroegen ze me. Omdat ze niet echt dood leken, zei ik, als altijd onhandig wanneer ik moet improviseren, maar ze begrepen dat hun vader wil dat er na zijn dood van hem iets moois overblijft. (Wil je ook zo begraven worden, zeiden ze, dan zul je nu al moeten beginnen sparen...).

Wat heet mooi? Het minste probleem is natuurlijk weer de muziek. Klanken dringen zo in het diepste binnenwerk van de mens, daar waar hij zijn ontroering nog niet aan banden heeft gelegd, en zij vormen daar geen uitzondering op, zonder dat erover gediscussieerd moet worden. Wel over hun keuze van televisieprogramma's, niet over hun muziekkeuzes. De twee cassettes die zij het meest beluisteren zijn Bachs vioolconcerto's en Joe Jacksons Night and Day. Er is een slechtere keuze denkbaar. 

02-09-13

het meervoud (1)

In het uitverkochte boek Autobiografie van een ziel (Davidsfonds, 2001) verzamelde ik, onder de titel Het meervoud, stukjes die ik over mijn kinderen schreef toen ze klein waren. Opschrijven is bewaren. Ik herlees ze even met u, nu mijn kleinzonen het groeien overnemen...

IMG_7954.JPG 


 
1
 
Beeld: ik zit in de auto te wachten. Rond mij staan de elementen te dringen. De wind waait de lucht en de regen overhoop. Op de voorruit van de auto loopt water en doet de lijnen van de gebouwen en de voorwerpen voor mij golven. Wat strak en recht is in werkelijkheid, begint te wiegen, uit te deinen, op te lossen (hoeveel werkelijkheden zijn er?). Ik luister naar de muziek in mijn hoofd (af en toe waait door de helft van mijn schedel muziek en vervormt alles wat ik er nog bij wil denken), ik luister naar die dwingende thema's, kijk naar de golven voor mij en heb mijn eigen videoclip.
 
Beeld: ik heb een zoon met krullen en één met gladgestreken haar. Blond. Allebei. Omdat het lot die dag blond op z'n programma had staan, of omdat mijn vrouw te lang in de zon heeft gezeten toen ze zwanger was, of omdat de chromosoompjes nog zo fris en jong zijn, of omdat ik nog wat reserve van opa had, want opa was al heel vroeg kindje Jezus in de processie, toen die videoclip nog bestond. Hij droeg zo'n wereldbol met kruis in zijn rechterhand en een kroontje op zijn kop. Als op zijn krullen een kroon werd gezet, dan werd die van binnenuit verlicht. Schoon, zeiden de mensen, schoon.
Schoon zeggen de mensen als ze dat blonde haar van mijn zonen zien. Blond roept inderdaad allerlei beelden op. Bij vrouwen raken mannen dan hooggestemd (hoewel ikzelf sprakeloos word bij zwart, van dat zwarte haar met een schijn van blauw in). Bij jongens is het dan of er nog wat engelen zijn overgebleven, beetje schuchter en verlegen, maar zo ongerept alsof dit de natuurlijke staat van de vrede is. Jonge paarden moet men aaien...
 
Mening: mijn ene zoon (die die het ver wil schoppen in de wereld), op de laatste dag van de vakantie, tegen de kat die op de vensterbank in de zon nauwelijks haar ene oog opentrekt en met haar andere verder slaapt: "Jij hebt geluk, jij hebt altijd vakantie." Dan na enig nadenken: "Maar jij kunt ook niets."
 
Beeld: mijn andere zoon (die die Urbanus wil opvolgen) is sommetjes aan het maken, kijkt plots op en zegt, het hoofd schuin en met dat ondefinieerbaar mengsel van ernst en gegrinnik op z'n gezicht: "O, de geur van wilde veldbloemen!"

30-08-13

Klein Duimpje en de reus

IMG_7927-001.JPG

28-08-13

opa en kleinzoon: een kleine speelgids

IMG_8082.JPG

Mogelijkheden voor kleinzoon (2.5) en opa (63) om samen te spelen
 

1 schommel volladen met dorre takjes van grasperkje rondom, paar grote groene bladen in de schommelkettingen en bovenop een groen pastic capsuleke. En dan voorzichtig duwen. En kijken, natuurlijk.

2 opa uitgezakt op de canapé, kleinzoon uitgezakt op opa. Kleinzoon doet snurkjes na, opa luid uitademen, mooi op elkanders maat. Snurkje van kleinzoon, blazen van opa. Werkt perfect.

3 twee plastic waterflesjes en een cafétafeltje. Als flesjes leeggedronken zijn, kunnen ze over tafel naar elkaar gerold worden. Nog beter is: geblazen. Dat is onvoorspelbaarder, dus grappiger. Mooi is ook als een van de botteltjes nog wat water bevat, dat rolt zo goed. 

4 als op het fietspad geen fietsen rijden, met armen uitgestrekt een vliegtuig nadoen. Schuin gaan vliegen om terug te keren is het plezantst.

5 een origineel voorstel van kleinzoon, uitgeprobeerd en goedgekeurd: kleinzoon steekt kleine steentjes onder zijn tenen in zijn sandaaltje, opa dan steekt kleine steentjes onder zijn tenen in zijn grotere sandaal, kleinzoon haalt die er weer uit en gooit ze weg.

6 als er een hellinkje is, nooit voorbij stappen zonder de zwaartekracht te testen: zelf naar beneden lopen is goed, samen lachen om een dalende kinderwagentje is nog beter.

7 samen bye zeggen als iemand voorbij komt op straat, en kijken hoe die mens dan reageert.

8 ontdekt door kleinzoon, uitgeprobeerd en goedgekeurd: voorover buigen in de kinderduwer en met de pas gekregen speelgoedmoto meerijden op straat, terwijl opa duwt.

9 samen genieten van het vreemde verschijnsel kaka, in een voorleesboek waarin de mol (met echte schoenen aan!) kwaad is omdat hij kaka op zijn hoofd kreeg; opa verheft zijn stem als hij voorleest wat de mol roept: “wie heeft er op mijn hoofd gepoept?”; kleinzoon herhaalt: “kaka” en wijst waar de kaka ligt. Die van de koe is hem het liefst. Die ligt zo plat. Pets, zegt opa. Pets, zegt kleinzoon.

10 elke bergbeklimmer is beginnen klauteren op zijn opa. Dat schijnt een wet te zijn. Een natuurwet.

19-08-13

Naar psalm 116

Mijn bewerking van psalm 116, voor de oude man van de vorige post...
Foto: nog een beeld van Giacometti, geen oude man maar een oude hond...
Ze lijken op elkaar..

IMG_7011.JPG


 

Naar Psalm 116
 

Als u zo dun wordt, leven,
dat u moet scheuren,
 
laat het dan zacht zijn
reik mij een hand 
 
al is hij nog zo broos
glimlach als één
 
die niets meer nodig heeft
laat mij dan, dunner
 
en dunner, oplossen
in wat er is, tot
 
ik alles ben en niets meer 
mij is in alles.
 
Maar zachtjes.
Ook dan wil ik zingen.



15-08-13

Ontmoeting

IMG_7016.JPG

 


In de winkel, voor mij, oude gebogen man achter een rollator, waar hij voorzichtig zijn ingescande boodschappen in neerzet en dan aan meisje achter de kassa, zomerjobstudentje met bolle wangen, vraagt hoeveel hij moet betalen.

Na haar antwoord, hij, met een glimlach: jij hebt het laatste woord.

Zij, nu helemaal rood geworden: ja, ik ben de cassière.

Hij geeft haar met die trage gebaren van oude mensen zijn geld, kijkt nu naar mij, ook met een glimlach en gaat dan met een dank u wel weg.

Aan de voordeur staat hij het bonnetje te lezen, glimlacht mij nog eens toe met zijn oud gezicht, zijn rode uitgezakte oogleden. Kom, zegt hij, we zijn er mee weg.

Een goeie dag nog, wens ik hem, en fiets de straat op, ondertussen denkend: dit is toch een gezicht dat ik ken, maar niet zo oud, nee, niet. Er zitten in de tijd sprongen die je kunnen verwarren.


(foto: beeld Giacometti, Fondation Maeght, St Paul de Vence, eigen foto, zoals bijna altijd ;-)

14-08-13

Lichte verlorenheid

IMG_7821.JPG

 

 
In Devon, halfweg juli, had ik een merkwaardige droom (ik droom altijd veel onderweg). Ruth Joos interviewde mij (hoewel ik haar radioprogramma nog nooit beluisterd heb) over poëzie en poëzie schrijven. Ik hoorde mij zeggen dat het centrale kenmerk van dichten een soort “lichte verlorenheid” was. Lichte verlorenheid tegenover de werkelijkheid, in het moment, en ook tegenover de taal, waarin gaten en kieren komen, betekenissen scheef gaan staan, klanken opborrelen die er niet eerder waren, en zo voort. 
Vond dat zelf een mooie typering, dat van die “lichte verlorenheid”. Dacht in mijn droom: ik moet dit onthouden, opschrijven. En voilà, ’s morgens wist ik het nog...


IMG_7820.JPG
 
 
 

12-08-13

tot haar hand

Dit is het kleine gedichtje waarover sprake in de vorige post. Jaja, wat denkt een mens niet allemaal als hij ligt te woelen in zijn bed. 

IMG_7638.JPG



 

Kijken is

de zachtste manier

om iemand 

door je 

te laten lopen

dacht hij

tot haar hand

hem zocht

bleef liggen

en in hem

verdween

10-08-13

Samenwerken

IMG_7633.JPG

 

 

Begin augustus. Gisteravond een acute aanval van wat ik zou noemen creatieve eenzaamheid. Of positiever gezegd: diep verlangen om met anderen samen te werken, dingen te maken, uit te discussiëren, te voltoooien. Enfin, mij laten bevruchten. Ik heb mijn zwijgzame boeken om mij heen, ze spreken net als bij Montaigne als ik ze opensla, en internet is ook een rijkdom.  Daarom is dit hier mijn eersteverdiepingstuurcabine, mijn hermitage, mijn poolhut, om in stilte andere stemmen te kunnen horen, om mijn spons nat te maken, om te voelen hoe mijn huid niet afscheidt maar stukken van mensen en wereld laat binnenstromen. Geen gevangenis, maar uitzicht. 

Dat verlangen kwam er allicht omdat in de zomertijd iedereen lijkt samen te werken: festivals van muziek en theater, Gentse Feesten, krantenbijlages. En allicht kwam het verlangen er ook omdat ik back home was van een klepperende, stuwende, hakende, roepende stad Parijs, van een volgestouwd flatje, van teveel gezichten...

Gisteravond laat op Cobra.be het interview gezien met Miriam Vanhee, naar aanleiding van haar nieuwste bundel. Dezelfde juistheid in antwoorden, zoals ik haar van vroeger ken. Maar een nog grotere tover geïnjecteerd in wat toch heel herkenbare gedichten zijn. Scherp gesneden rimpels in haar gezicht. Een klein hiklachje regelmatig. 

Daarna heel de nacht bezig geweest, in een soort halfwakker, met prutsen aan woorden, met verzinnen van eigen antwoorden op gestelde vragen, met rondtollen rond dit wezen dat ik toch maar ben, rechtop, ja, maar zo’n nood aan een spiegel om mij daarvan te overtuigen. Dat is veel draaien en keren in bed...

Om half zes opgestaan om een klein gedichtje te noteren. De zon zat al volop tussen de vitrages te wachten, vol glanzend lichaam, rechtop, zeker, maar vragenloos, dat ook. Puur bestaan dat zich voltrekt. 


(Foto: vrouwenruggen, een werk van Chantal Pollier, getoond in de tentoonstelling Histories of thought, in de Sint Baafsabdij te Gent, waar ook een gedicht van mij groot aan de wand hing...)

07-08-13

Van de armen

IMG_5643.JPG
 
Armen uitgestrekt, in protest, in ontvangen, dat was het beeld dat dit gedicht triggerde. Waar concreet weet ik niet meer. Maar het gaat om een iconisch beeld, dat we allemaal wel kennen, en koesteren ook. Van die armen vond ik geen eigen foto (tenzij de opgeheven armen bij het protestbeeld in Mauthausen, zie post 27-11-07). Maar ik had  wel een foto van dit schilderij van Matisse (MoMa, New York). Het toont dansende armen, en ook een dans is een statement...
 
 
 
 
Van de armen
 
Eerst waren er de armen, dan was er het kruis.
Zoals er altijd een slimmerik is die
het gepaste wapen vindt, al was het maar 
de steen die tegen de slapen wordt gegooid
met de juiste kracht, en dan verdwijnt
als rook en hoeken, dat soort zwijgen.
 
Maar dan loopt er weer een vrouw, armen open,
tussen andere vrouwen, alsof de straat opgeëist
kan worden, alsof een kwetsbaar lichaam sterk 
genoeg is voor een hele wereld. Wapens 
hebben nooit leren spreken, armen wel. 
Armen laten woorden achter in zelfs de grootste lucht.
 
Dat een vrouw meer is dan een sluier op het hoofd
en kinderen op haar armen, dat een mens
ook een vraag kan zijn, er is een donkerte
die daar de zenuwen van krijgt, en daarom 
andere slimmeriken nieuwe wapens laat zoeken.
 
Verse vijanden in het avondjournaal, een nieuw
virus maar zo ouderwets trouw,
lekkend geld, dat bleker en bleker opdroogt, 
het ziekenhuis dat voorschot na voorschot vraagt,
een vluchtmisdrijf per straat en
eenzaamheid die groter is dan alle hoofden samen.
 
Dit is bestaan, dit zijn geen wapens,
zal je zeggen, en je hebt gelijk. Het wapen
laat ook ruimte voor zijn vrienden, het
is niet ongepast hautain, maar houdt
zichzelf bescheiden op de achtergrond,
daar waar ook de beslissingen leven.
 
Eten vinden en een luier is voorgrond,
daar moet je op straat voor komen, daar
waar de kwetsbaarheid zichzelf ontmoet
en van de nood een deugd maakt. Niet sterk 
zijn de armen van mensen, maar waarlijk slim
als ze alle beetjes leven zo zorgvuldig bijeenleggen.
 
En diezelfde armen maken een foto die niet meer 
weg wil gaan, van twee ogen en een mond en
die wanhopige armen. En ze pakken het kind op 
en leggen het in de armen van een ziekbed, 
de geduldigste onder de ziekenzusters. En altijd weer 
leren handen schrijven, fijner tasten is er niet, 
 
woorden die nooit meer zullen overgaan,
wat een wapen ook doet doet, van hoe ver
het duister ook sissen zal: Sla! 
Woorden zijn de doorzichtige armen
van mensen geworden, kogels raken ze niet 
bloed en adem weten zich beschermd.
 
Ik weet het, soms zijn woorden ook wapens,
van de ergste, als ze verdelen om te heersen,
geesten verstoten met heilige onzin,
van het eigen bloed een afgod maken
en van de eigen god een rechter.
 
Maar woorden verdragen geen leugen.
Altijd weer komt het moment dat ze
naakt willen zijn, hun kleren uitgooien
en de armen, ongebonden, uitstrekken.
En zo vinden ze in elkaar zin en begin.
 
Eerst waren er de armen. Dan kwam het kruis.
Eerst waren er de woorden. Dan kwam de prop.
Voor elk lichaam dat roept is er een wapen.
Maar armen en woorden blijven reiken
naar elkaar: aan dit geloof houden ze zich
vast, gebaren van een groter lichaam.
 
 
 

05-08-13

Kijken...

In de zomertentoonstelling van Watou wordt een video getoond van Marina Abramovic, performance-kunstenares die in het Moma dagenlang telkens een nieuwe mens intens in de ogen kijkt, gezeten achter een tafeltje, met aan de andere kant een stoel waar dan om de paar minuten die nieuwe mens op komt zitten. Zij: lang gezicht, lang haar, een stevige neus en inderdaad twee intense ogen. Het is een merkwaardig moment: twee onbekenden ontmoeten mekaar, woordloos, te midden van voorbijgangers en kunstwerken van een wereldberoemd museum. Zij doet, levend, wat elk kunstwerk zou moeten kunnen doen...


Tot, en dat wordt dus gefilmd, haar ex-man in de stoel komt zitten, heel voorzichtig glimlachend, zij haar gebogen hoofd optilt, in een eerste moment toch haar verrassing niet kan verbergen, hem dan de aandacht geeft die ze ook aan de anderen geeft, maar toch niet kan verhinderen dat haar ogen zich traag vullen met tranen, die uiteindelijk over haar wangen lopen, terwijl haar ex-man diezelfde lichte glimlach behoudt, af en toe met zijn hoofd trekt, en uiteindelijk zij zich voorover buigt, over het tafeltje, en haar beide handen met de palm naar boven uitstrekt, en hij zijn handen in de hare legt, zo, weer verenigd, een kleine moment dat een eeuwigheid lijkt te duren...

Ik vond haar zwijgend kijken al ontroerend, maar deze onverwachte hereniging greep mij diep aan...



03-08-13

Helena van Troje danst op het aanrecht (Margaret Atwood) - eigen vertaling

IMG_5639.JPG

 


 
Helena van Troje danst op het aanrecht
 
 
De wereld loopt vol vrouwen
die mij zouden vertellen dat ik me moet
schamen, kregen ze de kans. Stop met dansen.
Liever wat zelfrespect
en een job voor overdag.
Jaja. En een minimuminkomen,
en spataderen, van acht uren recht
te staan, op één plek, achter
een glazen toonbank, ingepakt
tot de nek, in plaats van
naakt, als een sandwich met vlees.
Handschoenen verkopend, of zoiets.
In plaats van wat ik nu verkoop.
Je hebt talent nodig om 
een ding te venten dat zo vaag is
en zonder tastbare vorm.
Uitgebuit, zeggen ze. Jaja, hou
er mee op, ik kan tenminste kiezen
waar, en het geld is ook van mij.
 
Ik lever wel degelijk waarde.
Zoals de priesters verkoop ik een droombeeld,
als parfumreclame verlangen,
of wat er op lijkt. Precies als in moppen
of in de oorlog  is het de timing die het doet.
Ik verkoop mannen hun slechtste gedachten
terug: dat alles te koop is, en in stukken 
en in brokken. Ze gapen me aan en zien
een kettingzaagmoord net voor ze gebeurt,
als dij, kont, inktvlek, spleet, tiet en tepel
nog altijd met elkaar verbonden zijn.
Zulk een haat gulpt in hen,
mijn bieraanbidders!  Of een vage
hopeloze liefde. Kijkend over de rijen hoofden
en opkijkende ogen, smekend
maar klaar om naar mijn enkels te happen,
begrijp ik overstromingen en aardbevingen,
en de drang om op mieren te stappen.  Ik
volg het ritme en dans voor hen, want
zij kunnen het niet. De muziek ruikt
naar vossen, knapperig als verhit metaal
neusgaten uitdrogend
of vochtig als augustus, wazig en loom
als een geplunderde stad, een dag later,
als alle verkrachtingen gebeurd zijn,
en de moorden, en de overlevenden
rondwaren op zoek naar eetbaar
vuilnis, en alles is troosteloos uitgeput.
Nu ik het daar over heb, het is het glimlachen
dat me het meest moe maakt.
Dat, en doen alsof ik ze niet horen kan.
En ik kan het ook niet, want 
ik ben voor hen toch een vreemde? 
De spraak hier: wrattige keelklanken,
zo duidelijk als een dikke plak ham,
en ik die kom van de streek van de goden
waar betekenis zingt en indirect is.
Ik vertel het niet aan iedereen,
maar nader wat te dicht en ik fluister:
mijn moeder werd verkracht door een heilige zwaan,
kun je dat geloven? Je mag me voor
het diner uitnodigen. Dat vertellen we
aan alle echtgenoten. Er zijn genoeg
gevaarlijke vogels daarbuiten.
 
Hier zijn er niet veel, maar
jij wel, jij begrijpt dat.
De rest wil me gewoon bekijken
en helemaal niets voelen. Me in stukjes breken
als in een uurwerkfabriek of een slachthuis.
Het mysterie vermorzelen. 
Me levend inmetselen
in mijn eigen lichaam.
Door me zouden ze willen kijken,
maar niets is zo wazig
als algehele helderheid.
Kijk! Mijn voeten raken het marmer niet!
Als adem, als een ballon, zo stijg ik op,
ik hang zes inches in de lucht
in mijn gloedvolle zwanen-ei van licht.
En jij denkt dat ik geen godin ben?
Test me.
Dit hier is een toortslied.
Raak me aan en je zal branden.
 
 
 
 
 
 
Helen of Troy Does Countertop Dancing
 
The world is full of women
who'd tell me I should be ashamed of myself
if they had the chance. Quit dancing.
Get some self-respect
and a day job.
Right. And minimum wage,
and varicose veins, just standing
in one place for eight hours
behind a glass counter
bundled up to the neck, instead of 
naked as a meat sandwich.
Selling gloves, or something.
Instead of what I do sell.
You have to have talent 
to peddle a thing so nebulous
and without material form.
Exploited, they'd say. Yes, any way
you cut it, but I've a choice
of how, and I'll take the money.
 
I do give value.
Like preachers, I sell vision,
like perfume ads, desire
or its facsimile. Like jokes
or war, it's all in the timing.
I sell men back their worse suspicions:
that everything's for sale,
and piecemeal. They gaze at me and see
a chain-saw murder just before it happens,
when thigh, ass, inkblot, crevice, tit, and nipple
are still connected.
Such hatred leaps in them,
my beery worshippers! That, or a bleary
hopeless love. Seeing the rows of heads 
and upturned eyes, imploring
but ready to snap at my ankles,
I understand floods and earthquakes, and the urge 
to step on ants. I keep the beat,
and dance for them because
they can't. The music smells like foxes,
crisp as heated metal
searing the nostrils
or humid as August, hazy and languorous
as a looted city the day after,
when all the rape's been done
already, and the killing,
and the survivors wander around
looking for garbage
to eat, and there's only a bleak exhaustion.
Speaking of which, it's the smiling
tires me out the most. 
This, and the pretence
that I can't hear them.
And I can't, because I'm after all
a foreigner to them.
The speech here is all warty gutturals,
obvious as a slab of ham,
but I come from the province of the gods
where meanings are lilting and oblique.
I don't let on to everyone,
but lean close, and I'll whisper:
My mother was raped by a holy swan.
You believe that? You can take me out to dinner. 
That's what we tell all the husbands.
There sure are a lot of dangerous birds around.
 
Not that anyone here
but you would understand.
The rest of them would like to watch me
and feel nothing. Reduce me to components
as in a clock factory or abattoir.
Crush out the mystery.
Wall me up alive
in my own body. 
They'd like to see through me, 
but nothing is more opaque
than absolute transparency.
Look--my feet don't hit the marble!
Like breath or a balloon, I'm rising,
I hover six inches in the air
in my blazing swan-egg of light.
You think I'm not a goddess?
Try me.
This is a torch song.
Touch me and you'll burn. 
 
Margaret Atwood
 
(Voor een eerder gepubliceerd Atwood-gedicht, zie in het archief 17/12/ 2010)

31-07-13

Een gedicht van Margaret Atwood. Eigen vertaling.

Margaret Atwood is voor mij een ontdekking. Ik kende haar gedicht Variaties op het woord slaap al, maar ik ontdekte onlangs hoe weerhakerig haar andere gedichten zijn. Ze bewegen zich vaak aan de rand van de afgrond, met hoogtevrees, met pijn, maar ook met weerbarstige zelfbewustheid. Zoals Multatuli schreef: 'De hoogste vorm van moed is hoogmoed'. Nog zo'n weerhaak. 

 

IMG_6986.JPG
 

Variaties op het woord Liefde   
 
Met dit woord stoppen we graag
gaten dicht. Net de gepaste vorm voor die nog warme
lege plekken in het spreken, voor die rode
hartvormige leegtes op de pagina, die helemaal
niet op echte harten lijken.  Doe er een strikje
rond en je kan het verkopen.
Ook gebruiken we het in dat ene lege gat
op de gedrukte handleiding
waar geen uitleg bij is. Hele magzines
zijn er waar echt niet veel meer in staat
dan het woord liefde, je kan het 
over heel je lichaam wrijven en je kan
er mee koken ook. Hoe weten we
of het niet dat is wat gebeurt in de koele
uitspattingen van slakken onder
vochtige stukken karton? En de zaailingen
van onkruid, die hun koppige snuiten oprichten
tussen de slaplanten, ja ze schreeuwen het.
Liefde! Liefde! zingen de soldaten, en ze
presenteren hun glimmende messen als saluut.
 
En dan, wij tweeën.
Dit woord is voor ons
veel te kort, het heeft maar
zes letters, te weinig
om die diepe kale leegten
te vullen tussen de sterren
die op ons drukken, doof als ze zijn.
We zijn niet zozeer bang om te vallen
in liefde, nee, het is die angst.
Dit woord is te weinig, maar we 
zullen het ermee moeten doen. Een 
enkele klinker in deze metalen 
stilte, een mond die zegt
O opnieuw en opnieuw in
verwondering en pijn, een adem,
een vinger die zich vastklemt
aan een kliprand. Je kan
vasthouden of loslaten.
 



Variations on the Word Love
 
This is a word we use to plug
holes with. It's the right size for those warm
blanks in speech, for those red heart-
shaped vacancies on the page that look nothing
like real hearts. Add lace
and you can sell
it. We insert it also in the one empty
space on the printed form
that comes with no instructions. There are whole
magazines with not much in them
but the word love, you can
rub it all over your body and you
can cook with it too. How do we know
it isn't what goes on at the cool
debaucheries of slugs under damp
pieces of cardboard? As for the weed-
seedlings nosing their tough snouts up
among the lettuces, they shout it.
Love! Love! sing the soldiers, raising
their glittering knives in salute.
 
Then there's the two
of us. This word
is far too short for us, it has only
four letters, too sparse
to fill those deep bare
vacuums between the stars
that press on us with their deafness.
It's not love we don't wish
to fall into, but that fear.
this word is not enough but it will
have to do. It's a single
vowel in this metallic
silence, a mouth that says
O again and again in wonder
and pain, a breath, a finger
grip on a cliffside. You can
hold on or let go. 

 
 
foto: fragment uit een Chagall-schilderij (Nice) 
 
 
 
 
 
 
 
  

26-07-13

Had ik van luchten het borduurwerk (Yeats): een eigen vertaling

IMG_6418.JPG


 

Had ik van luchten het borduurwerk (W.B.Yeats)
 
 
Had ik van luchten het borduurwerk,
Van goud- en zilverlicht doorregen,
Die blauwe, grauwe schaduwkleden
Van nacht en licht en halfomlicht,
Ik spreidde alles voor je voeten:
Maar arm ben ik, ik heb slechts dromen.
Ik heb ze onder je voet gespreid.
Wil zachtjes over mijn dromen lopen.
 
 
Had I the heavens' embroidered cloths,
Enwrought with golden and silver light,
The blue and the dim and the dark cloths
Of night and light and the half-light,
I would spread the cloths under your feet:
But I, being poor, have only my dreams;
I have spread my dreams under your feet;
Tread softly because you tread on my dreams.



Een van Yeats' meest bekende gedichten. Omwille van het centrale beeld, dat Yeats zo knap uitwerkt, een vernuftige verschuiving van het hele grote naar het kleine, dichtbije, dat blijkbaar dus even groot is...
Maar ook omwille van het muziekje dat in het gedicht zit: niet zozeer het rijm (dat bestaat uit gelijkrijmen, zijnde een simpele herhaling van hetzelfde woord), het is het ritme dat bluesy zijn eenvoudige liedje zingt (vier klemtonen per vers, die ik heb proberen te bewaren in de vertaling: had ik van luchten het borduurwerk). 
 
 

23-07-13

Evensong in Wells Cathedral

IMG_7856.JPG

 

  

Evensong in Wells Cathedral

 
 
Ze kwamen in twee rijen aangesjokt
de jongste knapen engelachtig
de oudsten als een trage klok
die wacht en tikt en dan weer wacht.
 
Vooraf gegaan door Mister IJdel
zo zwaaiend met zijn zilverstok
een koningszoon om nu te wijden
maar nu vergeten door zijn God.
 
De kleinsten in hun klein gezicht
ze dragen kraagjes om hun keel
hun grote ogen maken zingen licht
zoals zij kijken, van nabij, en veel.
 
De banken zijn een houten glans
en lampen doen hen langzaam drijven
een boot vol zang en oude dans
een lot vergeten mensenlijven.
 
Ze zijn soms moe, ze geeuwen dan
dan sleept de klank die rond hen windt
heel even, plots een aardse ban.
Het is het orgel dat hen toch weer vindt.
 
De preacher leest gebeden, al te stil
voor deze ruimte van gevlochten dromen
te groot verlangen voor een kleine wil
maar uitgezongen, uitgesproken.
 
De ijdelmeester stapt naar voor
en leidt de lome kudde weer
terug naar daglicht, dat plots schreeuwt.
De dromen liepen leeg, maar ooit nooit meer.

 
 
(foto's: Salisbury Cathedral)
IMG_7850.JPG

21-07-13

The old ways

IMG_7818.JPG

 
 
Geen land dat meer voetpaden heeft dan het Verenigd Koninkrijk. Bridleways, footpaths, publiek toegankelijke paadjes, ze liggen als een fijnnervige bloedsomloop verborgen over dit golvende landschap. Geen land ook dat meer wandelboeken maakt. Niet alleen met het doorwandelde landschap als achtergrond of thema (de paden van bijvoorbeeld romantic poet Wordsworth, of Ian MacEwans roman On Chesil Beach), maar veel meer nog geweldige boeken over het wandelen zelf, rambling over all these old ways. Wij hebben Cees Nooteboom, zij hebben John Berger, Synge, Bill Bryson, Eric Newby, Jonathan Raban, Laurie Lee, Redmond O’Hanlon, John Hillaby, om alleen nog maar in mijn bibliotheek een greep te doen. Van laatstgenoemde begeesterde me, jaren geleden, de voettocht van Land’s End in Cornwall tot John O’Groats in Noord-Schotland, een klassieker onder de langeafstandswegen, met tientallen individuele verslagen op het internet.
 
Een verschil met de Amerikaanse wandelaar is dat deze laatste meer wildernis ontmoet, en ook vaker een doler is. Denk maar aan Jack Kerouacs On the road, of Blauwe Wegen (van William Least Heat Moon), of Zen and the art of motorcycle maintenance (van Robert Pirsig). Of aan een van mijn helden, Thoreau, die in Walden zijn eigen wildernis herschept... In the old country is de wildernis weggeduwd, door mensen, parken, wegen, dreunende auto’s, uitzwellende steden. Enkel in het Noorden en het Westen ligt er nog natuur groter dan de mens.
 
Dacht ik. Tot ik op reis Robert Macfarlane ontdekte, en zijn boek The old ways, een schitterende gecomponeerd en geschreven verslag over zijn exploratie van letterlijk de oude wegen, over kalkheuvels, zandstranden bij eb, of het hardste graniet en gneis. Bedolven onder zand, of onder de westelijke onmetelijke hemel bijna onzichtbaar aangeduid met kleine piramides of drie stenen als een schoof tegen elkaar gezet...

En de erudiete Macfarlane loopt niet alleen zelf die oude paden af, maar de Cambridgedocent overstelpt je ook met lectuur, nieuwe namen en een fascinatie die heel ver teruggaat. Wandelen als levensvorm: bewegen moeten elk levend wezen vanzelf al doen, anders komt er geen eten op tafel en wacht er geen bed. Maar bij dit bewegen, te voet en in mijn geval zwervend met de auto, is er die voortdurende nood aan het onverwacht grotere, zelfs al is het maar een blad in avondlicht, of de zang van een leeuwerik, of de helling van een heuvel, of de ontmoeting met een onbekende. Wat ik uit dit boek leerde, is dat dit onbekend grotere zo vaak een diepe melancholie moet doen vergeten: het eigen kleine bewegen, dat op zichzelf al zo zwaar kan wegen, kan verwarren, paradoxaal genoeg kan doen verlammen (niet meer bewegen). Als de wereld zo groot is dat ze je kan verwonderen, weegt het eigen gewicht minder, is het makkelijker vertrouwen, kracht en vreugde te bewaren...

Daarom kijk ik zo vaak door het raam. Daarom wil ik zo graag op zwerftochtreis, ’s morgens niet wetend waar je ’s avonds terecht komt. Sommigen vullen dan een rugzak en trekken weg, alleen onder die grote hemel. Misschien heb ik teveel van die grote hemels gezien in mijn jeugd, dat ik dat zou doen. Maar er was ook nog zoveel niet geziene wereld die moest worden gezien. Die opgejaagdheid is, tot tevredenheid van mijn vrouw, nu rustiger geworden. Waardoor ik meer heb leren houden van het stappen zelf, iets wat zij al heel lang graag deed. En dat Macfarlane vergelijkt met het ritme in poëzie: de onophoudelijke jamben (of trocheeën) van voet na voet, van voet na voet...

20-07-13

Dakloze vrouw, een ontmoeting

IMG_5642.JPG







(Tekening E. Munch, in MoMa, New York)

Dakloze vrouw, een ontmoeting
 
 
Haar gezicht is aangekleed
als haar lichaam: met resten
van anderen, van een
slordige dag, van
veroordeelde kleur.
 
De straat kijkt niet weg,
merk ik, maar ik wel.
Kijken kan pijn doen, zelfs
bloeden, alsof een mes
snijdt in de glans.
 
Maar de straat kijkt niet 
weg, de stenen dragen haar
ongewassen voeten, de lucht
vergeet niet te ademen
voor haar.
 
Proberen te bewaren, dat is
wat leven doet. Maar soms
vergeet het, veel, staat stil,
kijkt om, alsof daar
iemand riep.