19-07-13

mensen 13

Nefertite

 

Berlijn juli 2010-18.JPG

18-07-13

mensen 12

Vader en dochter

IMG_4158.JPG

17-07-13

mensen 11

Marika en haar poezen

IMG_5098.JPG

16-07-13

mensen 10

Oud en jong


IMG_4081.JPG

15-07-13

mensen 9

Schonekunstenaars, Montmartre

 

IMG_5377.JPG

14-07-13

Mensen 8

Guido als maffiabaas (100-dagenshow van zoveel jaar geleden...)(foto Hugo Lenaert)

 

GVh.JPG

13-07-13

Mensen 7

Bokrijk

IMG_0149.JPG

12-07-13

Mensen 7

IMG_3685-001.JPG

11-07-13

mensen 6

Oud-strijders, Normandië

 

IMG_0121-002.JPG

10-07-13

Mensen 5

Twee bewakers in Guggenheim, New York. 

IMG_5766.JPG

09-07-13

mensen 4

lekkere pralines (brussel, zavel)-1.JPG

08-07-13

Mensen 3

20100301_1151.JPG

07-07-13

Mensen 2

Winkelstraat Auckland NZ.JPG

06-07-13

Mensen 1

Op reis in Devon (E), tot half juli. Ondertussen post ik hier wat foto's van ontmoetingen onderweg, in de loop der jaren...

 

Love (Camping owner East Coast NZ).JPG

05-07-13

leren spreken

Jongen verbergt zich in tel.cel Auckland NZ.JPG

 

*
Wandelend in mijn bibliotheek (3). Omdat de twee kleinzonen de menselijke taal in en rond hen aan het aftasten zijn, herlas ik Een vogeltje in mijn buik, notities van filosoof Corn. Verhoeven over zijn dochtertje van anderhalf dat leert spreken. 

Twee ook voor mij herkenbare citaten: “Steeds meer raak ik ervan overtuigd dat de genialiteit van zulke peuters volkomen uniek is, niet te herhalen op latere leeftijd en allerminst te verwerken in een methode. Methode is actief; deze genialiteit is eerder passief, receptief, een geschenk.”(66)

“Ik zou niet gemakkelijk kunnen zeggen wat de taal precies betekent voor Neeltje. Zij betekent, denk ik, meer dan een mogelijkheid om haar wensen kenbaar te maken, zelfs meer dan een kans om met ons allerlei uit te wisselen. Ik krijg steeds meer de neiging om te zeggen dat taal voor haar een gearticuleerde, akoestische index van haar aanwezigheid is, een gebabbel dat alleen maar geen onzin mag zijn, niet omdat wij het dan niet verstaan, maar omdat het dan niet zo eindeloos gedifferentieerd en subtiel gearticuleerd is. Taal is de manier waarop een aanwezigheid in al haar geledingen tot haar recht kan komen. Hiervoor is nodig dat zij in beginsel verstaanbaar is, omdat anders die aanwezigheid niet in alle details bevestigd kan worden. Als zij tekens zou uitzenden die wij niet zouden herkennen, zou haar aanwezigheid niet bevestigd kunnen worden. Voorlopig staat alles wat zij te zeggen heeft in het teken van de boodschap: ‘ik ben er en ik ben bij jullie.’ Dit feit moet op elk moment en in al zijn consequenties telkens weer gecontroleerd en geverifieerd worden door haar en onze uitspraken.” (149)

Ik vraag mij af of taal in heel veel situaties, en voor de meesten van ons, die betekenis niet behouden heeft: ik ben er en ik ben bij jullie...

02-07-13

Die Rose des zuschauns (Rilke)

IMG_7718.JPG


 

 Wandelend in mijn bibliotheek vind ik bij Rilke, in de Vijfde Duineser Elegie:  “die Rose des Zuschauns” , de roos van het toekijken...

Als ik ze zie openkomen, de rozen, met hun slanke middel en hun nieuwe kleren zo elegant om de heupen, lijken ze de mooiste vrouwen van de tuin, en ver daarbuiten... En ze kijken inderdaad aandachtig uit hun ogen, naar de rest van de wereld, of die ook zo mooi is...



30-06-13

Lectuur: De geschiedenis van de vooruitgang (Rutger Bregman)

De geschiedenis van de vooruitgang is een biezonder inspirerend boek. De 25-jarige (!) auteur ervan toont niet alleen een verbijsterende hoeveelheid kennis en lectuur, hij kan ook heel helder nadenken en treffend formuleren. En zijn onafhankelijke natuur, die zelf wil onderzoeken en vergelijken en concluderen, bevalt me. We babbelen al genoeg elkaar na. 

rutger bregman.jpg
Dat de wereld ten goede veranderd is, dat hoorde ik mijn oude vader vaak genoeg zeggen. Hij die de hele twintigste eeuw mee beleefde, niet verder naar school kon omwille van de eerste grote oorlog en zijn afkomst, zijn eerste eigen fiets had toen hij dertig was, nooit het buitenland heeft gezien, hij kon het wel smaken dat de snelwegen vol licht staan, en dat je geld uit de muur kan halen, en dat koppels nu samenwonen voor ze denken aan trouwen, enzovoort. Zoals hij de eerste helft van zijn leven leefde, zo leefden mensen ook in de 19de eeuw, en vroeger: dominantie kerk en staat, scheiding standen, geen echt onderwijs, geen media of auto, geen stromend water, geen ijskast, geen vakantie, ergens ver wel een dokter, kleine winkeltjes zonder veel keuze, verstelde kleren van je broer of zus, stille dromen, eens getrouwd altijd getrouwd...

Pas in de jaren zestig en zeventig is de wereld van aanschijn veranderd: ik was 12 toen in ’62 bij ons thuis de televisie binnen kwam, allicht om de nieuwe paus te kunnen zien. Voordien waren het dezelfde stille avonden als van eeuwen voordien. Ik weet nog hoe verward mijn vader was toen hij beelden zag van de landing op de maan. Op de oude radio-met-zijn-knoppen-langs-de-vreemde-steden luisterde ik naar radio Veronica (Boudewijn de Groot zong begeesterend Welterusten, meneer de President, op de hitlijst kwam Procol Harum binnen, op de eerste plek, met A whiter shade of pale, ik vond dat toen een ongelooflijke gebeurtenis, het staat me bij als was het gisteren).

Vandaar dat het woord vooruitgang voor mij een biezondere betekenis draagt. Mijn kleine verhaal van uitbraak uit resten 19de eeuw, uit polderverlatenheid, uit niet(s) weten... Vandaar dat de titel van dit boek mij aantrok.

Maar er is nog een andere reden. Het vooruitgangsgeloof van de grote verhalen (christendom, communisme, socialisme) lijkt vandaag uitgeteld. Maar ook het verhaal dat die leemte opvulde, dat ongebreidelde sky-the-limitkapitalisme, ook dat verhaal loopt vandaag tegen een torenhoge muur aan. Bij wie met de wereld begaan is, zie ik nu eerder een soort doemdenken woekeren: deze wereld redt het niet (meer), de mens is het enige dier dat zijn eigen nest kapot maakt, enz... 

Hoe moet het nu verder? De vooruitgang die mijn vader zag, die lijkt wel verwezenlijkt: een goed materieel leven voor de grote meerderheid, ook steeds meer in de rest van de wereld. Is er dan nog vooruitgang denkbaar? En welke is dat dan?

Dit boek, van een heel jonge mens dus, eindigt met een onbeschaamd pleidooi voor een innerlijke vooruitgang, voor een politiek van de verre blik, voor utopieën die deuren openzetten, niet beknellen en beknotten. Ik kon, al lezend, alleen maar heftig meeknikken, en dankbaar zijn voor zoveel engagement.

28-06-13

Teveel

IMG_7694.JPG



Een morgen in juni. Ik kijk door het raam en zie de wolken, grijs en wit en alle schakeringen daartussen, en in alle vormen. En ik zie de bladeren wiegen. En ik hoor vogels. En in de straat stappen mensen voorbij, ze dragen hun gezichten door de dag en hun leven lijkt niet mee te tellen in dit moment, en toch zijn ze er. En mijn boeken staan te wachten op hun planken, ze zouden zoveel kunnen vertellen, maar wachten is nu eenmaal wat alles van betekenis doet. Wachten en klein bewegen, zoals de ekster die zich van het dak laat vallen, zoals het gedicht van Rilke dat ik toevallig opensla. 


Betekenis die wacht en wil wachten, en soms een beweging maakt van naderbij komen, ik zoek er evenwicht in, als ik weer eens alle teveel heb gezien. Zoveel eten in de supermarkt, wie koopt dat toch, en gooit men het overschot dan weg. Zoveel boeken, wie leest ze, of zelfs maar wie heeft ze gezien. Zoveel nieuwsfeiten, en ze rollen maar voorbij, groot of klein gedruis makend, zonder of met een beetje context of geschiedenis, gelogen of verdraaid of gewoon dom, en wie heeft nog die verre blik die ervaring en wijsheid zouden moeten meebrengen. Zoveel mensen, en ze lopen elkaar voor de voeten, en ze kijken je aan in het voorbijgaan maar knikken niet, zeggen niets.  Zoveel geluid, muziek tot slaaf gemaakt en afgebeuld, je oren en je kop verziekt van geraas en gefluit. Zoveel aanbiedingen en kortingen, nieuwe apps en nieuwe spulletjes, en tegelijk het brood weer duurder en de tandarts duurder en de schoolreis. 

Er is een razernij in dit leven, en soms word ik daar moedeloos van, en dan ben ik nog een luxe-vermoeide want ik hoef mijn centen niet drie keer om te keren, of mijn ogen dicht te doen om het verlangen in het moment te smoren. Maar er is teveel, teveel, en het loopt te snel, en het babbelt te luid, en het heeft vaak geen manieren.

En dan kom ik thuis, en kijk ik door het raam, naar de wolken en het licht. Of ik neem een boek uit de vele wachtende boeken, en laat mij zachtjes verrassen. Of ik loop in de tuin, en vraag mij weer af waarom ik zo graag de wind hoor, misschien is het wel de aanraking die het doet. En ik kijk, en daar ben jij, jij bent er al zo lang, het is ook een soort wachten: wachten bij, verwachten, de wacht houden, ook dat, ja, ook dat. 

 
Zu dem gebrauchten sowohl, wie zum dumpfen und stummen 
Vorrat der vollen Natur, den unsäglichen Summen,
Zähle dich jubelnd hunzu und vernichte die Zahl.
 
Voeg je, bij alle gebruikten, alle gedoofde, stomme
schepselen uit ’s wereld volle voorraad, de onuitspreekbare sommen,
voeg je daar jubelend bij, en vernietig het tellen.
 
(Rilke, Sonnetten voor Orfeus, 2e deel, 8ste sonnet)

27-06-13

Over overvloed

IMG_7395.JPG






Over overvloed
(voor Paul & Anke)
 
 
Jezelf er op betrappen
dat je toch weer naar haar kijkt.
En glimlachen vanbinnen,
een klank die langs je strijkt.
 
Dat zij daar bij je zit,
zo vol aanwezigheid.
Haar adem die nu wiegt.
Haar huid vol zachte tijd.
 
En wat ze zegt, en wat ze denkt.
Die wereld die ze draagt.
Die dromen die ze lacht,
of zingt, of rustig maakt.
 
Moet er nog koffie zijn,
vraagt ze, en als je knikt
besef je dat de wereld draait.
Maar samen, jij en haar,
 
met mensen van de straat
met dagen die nog komen
of die gekomen zijn,
dit koppig-oude stromen.
 
Hoeveel keer kun je herbeginnen,
denk je, terwijl de koffie dampt.
Aan alles zijn er zomen,
Aan alles zit een rand.
 
Maar het kan overstromen,
dit leven, in mij, in ons,
in al wat lichaam heeft
en van ontroering leeft.

23-06-13

Het grote luisteren (29&30)

IMG_7388-001.JPG


29
 
Misschien moeten we een nieuwe eenvoud vinden in onze omgang met die grote Genegenheid. Roepen als er een nood is, doen we vanzelf al, want we blijven kinderen, hoe oud we ook zijn. Maar misschien moeten we ook klanken en gebaren vinden voor de diepe vreugde. Nog meer dan beschermen en troosten laat een kind zich koesteren en gewoon liefhebben. Maar af en toe moet het armen voelen, een glimlach zien, weten (niet begrijpen) dat het goed is. Misschien moeten we dat opnieuw leren, dat kleine besef, dat toch alles omvat, alles samenvat.
 
Ik zat in een Quakermeeting, waar dertig tot veertig mensen een uur in stilte bij elkaar hadden gezeten, met slechts af en toe iemand die rechtstond om iets van haar of zijn gedachten te delen. Ik was daar naartoe getrokken uit nieuwsgierigheid, en omdat het dicht bij mijn logement was, en omdat ik de romans van Jan de Hartog had gelezen, en, vooral, omdat ik bewondering had voor die dogmaloze, voorgangerloze, kaarsen- en wierookloze stilzitters, die als eersten waren opgekomen tegen slavernij, vreselijke gevangenisomstandigheden, doodstraf, bewapening en oorlog, vrouwenonderdrukking en nog meer van die diepe bewogenheid.
Het uur liep naar zijn einde, er kwam een kinderoppassende oudere vrouw binnen met een klein jongetje, drie of vier jaar oud. Mamie, zei het kind, en dan weer: mamie. En het stapte rustig maar beheerst naar zijn jonge moeder, die daar tussen de zwijgenden had gezeten en nu glimlachte en hem op haar schoot trok. Mamie, zei hij nog een keer, terwijl hij rondkeek naar de mensen in het lokaal. 
 
En ik dacht: hij jubelt met dat ene woord. Met dat ene woord zingt hij zijn vreugde, zijn geborgenheid, zijn zin van bestaan. Ondertussen mag hij nieuwsgierig zijn en rondkijken, hij hoeft niet echt te beseffen wat dat woord ‘mamie’ allemaal aan betekenis in zich draagt, hij hoeft het alleen maar te zeggen. En de glimlach te zien van zijn moeder. En de handen te voelen die hem op schoot trekken. En de aai te voelen van de wang boven hem. De ouderen van jaren rond hem hebben een uur zich zwijgend, zonder poespas, in alle eenvoud, open gesteld voor de grote Wang die hen aanraakt, in een poging te ervaren, te beseffen, te begrijpen wat dit mysterie toch met hen wil doen, of wat zij met dit mysterie willen doen. Maar hij kan verstrooid rondkijken, en toch zich aandrukken tegen een lijf dat alles samenvat wat hij van het leven nodig heeft.
 
Mamie. Soms zijn woorden groter dan al wat wij er in kunnen leggen...
 
Dat zijn de echt religieuze woorden, schrijft Abraham J.Heschel: woorden die een horizon in zich dragen die te groot is voor ons mensen, maar die ons helpen hunkeren. Hun betekenis is veel groter dan de woordenboekdefinitie, veel groter ook dan wat wij ervan beseffen. Hun betekenis strekt zich uit over eeuwen ervaring, eeuwen verhalen, eeuwen zoeken en tastend vinden.  Hun betekenis spreekt voor ons, verlangende kinderen.
 
We hebben geschreven taal en wiskunde uitgevonden om onze logica te laten bloeien, maar in ons hart raken we soms niet veel verder dan ‘Mamie’. Wij beseffen niet vaak waarnaar en hoezeer wij verlangen, en het zijn de oude woorden die het ons leren. Laten we stil zijn, en hen laten spreken, zij weten het beter, zij hebben de ervaring die wijsheid is geworden, van eeuwen al, en zijn niet te beroerd om ons, kleinen, mee te nemen, bij de hand te nemen, te troosten, te leiden, te leren spreken. 
 
 
 
 
 
30
 
Laten we kleine vruchtbare leegte zijn voor woorden groter dan ons, voor de oorspronkelijke energie die ze in zich dragen, en die je ook voelt als iemand het stil wil maken voor je, en diep naar je luistert, en zich op die manier, met jou, voegt in een groter luisteren, en een grotere genegenheid, en levenskracht losmaakt zonder het soms zelf te beseffen...
 
Laten we kleine vruchtbare leegte zijn voor verwondering, en ons niet schamen dan voor de jubel die in ons opwelt, omdat gedeelde jubel nog grotere betekenis is. En dat we te klein zijn om alles te vatten, is niet erg, vreugde moet niet ophouden waar wij eindigen...
 
Laten we kleine vruchtbare leegte zijn voor de gave die elke adem is, elke blik, elk nieuw gezicht, we kunnen nooit genoeg geboorte voelen, en ons kind weten van een groter lichaam. We kunnen nooit genoeg geloven dat er een bron is die weer kan stromen. Dat ook het verdriet kan stromen. Dat zelfs stenen kunnen slijten en gladde, glanzende keien worden, oude vormen van bitterheid, van haat, van oud verweer,  maar die nu zo mooi afgerond zijn dat we ze bijhouden, om naar te kijken, om ons te herinneren wie we geweest zijn. Vormen die niets meer tegenhouden…
 
Laten we kleine vruchtbare leegte zijn voor het grote verliezen, beweging al net zo groot als die ons leven gaf. Elke dag toch één blik, één woord, één gebaar weggeven aan die grote stroom die ons aandoet, en ons weer achterlaat…
 
Laten we kleine vruchtbare leegte zijn voor de grote Wil, voor de grote Goedheid die we in ons en in elkaar herkennen. Als we beseffen dat wij kinderen zijn van een Genegenheid die ons zegenen wil, zullen wij de genegenheid ook teruggeven.  Ook die leegte, hoe groot ze ook is, wil gevuld worden… 
 
 
 
(30) is het laatste deel van dit 'Het grote luisteren'. Bedankt voor het mee-luisteren.

22-06-13

Het grote luisteren (28)

 

 IMG_6822.JPG

 

28
 
Het einde van de film The King’s Speech ontroerde me diep. Niet alleen omdat de film zo knap naar de climax van het einde toewerkt. Niet alleen omdat die climax zo knap in beeld is gebracht. Niet alleen omwille van de geweldige vertolkingen. Niet alleen omwille van de aangrijpende vriendschap tussen die twee mannen, zo mooi uitgedrukt in hun blikken. Maar vooral omdat de hele film mijn mensbeeld uitdrukt: dat een mens gemaakt is om te veranderen. Te groeien, te bloeien, vrucht te dragen, dat wil zeggen anderen te doen groeien en bloeien.
 
Een mens is gemaakt voor de volheid. Maar alleen slaagt hij daar niet in. Er moet een volheid naast hem zijn, die zijn arm om hem heen slaat. Die hem aankijkt met ogen die mild zijn, zacht. In de leegte tussen de ene volheid en dat andere verlangen ontstaat een vruchtbaarheid waar wij mensen ten diepste afhankelijk van zijn, hoe geleerd en getalenteerd en rijk wij ook zijn.
 
Gisteravond zag ik mijn kleinzoon Elias’ kwetsbare lichaampje in zijn couveuse, en ik zag tegelijk de hand die hem koesterde: die van zijn ouders, die van de verpleegkundigen, die van alle kennis die de machines had gemaakt. Kwetsbaarheid en volheid, en de vruchtbare leegte tussen hen beiden...
 
Dat is mijn wereldbeeld: dat al wat bestaat, omringd wordt door genegenheid. En dat tussen die twee wonderen gebeuren...

21-06-13

Het grote luisteren (27)

 

 IMG_6984.JPG

27

 
Misschien zijn wij die spontane jubel, die vanzelfsprekendheid in het aanvoelen van de grote genegenheid in de loop van de geschiedenis wat kwijtgeraakt. Althans toch in zijn maatschappelijke relevantie. Politiek, economie, die zijn maatschappelijk relevant blijkbaar, maar die innerlijke genegenheid voor wat er is, of kan zijn? Dat ouders tot tranen bewogen zijn door hun nieuwe leven, dat vinden we normaal, maar we beschouwen het als iets persoonlijks. 
 
Hoewel, als ik de zorgzaamheid zie van de verpleegsters in die afdeling voor prematuurtjes, waar mijn kleinzoon Elias nu ligt aan te sterken, als waren ze een tweede moeder die de eerste komt helpen, dan vind ik plots die verwondering om geboorte wel maatschappelijk relevant. 
 
En in de dagelijkse opvoeding zal voor verwondering ook wel een grote plaats worden ingeruimd: kijk, zei mijn vader, naar dat vogeltje. En hij zweeg, en ik mocht kijken met hem. En zijn zwijgen leerde mij meer over het wonder rond mij dan alle uitleg die later zou komen. Een van de beroemdste gedichten van Nijhoff, en van de Nederlandse poëzie tout court, gaat over dit gedeelde zich verwonderen van ouder en kind:
  
        “Ik droeg nog kleine kleren en ik lag 
         languit met moeder in de warme hei. 
         De wolken schoven boven ons voorbij, 
         en moeder vroeg wat ik in de wolken zag.”
 
Maar achter die eerstaanwezigheid van alles, als ik mij zo mag uitdrukken, een gevend gebaar zien waarvoor slechts dankbaarheid en jubel past, die spontaneïteit zijn we wellicht kwijt. Hoe meer wij mensen zelf maken van wat we rondom ons zien, huizen, straten, auto’s, lichten, hoe meer we de ratio loven. En terecht, verre van mij om al dit weten dat ons leidt, niet de lof te geven die het toekomt. 
 
En toch aarzel ik weer. Want autoritaire kerkgenootschappen mogen dan wel hun aanhang verliezen (net als autoritaire regimes), mensen blijven in de ‘nutteloosheid’ van kerken zoeken naar een vruchtbare leegte. En net nu winkelcentra zich voorstellen als het nieuwe paradijs, hunkeren meer mensen dan ooit naar het eenvoudige mysterie van een boom en zijn bladeren. 
 
Ik zag ooit, in een BBC-programma over de wijsheid van oude volkeren (Millenium heette de reeks), een oude Indiaanse vader ’s morgens, op zijn kromme benen en met zijn verweerde gelaat, een heuvel opklimmen, gaan zitten en de zon loven die hem hem de dag gaf. Waarom die scène mij is bijgebleven, is omdat ik keek met de ogen van zijn kleinzoon, die met hem was meegegaan en naast hem zat. Die ogen van die kleine jongen, zo intens gericht op zijn opa naast hem, en op wat hij aan het doen was. Misschien begreep hij, klein als hij was, nog niet wat zegenen was, of de diepe betekenis die zijn opa ontleende aan dankbaarheid, of de overgave van die man die toch een heel leven had geleid en doorgegeven, of de onwaarschijnlijke relatie tussen een kleine mens en een groot licht, of de ruimte en de tijd waarin zo iets mogelijk was, of... Misschien begreep hij niets concreet in woorden of gedachten, en toch zag ik hem gevuld worden met wijsheid die zijn leven zou bepalen... 
 
Hoe begint de zogenaamd vrijgemaakte moderne mens aan zijn dag?  Looft hij de dag als het licht door zijn wimpers binnendringt? Looft hij de dag als hij zijn zoon met volgeladen boekentas de deur ziet uitgaan, met een halve groet, zoals die opgeschoten stengels dat plegen te doen? Looft hij de dag als de auto hem naar zijn werk brengt? Ziet hij dat het licht weer alle kleur heeft meegebracht? Dat iedereen nog de woorden kent? Hoeveel slimmigheid er in humor zit? Hoe gratis die humor is? Ziet hij hoeveel slimmigheid er in samenwerken zit? Hoeveel overgave er in goed samenwerken zit? 
Laten we zeggen dat hedendaagse mensen loven in vlagen, korte momenten dat even de aanwezigheid zijn evidentie verliest en wonder wordt, gegeven en gekregen wonder. Niet iedereen heeft de tijd om een berg op te klimmen en het zonlicht te loven. Niet iedereen heeft daar de woorden voor. Maar laten we hopen dat iedereen wel die spontane, bijna kinderlijke reflex heeft om achter de grote evidentie de niet-evidentie van alles te zien, met diezelfde verraste ogen waar kinderen zo sterk in zijn.
 
Vele mensen branden een kaars bij een groter verlangen, een grotere zorg. Dan moet die kaars maar loven, in al zijn geconcentreerde schoonheid, in al zijn geduld, in al zijn zwijgen. 
 
Velen spreken de Goedheid zelf aan. Van binnen, alsof ze zich wat schamen of misschien omdat ook deze relatie zo intiem is als een andere, herhalen ze nog even hun wereldbeeld: dat een mens niet gemaakt is om alleen te leven, met zijn handvol talenten, dat er een nabijheid moet zijn die dat leven deelt, in grote liefde...  Zoiets dieps kun je wel vlug even denken, maar enkel innerlijk. Zoals je een zoon ziet buitengaan naar zijn school, en op dat moment ook van alles beseft, teveel voor de paar woorden die je dan zou kunnen vinden, teveel voor het brokje tijd dat je dan maar krijgt...


IMG_6985.JPG


(foto's: De schepping van de wereld, Marc Chagall, in Musée Chagall, Nice. Chagall houdt van engelen, hij weet dat ze die hele diepe nood aan aanraking symboliseren...)

20-06-13

Het grote luisteren (26)

20100407_1372-001.JPG 

 26

 
Die genegenheid wordt bezongen in literatuur en kunst, in kerken en heiligdommen, in liederen en muziek zonder woorden. Die genegenheid ligt in de blik van ouders, in de oudgeworden hand die zegent, in de ene mens die luistert naar de andere.
 
Telkens zoveel tsimtsoems. Wat zijn kerken en heiligdommen anders dan leeg gemaakte ruimtes waarin, misschien, het heilige wil terugstromen. Wat is de blik van ouders anders dan een totaal leeggemaakte belofte, onvoorwaardelijk. Wat is een roman anders dan een uitproberen van een nieuwe tsimtsoem, een leegte gevuld door nieuw leven. Wat is een gedicht anders dan een tasten aan het grotere mysterie, een voorzichtig wrijven met de vinger over wat voor woorden normaal gezien te groot is.  Wat is muziek anders dan een klank die heeft leren wachten op een andere klank. Wat is lucht anders dan leegte die in leven houdt.
 
En in al die genegenheid valt het zwijgen op, de stilte van wachtende nabijheid.
 
Genegenheid is wachten op geboorte, met het geduld van wie zeker is van de mogelijkheid, met het geduld van wie weet dat het toch geen tovertruc is, maar verlies en winst door menselijke inspanning. En toch, ondanks dit winnen en falen, toch die genegen blik die blijft, blijft bij, niet wegloopt, maar hoeder is van de diepe overtuiging waar wij mensen van moeten leven: dat het goed is, dat het kan, dat het mag...


(foto: een van de mooiste kerken die ik ooit zag: Saint Ouen, in Rouen. Niet meer gebruikt voor de eredienst, bijna letterlijk leeggemaakt. En van een slankheid die verbluft. Stenen licht.)

 

19-06-13

Het grote luisteren (25)

IMG_5521.JPG

 

 

25
 
De nacht nadat mijn kleinzoon geboren werd die de naam Elias draagt, de lang verwachte, dacht ik, in een van die momenten dat een mens wakker ligt en er in hem gedacht wordt, dat mijn filosofietje van de aanraking nog veel en veel groter is dan ik het tot nu had begrepen. Aanraking is niet alleen wat die kleine jongen die prematuur op de wereld kwam, gevoeld heeft, toen zovele handen hem opvingen en naar de couveuse brachten en hem toedekten. Aanraking is de totaliteit van het warme mysterie leven dat hem toeviel, met misschien al zo vroeg het bewustzijn dat daarmee gepaard gaat. Dat is het: we weten dat we leven, hoe vreemd het ook is en blijft wat aan ons gebeurt, en gebeurde toen we uit de moederschoot opgevangen werden door handen van goedheid. Totaal is dat mysterie, het omvat alle gegevenheid, niet alleen dat van onszelf, maar van de hele wereld zoals die rondom ons leeft, en dat maakt het nog veel overweldigender ongrijpbaar.
 
Datzelfde mysterieuze leven dat in hem groeit, in zijn bleekrood glanzende huid, in zijn blauw dekentje, door de slangetjes die hem nog wat helpen ademen, glanst ook in zoveel meer tastbaars. En ik bewonder dankbaar de kennis die hem in leven houdt, die hem koestert, maar nog veel heviger kijk ik naar het gegeven dat hij er is, en dat ik niet kan vatten, noch met een woord, noch met een gedachte, noch met een blik. 
 
IMG_2902.JPGOoit maakte ik een foto van een vader in het gras, liggend op z’n zij naast zijn jonge zoon in een draagwieg. Het zoontje handjes en voetjes uitgestrekt, geluidjes makend zoals kinderen doen die het mysterie volop aanwezig laten zijn in henzelf. Maar het is vooral de blik van de vader naar zijn kind, die me treft: hij lijkt dwars door dat hem gegunde leven te willen kijken, om toch maar iets te kunnen vatten van het wonder dat hij nu maanden bij zich heeft en dat zijn zoon is. En tegelijk zie je dat hij wel ten diepste aangeraakt is, maar die veel grotere aanraking, die van het eigenlijke verschijnen en aanwezig zijn, niet kan vatten. Hij kijkt, en ik hoop dat hij zal blijven kijken, want al kunnen we niet vatten, we kunnen wel proberen te vatten. Wij kunnen wel proberen geraakt te zijn, wij kunnen proberen in de buurt te blijven van het grote wonder, ook als zo’n kind al lang geen kind meer is.
 
Dat er een wereld is, dat is de grootste aanraking. En die spirituele blik die zich verbergt in die aanrakingsmetafoor van mij, is geen geloof in een of andere magische kracht, die wordt afgeroepen als kennis het laat afweten, maar integendeel het antwoord van een zich blijvend verwonderend bewustijn. Antwoord is misschien een te groot woord voor de zwijgende blik van de vader, voor de gedachten die in deze nachtelijke open plek mij aandoen, voor de handen die Elias’ ouders straks op hem zullen leggen (niet strelen, daarvoor is de huid nog te dun),  voor de angst die hen bevangt als ze denken aan de kwetsbaarheid van dit mysterie en voor de gloed die hen bevangt als ze denken aan hun eigen grote liefde voor dit nieuw verschenen wezentje. 
 
Misschien hebben mensen, van geboorte tot geboorte, wel altijd al een intuïtief aanvoelen gehad van dat grote wonder, misschien zijn mensen alleen al daarom spirituele wezens. Bestaan is ontzaglijk, niet alleen voor ouders, maar ook voor iedereen die dat bewustzijn van haar of hem niet volstopt met materiële winsten en lichamelijke lusten. 
 
Misschien is het dat wel wat we kwijt zijn geraakt: die vanzelfsprekendheid waarmee de werkelijkheid meer is dan louter kennis, dan louter feiten, dan een verzameling etiketten en indelingen. De vanzelfsprekendheid waarmee de ontmoete werkelijkheid een luisteren is, dat wil zeggen aanwezigheid ons gegeven ten goede. Wie of wat die gever is, is een vraag die in haar grote gegevenheid ons overstijgt, maar waar we wel een aanvoelen van meedragen, van moment tot moment, van ontmoeting tot ontmoeting, zoals dat meisje in de bus zich koesterde in de omarming van haar vader.
 
Leven dat is gegeven, verdient jubel, omdat het zelf jubelt. Dat is een oud woord voor het spontane zingen dat ook loven en danken is. Dat is wat ik zie in de blik van de vader voor zijn zoontje in de wieg. Dat is wat ik hoor in de stem van de vader in de bus, in de overgave waarmee het meisje zich door die stem, en die armen laat omringen. Jubel is wat de psalmist weer rust en sterkte geeft, na zijn grote, soms woedende klacht. Jubel is de lente die nooit opgeeft, maanden kan wachten. Jubel is het leven delen met het leven, en samen oud worden, en nog altijd niet weten wat er met al die gedeelde ervaring zal gebeuren als het eenmaal ophouden zal, het mysterie. Jubel is het aandachtige gezicht van de verpleegster bij de couveuse, de kennis van dokter en vroedvrouw bij het kraambed, zoals die kennis zacht was, zacht was van genegenheid. 
 
Misschien is genegenheid een mooi woord om die grote aanraking toch enigszins te benaderen. Genegenheid komt van nijgen, naderbij komen, door iets dat in se groter is. Groter is het leven, maar het komt naderbij in dat kleine mensje Elias, zo broos als hij daar ligt. Groter is het leven, maar het weet zichzelf te temperen, en heel voorzichtigjes zal het zichzelf laten groeien in dat kindje, 15gr per dag, vertelt de zorgzame stem bij die erbij zit en alle cijfertjes in de gaten houdt. De grote aanraking, die alles omringt, als genegenheid: dan zou die liefde kunnen verklaren waarom elk nieuw leven tegelijk ook zo onwaarschijnlijk mooi is...

17-06-13

Het grote luisteren (22&23&24)

IMG_4166.JPG

22

 
De andere kant is Angst. Met een hoofdletter. Geen mensenkind zou overgelaten mogen worden aan zichzelf, zonder een andere leegte om in over te lopen. Geen mensenkind zou overgelaten mogen worden aan enkel zijn lichaam, zo helemaal alleen. Ons lichaam is te klein, te schamel voor zoveel leven dat tekeer gaat.
 
De andere kant is Angst. Angst met een hoofdletter is het wegvallen van elke grond, het vallen in een leegte die niet opvangt. Is de angst voor dit vallen, plots nijpen vuisten je borst samen, stokt de adem in je keel en is je lichaam, je arme lichaam, even hulpeloos als jij. 
 
Als er niemand is op wie geroepen kan worden, dat is Angst. Dat mag je een kind niet aandoen, dat je niemand aandoen. Als het op leven aankomt, zijn wij allemaal kinderen. Er is een leegte, er is een zwijgen die verwoesten. Als er geen groter lichaam is voor ons kleine lichaam, dan kunnen we enkel stikken...
  
 
 
23
 
Ik vertelde van mijn angst aan twee vrouwen, vriendinnen die daar toevallig waren en een vraag gesteld hadden die mij open brak. Ze luisterden, keken, knikten soms, en als ze iets vroegen, was dat net goed genoeg om mij weer verder te duwen. Het stromen en opgevangen worden in die luisterende leegte voelde weldadig aan, het was alsof mijn verhaal op dat moment het belangrijkste van de wereld was.
 
Geluk was het niet. Een andere weldadigheid was het, een die te maken had met mijn diepste betekenis...
 
Het was van zo’n eenvoud, zelfs terloopsheid, dat andere mensen langs ons konden gaan, andere gesprekken naast ons klonken, iemand een fles bier opentrok, iemand lachte. Daar tussendoor kreeg mijn leven weer betekenis. Voor de zoveelste maal...
 
 

24
 
Wat is dat toch: ervaringen van niks, ervaringen zonder naam, die je zo weer in het leven trekken. Ik weet van die ene vriendin dat ze graag in de tuin werkt. Als een soort vriendschap tussen twee die allebei in leven zijn en dat op een vreemde, stille manier delen. Ondertussen toch elkaars zachte aanwezigheid proevend. 
 
Soms zelfs komt het tot een gesprek. Zij ziet hoe de wortels en de takken maanden kunnen wachten, zij vraagt zich af of zij dat ook kan en ziet alleen maar milde aanmoediging naast haar. 
 
Ooit vertelde ze van de man die haar bijna dagelijks opbelt. Het water staat hem aan de lippen, hoe vaak kun je levend dood zijn. Maar dan belt hij even, kort, en een stem aan de andere kant bewijst hem het tegendeel. Bewijst zoveel meer: dat de ene mens wil wachten op de andere, dat er leegte is die ook kan genezen, dat...  
 
Of dan gaat hij weer wandelen met zijn hond. Nog zo’n vrijgemaakt wezen dat zich met graagte laat vollopen met ander leven, alsof het slechts daarom gaat, gedeeld leven...
 
Ervaringen van niks. Die andere vriendin heeft een glimlach die zelfs stenen kan openbreken. Een glimlach: er is geen mooiere uitnodiging van het ene leven aan het andere. Hier is de eenvoud grote kunst geworden...

16-06-13

Het grote luisteren (21)

IMG_0279.JPG

 

 

21
 
Zo is het, overal waar we ruimte maken voor de roep om ruimte, misschien heilige grond die we betreden. En al is dat Gezicht waar we op roepen, misschien niet meer dan het kleine voorbijgaande onopvallende gezicht op de hoek van de straat, toch is, als ik maar goed genoeg kijk, dit kleine gezicht, zo naamloos en verlegen als het is, drager van het allergrootste, al weten we niet hoe we daarmee moeten omgaan.
 
Heilige grond is de blik tussen de gezichten, als de leegte daar voorzichtig opengelegd wordt. Heilige grond is het wachten. Heilig is de groei, de mogelijkheid, de nieuwe geboorte, al was alles dood en verlaten. Heilig is het besef dat je overweldigt als je leven in zijn totale uniciteit ziet. Heilig is het verdriet dat je overweldigt als je leven in zijn totale eenzaamheid ziet, wat niets anders is dan verlangen op ommekeer. Heilig is dit gedeelde schreien. Heilig is de gedeelde glimlach. Heilig is het vermoeden van de grootte van de beweging, dat ze zo lang al bezig is, golft over en door het ene leven naar het andere, zoveel meenemend in die beweging, niet verwoestend maar bewarend. Heilig is de kleine hoop waartoe we zelf in staat zijn, en het vermoeden dat die niet anders is dan de grote hoop die door de wereld trekt. Heilig is het lichaam dat ons draagt, maar ons ook uitdeelt, als vraag, als spiegel, als diepste aanraking. Heilig is de naam die ons noemt, het woord dat in ons spreekt, ons begrijpt, ons verhaalt, ons herinnert. Heilig is de genade dat we mogen en kunnen bewegen, groeien, veranderen. Heilig is de goedheid die ons bewoont, die ons leven deelt en mee draagt. Heilig is de nabijheid die ons niet alleen laat. Heilig is het mogen ophouden, mogen weggaan, en heilig is het verlangen om, ook dan, zeker ook dan, niet verloren te lopen, niet bedrogen te worden, niet achtergelaten, niet de totale zinloosheid te ontmoeten, na een heel leven zin zoeken en vinden en krijgen en geven.
 
Kan ik ooit dichter komen bij dat grote gezicht dan door zo bewust mogelijk, zo intens mogelijk, zo dankbaar mogelkijk, zo uitgedeeld mogelijk klein te zijn?
 
Ik zou God kunnen zeggen, Ene, Eeuwige, Zijnde, Grote Geest, Grote Vader en Moeder, Gebaar dat mij geeft, Hand die mij weet, Diepste Liefde, Diepste Verlangen, ik mag honderden onmogelijke namen geven, en toch kan ik niets meer dan met mijn onmogelijke verlangen meegaan, mij laten weggeven door dit onmogelijke willen begrijpen. Ach grote beweging die door mij trekt, die mij meesleurt, die mij roept en mij laat gaan...
 
Het onmogelijke willen wij, verlangende mensen, zoals de Naam onmogelijk is, zoals de Naam ongrijpbaar is. En toch. En toch willen wij het, al zien en horen en weten we niet. Een visioen, zeker, een kinderlijk visioen, ook, als je de hoeveelheid onwil, dood verlangen, koortsigheid ziet die de wereld ook meesleept.
 
En toch. Zo zijn we gemaakt, bij elk nieuw mensenkind herbegint het verlangen totaal. Eerst in die ouders van haar of hem, en dan in dat kleine wezen zelf. De totaliteit van het verlangen, tegenover die berg rusteloze kwaadheid die het te wachten staat. Ook een onmogelijkheid, gezien de verhoudingen. En toch gebeurt het, dat vertrouwen dat, onmogelijk, toch op weg gaat en het onmogelijke mogelijk maakt. In die huid, in dat hoofd, in dat hart.
 
Hoe minuskuul ook dat mensenwezen, vanaf het begin heeft het weet van het grote in en rond hem. Het slaapt er mee in, het huilt er om en het lacht er mee, zo dicht komt het in die twee handen die het oppakken, in die ogen die het ten diepste aankijken, in de naam die het telkens weer roepen wil. De beweging die in ons kleine mensenleven zit, al vanaf, al van voor de geboorte, brengt ons zo dicht bij het grotere, dat we die eerste aanraking nooit meer kwijtraken, dat we dat eerste weten nooit meer vergeten kunnen als verlangen dat ons drijft, en verlangen dat ons zoekt.
 
(Op de bus stapte een jongeman met krukken en een klein meisje. Hij met als rechterbeen een stompje tot aan de knie, zij met haar drie jaar en blond haar. Zij kon niet aan zijn hand stappen, zoals een ander kind, maar hij tilde haar op zijn goede been zodra ze neerzaten en de bus optrok. Hij streelde haar haar, hij keek haar aan, hij zei iets tot haar wat ik niet kon verstaan, hij wreef met zijn duim over haar wang. En zij, zij liet zich dragen in die liefde, ondertussen om zich heen kijkend naar de mensengezichten in haar buurt, met die directe blik die kinderen dan hebben. Maar  achter dit kijken voelde elke vezel van haar kleine lichaam de omarming van haar vader. Hoe ik dit zag? Ik zag het, aan de voldaanheid van haar gezicht, aan de soms kleine neiging haar hoofd even tegen zijn schouder te leggen, aan de rust van haar moment. Ik zag het, ja hoe ziet een mens zoiets, misschien voelde ik het wel, zoals je warmte kunt voelen. Menselijke warmte, ten overvloede uitgedeeld.)
 
Wij zijn nooit alleen, we zijn altijd weer naast iemand, door iemand, van iemand, en die lege ruime tussen ons is ongrijpbaarheid en vervulling tegelijk, en daarin ervaring van het oneindig grotere. Zo dicht komt dat grote gezicht waarop wij roepen, waarin wij inslapen.

15-06-13

Het grote luisteren (19&20)

IMG_4248.JPG

 

 

19
 
In het toneelstuk*  zochten twee uit elkaar gevallen mensen elkaar na 10 jaar weer op. Uit elkaar gevallen door de dood van hun zoon.
 
Er was een deel dat het licht in de zaal aanbleef, en ze elkaar helemaal niet bereikten. Integendeel, ze hakten op elkaar in, voedden wantrouwen en onbegrip, om toch maar niet het verlangen te moeten tonen in al zijn naaktheid.
 
Maar dan, na een nieuwe breuk, kon de man dit keer niet wegrijden. Niet zoals tien jaar geleden. En hij ging zitten, haalde wijn en kaas uit zijn auto, er klonk een andere toon toen hij sprak. En hij vertelde wat hem gered had: dat hij iemand had horen zingen, een zingende mannenstem alleen achter een deur, een zingen dat hem helemaal omhelsde, zijn handen tot diep in hem legde, zo diep dat hij er zelf van schrok, hij wist niet dat hij nog zo diep kon voelen. En hij bleef omhelsd toen het lied uit was, hij bleef omhelsd door de rust die er plots was en bleef, de rust die zei dat alles goed was, nu, zoals het was. Niet meer willen dan dit ogenblik nu, zoals het is. En ervaren, ten diepste, dat je aangeraakt bent en niet meer alleen.
 
En zij dan, met haar bitterheid en razernij tegen een verleden dat niet meer, dat nooit meer terug te draaien is? Zij wil ook weglopen, nu, plots, zoals hij tien jaar geleden vluchtte uit de rouw. Maar ook zij wordt gered, laat zich redden door ineens zijn omhelzing toe te laten. Lang, terwijl hij voor haar zingt, in haar hals. En ook zij krijgt die rust die het moment nu meebrengt, ook zij leert weer dit kleine, grote nu te zien. Hoe het niet meer wil zijn dan dit, klein moment dat met ogen kijkt om vol te lopen, dat wacht tot het zelf mag aanraken wie met ogen naar hem kijkt. De rust niet meer te hebben dan elkaar...
 
*(Gif, NTGent, 22-10-2010, van Lot Vekemans, gespeeld door Elsie de Brauw en Steven Van Watermeulen)
 
 
 
 
 
 
20
 
Als ik nog eens mag proberen de randen te volgen van dat leegmaken, dan zou ik zeggen: leeg worden is de beweging van het grote verlangen. Dat roept om een ontvangende ruimte, als het in nood is, of ontroerd door het plotse wonder, of ten diepste dankbaar voor trouwe aanwezigheid. Maar dat ook kan zwijgen, kijken en luisteren, en daardoor zelf ruimte maakt voor zoveel meer dat ook roept om... Er is zoveel meer dat diezelfde beweging van verlangen in zich voelt woelen. Eén grote beweging is het, en de wereld weet ervan, en de wereld leeft ervan. 
 
Een hele wereld... Alsof wij samen, wij de levenden, het geheim bezitten van dat leven, van die kracht die zo verrassend los kan breken. Verlangen is geen synoniem van oplossing, verlangen is beweging die reikt en (terug)vindt, de beweging van betekenis waarzonder niets wil bestaan. Pas nadien begint er zoiets als een oplossing. Het diep meelevende luisteren van de ene mens naar de andere is geen oplossing voor een probleem (wil dat ook niet zijn) maar een veel diepere leven gevende beweging. En soms (vaak) is die beweging al genoeg, zo fundamenteel is ze. Zozeer raakt ze aan de allereerste aanraking, aan het allereerste luisteren...
 
Zo ook is ten diepste stil worden en kijken naar mens en wereld een daad van herstel, van respect op het allereerste niveau, dat van mogen bestaan... Ook als het over de grote wereld gaat, mag en kan dit kleine lichaam van mij luisteren, wachten, er bij blijven. Als we al die kleine luisterende lichamen optellen, dan krijgen we toch een groot lichaam...
 
Als we al die daden meetellen, al die eeuwen, alle andere levende wezens die niet ophielden te hunkeren, te zorgen voor hun jongen, voor hun takken en bladeren, hoeveel beweging van verlangen hebben we dan? En misschien is het nog groter, zit er achter al dit verlangen een gebaar dat ooit wilde beginnen, dat ooit dat allereerste idee van gevend verlangen had, dat een wereld liet ontstaan die meer wilde zijn dan fysische wet, onvoorspelbare chaos, beweging die niet meer kon dan bewegen, zichzelf in stand houden, in welke richting dan ook.
 
Wellicht is die beweging van verlangen wel wat in veel religies bidden wordt genoemd. Bidden heeft niet veel met geloof te maken, wel met de diepe hunker naar vertrouwen, naar ergens bij iemand thuiskomen, naar de zekerheid die er als kind was, dat iemand, iemand toch, iemand altijd, er zal zijn. Niet om op te lossen, maar om er te zijn.

14-06-13

Het grote luisteren (17&18)

IMG_4068.JPG

 

 

17
 
Als we geen Gezicht hebben, wat hebben we dan?  
 
We hebben de beweging van tsimtsoem die we elkaar geven. In de stilte die we in en rond ons maken, klinkt misschien een groter wachten. In de ruimte die we in en rond ons maken, welt misschien een grotere ruimte op. In het niet weten proeven we misschien de eerste aanvaarding. In het gezicht dat we ontmoeten, en dat kan  zomaar bij het omslaan van een hoek, raakt ons die vraag naar lucht, naar openbreken, naar de nabijheid die we genegenheid noemen.
 
Ons richten tot, daarmee begint de beweging. Dat we dat durven. Dat we durven verlangen, dromen, niet alleen voor onszelf maar voor een hele wereld. Dat we zingen en al onder woorden brengen wat nog niet is. Dat we misschien noemen wat nog niet is, zoals ouders hun kind een naam zoeken, al hebben ze het nog niet gezien.
 
Als ik het gezicht zie dat me aankijkt, zie ik dan tegelijk ook niet de verwondering om weer een mens in wie alles begint, schoonheid en tragiek, verlangen en verlies? Raakt mij dan niet de onmogelijkheid om dit wonder een naam te geven die het recht doet? Wil ik dan niet zomaar (vanuit welke drang?) in de beweging stappen die mee helpt zoeken naar een soort antwoord?
 
Achter de zichtbaarheid zit, voor wie wil kijken en voelen, een onzichtbare beweging waarvoor we nooit genoeg namen zullen vinden om ze te vatten. Soms, even, worden we er in getrokken, de een misschien al makkelijker dan de andere, ik weet het niet, bij mij gaat het niet verder dan een vermoeden. Ik vermoed veel, en daarom blijf ik zoeken. Echt die grotere beweging zien en ervaren doe ik niet. En misschien is dat maar goed ook, blijf ik daardoor nieuwe woorden zoeken, nieuwe gezichten aanspreken, of bekende gezichten die de nieuwheid dragen van het jongste moment.
 
Ook een onmogelijkheid om dat helemaal te vatten, dat jongste moment. Het leert je af er achteraan te lopen met je grote verwachtingen van kleine mens.  Je wordt er leeg van, met de jaren eerder verwachtingloos, je leert je ruimte schoon te vegen, gastvrij te maken voor wat wil aankloppen en binnenkomen. Dat is de rust van wie ouder mag worden: er is wat bijgeleerd... 
 
En alleen al daardoor ontdekt een mens dat hij nog zo klein niet is, dat hij wijder is dan hij ooit dacht. Dat verlangen een beweging is die al vroeger begint dan dit moment, dan dit lichaam van mij, en doorloopt in het volgende moment, in het volgende lichaam. Ja, ik mag roepen als wanhoop mijn borst toeknijpt. Zovelen hebben dat voor mij gedaan. Ja, ik mag kijken en mijn ogen even loslaten. Ja, ik mag luisteren van hoe ver de noot komt die nu zal klinken, en dat hij meegenomen wordt door andere oren, die daar luisteren waar ik niet meer ben. Ja, ik mag kijken naar het onzichtbare in het zichtbare, en mij voorstellen dat, net als ik nu, aanwezigheid wacht bij aanwezigheid.  
 
Ja, ik mag vloeken en tekeer gaan als Job, wanneer het slaan te groot wordt, wanneer de gezichten wegkijken, wanneer het lichaam te bang wordt, wanneer het onrecht tevelen zoekt. Zelfs al weet ik dat mijn roepen geen oplossing brengt, geen genezing, geen ommekeer, ik mag roepen omdat wij, bestaanden, tot elkaar veroordeeld zijn, veroordeeld om elkaar betekenis te geven. Zelfs al is het het stomme donker van de nacht, zelfs al is de massa mensen rond mij overdag te groot, ik moet blijven roepen als Job, tot ik die andere raak die wil stilstaan. En is er niemand die stilstaat, dan roep ik tot een heilig moeten, tot een heilig weten, dat ooit eens, en ook nu, vooral nu, dit gedeelde betekenisroepen in gang heeft gezet. Zich met ons bewust werd van die verschrikkelijke schoonheid die ons nooit, niet, ook niet nu gerust laat...
 
 
 
 
 
18
 
Dus als ik het poog leeg te maken, wat doe ik dan?
 
Ik maak het stil in mij (dat wil zeggen deuren en vensters open, meer kan ik niet doen, ik wil ook niet tussen kale muren wonen, en zonder tafel, kast en stoel) en er waait een lucht binnen die van voor en na mij is, en een landschap staat recht waarin mensen zich omkeren en mij aankijken, alsof ze iets willen vragen. En ik verstil nog meer, omdat al dit leven verlangen is, ik kan er niets aan doen dat ik die stille schrei hoor, de mysticus heeft het zo genoemd, en zijn woorden zijn achtergebleven. Nee, omdat ik mij herken, daarom, omdat in zijn woorden iets van dat geven achterbleef. Als je leeg bent voel je het beter: er moet zoveel adem binnenstromen om verder te kunnen leven, zoveel geven, lucht en genegenheid en erkenning en aanraking. En betekenis in de tijd. En hoop voor de tijd die komt, dat bewaard kan woorden wat kostbaar bleek, zo ongelooflijk kostbaar. Zoveel adem, dat je plots beseft hoe leeg je bent en vlug weer adem haalt.
 
Dit unieke eten en drinken van al wat we krijgen, hoe groot is de hand die ons dit geeft? Hoe groot is de wil die ons liefheeft, ons zichtbaarheid schonk om niet?
 
Veel kan ik niet doen, als ik het zo leeg maak. Stilstaan, zitten, knielen misschien, staren ook. Wachten ook, tot er weer wat meer besef is. Luisteren, naar alle talen die hetzelfde zeggen: de klank van de regen buiten, de klank van woorden, de klank van iemand die iets in je achterlaat, de klank die kan opspringen als iemand je aanraakt (en er zijn veel aanrakingen die willen zingen). De klank van verdriet ook, dat ook jij meeklinkt in die stille schrei, zelfs al zeg je niets, is het alleen dat lichaam van jou dat zijn kleine kreun laat horen. Hoe stil moet een mens zijn bij zijn stille schrei? Je kunt ook opstaan en weggaan, de deur harder dichttrekken dan de bedoeling was, gaan lopen en praten en steeds sneller bewegen. Maar ook daaronder blijft de stilte die je eerst hoorde en niet meer wilde horen. Daarom zijn de nachten zo fel, omdat je niet kunt blijven weglopen  en uiteindelijk met open ogen in het duister je eigen bestaan voelt zeuren.
 
Het is het verdriet van alle bestaan, dat weet je, en het gewicht is ondraaglijk. Want er is geen antwoord, nooit zal er een antwoord zijn. Dat geloofde je nog toen je een kind was, toen er formules waren waarmee je probeerde te toveren, te bezweren. Maar je kunt niet toveren, je kunt alleen dit lichaam laten klagen, en hopen dat het ook nog niet extra pijn gaat doen. Je kunt het volgende moment aankijken en proberen genoeg vertrouwen te vinden voor nog een moment.  Je kunt de adem verzamelen die je wel hebt, in en uit, in en uit, met alle bestaan dat daaruit volgt. Je kunt staren, en weten dat het jouw ogen zijn die dat doen. Je kunt je de namen herinneren van wie je liefhebt. Misschien alleen maar hun namen opzeggen, een na een. Ook een manier om te ademen, namen opzeggen van geliefden, in de hoop dat dat genoeg is om ook hun schrei te horen, te laten horen. Je kunt terugdenken aan het woord dat je gered heeft, aan de boom op het pad, aan de foto die jou bewaarde, aan nog andere namen die je kent, misschien aan al de woorden die je nog kent, aan al het bestaan dat je niet kent en hun onzichtbare beweging. Je kunt in slaap vallen, zoals alle genade overkomt je ook deze, leven is ook wat aan je gebeurt terwijl je aan iets anders aan het denken was.
 
En zo merk ik dat mijn leegmaken een vraag losweekt die niet zonder een andere leegte kan. Zo leeggemaakt ontmoet ik mijn volte, en hou ik ze in mijn handen als een verloren kind, als niet iemand ze uit die handen wil nemen, zachtjes, met aandacht. Ik ben geen vat dat kan wachten tot de regen komt, tot er drank in wordt gegoten, ik ben een mens die in zijn kleinste vezel adem nodig heeft, adem van lucht en betekenis en aanraking.
 
Hoe leger ik word, hoe voller ik word. Waar is de leegte die op mij wacht? Waar is het lied dat mij zingt, de melodie die mij lijkt te kennen, voor mij de juiste toon vindt? Waar is er leven dat mijn bestaan omarmen kan?
 
Ik heb alleen maar mijn verlangen. Dat was al zo toen ik kind was. Dat blijft zo nu ik een mens van jaar en dag ben. Tussen die huid reikt een vraag die reikt naar een antwoord. Als reiken het antwoord is, als kunnen en mogen reiken het antwoord is, dan zal ik morgen weer wakker worden, en misschien is mijn hoofd dan helder, en kom ik iemand tegen met dezelfde heldere blik. In datzelfde nieuwe, heldere licht.

13-06-13

Het grote luisteren (15&16)

IMG_7020.JPG



15
 
Openbaart die wederzijdse tsimtsoem tussen twee personen iets van een nog diepere openheid? Wat de dominee goedheid noemt? Waarvan hij hoopt dat ze hem nooit zal verlaten? (Openbaart: het woord alleen al...)
 
Als een mens bestaan geven telkens weer opnieuw moet gebeuren, als daar zo weinig definitieve woorden voor zijn dat er duizenden verhalen moeten worden verteld (niet toevallig verhalen, geen formules, maar verhalen waarin de ene mens de andere ontmoet, en al wat daarin gegeven of nog niet gegeven wordt), wat kunnen we dan voor definitiefs zeggen over een groter gelaat, een groter wachten, een groter luisteren en ontmoeten?
 
Niets dus.
 
We weten niet eens zeker of dat luisteren wel groter is. Er wordt almacht toegekend in de religies, en we weten niet eens zeker of het almacht is. We weten niet eens zeker of weten hier wel zo belangrijk is. Ervaren dat we een vraag zijn, ervaren dat we in elkaar kunnen klinken, dat een bron weer kan vloeien, dat een ander weten ons opbouwt, ons terugvindt, dat een ander weten de wereld betekenis moet geven op een manier zoals kennis dat niet kan: meer hebben we niet. Vanwaar dan die drang om, achter het gezicht dat we ontmoeten, achter ons gezicht, een grotere blik te ontmoeten? Waarom het ontmoete gezicht losmaken uit zijn tijdelijkheid, waarom het willen wikkelen in een eeuwigheid?
 
Er is een positief en er is een negatief antwoord, misschien.
 
Het eerste: de drang om een groter gezicht aan te spreken, en het Ene, Eeuwige, God te noemen, is wellicht ook verwondering om de verwondering, verlangen diep binnen te gaan in dat gevoel dat elke geboorte begeleidt. Er is nooit genoeg verwondering, omdat ook geboorte nooit genoeg is. Niet rondom ons, niet in ons. We zijn als kunstenaars die verwonderd staan te kijken naar alles wat uit hen te voorschijn komt, ademt, beweegt en leeft. Maken willen we, ons openbreken, altijd maar weer bewegen, veranderen, vinden, oppakken en weggeven, stralen van al het licht dat in en door ons valt, of we nu oud worden of heel jong zijn. Het is verboden oud te zijn, zei Rabbi Nahman van Braslav, de stichter van de Hassidimbeweging met hun cultus van levensvreugde. Elke keer weer dat openbreken van dat grote, onvatbare geheim dat wij zijn, en dat de mens naast ons is. Die immense verwondering, die leven is, overstijgt ons, mensen. Is in zijn gegevenheid een transcendentie, om eens een moeilijk woord te gebruiken. Zelfs voor de arme Job, met zijn woedende wanhoop tegen de onrechtvaardigheid van alles, was dat uiteindelijk wat hem weer stil maakte: die onontkoombare verwondering om wat er is...
 
Het tweede antwoord: de immense kwetsbaarheid waarin bestaan gedompeld is. Die houdt niet, nooit op, zo hevig leven mensen, zo hevig wordt leven hen gegeven. Hevig in slaan, in grijpen, in misverstaan. In verwachten, in ontgoocheling, in verbittering. En zo oneindig onrechtvaardig in al wat deze dunne huid met zijn fijn vertakt ervaren en onthouden kan overkomen. Soms kun je alleen maar huilen bij huilen. In de betekenislogica is het erkennen van het ontbreken van betekenis misschien ook een vorm van betekenis... Als het leven je slaat op een manier die niets meer vandoen heeft met die verwondering wekkende gegevenheid, dan is het misschien vanzelfsprekend dat alle verwond(er)ing zich wil samenballen, roept, en in dat roepen een stem wil horen. Een gebaar wil zien. Als er ooit weer vertrouwen nodig is in een mens, dan wel dan.
 
Soms zijn metaforen niet genoeg, soms moet er iemand zijn, iemand die net het tegengestelde wil dan dit onrechtvaardige, verwoestend slaan. Iemand moet ons nabij zijn. Iemand moet. Hoor mij roepen, zegt de psalm. Als dit leven zo groots is in zijn gegevenheid, waarom dan nu niet, nu ik die hand zo hard nodig heb...
 
Daarom wellicht dat we, helemaal in de lijn van een relationele logica, een gezicht willen zien. Niet slechts het kleine gezicht dat de dag ons geeft, maar soms ook een groter. Het ligt in de lijn van alle zingeving om op een relatie uit te komen.
 
Maar het is een even groot wonder dat dit grote gezicht onzichtbaar blijft. Het gaat inderdaad niet om weten en bezitten, het gaat niet om een waarheid die alles aan zich onderwerpt, het gaat om een relatie, om het wederzijds ruimte geven en krijgen, om de tsimtsoem van verdwijnen en een ander laten schijnen. Een relatie is geen bezit, een relatie is beweging in de tijd, is herinnering die weer hoopt, is samen hopen, samen huilen en samen lachen. Een relatie is geen regel, geen wet, geen dogma, geen beloning en geen straf.
 
Een relatie heeft zelfs geen gezicht, want het gezicht dat dodelijk bedroefd was en zich afkeerde, gaat nu weer open in een teruggevonden rust, in een kracht die samen werd gevonden, ergens, waar men het niet verwachtte. Relatie is wat gebeurt als men er niet aan denkt. Relatie is de opening van alle geboorte, en die opening ontstaat als men haar niet zoekt. Niet het antwoord, niet de oplossing zijn belangrijk, maar de vraag, de snik, de blik, de glimlach.
 
Als verandering louter een kwestie van kennis was, zoals wij kennis altijd zien, dan stond de wereld er beter voor. Maar die kennis is maar de helft van het verhaal. Die andere logica is brozer, kleiner, trager, onverhoopter, stiller. Wat er tussen mensen gebeurt, is niet te grijpen dan in een soort diepe liefde.
 
Altijd weer die liefde.



16
 
Liefde is geen totaal oplossen in verlichting, satori, zoals de dood een totaal oplossen is. Liefde behoudt zichzelf en vergeet toch zichzelf voor de geliefde, want samen is er meer en iemand moet toch ruimte scheppen.
 
Liefde is geen gulzigheid die opeet wat geliefd is, die verslaafd raakt aan al wat ruimte wil maken.
 
Liefde is de beweging die gebeurt tussen twee gezichten, tussen twee aanwezigheden die van elkaar weten dat ze er zijn, maar meer is er niet te grijpen, te hebben, te weten. Liefde is kunnen wachten bij elkaar, is kunnen luisteren als de een spreekt, is kunnen voelen, met die fijne lichamen, dat bestaan onontkoombaar is. Een moeten dat in ons gelegd is, hoe zwaar ook. Hoe onbegrijpbaar ook. Dat twee keer bestaan, met die ogen die verandering zien, mogelijkheid, verlangen, twee keer meer kan, en dat is plots veel.
 
Liefde is verdichting tot verwondering: dat tijdloze kijken dat daardoor weer beweging en tijd geeft. Dat verhalen maakt, laat zingen. Liefde is bewaren. Alles bewaren van wat ooit, misschien wel, toch, als schoonheid bedoeld was, toen het begon, toen, de allereerste aanraking, die eerste liefde, al was die slechts verlangen, zo broos.



(foto: Beeld van Giacometti in Foundation Maeght, St Paul de Vence, Fr - van wie het schilderij is, weet ik niet meer)

12-06-13

Het grote luisteren (13&14)

IMG_6992.JPG

13

 
Het kleine gelaat dat groeit in het lichaam van mijn zoons vriendin, verschijnt mij tegen de achtergrond van een groot gelaat. Even onzichtbaar en even dichtbij. Voor de moederschoot hebben we de scan met zijn contouren, voor het grote gelaat hebben we onze ogen, met hun grote lege ruimte, hun eeuwenoud luisteren.
Allebei groeien ze, het kleine gelaat samen met het grote.
Zal ik met hen kunnen, mogen leven?
Verwachten is ook al zien.
Verlangen is meegroeien.
 
 
14
 
Vanmorgen dacht ik (in het wiegen van het wakker worden): dat grote en dat kleine gelaat leren me iets over wat bestaan is. Nooit grijpbaar, nooit vastgelegd voor altijd, altijd weer afhankelijk van iemand die kijkt, verwacht, verlangt. Elk ogenblik opnieuw moet iemand ons in het leven wensen. Zelfs al worden wij op een bepaald moment bekleed met een lichaam en warmte en adem, dan nog bestaan we maar als dat lichaam aangeraakt wordt, als die warmte gegeven wordt, als die adem verwondering is om groter bestaan. Onophoudelijk moeten we zien en gezien worden. Onophoudelijk moet iemand zeggen “dat het goed is”.
 
Ik las in dagblad Trouw een column van de Nederlandse dominee Jean-Jacques Suurmond. Hij vertelde over dat diepe bewustzijn dat hij meedraagt, en dat hij een besef van goedheid noemt. Een besef waar hij verwonderd mee omgaat, zozeer voelt hij zich erdoor begenadigd. Gezegend, zouden wij ook kunnen zeggen, met een even oud woord. Hij wordt ziek, Suurmond, kanker is het die langskomt, en nog verliest hij dat diepe bewustzijn niet “dat alles goed zal zijn”. 
 
Het is bijna een onbetamelijke ervaring, en toch. Ik moet daar lang bij stilstaan. Vanwaar komt dit ander weten dat hem niet verlaat? Want echt weten doet Suurmond niet: hij weet niet of de kanker zal groeien of krimpen, of hij zal leven, en hoe lang nog. Hij weet niet waar dit geweld in zijn lichaam vandaan komt. Eigenlijk weet hij niet -en wij met hem- of we de volgende adem nog zullen halen...
 
Dit is een ander weten. Een dat te maken heeft met vertrouwen. En vertrouwen heb je in een relatie. Iemand weet van mij dat het goed is. Iemand weet van mij dat mijn leven geen verloren zaak is. Wat er ook gebeure.
 
Je kan het vergelijken met een gelaat. Een gelaat behoort niet tot de orde van het weten, tenzij je je overlevert aan vooroordelen natuurlijk. Nee, een gelaat behoort tot een andere denkorde: die van de relatie, die van de verbondenheid. 
 
En wat zie ik dan? Ik zie leven in zijn meest unieke, meest geconcentreerde vorm, de eerste verwondering van al, dat dit bestaan mogelijk is... Ik zie dat dit bestaan een vraag is waarop het zelf geen antwoord kan geven. Kan ik daar wel een antwoord op geven? Nee. Dokters weten meestal zelfs niet waar een kanker vandaan komt, hoe zou ik antwoorden weten op een nog veel grotere vraag, die naar betekenis? Ik ben geen god van almachtige kennis en grond. Ik ben slechts ik.
 
Het enige wat ik kan is kijken, luisteren, wachten, mijn hand leggen op. Spreken en vaak zwijgen. Het enige wat ik heb is dat ik mijn eigen vraag even vergeet, dat ik mij terugtrek en ruimte maak voor het gezicht dat mij aankijkt.
 
Die eeuwenoude leegte waaruit alles ontstond, hier en nu, in dit kleine ogenblik. Voor elkaar ruimte, leegte maken, dat is blijkbaar het antwoord. Tussen twee gezichten voltrekt zich het vertrouwen, dat dominee Suurmond het goede noemt en waarmee hij zijn kanker aankijkt.
 
La caresse, noemt Levinas dit elkaar in leven laten, dit elkaar het leven gunnen. Dit ontmoeten in verwondering, deel blijkbaar van de oerverwondering waaruit alle leven kwam. Anders zou de kracht niet zo spontaan weer opwellen, als er niet een bron was.
 
De streling waar Levinas het over heeft, is geen weten, geen theorie die iedereen kan leren en toepassen. Leven zo licht aanraken dat het weer gaat bewegen en groeien, is van de denkorde van de ontmoeting. Respect, genegenheid, tederheid zijn evenzeer fundamenten om naar de wereld te kijken als de ratio, je kunt er ook nooit genoeg zorg voor dragen. Niet alleen feiten en argumenten zijn belangrijk om onze wereld op te bouwen, maar minstens evenzeer het respectvol wachten van de ene mens bij de andere...
 
Maar anders dan bij de rationele kennis ontstaat hier geen groot bouwwerk. De rationele menselijke kennis groeit van dag tot dag, van moment tot moment. Een gigantisch gebouw van kennis, dat wonderen verricht, de angst verjaagt en een eigen diep vertrouwen installeert. In de relationele kennis is, daarentegen, alles bij elke ontmoeting weer te herbeginnen. Geboorte is elke keer opnieuw. Je kunt zo weer dood gaan, als er niemand is die jou zien wil. En zelfs als dat bestaan dat jou draagt, je goed gezind is, zelfs dan is elke betekenisvraag weer die allereerste.
 
Jazeker, ook vertrouwen is een gebouw waarin je tenslotte toch gezond en stevig kunt wonen. Maar zelfs met sterke muren van vertrouwen blijft de diepe nood aan iemand die ruimte schept. Adem stroomt in en uit, in alle eenvoud gebeurt hier de essentie. Mogen uitstromen in de relationele ruimte en weer volstromen met dat waar geen woorden voor zijn, het is in alle zelfde eenvoud even essentieel.
 
Want inderdaad, waar zijn de woorden? Kennis die we normaal kennis noemen, is een bergketen van woorden. Bibliotheken, internet, een eindeloze ketting van gesprekken en teksten. Maar het relationele denken worstelt met ongrijpbaarheid. Nooit kunnen we het bestaan vastleggen zoals we dat met andere kennis doen, tenzij we natuurlijk ontmenselijken, mensen terugbrengen tot slaven, terreurvlees, nummers, delen van veel belangrijker gehelen, onzichtbaren, vergetenen. Daarom gaat het, bij de bijbelse profeten: om de strijd tegen dat vergeten ten voordele van veel opvallender, meer macht en geld opbrengende idolen. Daarom dat onontkoombare criterium dat in hun woede is gelegd: de weduwen en de wezen en de vreemdelingen... Wie ziet hun gelaat? Wie toont hun gelaat?
 
Net dat dit gelaat zo klein is, zo kwetsbaar klein, maakt de ongrijpbaarheid uit van alle zingeving. Je kunt er maar geld en macht mee verdienen als je er dogma’s en aantallen en dwingende voorschriften van maakt, en angst en gehoorzaamheid. Terwijl, in essentie, zoals gezegd, het gaat om het respect dat de ene mens de andere aanbiedt, de ruimte waarin de ene vraag de andere even kan aanraken. De herontdekking dat aan dit leven een bron ten grondslag ligt die, in de woorden van Suurmond, goed is. Ten goede is. Geboorte is. Nieuw begin. De kwetsbaarheid vergeten. De kwetsuur gestreeld...


(foto: detail uit Musée Chagall, Nice)