03-10-14

Meervouden... (Inleiding op de geliefde 39)

pasen engeland 042-001.jpg

 

 

Meervouden...

(Inleiding op de geliefde 39)

 

Lig jij een paar dagen ziek in bed, een ziekte uit te zweten, pijn en ongemak uit je lijf te jagen, lig ik zelf meer dan gewoonlijk in de zetel, staar ik meer dan gewoonlijk door de kamer die nu leger is, overvallen mij scenario’s van leven zonder jou, en dat schuurt van binnen.

Op de middag geef ik mezelf een schop, en dat helpt: er wordt bewogen, en wat nuttig heen- en weer geloop verricht, dat de dag niet helemaal verloren lijkt. Koken. Uitwisseling van najaarsfruit met buurvrouw, praatje met haar over de dingen des levens, die niet altijd zijn wat ze moeten zijn, verre van. Maar zij blijft bewegen, zij wel, een strijd die ze nooit kan winnen, maar die in haar geval een net huis en waardigheid oplevert, en blijvende moed in de zorg voor een gekwetst leven.

Je kan wat leren van een praatje met de buurvrouw, en ondertussen ben jij even opgestaan, wankelend, met een kop vol overlopend water, die je met moeite rechtop houdt. En ik vraag hoe het is, of de pijnen er nog zijn, of er koorts bijgekomen is. Maar met een hoofd dat buiten zijn oevers dreigt te lopen, is het moeizaam neen knikken. En honger heb je ook al niet.

En weer is de dag van mijn eenzame alleen. Beetje zitten, beetje zappen, beetje tijd verprutsen, beetje staren, enfin het klassieke gamma van lichte verlorenheid zonder jou.

Het lijkt wel of ik twee motoren heb, en er nu een is uitgevallen. Zonder uitslaande brand, of zelfs maar rook, maar toch, mijn gewicht helt af, ik verlies hoogte, straks wil ik toch wel weer landen. Vreemd toch, dat jouw motor ook in mij werkzaam is, en ik allicht in jou energie aanlever. Vreemd toch, hoe aanwezigheden die zo duidelijk afgescheiden zijn als lichamen, zich ook voor een groot stuk in elkaar bevinden, al zal een metende wetenschapper alle moeite hebben om dat vast te stellen. Er zal wel ergens een lampje oplichten in de hersenen, of wat elektriciteit heen en weer schieten tussen zenuwbanen,maar wat er eigenlijk gaande is tussen die lichamen van ons, kom daar maar eens achter. Dat mee koorts hebben, het blijft een persoonlijke ervaring, vaak onuitgesproken. Kunst houdt zich zich ermee bezig, in liederen, verhalen, afbeeldingen. De herinnering bewaart het, zoals we elke ervaring willen meedragen van overlopen in wat ons dan zo dierbaar wordt. En de angst slorpt het op, want ooit wordt elk lichaam achtergelaten, verloren gelegd in een onmetelijkheid die pas echt onbenoembaar is. Zullen we ook dan nog in elkaar haken, wiegen in elkaar als de ijlste wind? Of zullen we met elkaar uiteenvallen, de ene dood, de andere levend?

Dat in elkaar groeien van lichamen, je voelt het als geliefde, maar ook als ouder, als kind, als vriend. Het verruimt je vel, je zintuigen, je denken, en het vergroot ook je pijn. Een mens heeft al zo weinig te zeggen aan al wat er in zijn eigen lichaam samenstroomt, blijft haken, trekt en botst, of glanst. Leven en lot is de titel van een beroemde roman van de Russische schrijver Vassili Grossman. Het is meet- en waarneembaar, dat leven van ons, maar het is in de diepte ook lot: een ervaring die ons ongevraagd uitschuurt, soms lang ons dezelfde vragen stelt, maar ook zo gul is om veel mee te nemen en te bewaren. En hoe moet het dan als je zo nog een lichaam in je lichaam voelt.

Misschien, zeg ik na wat staren door het raam, misschien is het omgekeerd. Misschien hebben we altijd al geleefd in meer dan één lichaam. Is de ervaring in het lichaam van onze moeder te groeien, veel ouder en dieper dan de ervaring afgescheiden individu te zijn. Is daarom eenzaamheid zo’n grondeloze verlorenheid, waarin mensen tegen muren praten, tegen muren lopen, straten afdolen. Mensen worden wezenloos in dat voor de rest gezonde lichaam van hen, als ze enkel hun eigen omtrek zien. Als geen andere huid achtergebleven is om voor hen te zorgen, geen andere aanwezigheid in de drukte van de dag, de onbeweeglijkheid van de nacht hun naam uitspreekt. En dan dat lijf zelf, dat ons aankijkt in de spiegel, hoe leren we omgaan met zo’n  dichtbijheid, als niemand het ons toont. Als niemand onze hand neemt, en voorzichtig alle randen aftast, en ons leert wat een wonderen dan kunnen gebeuren.

Mensen zijn geen enkelvouden, mensen zijn meervouden: van huid, van gebaren, van woorden, van weten. Misschien zelfs van voorouders, van een nog altijd mee-ademend verleden. Misschien zelfs van een soort grote goedheid, zoals we altijd weer de richting kiezen van onze verbondenheid, zoals we altijd weer opruimen na de brokstukken, en zingen over ons verlangen.

Het heeft me jaren een beetje kwaadaardige paradox geleken: eerst geven we ons over aan de vriendschap en de liefde, en dan wordt, wat jaren is opgebouwd en gekoesterd, wat altijd moest blijven duren, afgebroken alsof het niets is, opgelost in ongrijpbaarheid. Maar nu ik dit schrijf, hoop ik dat de dood voor onze lichamen een wederopname is in een veel grotere buik. Ik weet het, beelden lijken enkel voor zichzelf te spreken, stil voor zich uit, maar hoe moet je anders de binnenkant beschrijven dan met een beeld: een beeld is verbondenheid, en over verbondenheid gaat het. Geboren worden is al een big bang: zoveel dat groot is, uit zo iets kleins. Misschien dat sterven met onze lichamen een even onbegrijpelijk groot spel speelt. Nog dichter bij die andere lichamen, met al wat we er met ons eigen geleefde lichaam aan toevoegen kunnen. Liefde voegen bij de liefde.  Het weten groter. Het uitzicht verder. Zoiets.

Als wij het niet meer kunnen, moeten de voorouders het voor ons oplossen, denkt men in Afrika. En men komt samen, eet samen, zingt samen, en hoopt dat een groter lichaam aanwezig is, en een arm om hun armen zal slaan. Zoiets.

Het is wat mensen een gebed noemen. Of als ze het niet zo noemen, het toch vaak wel doen: een kaars aansteken, ergens in de holte van de nacht woorden richten tot. Ja, tot wie, of wat. Eigenlijk is dat niet belangrijk. Het gaat om de kleine hoop, om het kleine, hardnekkige, misschien dwaze geloof dat leven meer is dan een overlevingsspel, een onberekenbaar Fortuna, een afvallingskoers. De aard van een goedgunstig levensmysterie is niet zo belangrijk, het gaat niet om theologie, maar om gedeeld vertrouwen en, ingebed in dat woord, trouw. Goden en afgoden leiden af van waar het echt over gaat in dit leven: dat het kind de arm voelt van een vader en een moeder, dat het leert lezen en schrijven en dat die grote gulzige nieuwgierigheid gevuld wordt met passie; dat de ene mens de andere tegenkomt en diep van binnen weet dat daar een stuk van zijn lichaam loopt; dat ogen ver leren kijken, naar de lichamen die er nog niet zijn, die van de kinderen en de kindskinderen; dat we goed leren bewaren, uit respect voor al wie ooit een lichaam had, en ademde van dezelfde lucht die nu ook onze longen vult; dat we bewaren wat zij aan schoonheid vonden, dat we zorgzaam leren worden zoals zij ook zorgzaam waren; dat het besef in ons groeit dat het geschapene heilige grond is, mens en dier en plant, en dat we dat heilige, zelfs al hebben we er geen naam voor, in elkaar moeten vinden. Aanraken zelfs, omdat het gemaakt is om aangeraakt te worden. Omdat het ons aanraakt.

Zoiets.

Nog zo’n beeld, die aanraking. Wat moeten wij ons daarbij voorstellen? Maar als ik denk aan de zwangerschapsaanraking, aan de handen die de pasgeboreren opvingen en droogwreven, aan de ogen die zich lieten vullen met dit wonder, en het wonder teruggaven in hun zorg, dan weet ik dat die eerste aanraking ons mensen nooit meer zal verlaten. Hoe oud of rijk of bekend we ook zijn mogen, snakken blijven we naar die eerste aanraking, naar dat eerste wonder, dat opvangen en droogwrijven, om geen andere reden dan dat we er zijn. Zo dichtbij als ons bloed willen we het voelen. En onze eigen handen zullen ons nooit zo kunnen vullen als die andere handen die we meedragen in ons. En de stem die zich voorover buigt en onze naam fluistert, zal altijd zoveel meer deuren open zetten dan onze eigen stem, waarvoor we soms bang blijven, zelfs na zoveel jaren leren spreken.

Dat we er zijn, is aanraking geweest, is creativiteit geweest die zomaar gaf, volheid uitdeelde om niet, niets terugvroeg dan de toestemming om nog meer te geven.  Zolang er mensen zijn, heeft men gepoogd dat grote geven te ‘vangen’, in denken, rituelen, poëzie. Maar het zal altijd ongrijpbaar blijven, net omdat het maar één wens lijkt te hebben: zich uitdelen, zich weggeven, zich toevertrouwen aan weer een klein lichaam. Dat groeien kan en moet, en zoals alle groeien daarvoor volheid kreeg.

Ik besef dat ik aan het jubelen sla, om een oud woord te gebruiken dat verder reikt dan vreugde. Ik ben geen godendienaar, ik ben een mens die in zijn vlees en bloed een groter ruisen hoort, en daardoor nog beter wil luisteren.

En zo kom ik weer bij jou, mijn zieke andere helft, mijn medeadem, mijn tweede hoofd, mijn vingers in mijn vingers, mijn wil, mijn weg, mijn andere pijn. Dat van al die onbewuste lichamen in mij jij mij zo bewust werd, ik kan er alleen maar om jubelen. Jij mijn lied. Jij mijn vlag. Jij mijn geliefkoosd verhaal. Jij mijn inwezigheid. Word maar gauw weer beter. Dat ik ook gauw weer beter ben.

 

 

 

 

 

 

27-08-14

Gebaren, geintjes... (Inleiding op de geliefde 38)

24A_0370.jpg

 

Gebaren, geintjes... (Inleiding op de geliefde 38)

 

Ik zou een bloemlezing willen maken van je gebaren. Ze zijn zo delicaat als het moment dat ze te zien krijgt, zo herkenbaar, en ook zo vlug weer voorbij.

Je hand die mee uitlegt, als de schaduw van je stem die spreekt. Beetje schuin opgericht, niet weids noch theatraal, maar galant en toch genoeg aanwezig.

Je vingertje dat wijst als je iets gevonden hebt dat werd gezocht: die mengeling van voldane trots en spel, alsof het zoeken en vinden een spel blijft, ook voor volwassenen van hart.

Je pink die aan tafel de kruimeltjes bij elkaar veegt, veegje na veegje, pink en nagel ten strijde tegen de chaos, tot je een mooi hoopje broodkruimeltjes bij elkaar hebt. En zelfs dan nog even verder ‘pinken’, tot er een vierkantje ligt, dat daar mag blijven liggen. En ondertussen maar babbelen.

Je onderlip waarmee je ik-weet-het-niet poseert, of lichte verbazing (een ander trekt dan zijn wenkbrauwen op, maar zo opvallend hoeft het voor jou nu ook weer niet).

En die twee gestulpte lippen waarmee je op me af komt gestapt, als een bevel tot direct stante pede een kus, ogen licht gesloten, maar de spleetjes toch voldoende open om te zien hoe deze scène af zal lopen, dat je op tijd kunt ingrijpen met nog wat ironie. Je slaat geen armen rond mijn hals, nee, die twee stulplippen zijn arm genoeg. En in al hun gespeelde overdrijving ook aanwezig genoeg.

En dan de gebaren die je twee keer doet: twee keer afstoffen, twee keer afspoelen, twee keer afdrogen. De dingen verdienen evenveel respect als de mensen, dat vergeet jij nooit.

En dan je gebaren als je iets vertellen wil. Niet  iets dat uitgelegd moet, nee, het simpele vertellen van wat er zo allemaal gebeuren kan. Dan ontstaan gebaren die mij zeer bevallen kunnen, aha. Is iets ergens gevallen, dan doen je armen en handen dat vallen na. En als iets weerklonk, of zeer groot was, of op een bepaalde manier dichterbij kwam, dan beelden ze ook dat allemaal uit. Het is sterker dan jezelf, je moet even meebewegen. Dat klein moment van spontaan mee-spelen geeft mij altijd een kickje. Hoe viel het, vraag ik dan. Vroeger liep je daar dan in, en herhaalde het wonder zich soms. Maar nu herken je mijn plagen, en hou je de boot af (met weer zo’n speciale beweging die jij alleen kent, onbewust bewust). En je glimlacht. Of je trekt de krant dichterbij, en bent alweer aan het lezen. Of je geeft een stompje tegen mijn arm. Of je steekt je mes even rechtop de lucht in, hoofdje opzij, opletten jongen...

Er zit in jou een actrice, en je weet het niet. Allicht niet: dat je zou kunnen acteren voor publiek is een te grote aanslag op je nog altijd wankele zelfvertrouwen. Het bloeit wel, en de vruchten hangen er te pluk voor zovelen rondom je. Maar toch, spreek er niet te luid over, dan lijkt een oud onheil afgeroepen te worden. Beter leven en laten leven, in de kleine vrijheid van elke dag, dan bekeken en beoordeeld te worden, zelfs al is het bewonderend.

En dan zou ik nog een bloemlezing willen van de geintjes tussen ons. Ze zijn net zo klein en breekbaar, maar met onze jarenlange zachte spot werken ze als vlinders: ze vliegen op, en trekken even alle aandacht naar zich toe. En zijn dan weer weg.

Zoals deze middag: ik had risotto met prei en rode biet klaargemaakt, en toen ik het kleurrijke hoopje opgeschept had, zei ik dat we  ook op de helft van ons bord konden eten, dat spaart de helft in de afwas. Aha, zei je, maar hoe moeten we dat aan de afwasmachine uitleggen?

Zo’n geintje is vaak wat kinderlijk stom, ik weet het, wij weten het. Maar daar gaat het niet om. Het gaat om het pingpongen van andere aaien dan die van hand en wang. Het gaat om het besef dat spelen een mens zuurstof geeft, even van de grond tilt. Het gaat om het besef dat er veel werkelijkheden mogelijk zijn, en dat ook wij niet één werkelijkheid zijn, ingesnoerd en saai geworden.

Geintjes zijn te klein om er publiek bij te hebben, die kennen de fijne regeltjes niet van het spel. En een geintje uitleggen (of navertellen) is tot mislukken gedoemd. Het is de werkelijkheid die een kleine opening laat, en de verbeelding die even voor je uitloopt, als bij een plotse ontdekking. Geintjes hebben niets met succes, of scoren, of de slimste willen zijn, of een rekening vereffenen, of zelfs maar dikke lach. Geintjes zijn per definitie vriendschappelijk, improvisaties van twee die elkaar graag zien.

Een huisvriendin van Leo en Tineke Vroman schreef net een boek over dat bijna legendarische stel. Er is natuurlijk die opvallende levensloop, die dwars door oorlog en kampen en tijdelijke scheiding loopt. Maar mij bleven vooral de geintjes bij tussen die twee. En hoe mooi de auteur ze toch kon opschrijven. Zij kende blijkbaar, na jaren vriendschap, genoeg van de spelregeltjes om telkens weer, zelfs als buitenstaander, toch binnenstaander te zijn, en te mogen mee-glimlachen. 

 

18-07-14

Ruzie en trots (Inleiding op de geliefde 35)

IMG_4213.JPG

 

Inleiding op de geliefde 35

Ruzie en trots

Maken we dan nooit ruzie? Ach wat is ruzie. Het woord is zo vaak veel te groot. Toen jij, jaren geleden, het recht opeiste om een opmerking te maken (“Ik mag toch iets zeggen, toch?”), toen is al een eerste angel uit dit grote woord getrokken. Als het zo logisch is als het klinkt – inderdaad, jij hebt evenveel recht van spreken als ik -  wat kan ik dan meer doen dan leren mijn mond te houden en te luisteren. Wetende dat je opmerking niet mijn hele persoon in vraag stelt, maar enkel dat ik weer het licht liet branden, of vergat je op te halen van het werk, of nog iets anders dat niet dodelijk was maar wel irritant.

Wat ook helpt is dat ik ondertussen door dat zwijgen en luisteren al heel wat heb bijgeleerd. Ik ben nog van het soort mannen dat met smaak eet, dan hun bord op het aanrecht zet en denkt dat ze flink hebben bijgedragen aan de afwas. En dat het leven verder mag gaan met de krant, of de teevee. Dat jij nog een uur bezig was met afruimen, schoonvegen, klaarzetten voor morgen (de boekentassen van de kleine mannen, hun nog vlug even schoongewreven schoentjes, een stuk fruit en een drankje voor hun brooddoos, hun rapport tekenen en een herfstblad op vraag van de juf), de was uit de wasmachine halen en ophangen, mentaal noteren dat straks de koffie op is, dat heb ik moeten leren door het van jou te horen, recht in mijn gezicht. Daardoor heb ik geleerd dat ik bijgod niet wist waar een huishouden begint, en waar het eindigt. En dat het tijd werd dat ik dat leerde. Al was het maar uit respect voor jou.

Het heeft van mij een andere man gemaakt. Strijken kan ik nog altijd niet, maar ik weet tenminste dat je je kleren beter netjes ophangt in plaats van ermee te gooien, dat je vuile was beter in de mand stopt in plaats van te laten vallen, en dat je het gewassen goed uit de wasmachine beter wat opplooit in de wasmand omdat dat het strijken makkelijker maakt. Kuisen is nog altijd een kleine straf, maar ik loop tenminste niet meer met mijn vuile voeten door jouw kuiswerk. En wat jij een kleine straf vindt, koken, dat is nu voor mij een genot geworden. Ach, ik hoop dat we het in ons huishouden wat meer eerlijk verdeeld hebben, met de jaren. Jij klaagt niet, dus ik vermoed dat het wel goed zit.

Als we, soms eens, onze stem verheffen tegen elkaar, dan is dat omdat er ergens toch een schroefje wat los zit: moeheid die al dagen zeurt, een toon die wat scherper klinkt dan bedoeld, domweg een misverstand. Ook de wind kan zo onverwachts in de bomen slaan dat je ervan opkijkt. Dat moeten zij verdragen en vergeten. Wij ook.

Liever merk ik dat je opmerkingen nu zoiets bij mij losmaken als trots. Trots dat ik een vrouw heb die stevig in haar schoenen staat, die zelfrespect heeft, die het moment aanpakt en niet de persoon, die niets achterna draagt. Soms, bij de vrienden, wil ik daar wel eens lachend allusie op maken, op dat verstand en die ruggengraat van mijn vrouw, opdat ze zouden weten dat in die stille, zachte mens een ferm motortje draait. En dan overdrijf ik romantisch: dat ik zonder haar allang onder een of andere luifel van een marmeren bank zou liggen, met kleren die vele oorlogen hebben gezien, en zelf verloren voor veel communicatie en inspiratie. Ik mag het dan al lachend zeggen, ergens diep van binnen hecht ik er geloof aan. Jij hebt die structuurloze mens wat meer gebinte gegeven, en hem geleerd dat orde adem geeft, en nieuwe ideeën. En jij hebt van mij geleerd dat je met angsten ook mag spelen, als zeepbellen, en dat de dag van morgen er is om mee te helpen, nu al, vandaag.

Een beetje trots zijn op elkaar is niet slecht voor het samenleven. Trots als vorm van dankbaarheid dan. Niet trots als hoge borst. Nee, geboren uit het besef dat je alles moet krijgen in dit leven. Leren krijgen dus, en je kan eraan meewerken door zelf wat je best te doen. Maar de hoofdzaak moet je krijgen, en dat krijgen is niet gelijk verdeeld. Je hebt het niet in de hand als je partner net niet wil luisteren. Als hij of zij de ongelijkheid, of erger, niet wil (leren) inzien. Als blindheid koning is,  of gemakzucht,  of de onderdrukking in je cultuur, of ander venijn. Samenleven is ook schoollopen bij elkaar, en de ene is al een betere leraar of leerling dan de andere.

Misschien zou ieder  die met een ander gaat samenleven, eerst een examen in humor moeten afleggen. Leren dat een ironische boodschap, naast de (misschien noodzakelijke) inhoud, ook de bedoeling heeft even te aaien. Dat een grapje toont dat je elkaar ziet als intelligente wezens. Dat je dan een opmerking kunt incasseren met een buiging, of een hand op het hart, of je beste beteuterde gezicht of zoen, of iets anders uit de wereld van het theater spelen. Hoe vaak heb ik een opmerking van je aanvaard met de trotse boodschap dat je toch wel een hele goede man gekregen hebt. Humor is iets dat ver staat van de mogelijke naaktheid van enkel incasseren en ondergaan.

Samenzijn moet gewoon een genot zijn, en humor is dat in verhevigde vorm. De verbeelding om meer te zien dan er is, ook in elkaar, dat is humor, en je krijgt er soms vleugels door, als kleine mens met korte armpjes.

 

 


09-06-14

Achterblijven (Inleiding op de geliefde 33)

IMG_7423.JPG

 

Achterblijven (Inleiding op de geliefde 33)

 

Hoeveel van mij is, in al die jaren, in jou achtergebleven. Dat je mij zo goed kent, dat je me zelfs kunt voorspellen. Dat je mijn geheugen bijhoudt en mijn wilde verhalen corrigeert. Dat je mijn verstrooidheden opwacht. Dat je weet wanneer het moment mij voetje licht. Of wanneer ik boos zal worden door de tragiek die nooit iets zegt, enkel een mens in het gezicht staart. Dat je de juiste humor hebt om mij te doen grinniken. Dat je mijn stilte zo goed kunt delen. Dat je al die kleine ritueeltjes tussen ons zo zorgvuldig bewaart. Zoals je alles zo zorgvuldig wil verzorgen en bewaren.

Als ik aan al dat achterblijven in jou denk, dan is het weer tijd voor een glimlach, van binnen. De van-binnen-glimlach is de meest ongrijpbare. Ze gebeurt in je, kleurt daar het moment als water dat opwelt in droge grond en laat je dan achter met een kleur die te diep is voor veel uitleg.

(Gelukzak, zei iemand, schreef iemand, toen ze in deze Inleiding lazen. Ja, het leven is een vreemde bron, gelijk verdeeld is het niet. Maar wie weet zijn er overal bronnen en bronnetjes, en hebben we ze nooit, of niet (lang) genoeg, leren zien. Een individueel leven is geen Universele Verklaring, maar een uniek verhaal, soms schokkend duister, meestal gespikkeld en bont, als in het beroemde gedicht van Gerard Manley Hopkins.)

Zonder dat ik dat zelf zo expliciet heb beslist, zijn duizenden stukken en stukjes van mezelf in jou, in andere mensen, in andere dingen, in andere plekken achtergebleven. Bram Vermeulen heeft er een van zijn mooiste liederen aan gewijd (‘Verlangen’), aan dat achterblijven of meegenomen worden, noem het zoals je wil. Mensen delen zich uit aan elkaar, aan kinderen, aan de weg die ze gaan, aan de overtuigingen van die weg, aan grote en kleine dingen, aan gekoesterde momenten, aan gezangen en geluiden, aan vertrouwen en zachtheid die ze zich nog herinneren van toen ze klein waren en die hen door de nachten loodsen, hoe dicht die ook zijn.

Het mooiste is wel dat we, uitgedeeld als we zijn in elkaar, samen ons nog verder hebben achtergelaten in zoveel meer. Onze zonen hebben nu ook al zonen, en weer nemen die grote happen uit onze genegenheid. Weer zien we de bloei van zo’n kindergezicht, de vreugde van te mogen ontdekken, de volheid van al wat er te ontdekken valt.

En vogel vliegt in de takken van de boom, naar ergens daar een nest. Al spreekt hij onze taal niet, we noemen hem merel, en de boom noemen we beuk. En de bladeren zijn groen, omdat het licht zich verliest in werkelijk alles dat er is, een wezenloos diep wezen, dat zonder onderscheid overal weer ontdekt wat er te ontdekken valt, elke dag opnieuw.

En de vrienden hebben andere kleuren, gespikkeld en bont; en als ze erover vertellen, dan glimlachen we vaak, omdat niemand zo is als zij.

Eeuwigheid is niet alleen dat we elkaars atomen delen, hergebruiken mogen. Eeuwigheid is ook dat we ons overal uitdelen, achterlaten, vergeten waar we komen, zonder ook maar aan eeuwigheid te denken. Koning David is een stamboom. Mijn zonen en kleinzonen zijn het ook. Net als de tuin, en de ogen van de kat. Net als de steen in de muur van de kathedraal, en de eerste noot van de Mattheuspassie. En niet het ding op zichzelf is eeuwig (want zelfs bergen en bergketens kunnen verpulveren en verdwijnen), maar de vreugde en het verlangen, die zijn eeuwig. Die bewaren we door ze uit te delen aan elkaar. Die versterken we door ze te bewaren in elkaar. Generatie na generatie willen mensen uitkomen op de Genesis-conclusie: zien dat het goed is...

De polders en de zee zorgen voor dat deel van mijn blik dat van verten houdt. De wolken voor mijn liefde voor licht, en randen, en het onmogelijke dromen. Gezichten herkennen mijn nieuwsgierigheid naar verhalen, hoe de grote beweging ook daar langskomt of al zo lang afwezig blijft. Woorden weten van mijn vele vragen, en van de klank die zingen wordt genoemd. Huid bewaart mijn tijd. En dat doet ook de dag, die voor mij ’s morgens alles weer nieuw maakt. Gelukkig maar, voor zo’n wonder ben ik veel te klein, maar ik mag er wel zonder voorbehoud in rondlopen. En ik mag afspreken, en dan werken twee mensen samen. En ik mag het artikel lezen, of de foto nooit meer vergeten, of de actrice nog horen na vele jaren. En soms, als vanzelf, ademen de doden in mij. Ik kijk door het raam, en het zijn mijn moeders ogen die staren. Ik vertel een anekdote en besef plots dat mijn vader aan het uitleggen is in mij. Hoeveel zal ik in bewaring gegeven hebben voor ik zelf sterf?

Bram Vermeulen eindigt zijn lied met een mooie gedachte: al wat we elders achterlieten, bij plek en moment en mens, doet ons blijvend verlangen. Verlangen om het terug te zien. En verlangen is een vorm van bijhouden en loslaten tegelijk...

 

26-05-14

Tijd... (Inleiding op de geliefde 31)

PICT0454.JPG

 

Tijd...

Hoeveel tijd is er in ons achtergebleven. Die handen van ons, hoe die dunner zijn geworden en toch nog altijd de handen zijn van toen, en nog altijd de eerste aanraking kennen. Al was het maar in de herkenning als je mijn hand grijpt: dat alles klopt, ja dat is jouw hand, en dat vanzelfsprekendheid ons invult zonder dat we dat nog hoeven te bepalen, opstellen, verwerken, klasseren.

Het vreemdste is ons gezicht. Hoe het meisje en de jongen zo onmerkbaar een tweede, derde, vierde gezicht kregen, als lagen boven elkaar, die, soms merk ik dat, ook licht afgeven. Dan zie ik je twintiggezicht nog oplichten door je zestiggezicht, en dat is niet verwarrend, want net als die handen zo eigen gebleven.

En alle verhalen in ons. Ze praten soms nog even luid als toen. Of lachen, of zijn ontroerd als toen. Dat is zelf ontroerend. Alsof wij veel en veel uitgebreider zijn dan dit ene moment nu. Niet deze kleine cel van vel houdt ons gevangen, of anders en beter gezegd, biedt ons onderdak, nee we leven zowat overal en op zoveel andere momenten. Zoveel opgestapelde, zorgvuldig bewaarde levens, in momenten en plekken die daar toen waren, met stukken van ons, en die we nu meedragen, met stukken van toen. Je denkt als je jong bent, dat je huid je bewaart voor de buitenwereld. Je weet als je ouder wordt, dat de buitenwereld je huid bewaart. En je blikken. En je woorden. En zoveel van wat je deed. Vanavond zijn we uitgenodigd op een etentje. Is dat niet mooi dat je, voor je vertrok naar je werk, op tafel een briefje hebt gelegd, met daarop: vandaag geen warm eten. Je weet dat ik, gewoontebeest, zonder denken aan die warme maaltijd zal beginnen, en mij dan flink voor het hoofd zal slaan als alles bijna klaar is en ik ontdek dat al dat werk niet nodig was. Jij houdt dat allemaal bij, als vanzelf. Een stukje in je hersenen waar je die vroegere verstrooidheden hebt liggen, niet op een hoop gegooid, maar zo dat ze op tijd kunnen gaan zwaaien en alarmeren. 

Ouwe foto’s tonen een moment: hoe we jong en enkelhuidig waren, met die dunne laag van onwetendheid die nog op ons lag, dat kinderlijke, dat gretige ook. Maar vandaag, maal drie ouder geworden, lijken we soepele 3-D foto’s, die zich plooien en schuiven en veranderen. Etsen van meester tijd, ons gezicht, boven op dat eerste van toen we elkaar voor het eerst ontmoetten. Beeldhouwwerken van het fijnste brons, onze handen, maar nog altijd gedragen door de kootjes van toen, en van later, dezelfde die ooit in het graf zullen liggen en koppig weigeren te vergaan.

Wegen de jaren, maken ze onze lichamen zwaarder? Er zijn dagen dat je daar ja op zou willen antwoorden. Als je je opricht uit bed, of zelfs uit je stoel, en die rug weegt plots iets teveel. Of als je hoofd water moet torsen dat noch helder noch rustig is. Maar soms is er weer die lichtheid van toen, die vanzelfsprekende kracht van bestaan, in oppakken, verleggen, antwoorden, opmerken, glimlachen, alsof dit lichaam het nog allemaal weet, en kan overnemen als het nodig blijkt. Of zomaar, om ons een plezier te doen.

Tijd is de rijkdom waarmee elk wezen zich vult. De boom, zowel als het meisje met haar dunne gezicht en haar fijnkrullende haar, ze zijn met de jaren gevuld met al wat in en door en langs hen dreef, en waaruit zoveel kleine en grote kostbaarheden achterbleven, zovele vragen en antwoorden, zovele nabijheden die nooit meer zouden weggaan.

Tijd is ook wéten, van het soort waar een accent op mag: het soort dat misschien zich wel uitstrekt in de breedte, als de horizontaal sterke takken van een oudere boom, maar vooral in de diepte. Diepte, dat is het besef, gaandeweg uit tijd gemaakt, van waar je sappen komen. Aha, daarvan leef ik dus, zo stroomt het leven mij dus binnen. Het komt van diep, dat besef, en het schept de kalmte om op één plaats te kunnen blijven staan. Dat het goed is, die plek, die schaduw, die bladeren met hun ene vorm, die lucht en vogels en vruchten die even willen uitrusten.

Dat wéten, van jou naast mij, van jou in mij geschoven, aslof we drinken van hetzelfde besef van leven, dat wéten, daar ben ik dankbaar voor. Dankbaarheid is nog zo’n tijd-woord: je beseft maar goed wat dankbaarheid is, als je er een heel leven van hebt geleefd...

 

*

(de andere stukjes uit Inleiding op de geliefde vind je door op de knop rechts te drukken)

28-04-14

Studie van een moment

IMG_9092.JPG


Studie van een moment

 

Als de kamer vol lichtvlekken is, van een morgenzon die zich niet schaamt, lijkt het alsof iemand zijn ogen open doet. En dan heb ik het niet alleen over mezelf. De kamer kijkt mij aan.

De postbode rijdt op een brommertje dat koppig knort als hij moet optrekken, als een onwillige ezel.

De ijskast snurkt, de klok tikt, mijn adem suist. Er zijn geluiden die zo diep ingesleten zijn dat ze onzichtbaar worden. Ruimte met de ruimte. Ze zeggen: maak je geen zorgen, de wereld beweegt verder. En al zit ik stil, van binnen wiegt het.

Ver vliegtuiggeronk. Met de ruimte staan ook herinneringen recht, even maar. Hoe ik als kleine jongen in het gras lag te luisteren naar datzelfde geronk… De klok mag dan wel tikken, maar er is geen tijd.

Soms wiegt het niet van binnen, soms schuurt het. Niet bij mij, nee, dit moment spaart me. Maar bij jou, weet ik. Pijn is een moeilijke vraag. Zijn we dan niet volmaakt gemaakt? In de industrie doet men daar niet moeilijk over: wat scheef trekt, wordt weggegooid. Maar leven spiegelt zich niet aan volmaaktheid, lijkt het, maar aan… Ja, aan wat? Vreugde om de loutere gegevenheid? Een zekere trouw, zelfs met de pijn van het onvolmaakte? Of het wiegen van seconden die willen vollopen met eten maken, vertellen, glimlachen? Ach, zelfs per moment is leven al een lastige vraag…

Laat ik daarom zelf wat wiegen. Boodschappen doen.  Nog even en de volgende vergadering moet weer een stukje wereld redden. En ik heb een nieuwe jas. Die ruikt naar het begin. Straks zet ik daarom de eerste stap.

Maar eerst nog even de vogels. Ze drijven soms zo hoog dat ik ze verdenk van allerlei nutteloze bevliegingen. Daar hangen toch geen insecten meer rond? Nee, er moet iets zijn dat de vogels aantrekt. Een soort puur genot dat alleen heel hoog in de lucht te voelen is.

En voor ik in de auto stap en weg rij (op zichzelf al een wonder wiegen), voel ik de wind op mijn hand. En zie dat het blad het ook gevoeld heeft.

27-12-13

Een gedicht van Nazim Hikmet

IMG_4208.JPG

Nog een soortement Kerstgedicht. In elk geval gaat het over de nooit aflatende aanwezigheid van nieuwe kansen, nieuwe geboorte...

De Turkse dichter Hikmet zat jarenlang in de gevangenis voor zijn communistische sympathieën.

Daar hield hij een soort dagboek-in-gedichten bij voor zijn geliefde vrouw. Vandaar de titel van dit gedicht.

Het gevangeniskarakter kleurt dat 'adventsgevoel' nog extra bij...

 





24 september 1945
     
Nazim Hikmet


De mooiste zee
is de zee die we nog niet gezien hebben.

Het mooiste kind
is het kind dat nog niet geboren is.

De mooiste dag
is de dag die we nog niet beleefd hebben.

En het mooiste woord dat ik je wil zeggen
is het woord dat ik nog niet gezegd heb. 

 


Toen het gedicht onlangs luidop voorlas, zei ik achteraf: ik heb de klemtoon in de laatste regel verkeerd gelegd. Ik beklemtoonde 'niet', terwijl ik eigenlijk 'nog' had moeten beklemtonen. 'Nog': dat ik dat mooiste woord wel zal vinden, ooit, en zal uitspreken...

Nee, zei Lieve, die 'niet' is voor mij belangrijker. Die 'niet', zei ze, is dat het mooiste woord nog altijd niet is uitgesproken, misschien nooit gevonden of uitgesproken zal worden...

Dat was helemaal zoals ik haar ken. Zij leeft met het besef dat ze nooit genoeg hulde zal kunnen brengen aan dat 'mooiste' dat in haar leeft. Het is niet voldoende dankbaar te zijn voor al wat je krijgt en nog krijgt, je moet het bijhouden en je herinneren en benoemen. Dan vraagt ze of ik me dit nog herinner, en wat we toen tegen elkaar zeiden. En soms is het maar aankijken, of een lichte spottende lach, of een kus met die lippen van een bloem. Maar altijd: dat er zoveel is dat zij, uitgerekend het meisje dat het nooit verwachtte, kreeg en krijgt, en dat zij dat in elk geval nooit ten gronde zal beseffen. Het is haar onophoudelijke strijd tegen de melancholie van het leven:  je houdt het niet alleen niet bij, maar je beseft het ook nauwelijks in zijn diepte...

En ik, ik ben de jongen die rechtstaat, zijn armen in de grote lucht steekt en roept: 'nog niet, maar let op, het komt, het komt...'

 

07-03-13

Inleiding op de geliefde(20): Verlorenheid

IMG_5610.JPG

 

  

Inleiding op de geliefde (20): Verlorenheid

 

Hoe moet ik die lichte verlorenheid benoemen die mij overvalt als ik alleen thuis ben zonder jou. Jij aan het werk, ik thuis in een huis dat op een merkwaardige manier leger is dan daarvoor. Een mens denkt soms dat wat voorbij is, ook echt weg is, onachterhaalbaar, niet meer aan te raken. Maar waarom is dit huis dan op zo’n speciale manier vol van je weg zijn? Waarom loop ik in alle kamers, gangen jouw afwezigheid tegen het lijf?  Het is niet dat ik schimmen zie, zoals Roderick in zijn House of Usher, zo tussen twee werelden als Poe leef ik niet. Het is ook niet een soort janken, zoals een hond kan doen als hij zich alleen voelt. Nee, een lichte verlorenheid, zoals ik al zei. 

Verlorenheid slaat op richting, ruimte en tijd. Het lijkt alsof de coördinaten van mijn leven door jou gevoed worden, via kanalen die open blijven staan ook als jij er niet meer bent. Via zintuig- en zenuwbanen waar ik mij normaal niet van bewust ben. Zoals je ook niet weet dat je een lichaam hebt, als alle spieren en machine-onderdelen gesmeerd lopen, en je mag springen en vallen tegelijk.

Het is niet dat ik nu tegen deuren aanloop, of niet meer weet waar mijn broek en hemd liggen. En als een taak op mij wacht, dan wil ik je wel een paar uur vergeten. Maar op tijd en stond is er dat besef van eigen grens, zoals je pas ook je voorhoofd of handen voelt als er kou op valt. Met jou erbij, besef ik nu, voel ik mijn grenzen minder. Of misschien is het wel zo dat ik dan andere grenzen heb, grotere, meer gewend aan allerlei soorten kou, met meer kennis en ervaring van wat dat is, verder leven. Grenzen die zich zelfs veel verder uitstrekken dan de samenvoeging van ons beider aanwezigheid: grenzen die uitgewaaierd zijn over kinderen en kleinkinderen, en landen, en vriendschappen, en antwoorden die met die liefdes en vriendschappen kwamen. Met jou heb ik de wereld niet alleen gezien, maar mocht ik ook in die wereld gaan wonen. Er was een thuis voor ons, we hebben er zelf aan gewerkt, maar veel werd ons ook gegeven. Dat is zo, als je grenzen groot en breed worden, dan lijken ze op overvloed. Dan tonen ze niet wat er niet is, dan verzamelen ze al wat er wel is. Met jou erbij weet ik dat dit heel veel is. 

Licht is vandaag mijn verlorenheid, omdat jij bij het weggaan zoveel achterliet om mij mee te vullen: de verwachting dat je straks weer thuis komt, gezond en wel, en hopelijk met iets van die overvloed, dat je mond niet stil zal staan van het vertellen; de kus die je gaf bij het weggaan, dat ik kon zeggen: voorzichtig hé; de verwachting dat ik gekookt zal hebben, want honger is ongeduldig, en heeft zijn eigen overvloedwensen (goedkeurend geknor als het smaakt bijvoorbeeld, of een klein complimentje, met mond die nog nageniet); onze agenda (want we hebben morgen en overmorgen en al die andere morgens nog zoveel te doen); en dat het huis afgesteld is op al die bewegingen en blikken van je (de bank waar het kussen nog ligt van gisteren tegen je rug, en het boek dat je aan het lezen bent, en de ramen met hun vergezichten) en vanzelf al verwachting is met mij...

Het woord licht zegt het al: net al het andere licht, in de grote lucht, kan ook dit licht-zijn nog open gaan en toch niet wegen. Of hoe noem je die aanwezigheid die de gave heeft om helemaal op iets te gaan liggen, zonder dat het zwaar wordt, of pijn doet, of tegenhoudt. Zo laat ik me omarmen door die lichte verlorenheid. Opdat ik nog eens zou weten hoe wonderlijk dicht jijop mij ligt, hoe wonderlijk veel je me omringt. Hoe lichaam, hoe leven zoveel groter zijn als ze niet van mij alleen zijn.

04-03-13

Inleiding op de geliefde(19): Onderweg

IMG_4759.JPG 

Inleiding op de geliefde (19):  Onderweg

 

Zo vaak zijn we onderweg geweest, jij en ik, zwervend over ’s heren wegen, ’s morgens niet verder kijkend dan de morgen, ’s middags dan het eten voor die middag, dan de snel- of traagheid waarmee middagen daar lokaal willen bewegen, dan ’s avonds een plek om ons neer te leggen, onder een kerktoren, in een laan of waar een soort uitnodiging op ons wachtte.

Dat zwerven bracht ons een lichtheid die bijna niets anders ons kon geven. Alsof we niet meer nodig hadden dan dit moment dat nu met ons wilde spreken, drinken, vertellen en optrekken. Dat soms, op een hoek in het landschap, een kleur licht had die we nooit eerder zagen. En dan keken we naar elkaar of we het allebei gezien hadden, en dat was ook zo, we lieten het elkaar wel zeggen, want zeggen is ook een vorm van kijken, maar we hadden het allebei al gezien. Gezien die weg in tegenlicht, die vallei met zijn donker glanzend groen, die wolk als dun muziekpapier, die vlek licht door een hoog kerkraam, dat wachtend tafeltje op het terras, die bultenaar aan de toog, die aandachtig kijkende kinderen aan het water.

Er is zoveel, dat was onze ontdekking elke keer weer, en het leek gewacht te hebben tot wij er waren.

En we hadden er ook elke keer een woord voor, zelfs al moesten we soms zoeken. Er is veel, en zoals we het tegemoet kwamen, stapvoets en met een zekere stilte in ons, leek het ook elke keer nieuw. We hoefden maar wat langer te kijken dan nodig om te functioneren, en daar was het verrassende al van dit moment. En het hoefde niet groot te zijn: een schilfer verf op een oude magazijndeur; het lepeltje dat de tea-room bij de cream tea gaf, en van dezelfde familie was als het theevrouwtje dat ons bediende, even dun en even galant; de vingers van de accordionist in de metro; de glimlach van de New Yorkse krantenverkoper als we onwetend in een plas stappen en hij zijn wenkbrauwen hun medeleven laat formuleren; het randje avondlicht rond rug en kop van de koe; het gordijntje dat water plooit als het valt over rotsen; de echo’s van quatorze juillet-muziek aan de overkant van de Rhône...

Er is veel in de wereld, maar op reis, met die merkwaardige rustige openheid die zich in ons nestelde, leek het alsof wij daar heel natuurlijk bij mochten horen. Zonder iets te moeten bewijzen, zelfs zonder onze naam te moeten zeggen. Er was genoeg voor iedereen. Ook voor ons. Zoiets.

Ooit sliepen we op een kerkpleintje in een vergeten Iers dorp, onze slaapcar netjes in een hoek geparkeerd. Worden we ‘s morgens wakker, het hele kerkpleintje vol marktkraampjes. Hadden ze voor ons een uitweg vrijgelaten zodat we konden wegrijden. Zoiets. 

Of de besnorde oude vrouw in een trattoria in Orvieto, twee trappen af en wij de enige klanten, die niets begreep van wat we zeiden, geen menu had, maar ons verwende met het heerlijkste Italiaanse eten dat we op die reis kregen. Zoiets. Soms moet je de wereld vertrouwen. Dat deden we toen, hoewel haar gezicht ongeschoren was en haar vingernagels vuil. 

Hoekjes in het landschap, en mos op de daken, en wolken en theelepeltjes zijn niet echt spraakzaam, al kun je best veel vernemen van hen als je goed luistert. Mensen kunnen beter verhalen vertellen, en soms heb je dat geluk op je weg: iemand die begint te vertellen. De oude visser in West-Schotland, bij wie zijn Keltische moedertaal op school werd bestraft; de oude die in Cantabrië de deur van de kerk ontsloot en nog altijd emotioneel werd van de verwoestingen daar aangericht, nu bijna een heel leven lang geleden...  

We zijn passanten, ik weet het, en daarom zien we slechts glinsteringen, kanten waar licht op valt en die we mogen zien. We kunnen niet elk dorp of wijk van de stad door en door leren kennen. Zo horen we ook maar flarden van de verhalen die mensen ons vertellen. Meestal rafels, soms, als we geluk hebben hele hoofdstukken. Maar we voelen het als een eer ze te mogen beluisteren. Er zijn zoveel mensen, maar ze lijken zo erg op elkaar als we hen mogen beluisteren. Ook dat is vertrouwen. Ook dat moeten we krijgen. Zeggen we nog eens tegen elkaar. Onze manier van danken. Onze manier van onthouden.


(foto: Cotswolds, Engeland)

20-12-11

Inleiding op de geliefde (17): Dat jij er bent...

IMG_3602.JPG

 

Inleiding op de geliefde (17): dat jij er bent...

 

Dat jij er bent...

Dat besef is iets anders dan weten dat je in het huis bent, dat je de was doet of de rekeningen klasseert. Is zelfs iets anders dan je zien, bijvoorbeeld als ik opkijk aan tafel, of als je je hoofd om de deur steekt, haren nat, wangen in bloei, nog wat opgewonden van weer een bezoek aan de wereld. Is zelfs iets anders dan je schouders masseren, of praten in het donker in bed. 

Om bij dat bed te blijven: het is zoals de man die ‘s morgens wakker wordt, merkt dat zijn hand aan de lege kant van het bed ligt en volkomen overweldigd wordt door het verdriet dat hij daar voelt. Een verdriet zo groot als het lichaam dat er ooit was, en dat hij nu niet meer vinden kan. 

Dat jij er bent gaat daarover: over die eindeloze leegten die er ook rond jou liggen, en die mij angst aanjagen, diep vanbinnen. Laat mij iets om naar te kijken, om naar te luisteren, om aan te voelen, om mee te ademen. Het mag klein zijn, groot of klein is geen categorie in die scheiding tussen zijn en niet meer zijn. Iets om het lichaam vanzelf te laten weten dat het goed is, en dat het verder kan doen met wat het op dat moment aan het doen is. 

Dat jij er bent: dat duizelige besef dat jij er ook niet kunt zijn, nu, terwijl mijn ogen je zoeken en vinden. Dat er verten tussen ons kunnen komen, die ik niet meer doorkruisen kan. Dat je lichaam ook iets is dat niet kan bestaan, afwezigheid is, hoewel het daarom niet minder groot zal zijn, en dichtbij, hoop ik. 

Ach wat een ijle hoop. In een lichaam zijn wij gedragen, lichamen pakten ons op toen we geboren werden, wreven ons warm, begrepen ons als we huilden. Zo leerden we bestaan te herkennen, te vertrouwen, ons er aan over te geven. Maar welke handen heeft afwezigheid? Hoe moeten we daar vertrouwen leren? 

Dat jij er bent: ik word er stil van, van die kostbaarheid die ademt en beweegt onder mijn ogen. Zo is het goed, natuurlijk: ik kan je zichtbare, tastbare bestaan niet genoeg eer geven, en die grote leegte er rondom leert het mij, telkens weer. We worden experten in dure geschenken, denk ik er glimlachend bij, terwijl ik met voorzichtige handschoenen ook dit moment weer wegberg. 

Is voorzichtigheid genoeg? Is dit besef van kostbaarheid genoeg? Is het voldoende de onmetelijkheid rond je te zien om meer te kunnen bewaren? 

Jij zult melancholisch worden van deze woorden, ik weet het nu al. Onder en rond je bestaan wacht een soort eenzaamheid waar je bang voor bent. En dan kijk je weg, met een koppige beweging van je haar, en ga je weer aan het werk. Weer is er iets anders dat ook bewaard moet worden. Zo’n tuin bijvoorbeeld, of dat boek dat schreeuwt om aandacht, of het toevallige gesprek in winkel en op straat (mensen voelen dat, dat jij die vlugge beweging in je hebt om weer iets goed te leggen). 

Melancholisch dus. Maar ik heb bijgelovige woorden waarin ik geloof.  Al deze woorden samen, dat is mijn kleine credo, houden ons in leven. Woorden rondom ons, in plaats van de vernietiging. Verhalen rondom ons, dat grotere bestaan, dat we delen mogen. Die grote zichtbaarheid rondom ons, die ons behoedt voor de totale eenzaamheid: luchten, huizen, bomen, dieren. En mensen, zoveel aanwezigheden die ook datzelfde geheim meedragen, soms met pijn op hun gezicht. Maar ook in staat zijn het leven door te geven: kinderen, woorden, inzicht dat zo helder werd dat het als lucht ingeademd kon worden, om van te bestaan. 

Dat wij er zijn...: het is een besef dat ons nooit verlaat, al hebben we het druk met dammen en muren te bouwen om de afwezigheid buiten te houden. Net dat troost mij: die grenzeloze inspanning, die wil om te bewaren. “Ik sta op de berg en kijk in het dal der plichten” schreef Nescio in 1922. En hij eindigde zijn kleine stukje met: “En ik jank als een hond in de nacht.” Dat is jouw melancholie, maar nog wat zwarter, doordat ze opgeschreven staat, vastgelegd is. Maar ik verzet mij tegen de melancholie, ik gooi woorden op als een sjamaan, ik bezweer door ze met elkaar te laten klinken, ik hoop op muziek, omdat die klank kan toveren. Ook leegte, maar leegte om mee tespelen, leegte die onverwacht betekenis vindt. Misschien zijn mijn woorden ook maar kleine riedeltjes, melodietjes te ijl en te zwak voor de grote kou. Maar toch, de merel heeft ook geen schrik voor de grote  avondval. Ik wil ons zingen, ik wil bestaan zingen, en of dit ambitieus is of belachelijk, ik wil geloven dat niets tevergeefs is. Is geweest.


(foto: graf in Mont devant Sassey, Maasvallei, Fr)


IMG_3603.JPG


IMG_3609.JPG

16-07-11

Inleiding op de geliefde (15): Zij die slaapt...

 

Inleiding op de geliefde (15):

Zij die slaapt...

 IMG_2721.JPG

 

Inleiding op de geliefde (15): Zij die slaapt...

 

 

Het hotel is een legoblokkendoos, hoog en droog, maar het bed is zacht, en groot, en we verzinken er in zonder wantrouwen, maar met de rust van een overlevende die weet dat hij veilig is voor de nacht. Nee, grapje, we verkennen onze doos als kleine kinderen, waar dit schakelaartje toe dient, waar de afstandsbevelhebber zo allemaal bevelen voor heeft, en kijk eens wat een schattig zeepje, wat zacht die vele handdoeken. Nee hoor, we voelen ons even belangrijk als staatshoofden in hun suite, die zelfs niet weten dat de ruimte waarin ze slapen niet hun eigendom is.

Maar het mooiste krijg ik, zoals altijd, onverwacht en gratis.

Als het morgenlicht door de overgordijnen probeert te dringen en de kamer in een bijna tastbare mengeling van duister en voorzichtig licht verft, en ik recht kom en ga zitten op de rand van dit grote bed, kijk ik om en zie je liggen tussen de schaduwen, je hoofd bleek in de witte lakens, je ene arm als een palm omhoog uit het dekbed, de bekende plek van je hoofd ook velours geworden, zacht en ondiep als het beginnende licht rondom ons.

Ik kijk. Ik kijk.

Ik zou je kunnen tekenen, als ik kon. Handen hebben zo hun eigen intelligentie. Van een getekende lijn weet men waar hij begint, niet waar hij uitkomt. Dat is de onzekerheid van mijn handen: ze zijn, tekenend, niet slim genoeg om op eigen kracht te zoeken en te vinden, ze houden vlug op,  ze kijken hulpeloos om, ze roepen net niet om hulp.

Ik heb al opgemerkt dat kokshanden met graagte voelen aan het eten dat ze willen bereiden, kijk maar naar Jeroen Meus, die knort er zelfs vergenoegd bij. Zo leren handen: als ze vertrouwen hebben. Ik heb handen die een soort woordintelligentie hebben: het witte blad jaagt mij geen schrik aan, ik laat ze woorden schrijven en vind vanzelf, lijkt het, de uitkomst wel. Tekenen, schrijven, muziek maken, koken, (misschien ook aaien en strelen?), het is voor handen niet uitsluitend een kwestie van willen, handen moeten ook kunnen.

Jouw hand, nu, is ontdaan van dat willen. Straks zal een nieuwe dag met al zijn licht weer overal leven opjagen, maar nu zijn het nog maar kleine beetjes leven, die zich nog omkeren in hun slaap, bijna niet leven is het nog, met die schijn die nog zoveel schaduwen heeft en die schaduw die al wat schijnt. En je hoofd en je arm met die smalle hand mogen daar in liggen, zonder verplichting. De onschuld van een slapende, zie ik. De zachtheid zonder moeten van de slapende.

Maar ook: hoe slank een arm kan zijn. Hoe een hand bloem kan zijn, slapende, toegevouwen, neergelegde bloem, maar straks weer open, en opvallend groot. Hoe er een glans is onder de grote glans die van het leven zelf is, een verwachting, een weten dat genoeg heeft aan zijn weten, aan de mogelijkheid, aan vertrouwen in vertrouwen. Wat een geluk dat ik dit mag zien: hoe je geboren zult worden, zo ingetogen sterk, en al zo volledig.

11-01-11

Inleiding op de geliefde (14): Verjaardag...

 

 

IMG_3231-1.JPG

 

Inleiding op de geliefde (14): verjaardag

 

 Vandaag is mijn vrouw jarig. Ouder worden doen we één dag per jaar wat meer dan de andere dagen. Daarom worden verjaardagen ook gehaat, soms. Alsof die arme dag er iets kan aan doen dat het leven beweegt.

 Toch doet zo’n ritueeltje ook trouw wat het moet: even stilstaan. Verwondering is niet alleen een gevoel maar ook een intellectuele stap: even opzij gaan staan, even uit de beweging stappen, en het besef ruimte geven dat hier iets uitzonderlijks bezig is: dit tastbare leven, dat een naam heeft en al zo lang beweging met mij deelt, dat ik kan aanraken, dat ik kan aanraken met de klank die haar naam is, dat door niets anders te vervangen is, al lopen er miljarden mensen rond, dat honderden gezichten heeft om te zien, om te voelen, om te onthouden...

 Verwondering is ook een intellectuele stap omdat ze niet vrijblijvend is. Als ik die vrouw bezig zie en merk dat ik haar bewonder, dan pas ik, bewust of onbewust, ook mijn beeld van het leven zelf aan. Dan laat ik het besef toe dat het leven kan zegenen, mij zegent. Dan besef ik hoe kostbaar het goede is, en hoe zorgzaam ik daarmee om moet gaan. Dat gegeven goedheid niet vanzelfsprekend is, noch in rechte noch in verdienste, en dat ik daar toch getuige van mag zijn. Dat dit krijgen het grootste mysterie is van de aanwezige wereld, en dat we een leven nodig hebben om dit krijgen te leren.

 Maar de ervaring is ook heel basic: ik mag dan wel haar scherpe intelligentie bewonderen, ik draag dan wel de gevolgen van. Als mijn woorden slordig bij elkaar gezet zijn of ik onjuiste informatie geef, dan zal ik het vlug horen. Vroeger reageerde ik betrapt-nijdig, nu corrigeer ik mezelf veel makkelijker. En glimlachend: ik heb geen personale mental coach nodig, zij houdt me wel wakker. En op de grond, waarop alles staat dat leeft of gezien wil zijn. Ook de kleine afspraak, of het correcte feit.

 Maar glimlachen van bewondering doe ik ook als er zich een probleem aandient en ik merk dat ze in dat hoofdje van haar weer allerlei oplossingen aan het uitproberen is. Soms komt ze, uit het niets lijkt het wel, met suggesties die mij aan uitvindersbloed doen denken. Ze lijkt een klein meisje dan, dat haar vinger opsteekt en aan de juf vertelt wat ze heeft bedacht.

 Bewondering. Er zit voor die vrouw van mij overal een mogelijkheid tot orde in. In alles, en die orde zoeken en vinden is zelfs een groot genot. Het is haar heel persoonlijke visie op scheppen. Geef haar een oude, vergeten zolder en ze kickt. Geef haar een archief, en ze is dagen bezig. Geef haar een job, en ze maakt hem efficiënter, minder lastig, meer menselijk. Het gaat vanzelf, de gedachte aan macht of geld komt niet eens bij haar op. Een in aanleg halve clochard als ik heeft het maar getroffen met zo’n talentje. Ik glimlach, en mijn dankbaarheid glimlacht, en samen bewonderen wij.

 En dan heb ik het nog niet over de leegte die ze kan maken als ze luistert, een zachte leegte die zovelen al als een weldadige bevestiging van hun (soms wankele) bestaan hebben gevoeld. Haar zwijgende aanwezigheid is er eentje die je inderdaad voelt, het soort aanraking dat zich direct toegang verschaft tot je binnenkant, zo gaat dat met die goedheid die tussen mensen mogelijk is.

 En wat ook meegenomen is: dat ze van zichzelf niet beseft hoezeer ze te bewonderen is. Ze denkt eerder het tegendeel, een soort wankelmoedigheid over dit bestaan van haar, alsof net daar geen orde mogelijk is, zozeer overvalt haar de twijfel soms. Maar liever dat dan zelfingenomenheid. Soms zit in twijfel een hele mooie levensdanspas, al weet de twijfelende dat vaak zelf niet. Maar ik zeg haar dat dan, of ik probeer haar dat te zeggen door even zacht als zij te zwijgen en te luisteren. En haar voorzichtig van binnen aan te raken in die tere verlorenheid, dat zuivere besef van kwetsbaar bestaan...

 

 


15-06-10

Inleiding op de geliefde (12): Stilte...

IMG_4431


Inleiding op de geliefde (12): Stilte...

 

Op reis dat boek gekocht waarvan de titel me intrigeerde: The book of silence, door de Engelse schrijfster Sara Maitland. Ze beschrijft haar zoektocht naar een steeds grotere, diepere, wijdere stilte, en analyseert ondertussen de trekken van die stilte en de relatie die zij en anderen er mee hebben.

Ik moet aan dat boek denken als ik weer eens diezelfde drang bij jou ontmoet om stil te zijn, alleen, omringd door een wereld die mee wil zwijgen. Ik weet dat het bij jou vaak een vlucht was, weg van de moeilijkheden, niet meer dat dunne vel dat alles doorlaat, het meest botte eerst. Dat was het ergste: dat als je wel wou, dat als je goede wil zich inzette, het nog ingewikkelder leek te worden, samenleven en samenwerken met mensen.

Maar er is meer, denk ik. Stilte is voor jou ook een partner die je verleidt. Er is een aantrekkingskracht die bij jou echt wel aankomt. Bij mij ook, dat zal ik niet ontkennen, al ben ik bang voor isolement. Bang voor de eenzaamheid van mijn jeugd, denk ik, ik ben een ander mens geworden nu. Jij hebt die bangheid niet, het lijkt of je meer vertrouwen hebt in dat leven van je als het niet heen en weer hoeft te lopen tussen gezichten en verwachtingen, en allerlei verwachtingen die op jou worden gelegd. Ik druk het nog altijd negatief uit, merk ik. Ik probeer het even positief: het lijkt of tussen de zwijgzame zachtheid van een stille omgeving je zelf ook die stille en sterke zachtheid in jou geloven wil. Durft aanvaarden dat je nog zo slecht niet in elkaar steekt, wezen dat niet moet oordelen noch (vooral!) beoordeeld moet worden, maar alleen moet ademen, orde scheppen in de dag, en een beetje verder denken voor nog een dag.

Veel plekken om ons terug te trekken zijn er niet in dit volgebouwde landje. We hebben gelukkig een huis dat zijn gezicht richt naar de zon, we hebben een straat waar men niet continu doorraast, we hebben groen en al de andere kleuren en we hebben stilte in elkaar.

Dat laatste is misschien wel het belangrijkste. Dat we samen kunnen zwijgen, dat wisten we al (daar maak jij soms een grapje over – het is jouw manier om even uit te breken en de warmte te controleren in je leven. En ik hoor daarbij, bij die warmte). Het is stilte die we in elkaar vasthouden, die ongrijpbare mengeling van rust, brede adem, vergezicht en dichtbije warmte. Stilte als vertrouwen.

Maar stel dat je je voor een paar maanden terugtrok in een ingesneeuwde Canadese blokhut, of een huisje aan het einde van een bergpad op Skye, onder vlagen en rukwinden, of in een verlaten Alpendorp zoals de schrijver John Berger, of vriend Dany, zou je dan die stiltedoorbrekende grapjes niet missen? Waar zou je dan die kleine bewijsjes halen dat de warmte je niet verlaten had? Wie moet dan grinniken met je spot, dat zie ik de wind of de wolken bij zonsondergang nog niet doen...

Zou het kunnen dat je voor die stilte niet te jong mag zijn? Voor het vertrouwen dat je, toevallig misschien, vindt? Hoe heette die jonge, pas afgestudeerde, begoede Amerikaanse jonge man weer, die alles achterliet en alleen ging wonen in de wildernis van het Canadese noorden? Hij stierf, en eigenlijk alleen maar omdat hij niet het gezond verstand had zich toch voor te bereiden. Een eenvoudige kaart zou al geholpen hebben. Wat verantwoordelijkheidsgevoel ook, al was het maar tegenover anderen?

Zou het kunnen dat je warmte opgeslagen moet hebben, veel warmte, vooraleer je alleen de grote stilte ingaat? Ik vermoed het. Een mens komt af en toe nogal hard die vraag tegen of hij wel bestaat. Je kunt maar beter wat ervaring hebben met die vraag, en een overlevingspakket aan gekoesterde antwoorden en ervaringen die je niet meer vergeet.

Misschien dat het er daarom wellicht nog van komt, die dagen alleen tussen de wind en de verten. Als we een plekje vinden zoals Yeats, een “bij-doorgonsd hutje heel alleen bij Innisfree”. Maar ook Yeats leefde meer van verlangen dan met de eigenlijke stilte. Zegt hij niet aan het begin van het gedicht: “I will go now”? Dat heb jij ook vaak gedacht, elke keer als de managers van deze wereld weer een nieuwe inval hadden gekregen. En eindigt het gedicht niet “en altijd hoor ik het water klotsen, als ik op weg ga of in de grijze straat, hoor ik het diep in mijn hart.”

Ach, de stilte waar wij naar hunkeren. Ze is zoveel meer dan weg willen, of tot rust komen, of op zoek zijn naar avontuur. Er spreekt zo’n grote dorst uit naar de diepten of verten die ons verborgen worden gehouden, zo’n groot verlangen om achter de wanden en randen van de werkelijkheid te kijken. Om dieper dan ooit vermoed onszelf achter te laten, en toch in leven te blijven...

Ik kan mij bij dat verlangen wel enkele plekken voorstellen. Voor mij althans. Zoals een eindeloze witte ruimte van sneeuw, waar grond en lucht niet meer te onderscheiden zijn, enkel een zwart-witte boom, en daarin een hut, goed warm gestookt met genoeg houtblokken. En dan maar kijken naar al wat het licht doet met zoveel wit. En luisteren of ook geluid wit kan zijn. En voor het warme leven zou ik een hond meenemen, met zo’n blik waarin alle goedheid van de wereld opgeslagen ligt. Of veel geliefde muziek en boeken en foto’s. Dat ik niets vergeet...

Of: een huisje tegen een helling, uitkijkend over een dal dat maar blijft doorgaan, onder een lucht van wolken en einders. En daar dan de seizoenen opwachten en verwelkomen: leeuwerikzomers, misthoornherfsten, witte winters en bleekgroene lentes. Maar mijn ijskast zou goed gevuld moeten zijn, want van honger hou ik niet...

Of ergens bij de grote beweging: een huisje aan de rand van de zee, alleen met het geluid van wind en golven, of zo’n kamer als die waarin vriend Karel langzaam zijn leven uit laat doven: breed en dicht uitkijkend op de torens en de huizen en de luchten en de verten van Gent, met kinderstemmen van een school vlakbij en voor de rest enkel licht en nog eens licht.

Plekken die wiegen tussen droom en daad, ik weet het.

Ons alternatief is al jaren het rondtrekken. Wij twee, in een auto die je gelijk waar kunt achterlaten om dan in je bed te kruipen. Gelijk waar, dat ook weer niet, we zoeken wel degelijk een goed “plekske” om die avond en nacht goed door te komen: we schurken ons wat, we maken kennis met de boom die er al staat en met de vrouw die langskomt, we doen een wandeling en wensen onszelf slaapwel in een duister dat we tegen dan al wat getemd want herkend hebben. Maar we laten onze grenzen los en rijden waar de oude, wijze wegen ons leiden willen. Het zal de geschiedenis niet halen, ons zwerven, maar het tilt ons wel op en voert ons vaak lichtjes dronken.

Ontmoeten we er onze stilte, wit of andersgekleurd? Er is een stilte die de beweging zelf is. Niet meer willen, of kunnen stiltstaan. Een dag rolt voorbij over de grote bol die ook beweegt, en wij rollen mee. Zo elementair kan leven zijn. Laten we zeggen dat we ons rijdende huis net zo snel laten bewegen als onze ogen kunnen kijken, als ons hoofd kan verwachten, als het licht kleuren geeft. En als we ergens halt houden, er dan nog een avondzon ondergaat, of een storm zich aankondigt over de lucht die begint aan onze voeten. Laten we zeggen dat wij al jaren ons oefenen in klontjes stilte. Goed als je je wat hol voelt van binnen, net als het klontje suiker dat we altijd op zak hebben ons voorlopig redt van de sluipende honger...


IMG_4592

14-06-10

Inleiding op de geliefde (11): Twee kleine liedjes...


IMG_4351


Inleiding op de geliefde: Twee kleine liedjes...

Heb je gedaan met eten?
Ja.
Er is nog wat eten over.
Ach, dat wist ik niet.
Maar ik heb het je vijf minuten geleden nog gevraagd.
Je moet daarvoor niet zo roepen.
Maar ik roep niet.
Je roept wel.
Maar je vergeet dat er nog eten is.
Maar je weet dat ik niet weet of ik iets moet hebben als ik nog bezig ben.
Maar ik moet dat weten, dan neem ik zelf wat meer als jij minder neemt. Maar nu toch niet, als ik al goed en wel gedaan heb.
Allez kom, een beetje, ’t is wel veel dat er nog is.
Allez, geef mij ook een stuk, we delen.
Allez, ’t is goed.


*


Zeg, ‘k zou willen dat je je kleren niet zomaar op de stoel zou gooien.
Ze liggen daar te kreuken, da’s geen zicht, ik zal dan wel weer strijken.
Zeg luister je wel.
Ik heb het je vorige week ook al gevraagd.
Zeg, je moet niet zo spreken, als jij zult strijken, mag je spreken.
Zeg, ik mag toch iets vragen hé. Ik mag toch nog altijd iets vragen, hé.
(glimlach)

08-05-10

Inleiding op de geliefde (10): Het geheim van een kus

Uitstap Henegouwen ma 2010-21


 

Inleiding op de geliefde (10): Het geheim van een kus...

 

 

Ooit schreef ik het gedicht “Vastgelegd geluk”:

     Waar dragen we al die jaren
     Als we anders worden en krimpen
     Van vastgelegd geluk.
     Kom, zeg je niet.
     Ik weet nog hoe je
     Vingers in je hele lichaam
     Zijn.
     Hoe mijn handen dalen
     Als die eerste keer
     Misschien nooit meer.

Ooit, twintig jaar geleden. Waren wij toen verder van elkaar dan in ons begin? Is er verwijdering als het weten het doen vervangt? Als verliefde kun je niet genoeg aanraken. Dan overweldigt het doen je, als een verslaving in de derde graad, als een dorst die levensbedreigend is, als een herhaling die niets vult.


Na al die jaren vastgelegd geluk is weten naast doen komen staan. Ik weet nu van aanraking, ik weet nu van kus, ik weet nu van warmte in glimlach en aai en neigen en wachten en verlangen. Een soort alcoholrijke mix van herinnering, vertrouwen, aanwezigheid: veel hoef je er niet van te drinken om doorgloeid te raken, nippen is ook al goed, zelfs het weten dat de fles in de kast staat is blijkbaar al voldoende.

Maar is dat zo? Soms ga je voor me staan (ik moet even onderzoeken of daar een patroon in zit) en dan zeg je met die spottende blik: je hebt me vandaag nog gene ene keer aangeraakt. Terwijl ik dat wel gedaan hebt in mijn blik, in mijn bezorgdheid om je rug, in mijn eten maken voor je, in mijn blijven tot de keuken samen is opgeruimd, in mijn luisteren en spreken, in afspraken en boodschappen, in plannen en zorgen, in het herkauwen van de krant, in het doorgeven van de telefoon, in het stofje dat ik van je jas wegjaag, in de afstandsbediening van de tv die ik eindelijk geprogrammeerd krijg, in de cd die ik voor je opzet, in de sinaasappels die ik voor je uitpers. Een aanraking van vers geperst fruit!

Maar nee, blijkbaar moeten er ook “echte” aanrakingen zijn. Verse. Morgenkus, afscheidskus, terugkomkus, mijn wang tegen die van jou, even de rondingen afgaan, je haar goedleggen, een aai met één vinger, of met een groepje vrijwilligers van vingers, alle beweging stilzetten en om je hals je omhelzen: blijkbaar is weten dat ze er zijn niet genoeg, moeten ze er ook echt zijn. Ik kan niet zeggen: ik heb je al zoveel keer omhelsd, ik heb mijn vingers al zo vaak in je lichaam gelegd. Nee, mijn armen en vingers en hoofd en mond en ogen moeten het blijven doen, blijkbaar. Slechts het moment nu telt, slechts het moment beslist over de volheid van wat er is.

Meer nog, je laadt het dan graag op met herinneringen. Weet je nog, zeg je dan, toen... Toen we... Zus of zo... Terwijl ik je vasthoud, of jij mij, wie zal het zeggen, kijk je over onze schouder naar toen, en toen, en je vertelt van eerste keren alsof al die momenten daartussen niet ook hevig belangrijk zijn geweest. Nooit zal je die herinneringen zomaar ophalen, slechts als het momentje nu zich weer aan het vullen is, slechts dan.

Nochtans kun je niet ontkennen dat ze er wel geweest zijn, al die directe en indirecte aanrakingen. Misschien zijn ze er zelfs nog, ergens weggeborgen in laden die ons helpen inslapen, rustig de straat oversteken en glimlachen tegen de dag van morgen en overmorgen. Geluk moet vastgelegd én opnieuw veroverd worden, allebei moeten, denk ik. Vastgelegd, als bewijs dat het leven geen hinderlaag was, geen voorbereide aanslag, geen slimme truc die je toch nooit zult begrijpen. Veroverd ook, om het spannend te houden. En omdat al dat vastgelegd geluk toch nooit een sluitend bewijs krijgt. Het is zo broos als het jongste moment, en wat kan er niet allemaal gebeuren in één moment. Al ons vastgelegde geluk, als een dam tegen het grote onheil, en toch niet helemaal overtuigd zijn van de oninneembaarheid van onze vesting. Elke dag weer controleren of de muren dik genoeg zijn, of we genoeg voedsel hebben samen voor morgen, en misschien wel voor veel langer...

Werkt het zo, als jij mij weer aan het aaien en kussen zet? Is dat een overlevingsstrategie? Of is het een spel van je spottende genen, die altijd twee, drie realiteiten tegelijk zien, twee mogelijkheden die met elkaar op de loop gaan? Het uitdagende van een slim meisje? Het ravotterige van een jong gebleven meid?

Dat laatste ook, zeker, je zou er bij grinniken als ik je het vertelde. Maar ook dat wapen, dat verweer. Je hebt het me al meer dan eens gezegd, en dan kwam het achteraf, na eerst diep ontroerd te zijn geweest, meestal alleen thuis: stel dat je mij niet meer terugziet en we zouden geen afscheid genomen hebben met een kus... Niet het magische geloof dat een kus mij beschermd zou hebben, mij gered zou hebben, maar dat ons afscheid niet in het teken zou staan van dat waar we nu al zo lang voor samen zijn, en waarvoor we eigenlijk geen woord hebben, zo wijd vertakt is het. Weten dat we samen zijn is niet genoeg, zoals het ook niet genoeg is te weten dat de dag begint, we willen het licht zien en voelen.

Ach, hoe zou weten genoeg zijn, als we zelfs geen woord hebben om ons in te vangen. Dat is het probleem van afscheid nemen in uitvaarten, er moeten woorden worden gezocht die groot genoeg zijn. En die zijn er vaak niet. Of net niet. En ook dan behelpen mensen zich met die vreemde leegtes die rituelen zijn. Vol en leeg zijn ze, als een soort bestaan waartoe wij (nog) niet in staat zijn. Rituelen zijn zo klein als een handdruk, maar kunnen uitrekken tot een symboliek die werelden omspant. En dan behelpen mensen zich met muziek: muziek is klank waaruit de betekenis is weggelaten, zodat ieder haar kan vullen met zoveel betekenis als hij zelf wilt of verlangt...

Zo is de aanraking die jij wilt (zoals altijd ben jij dus veel slimmer dan je te kennen geeft): een bewijs van bestaan, van ons tweebestaan, zo klein en spontaan als dit kleine, spontane moment en zo groot als ons grootste verlangen, nu al jaren samen, nu al jaren als mens op deze wereld...

Kom hier, dat ik je een zoen geef.

12-11-09

Inleiding op de geliefde (9): mijn heil, mijn lief, mijn lijf, mijn god, mijn ster en mij...



20091104_0073-2




 Inleiding op de geliefde (9): Mijn heil, mijn lief, mijn lijf, mijn god, mijn ster en mij...

 

Het beeld van de vruchtbare leegte, waarmee de boeddhisten leven, heeft mij altijd aangesproken, net als de bekommernis van de bijbelse Stem om onzichtbaar te blijven en daarentegen mensen in het licht te zetten, de zwaksten het eerst, de stemlozen die ook altijd onzichtbaar blijven. Anderzijds stoot het felkleurige veelgodendom van de hindoes mij af, komen de Griekse goden, in bvb de Ilias, over als een stelletje pokerspelers en vind ik moderne afgoden als bekendheid en succes al helemaal boerenbedrog.

De kostbaarheid van deze gegeven wereld aan een god koppelen, allemaal goed en wel, maar de focus mag niet verschuiven. Maar louter en enkel de wereldse gegevenheid is dan weer te weinig: het verhaal van een tragische bezetenheid, van een onrechtvaardigheid die al met de geboorte meegegeven wordt. Een vraag die te groot is voor de beetjes antwoord die een mens krijgt.

De goddelijkheid zit in de gegevenheid als belofte: dat er verandering mogelijk is, bevrijding, inzicht, groei. Een beweging zo groot als de geschiedenis zelf. Een vraag zo herkenbaar als elke mens die voor ons staat. Het is dat wat mensen aanspreekt in de grote wijsheden: dat ze er zijn als belofte. En dan reken ik daar ook het verlichte humanisme bij, dat zich ontdeed van magische macht en durfde geloven in de absoluutheid van elke mens afzonderlijk. Die grote belofte is, in haar universaliteit, tegelijk zo persoonlijk, dat mensen ze ervaren als een persoonlijke roep. Aan het zoeken naar verandering en bevrijding door kennis, verlichting, verbondenheid worden hele levens gewijd. Misschien is dit onverwoestbare geloof in genezing van de menselijke tragiek wel het meest sacrale in deze wereld…

Zou het kunnen dat in de geliefde datzelfde fundament zichtbaar wordt? Dat elke geliefde gezien wordt als een diepe kans op geboorte, op groei, op voltooiing? Dat in elke geliefde iets opgemerkt wordt van de diepe belofte die in bestaan is gelegd? Het is bijna een retorische vraag, zo vanzelfsprekend positief is het antwoord. Heel het wezen van de geliefde straalt van die positiviteit.

Maar als belofte het fundament is, dan mogen we als verliefden ook niet bang zijn van verandering. Laat ik een grote vergelijking maken: zoals de G’d van de bijbel zich niet laat zien, en in die houding meteen ook alle afgoden afkraakt die wel over “de weduwen en de wezen” walsen, zo heb ik een vrouw die, in al haar bescheiden innemendheid, toch niet nalaat mijn kleine kantjes te benoemen. Dat houdt mij scherp en soepel tegelijk, vouwt mij open, leert mij hoe ook ik mezelf als afgod kan achterlaten. De eerste afgod van iedereen is zijn eigen zichzelve.

Die scherpte kan tegelijk mild zijn, ook dat heb ik van haar geleerd, duidelijk zeggen waar het op staat en toch niet veroordelen. Niet dat het vanzelfsprekend is: er gaat ook twijfel mee gepaard, het is geen optelsom van regeltjes, er zit iets subjectiefs in omdat je er als persoon bij betrokken bent. Met je bedoel ik niet mezelf, maar mijn vrouw die mij iets zegt. Zij heeft geen macht om mij dat te zeggen. Ze heeft alleen haar liefde voor mij. Dat maakt al wat ze zegt tegelijk heel belangrijk en ook heel kwetsbaar. Vandaar haar twijfel. Zeker als ik niet begrijp wat ze zegt. Of het niet wil begrijpen. Want ik ben wel een brave mens, maar niet altijd. Ook ik ben rechtop lopende kwetsbaarheid en zo helder als een raam zal ik wel nooit worden. Ik mag al blij zijn als het voldoende lukt om er rust aan te ontlenen.

Vreemde vergelijking, die tussen een bijbelse stem en de stem van mijn vrouw? Nee, want ook zij leeft met haar verlangen als een belofte. Het ten diepste gevuld worden kan maar als er voordien genoeg leegte is gemaakt en gekoesterd. Een kus moet een heel leven bevatten, vindt zij. Ze zegt het niet met zoveel woorden, ze toont het, en als ik haar teveel vergeet, hoor ik het wel. Geen gekijf, nee, dat is geblaas vanuit macht. Maar een ironische vraag, of een meninkje zo nuchter als de paar woorden die er aan zijn besteed, of als het wat dieper gaat, ernst die opvalt en mij doet luisteren. Maar als je gewend bent om met elkaar te praten, glijden veel betekenissen ook mee met wat er over de voorbije dag wordt gezegd, al die jaren babbelen levert wel wat inzicht op in elkaar en elkaars verlangen.

En de vergelijking tussen de leegte van boeddha en mijn geliefde, hoe zit het daarmee? Ja, we zitten, lopen, staan, liggen naast elkaar, en veel meer nog dan de woorden, vult ons de stilte van zwijgen, kijken, horen dat de ander nog ademt. De stilte van samen eten en lezen en slapen en auto rijden, naar theater gaan en muziek beluisteren, en samen praten met de kinderen en de vrienden. Ik zou zeggen, als ervaringsdeskundige, dat zijn vele uren meditatie, vele uren waarin we de leegte toelieten van er niet te zijn, van gedeeld afwezigheid, van inwezigheid zonder dat we er speciaal op moesten letten, uren die aan zichzelf genoeg hadden, hun eigen volheid mochten voelen. Verlangen is lijden, zegt de boeddhist. Alleen als alles losgelaten wordt, dat het kan vliegen zoals het wil, komt er lichtheid, komt er rust.

Is de wereld er beter van geworden, van ons gezamelijk loslaten? Wij zijn er beter van geworden, dat in elk geval wel. En omdat de ene golf de andere aansteekt, zullen er wel nog een paar mensen beter van zijn geworden, zoals wij opgetild werden in de rimpeling van zoveel anderen.

De grote lichtheid, waaraan al die monniken hun leven wijden, zullen wij allicht nooit ervaren. Zij misschien ook niet. Maar je kunt wel in de buurt blijven, en af en toe luisteren of je iets hoort. Zoals de vogels tussen hun zang ook telkens ruimte maken voor stilte, voor nog een groter gezang. Ook zij blijven in de buurt, blijven proberen en er zijn avonden, vol invallende koele duisternis, dat ik de merel hoor zingen en mij afvraag waar die versterkers zijn die zijn lied zo wijd en groot maken, en zo juist voor het nu.

Zo blijven wij bij elkaar, twee die voor een deel elkaars lichtheid zijn geworden.

Maar straks moet zuster lichaam nog oud worden, en weggaan... En elke ontmoeting is die kans er opnieuw, bij elk gezicht dat wat langer blijft hangen, dat we dat wat bange verlangen tegenkomen, zo is dat nu eenmaal, we zijn en blijven elkaars spiegel, en warmte, en levengevend woord. Binnen de grenzen van het gegeven respect blijven, kennis en inzicht delen, het is al heel veel en je kan er een maatschappij mee verder helpen. Maar hoe vaak ontmoeten we in ogen dat verlangen naar zoveel meer. Religie en humanisme zijn niet zomaar die aloude, brede wegen waarop al zo lang mensen lopen, ze beginnen elke keer weer als de ene mens de andere in de ogen kijkt.
En zo is het ook bij ons, je kunt jaren bij elkaar leven en nog even kwetsbaar hunkerend blijven als op de eerste dag. En bang voor het grote verlies.

Vreemd, die vergelijking tussen godsbeelden en mijn geliefde? Ik moet er om glimlachen, maar denk dan aan de laatste regel van dit indrukwekkende sonnet van Constantijn Huygens: Op de dood van Sterre. Sterre was zijn vrouw, vroeg gestorven, Huygens voedde zijn vijf kinderen zelf op en combineerde dat met een ambtelijke carrière, met reizen, met muziek maken en schrijven, met poëzie, met een hoge leeftijd. Het gedicht begint met de schok van een ontploffing: Of droom ik, en is ’t nacht, en is mijn Ster verdwenen? Het ontwaken komt even schokkend, met al de kracht van het parallellisme: Ik waak, en ’t is hoog dag, en zie mijn Sterre niet. Smeken, bidden helpt niet. De onverschilligheid van de dood klinkt als een donder, massief, van een andere orde.

En dan volgt, in de laatste twee strofen, het doodsverlangen. Het is een ware dijkbreuk, ik ken nauwelijks andere gedichten waar dit doodsbesef zo fel en zo diep is. Ik schreef eerst grondeloos diep. Maar de doodsgedachte heeft wel een grond: het absolute verlangen naar haar. De spiegel is gebroken. En dat kan geen enkel leven aan. Daarom herstelt Huygens de spiegel in de laatste regels: ‘k Verlang in ’t eeuwig licht te samen te zien zweven / Mijn Heil, mijn Lief, mijn Lijf, mijn God, mijn Ster en mij.

God of lief, dat maakt geen verschil als je liefhebt. God of lijf, dat maakt geen verschil als de afwezigheid van lijf totaal is, zoals de afwezigheid van lijf totaal kan zijn. Als er niemand terugkijkt, ons het leven teruggeeft zoals het ooit werd gegeven, een taal spreekt die we herkennen, als slechts de massieve onverschilligheid ons omringt van fysische processen, van onzichtbaarheid tussen onzichtbaarheid, van overtolligheid tussen teveel, dan is leven koorts, zoals Huygens schrijft, koorts die wil ophouden.

Maar zelfs dan, in dat doodsverlangen, leeft het verlangen naar gezien en aangeraakt worden... Hoevelen zijn er niet, die zelfs in dat verlangde sterven de rust willen zien van iemand die op hen wacht, van een geliefde die hen zal herkennen... Dood, wees niet trots... dichtte John Donne, een bijna-tijdgenoot van Huygens. 




Op de dood van Sterre
(Constantijn Huygens, 1596-1687)

Of droom ik, en is ‘t nacht, of is mijn Ster verdwenen?
Ik waak, en ‘t is hoog dag, en zie mijn Sterre niet.
o Hemelen, die mij haar aangezicht verbiedt,
Spreek mensentaal, en zegt, waar is mijn Sterre henen?

De hemel slaat geluid, ik hoor hem door mijn stenen,
En zegt: mijn Sterre staat in ‘t heilige gebied
Waar zij de Godheid, waar de Godheid haar beziet,
En - voegt het lachen daar - belacht mijn ijdel wenen.

Nu, Dood, nu snik, meteen verschenen en voorbij,
Nu, doorgang van een steen, van een gesteen ten leven,
Dun schutsel, staat naarbij, ‘k zal ‘t u te dank vergeven;

Komt, Dood, en maakt mij korts van deze koortsen vrij:
‘k Verlang in ‘t eeuwig licht tezamen te zien zweven
Mijn Heil, mijn Lief, mijn lijf, mijn God, mijn Ster, en mij.

10-10-09

Inleiding op de geliefde (8) : Het geliefde lichaam

IMG_4406



 

 

 Inleiding op de geliefde (8): Het geliefde lichaam...

 

De geliefde is een lichaam. Dat is zo vanzelfsprekend, dat het weer verrast, als je er over nadenkt. Want hoe gaan wij om met dit lichaam? Een huis is een lichaam, en kleren zijn een lichaam, subtiel want zo dichtbij. En taal is een lichaam, nog subtieler want een bron van binnenuit, waarmee we toch een veel grotere ruimte dan ons eigen lichaam binnengaan. En deze wereld is een lichaam, waaier van beweging die ons schiep.

Maar hoe gaan wij om met onze lichamen? Hoe zal mijn geliefde ademen, als ik het niet meer zie? Zie dat het leven beweegt in haar, en hoe wonderlijk dat is. Wonderlijk is wat ons gegeven wordt, en daarom moet ik haar zien, en, in dat zien, haar teruggeven aan haar, dat ze zichzelf ook kan loslaten.

Lichamen zijn er om doorgegeven te worden, om te delen, om in over te lopen, om te volgen met je vinger, om te benoemen, om naar te kijken, om bij te zitten, om in te schuilen, om groter in te worden, en ouder, om bij te glimlachen, om te rennen en door muren mee te lopen, om te zingen en te huilen, om heel diep bij te zwijgen.

Als lichamen niet meer gezien worden, dan zijn ze alles kwijt waarvoor ze gemaakt zijn. Lichamen zijn niet louter gemaakt om zich voort te planten, zoals biologen wel eens durven beweren. Lichamen zijn gemaakt om gezien, gevoeld, gehoord te worden en door die aanraking de ongrijpbaarheid te vullen van te mogen bestaan. We moeten in andere ogen onze gegevenheid aanvaarden, zelf twijfelen we daar te veel aan als we in de spiegel kijken, onze stem horen, het juiste woord niet vinden. Elkaars spiegel, in die andere hand die dichterbij komt, die glimlach, die ogen, in de klank waarmee we worden genoemd.

Daarom doet het nog altijd iets, als mensen je aankijken en niet groeten, als iemand je laat staan in een gesprek, als er niet geantwoord wordt op een vraag, als… Daarom is beleefdheid zo verstandig: ze vat samen, hoorde ik Josse de Pauw ooit zeggen, hoe het leven het best beleefd wordt, vanuit haar lange beleving. Leven gebeurt niet alleen, maar in een spiegeling die ons langzaam leert te vertrouwen, ons toe te vertrouwen. Niet alleen voor de warmte en het voedsel hebben we elkaar nodig, maar op een nog veel dieper niveau voor de zin en de betekenis van ons bestaan.

Als het om een geliefd lichaam gaat, is die nood het grootst. Dan wordt de kwetsbaarheid op z’n scherpst beleefd, lijkt een leven alleen niet meer mogelijk. Alleen nog die oersituatie van geven en gegeven worden. Het liefhebbende lichaam als diepe wonde, het geliefde lichaam als genezing.

Zeker in de verliefdheid wordt die spiegelvraag beleefd als absoluut. Lichamen zijn meesters van geschiedenis en verhaal, zijn oneindig in hun sporen, en toch begint alles hier weer opnieuw, bij dit ene, stralende, wonderlijke lichaam. Met elke verliefdheid begint de wereld weer van nul, zo lijkt het. In elke verliefdheid leeft de oerverwondering weer op die alle bestaan zou moeten omringen. En die niet vol te houden is in die extatische vorm (tenzij misschien als hond…). Anders kwam er geen brood meer op de plank en bleven de kranten leeg en de scholen dicht. Maar mooi om zien is het wel, het eden waar geliefden zich in bevinden.

De geliefde is een lichaam. Soms overvalt mij weer die oorspronkelijke verwondering. Als je mij verrast met een grap, als je glimlach anders is, mij spiegelt dat ik er ben, reden tot vreugde ben, als je uitleg geeft aan anderen en die uitleg verraadt een leven van kennis en begrijpen, als je met zacht gezicht naar iemand anders luistert, en ik zie het. Die momenten van even-nieuwe-verliefdheid kies ik niet, een mens krijgt ze van de grote spiegel die leven is, en die is er of is er niet, ik weet zelfs niet of ze er meer zal zijn als ik er meer voor opensta.

Maar met of zonder verliefdheid, je lichaam blijft een bron van verlangen. Verlangen om bij je te zijn. Om je te horen spreken. Om aan je te komen. In die oerdrang om grenzen op te heffen blijkt de zachte aanraking de sterkste: lippen die kussen, een aai is zo zacht als zijn klank en je naam zo warm. Als je mijn hand grijpt, hoeveel handen zijn er dan. Als onze lichamen samen liggen, hoeveel lichamen zijn er dan. Dan krijgen we het leven zelf, die kracht uitstrooit alsof het niets is. Ook in ons, zonder dat we iets moeten betalen of vooraf examen moeten doen.

Het lijkt alsof ik hier een hiërarchie verwoord, maar zo werkt het niet. Van jou heb ik geleerd dat ook een vingertop het hoogste in zich kan dragen, dat ook een omhelzing alles kan samenvatten. Het hangt van het verlangen af, en van de spiegeling… Die kleine verliefdheden zijn daar het bewijs van.

Lichamen zijn meesters van geschiedenis en verhaal. Gekregen, gedeeld, onderweg verloren of krampachtig bijgehouden. Een lichaam is een heel boek aan verhalen, en soms zou je willen dat iemand op straat stilstaat en begint te vertellen. Wat al verhalen heb ik niet met jou gedeeld, van kinderen en reizen tot werkmilieus en familie. Van gezondheid tot huizen. Van tuinen en eten en avonden en sterven.

En het verhaal van je lichaam zelf. Dat ouder wil worden, daar is niets aan te doen. Al ben je er bang van, van die opgehoopte tijd die nooit iets zegt maar daarom niet minder naar je kijkt. Ik moet het zien, ik moet er ontroerd door worden, dat ik het je kan vertellen, hoezeer je in al die verandering dezelfde bent gebleven, alleen groter en sterker en dieper bent geworden, aangrijpender om in te lezen, geruststellender om bij te komen in geval dat, warmer om vast te houden, herkenbaarder om bij in slaap te vallen. Als ik glimlach, zal jij dat ook doen. Als ik thee inschenk, zal je drinken, en door te drinken komt heel het leven binnen. De beetjes leven van elke slok, van elke dag, van elke keer weer samen zijn. Het is eenvoudig, maar ik moet het wel heel bewust doen. Al die opgehoopte tijd, ik sta er naast en corrigeer hem als hij weer te snel en te bot is, vergeet deuren open te houden, vergeet dat je graag licht bent en hard werkt, als hij vergeet dat eten moet smaken en inslapen vanzelf moet gaan. Dan poog ik hem te leren hoe hij echt moet spiegelen, al weet ik dat hij een moeilijke leerling is, te druk, te veel en te oppervlakkig. Maar je hebt mij, en ik heb jou, en samen zullen we kostbaar zijn, waard om getoond te worden, waard om bewaard te worden.

En de fijne kaart van je kraaienpootjes zal me wijzen waar ik moet zijn.

En mijn grijns zal je doen glimlachen.

En je bezige handen zullen me leren dat alles wel voorbij gaat, maar dat je lichaam daarom nog niet moet opgeven, dat weggaan ook een vorm van schoonheid is, als het met zorg gebeurt.

En in onze woorden zullen we elkaar leren dat ook een woord een slok adem is, een hartslag, een overwinning op het volgende moment, een overwinning op het dolen, op de paniek, op het niet-weten.

En met elke kleine aanraking, hoe klein ook (als je mijn naam zegt, voel ik je lichaam), zullen we onszelf blijven overtuigen dat wat aan ons gebeurt en gebeurd is, misschien wel toeval is, maar geen toeval gebleven is, dat we er de zin en betekenis aan gegeven hebben die we wilden krijgen, een grootheid die ons verre overstijgt, als je ziet hoe heel klein wij geboren zijn, hoe met niets wij begonnen zijn, hoe als de vingers van een babyhand ons leven is opengegaan en alles heeft aangeraakt. Alles, ja, alles wat ons gespiegeld heeft, in vriendschap ons teruggegeven heeft wat we zelf al waren, hoewel we het niet wisten. Zoveel andere welwillende, genegen, geliefde lichamen.


 


IMG_4409

20-03-09

Inleiding op de geliefde (7) : Slagveldjes

 

IMG_4220.JPG

 

Inleiding op de geliefde (7): Slagveldjes...

1

Als ik opkijk van mijn krant, zie ik dat je voor mij staat en mij aankijkt met je speelse jongehondengezicht. “Wanneer ga je mij eens lezen,” zeg je.
En je blijft mij zo aankijken, omdat een goede zin ook een goede vertolking moet krijgen. Als ik grinnik, glimlach je ook, en zo mag het moment weer weggelegd worden.


2

Als ik thuiskom, van een dag werk, ligt er (hoewel ik weet waar je naartoe bent) een briefje op tafel. “Bonjour. Ik zal wel terugkomen. Daag. Lieve.”

Hoe doe je toch, van die briefjes achterlaten die ik bewaren wil omdat ze in mijn hoofd hebben gedanst. Een systeem zit er niet in, want dat zou bij jou niet werken, dat weet ik. Na al die jaren reageer je nog verrast als ik je wijs op je lichtvoetigheid. Het lijkt of het er is, maar niet geweten mag zijn. Alsof de dingen belast worden als ze een naam krijgen.
Het is trouwens een half gescheurde envelop, waarop je me laat weten dat je wel terugkomt. Ook daaraan zie ik dat je niet voor de eeuwigheid hebt geschreven.

Maar na de glimlach komt de warmte: je zal terugkomen. Er is iets tussen ons dat altijd weerkomt. Iets dat zo eenvoudig te begrijpen valt dat het toch mag uitgesproken, neergeschreven mag worden. Iets dat niet veel woorden nodig heeft. Iets dat een toekomende tijd kan vullen, meer dan een zekerheid, een feit dat er eigenlijk al is. Hoe vaak weet een mens de dingen zo zeker?

In dat briefje van jou bewaar ik een herinnering voor de toekomst. Mijn eigen kleine religie.


3

Vandaag is weer acteerdag. ’s Morgens al met fijne stekeltjes de opmerking waarom ik altijd alleen voor mezelf peperkoek neem, en haar vergeet.

Altijd. Haar vergeet. Meer moet dat niet zijn om mij op mijn paard te krijgen. Ze weet dat en ze speelt er mee: veralgemening en overdrijving werken bij mij altijd. En dan glimlacht ze om mijn povere verdediging: iets zeggen over de vorm zegt niets over de inhoud. En ze glimlacht, want ze weet dat ik dat weet. Ik heb haar inderdaad geen peperkoek aangeboden, verdiept als ik was in de krant van de dag.

Het is haar zin om te spelen, om mij even te pakken waar ik het niet verwacht. Maar het is ook haar trots. Die laat niets passeren. Peperkoek, er zijn duizenden stukken peperkoek in de wereld, daar gaat het niet om. Het gaat om niet vergeten worden, om eigenwaarde, om nog iets dieper misschien. Dat mag ik wel bij haar. Dat ze zo scherp leeft. Dat je onmiddellijk weet waar het op staat. Geen halfjes of kwartjes maar volle ponden.

En dan zeg ik dat ze van geluk mag spreken dat ik zo’n goeie man ben, een die niet het laatste woord wil, een die haar alsnog een stuk peperkoek aanbiedt. En dan glimlach ik ook, beetje grijnzend net als zij, want ik heb haar zwakke plek gezien en haar gespaard. En ik weet dat ze dat weet.

Nu staat we quitte. Mooi is dat.
En dat allemaal terwijl de dag nog moet beginnen.


4

Zo’n gescherm tussen ons is maar spel. Zoals zoveel tussen ons spel is. Oefening voor als we eens echt ruzie moeten maken. Kleine manoeuvres om, als eens echt iemand je pakt, vlugger te kunnen reageren. Enfin, dat hoop ik toch. Ik weet niet of een mens op dat elementaire niveau echt iets bijleert, daar rilt nog altijd een kinderziel, en die is naakt. En alleen.

Maar ook daarom zeveren we tegen elkaar, met de grijns, om als het nodig is, ook dan de woorden te vinden, te laten komen, die ons uit de eenzaamheid willen halen.

Ook daarom reageert je trots, om het kleine verlaten meisje nog maar eens te overtuigen dat de dingen wel degelijk veranderd zijn, dat ze niet meer bang hoeft te zijn. En ik begrijp dat. Tussen ons zal het wel goed blijven komen, denk ik.

De buitenwereld, dat is oefenen en bewaren, alle beetjes vertrouwen samen binden tot een groot, waarmee je buiten kan komen. En volop dankbaar zijn, als een speciale vorm van wegbergen, bewaren, herdenken. Dankbaarheid is telkens weer de conclusie herwerken, aanvullen, scherper stellen.

Laten we zeggen dat we de buitenwereld nu ook al beginnen graag te zien.


5

Maar terwijl we de buitenwereld leren binnen te laten, moeten we meemaken dat het lichaam soms weggaat.

Als je zo spelerig wordt, vraag ik soms: heb je nu geen pijn? Ik weet dat zo’n vraag gevaarlijk is, je terug kan brengen tot waar je even niet was, niet wil zijn.Maar ik stel die vraag ook voor mezelf, want dat uitvallen van je lichaam jaagt ook mij angst aan. Het mijne knarst af en toe, hoort minder, heeft geen conditie meer, en dat is het zo wat.

Maar allebei gaan ze weg. Zonder een briefje achter te laten waarop staat dat ze wel terug zullen komen. Hoe vreemd is dat: de wereld mag meer binnen komen, het dichtbije probeert stap voor stap weg te gaan. Net hebben we goed en vlot leren krijgen en nu moeten we alweer leren afgeven.

Wat is die beweging in ons die nooit, maar nooit ophoudt. Alsjeblief, laat ons niet weer klein en bang kind worden, woordloos verloren bij al wat ons overspoelt.

Toen ik naar je pijn vroeg, gaf ik dus ook een boodschap aan dat eigenzinnige lichaam: luister, we weten dat je nukken hebt en wegen wil gaan die niet onze keuze zijn, maar weet dat wij ook onze trots hebben, en dat we niet zullen nalaten te reageren.

Maar of het lichaam echt luistert, dat weten we niet.



28-10-08

Inleiding op de geliefde (6): Opkijken

IMG_3587

 

Inleiding op de geliefde: Opkijken...

 

Herfst, dragelijke kou, zon… En in een opwelling ben ik op een helling van de Vlaamse Ardennen naar het Westen gaan kijken. In mijn auto, natuurlijk. Niet als een of andere vogelverschrikker, alleen in de wind.

Ik was niet alleen, zag ik. Heel bovenaan zaten op de toppen van de ranke populieren rijen grote vogels. Een dominee met zijn gemeente op doortocht naar Amerika? Een lokale sportclub die even uitrust en wat frisse lucht drinkt? Je zou het moeten kunnen vragen.

Maar op de hellingen die glooiden naar de oude stad Oudenaarde was alles met zichzelf bezig: runderen die niet opkeken, twee kraaien stappend op de weg, theatraal zoals alleen kraaien dat kunnen, licht van de zon over het groen en het bruingrijs van de grond, vlekken goud in de plassen, en in de verte een toren die nauwelijks groter is dan de blokkendozen van fabrieken die haar omringen.

Deze oude stad is lange eeuwen bekend geweest om haar grote tapijten. Op het grote tapijt van de lucht zag ik wolken van alle maten en standen. Uitgezakte grootmoeders, met de kroost van hun kroost dicht tegen hun lichaam gedrukt. Grimmige, donker ogende hangjongeren, die nu eens leken te gaan samenscholen, dan weer op hun motoren sprongen en er vandoor gingen. Eenzaten, achtergebleven in het blauw. Oudjes op een rij, bijna onbeweeglijk. En hele ijle wolken, als magere meisjeslichamen.
En hoe al dat grote zo stil kan zijn.
En als er geen horizon was, zouden we niet eens weten waar te beginnen. Nu zien we hemel en aarde, dat is al iets.
En laten we de wegen niet vergeten. Wegen weten dat de mensen willen onthouden, en niet elke keer willen nadenken over de volgende stap. Niets slimmer dan een weg. Je laat je meevoeren en je komt er.
En dat allemaal op een late namiddag, ergens op een heuvelrichel in de Vlaamse Ardennen.

En zo kom ik bij jou. Ik moet dat meer doen, in een opwelling opkijken en zien hoeveel meer er is. Opkijken en jou zien. Je hoofd dat ademt en leeft en waardoor de gedachten gaan van dit moment. Zien dat je afgescheiden bent van mij. En toch zo mooi samengehouden. Je huid zien die je nog altijd zo voorzichtig afsnijdt van de rest van de wereld. Je adem die geen grenzen kent, nog altijd niet. Je ogen waarlangs al zoveel is binnengestroomd. Je mond van vlees, maar die mij geleerd heeft hoe intelligent vlees kan zijn. En hoe dichtbij. Je handen, waarvan ik me niet kan voorstellen dat ze er nooit zijn geweest. Of anders zijn geweest. Je zou ze in cijfers moeten kunnen vertalen: zoveel kilogram opgepakt, zoveel kilometer verlegd, gebracht en gehaald, gewreven en juist gelegd, zoveel maanden gerust, alleen of met twee. Maar nog zou ik niet weten wat hun geheim is, en hun schoonheid.

En je stem. In jou komen oude klanken langs alsof ze er altijd geweest zijn. En dat ik je zo mag krijgen, betekenis per betekenis. Er is in de lucht adem, en er is betekenis, en beide stromen bij mij binnen alsof ik alle mensen ben, jou het meest.

Als ik zo naar je kijk, zal je opkijken, ik weet het. Mensen voelen die blik die aan het bestaan komt, zelfs op hun rug, schijnt het. En dan zul je verwonderd kijken, en vragen of er iets is. Of je zal onmiddellijk merken wat er is, en glimlachen. Of je haalt een grap uit, zo een die alleen in jou kan opkomen.

En af en toe zal ik ook bij mezelf uitkomen, weet ik. Die huid die alles bijeen houdt. Die ogen die in de spiegel iemand zien die ze al zolang kennen. Dit raderwerk dat me in leven houdt, alsof leven een geheim is dat ik niet mag kennen maar dat me gegund wordt. Vanzelf, al zolang, en toch zo vreemd.

En dan zal ik denken aan de keren dat ik jou zag, opkijkend. Dat jij mij ook zo ziet, dichtbij en ver, zoveel niet jij en zoveel al bij jou binnengedruppeld. Dat jij ook die randen ziet die niemand kan verklaren, huid en vorm en stem en blik die in mij bijeengestroomd zijn, zomaar, zonder reden lijkt het wel, behalve voor dit moment van opkijken, behalve voor de verwondering om al dit krijgen.

Opkijken is naar een moment grijpen en het net even raken maar uit je handen voelen glippen. Toch, de herinnering aan dit raken maakt veel goed. De herinnering maakt altijd veel goed. Want wat het komende brengt, daar kunnen we alleen maar op hopen, stilletjes, zonder teveel verbeelding, ons dichtbij warmend aan die warme voorbijglijdende gegevenheid. Want dat ik jou, of jij mij, ooit, anders zal zien… Met gescheurde randen, achtergelaten door adem en woorden, zonder de spanning die er altijd was en die het geheim was dat ons in leven hield.

Deze ruimte, nu rond mij, deze lucht van zwijgende vogels en hele verre auto’s, ze is stil, maar ze staat wel opgespannen zoals een ruimte dat altijd is. Ze leeft. En dat jij, en ik, ooit zullen ontspannen, dichtvallen, verstommen. Konden we dan maar deze ruimte worden, deze bomen, deze wolken…

Maar ik weet niet of ik dan nog zo zou opkijken, om jou te zien. In al je kleinheid ben jij het grootste dat ik ooit heb gezien, veel groter nog dan deze helderheid op de heuvels bij Oudenaarde. Dat er iets is langsgekomen dat jouw huid had, jouw ogen en mond, jouw naam sprak en vele andere woorden. Dat jij het dichtste was dat ooit bij en in mij gekomen is, en dat ik dat nooit zal begrijpen, hoe lang ik ook leef, hoeveel ik ook kijk en onthoud. Dat jij dat ook van mij denkt. In al onze tevergeefsheid kunnen we alleen maar opkijken, telkens weer, en elkaar zien, en het wonder zien, en hopen dat het wonder ons zal overleven, verder zal leven in ons, dat wij het wonder zullen worden. Een ander woord heb ik er niet voor. Durf ik er niet voor hebben. Maar ik zal blijven opkijken. Om bij te leren. Om beter te leren spreken. Om nog meer van je te zien.

14-06-08

inleiding op de geliefde 5 : Pijn

IMG_0571

 

 

Inleiding op de geliefde: Pijn...

 

Kun je pijn delen? Pijn die zich afspeelt buiten je randen? Die langs andere zenuwbanen sluipt, die een andere adem doet overslaan?

Misschien hebben ouders dat het sterkst. Kinderen blijven per slot van rekening altijd een beetje nog eigen lichaam. Je weet dat die dingen kunnen gebeuren, maar als ze dan zo dicht op je huid komen…, zei een moeder me onlangs nog, over de hersenbloeding van haar dochter.

Maar de geliefde, komt haar pijn ook zo direct op de huid? Dit is een lichaam dat je krijgt, niet eentje dat je zelf maakt en weggeeft, aan een kind. Reageren geven en krijgen anders op pijn?

Misschien toch wel. Mijn zelfgemaakt verdrietje, schrijft Herman de Coninck over zijn dochtertje dat ziek is. En als je kind heel erg ziek is, hoe moeilijk moet het zijn voor ouders om je daar niet verantwoordelijk, schuldig voor te voelen?

Maar als haar vingers trekken van de pijn, als ze moe en op is van een lichaam met een veel te groot soortelijk gewicht, als ze niet kan slapen, als gaan verzitten een onophoudelijk gesprek is, een dovemansgesprek, hoeveel daarvan wil ik krijgen? Mag ik krijgen? Want dat het niet de bedoeling is dat we twee pijnen worden, dat is duidelijk. Iemand moet opstaan en water halen. Iemand de tafel zetten en aan de boodschappen denken. Bij elke pijn moet iemand komen zitten, het mag zwijgend zijn, als hij maar niet onmiddellijk weer weggaat. Het wachten delen. Kleine beetjes vullen met verstrooiing, zoals je slokjes water geeft. Of een washandje verkoeling. Kleine beetjes niet alleen zijn, voor de ogen, dat ze het zien, voor de oren, dat ze vertrouwde geluiden horen, voor de handen, dat ze iets kunnen voelen, voor het hele lichaam, dat het weet dat er een huid meer is, de veiligheid wat groter, de grenzen wat breder. Schutting, respijt, overgangsgebied.

Pijn hebben met iemand naast je of alleen, het is het verschil tussen kleinere pijn, en grotere. Zoals ik het hier formuleer lijkt het alsof de pijn begint zo gauw de geliefde er niet meer is. Zo is het natuurlijk niet. Maar dat de geliefde nabijheid pijn zachter maakt, in alle opzichten, dat is een zeker geheim. Wat is dat toch dat wij kunnen uitlopen, overlopen in een ander lichaam, in andere aanwezigheid? Wat is dat hele diepe luisteren, dat woordloze verstaan? Alsof twee geliefde lichamen delen, misschien al van bij het begin, van een rust die groter is dan hen en die ze terugvinden door op te kijken en elkaar te zien, door adem te halen en te weten dat, in de stilte, nog iemand adem haalt. Alsof het tot het wezen van aanwezigheid behoort dat je niet alleen bent, nooit alleen mag zijn.

Ik heb mij altijd verwonderd over de kracht van luisteren. Zoals dat bronnen sloeg door quasi niets te doen. Kracht losmaakt door niets te willen losmaken. Nu besef ik dat achter dat luisteren de wonderlijke ogen en vingers van aanwezigheid hun werk doen, hun sierlijke beweging van knikken, kijken, uitnodigen, spiegelen, teruggeven en weer krijgen. Zo’n lichaam dat bij een ander lichaam blijft, is misschien drukker in de weer dan we op het eerste gezicht zouden denken.

Ja, ik weet het, soms helpt het niet lief te hebben. Zo traag de avond valt en de nacht laat komen, zo logisch is de mens niet altijd. Soms valt het duister zo diep in een mens dat niets meer helpt, en nog het minst de nabijheid van de liefde. Ik wil het ongrijpbare leven niet in formules gieten. Zoals gegevenheid van twee bij elkaar bronnen slaat die ouder zijn dan die twee, tot hun verwondering en verrukking, zo is de mens ook wezenloze ongrijpbaarheid soms, tot verbijstering en wanhoop.

Soms denk ik daar aan en prijs ik de dankbaarheid, die me helpt te beseffen hoe goed het is als het goed gaat. Daarom, pijn, hoe zinloos-magisch het ook is dat ik je aanspreek: sluip niet nachtenlang naar datzelfde lichaam, sloop niet haar moed, laat haar niet twijfelen aan wat al zolang haar trouwe dienaar is, doe haar wil niet struikelen, verkruimel haar kracht niet tot onooglijke stukjes. Vergeet haar nu en dan even, dat je geen gewoonte wordt, maar een bezoeker, een voorval, een klank die onjuist klinkt en weer ophoudt. Blijf de dorpsgek die tegen deuren en muren aanloopt en dan mompelend weggaat. Blijf de slordige die overal zijn papieren vergeet. Maar. Maak. Geen. Groter. Plan. Geen overnameplan. Geen strategisch businessplan. Bereid geen totale aanval voor, pijn. Bereid niets voor, improviseer maar verder, schoffel maar aan, mijn geliefde is geen werelddeel met onontgonnen rijkdommen. Laat haar toch dit kleine tuintje zijn, in de luwte, kom er maar onaangekondigd rondsjokken, dat neemt ze je niet kwalijk, nee, maar veel groter eer is aan haar niet te halen. Nee, geloof me. Als mijn stem er iets toe doet. Als je mij horen kunt. Probeer niets te breken, trap zachtjes, duw niet te lang. Zij is niet alleen van jou, pijn, ook van mij, en van nog heel wat anderen.

04-06-08

Inleiding op de geliefde 4 : vieren

24A_0370

 

Inleiding op de geliefde (4): Vieren...

 

Elke relatie moet gevierd worden. Daarom dat er iemand huilt als je voor de eerste keer opgepakt wordt. Daarom dat er iemand glimlacht als een vinger het dekentje opzij schuift om je gezichtje te zien. Huilen en glimlachen kunnen het leven vieren, dat weten we. Het zijn twee voorbeelden uit die rijke metaforische taal waarmee mensen hun ongrijpbaarheden willen uitdrukken: woorden en daden zo doorzichtig geworden als glas; bijna lege gebaren, alleen nog hun kleur, hun richting houden ze over, en de rest vullen wij, vierenden, in. De glimlach zal een groot verleden meenemen, misschien zelfs onbewust, of een groot verlangen. Als ik buurman groet, dan is alles gezegd. Eén onooglijk gebaar van herkenbaarheid en leegte tegelijk, waarin we beiden kunnen uitstromen, zoveel en zo lang we willen.

Want dat is vieren. Even de tijd stilzetten en overstromen. Of overstroomd worden. Vieren delft de diepte op en maakt daartoe een gat in de tijd. Er zit zo’n ontzaglijke diepte in alles, dat we gewoon niet zouden opschieten als we overal bij bleven hangen. Maar af en toe overvalt ze ons, met een grote ontroering. Of dompelen we er even ons lichaam in, met een glimlach of een groet, en voelen de verkoeling die over ons daalt. En soms plannen we het stilstaan. Dat zijn de verjaardagen, de feestdagen. Dat zijn de religieuze vieringen. Dat zijn de kunstvoorstellingen. Wat een geluk dat we die bewuste keuze hebben. Ze herinnert ons er aan dat er een achterkant is, dat er meer is dan wat we zien. Dat niets evident is, al lijkt het zo, dat zelfs elke adem al lang geleden begon.

Maar hoe vier je de geliefde? Er zijn de verjaardagen, dat is zeker. En met nieuwjaar zit het gezin graag bijeen. En de commercie vergeet Valentijn niet, een hoogdag voor wie een winkel heeft. Maar ik loop stijf voorbij dan, ik hou niet van de eredienst van het geld. De vraag blijft: hoe vier je de geliefde, zodanig dat de diepte van de relatie je even overspoelen kan, of optillen, of een glans laten zien als bij een vlaag zonlicht? Dat je ziet dat leven nooit op is, en zeker niet geliefd leven.

Je kunt onverwachts een tuil bloemen mee thuis brengen, de boekskes raden het aan, het zou relatieverlichtend werken. Verre van mij om daar lacherig over te doen. Bloemen slaan een groot kleurrijk gat in de werkelijkheid, dat is zeker. Zoals mijn jongste zoon ooit ‘ns thuiskwam van school en voor zijn moeder een bloemetje had gekocht, zomaar. Dat is ze nooit vergeten, al is hij groot en droog een volwassen man nu en komt hij elders thuis.

Maar het onverwachte vieren blijft mij toch het liefst. Dat iets in wat ze zegt of doet mij raakt en ik langer dan voorzien naar haar blijf kijken. De zachtheid waarmee ze naar iemand kan luisteren. Haar drive als ze in de weer is. De stilte waarmee ze voorover buigt in de zetel en ik weet: haar rug doet pijn. Iets in dat moment raakt me dan. Als ik zou moeten zeggen waarom, dan was het geen vieren meer. Maar ik besef iets van het geheim van haar aanwezigheid. Beseffen kan overal in het lichaam beginnen, ook op plaatsen die een welopgevoed mens niet noemt maar die daarom niet minder aanwezig zijn.

Maar ik laat toch mijn woorden even los op dit besef dat rimpelt over de diepte. Wat zie ik als ik haar langer bezie dan nodig voor het eten, of de boodschappen? Of als ik in een opwelling haar even aanraak, mijn handen die voorbij komen in haar hals, mijn vinger die haar neus voelt, mijn lippen bij de kus die verantwoordelijk is voor het afscheid, en die kleine aanraking roept onverwachts meer op dan de bedoeling was?

Dat zij er is, zie en voel ik. Geen groter besef dan dit. Je kunt het niet vatten, je kunt nooit genoeg beseffen wat aanwezigheid is, en waar ze begint en waar ze ophoudt. Naar haar kijken is naar mezelf kijken. En de verwondering over haar zichtbaarheid trekt ook mezelf in het licht. We kunnen wel genen catalogiseren, maar de verwondering is groter dan ons weten.

En wat is het dat zij zich naar mij heeft gekeerd? Dat zij wilde blijven? Dat wij ons uitgedeeld hebben in kinderen? Wat is het dat het leven groter bleek dan mijn kleine lichaam en zijn ruimte? Dat ik een paar handen meer had, een andere huid, een verstand dat mij andere dingen zei dan wat ik van mezelf wist? Wat is het dat ook zij mij vierde, mij dompelde in dat grote bestaan dat door ons trekt? Kijk, als ik voorlas, kon ze soms weer helemaal verliefd worden. Ik daar vooraan, met die ogen op mij gericht, en dan de trots van een vrouw die beseft: dit is mijn geliefde.

Vieren is de grote golfslag voelen die iemand zo ver heeft gebracht. Vieren is verder kijken en proberen zien waar die golf naartoe loopt, het vertrouwen proberen beseffen dat er een kust is om mooi, breed op te breken. Vieren is de randen volgen met je vinger, met je ogen, en beseffen hoe fijn die randen afgesneden zijn, hoe mooi ze aansluiten bij ander scherp gesneden leven. Vieren is overweldigd worden door alles wat groter is dan die randen: de adem, de blik, al de geluiden en kleuren, de tijd die danst, al die verhalen die leven delen… Zoveel is groter dat we alleen maar kunnen zeggen: hier ben ik, was mij schoon, spoel mij uit, schuur mij tot ik glans. Vieren is de keuze begrijpen die leven kan maken: hier ben ik, ik was je schoon, ik spoel je uit, ik schuur je tot je glanst. Vieren is luisteren naar het weggaan, het oplossen van wat is in het grote niets dat ons omringt. Vieren is niet alleen moeten huilen, niet alleen moeten glimlachen. Vieren is het grote dat even wacht op het kleine. Vieren is het besef voelen rimpelen dat het kleine ook ongrijpbaar groot is.

En dat allemaal in één blik, die zomaar blijft hangen. In één aai, als vleesgeworden stilte. In dat ene, kleine, benen hoofd. Je zou voor minder gaan juichen.

18-05-08

Over het geluk (inleiding op de geliefde 3)

blauw water2IMG_0540

 

Inleiding op de geliefde (3): Over het geluk...

 

Ik denk vaak aan de beginzin van Tolstoi’s Anna Karenina, betoverend in zijn brute tegenstelling: “Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar; ieder ongelukkig gezin is ongelukkig op z’n eigen manier”. Die zin heeft het cliché groot gemaakt dat er over geluk niets te vertellen valt, dat het saai is, nauwelijks interessant voor literatuur, tenzij voor sentimentelen en lichtgewichten.

Maar is dat zo? Is geluk zo onopvallend als een rug in een menigte, zo verhaalloos als praatjes over het weer, zo plat als een muur waar geen schaduw op valt? Je hoort het zeggen in interviews: een ongelukkige jeugd is een writer’s goldmine, het hoort tot het populaire volksgeloof dat kunstenaars een wild leven nodig hebben, dat opbranden beter is dan uitdoven. Het gezegde wordt aan Cobain toegeschreven maar schijnt van Neil Young te zijn. Maar er is zoveel romantiek in die opvattingen. Soms lijkt het alsof die periode nog helemaal niet uitgewoed is, integendeel zelfs.

Er zijn zeker dingen die waar zijn. Het is waar dat geluk zich moeilijker uitdrukken laat in woorden. Er is een andere taal voor: die van de lach, van de glimlach, van het opvliegende gebaar, van de juichkreet, van de ontroerde traan. Je kunt geen feiten op een rijtje zetten tot iedereen aan je lippen hangt. Je hebt geen uitkomst waar je macht over hebt, waar je naartoe kunt werken, je hebt geen leegte om mee te spelen, om je verhaal in achter te laten. Geluk is als een gedicht, een beweging niet in de breedte maar in de diepte. De diepte zie je niet zo makkelijk, ze is moeilijker te tekenen, moeilijker te horen. En als dat gebeurt, laat ze veel ineens zien, en dan heb je weer niet alles op een rijtje, ben je verplicht te blijven kijken, na te denken, te overwegen. Geluk is voor wie geduldig wil blijven, wil laten zinken tot er klaarheid komt in de drank en het proeven vanzelf gaat. Geluk is voor tijdlozen.

En geluk is van ieder. Wie door het geluk ontroerd wordt, ervaart iets dat van alle leven is. Het komt, het gaat, het kiest niet uit, het overkomt alle leven. Alsof het de diepste glans van al het levende is. Alsof het leven zijn eigen kunstwerk is, zijn eigen toevallig geslaagde schepping. Ongeluk is zo persoonlijk en je ontkomt er als mens niet aan vaak blij te zijn dat die of deze grote tragedie jou niet overkomt. In die zin klopt de beginzin van Tolstoi wel. Maar geluk deelt zich zoals de oorspronkelijke gastvrijheid, waarin plaats is voor ieder. Hoe dieper het geluk, hoe makkelijker het delen. Hoe oppervlakkiger, als het succes van een sportman, hoe minder diep het meeleven, tenzij voor de echte fans, maar daar ontstaat de vreugde uit een andere bron, uit een liefde die hen ooit ‘ns geraakt heeft en nooit meer heeft verlaten.

Geluk vraagt daarom om een ander besef. Een dat trager is, geduldiger, leger ook. Een dat van mensen houdt. Een dat als een kind nog van momenten kan proeven, dat als een kind nog opzij kan stappen en stilstaan, zomaar, zonder aanleiding, zonder veel moeite.
Over ongeluk is zoveel geschreven en gedacht. De Grieken smeedden het begrip tragiek, die onweerstaanbare fascinatie voor het lijden dat ons overstijgt, soms verplettert, zeker als het onschuldig leven treft, te groot is, zinloos. We weten dat we aangetrokken worden door crisissituaties, anders waren er geen kijkfiles, was er geen roddel. We weten van het begrip catharsis, de “zuivering” die inleving ons brengt. We kennen het begrip zondebok, we kennen het vijanddenken, de groepscohesie die daarbij hoort. We kennen de heroïek en we kennen de rouw, we kennen de pathologieën, ook die van het verdringen. We kennen zoveel. En de verhalen, in literatuur, film en media, ze illustreren die kennis elke dag weer.
Maar wat kennen we van het geluk? Zelfs het romantische geluk was er een uit onvrede: de eenzaamheid van de berg omdat het dal zo druk was, de kracht van de fantasie omdat de werkelijkheid stierf aan saaiheid en onvrijheid.

Ach, het geluk. We weten dat het ons overkomt, zomaar, dat zoeken niet helpt, wachten misschien ook niet. De schrijver John Berger op een helling in zijn Alpendorp, en de drie perelaars in de weide voor hem die plots samen met alles “opengaan” en een diepte laten zien die hem alleen maar intens gelukkig kan maken. Ik die op een zomeravond, stappend in mijn straat, de wereld onder mijn voeten voel, die hele bol, en hoe wij samen bewegen. Het gezicht van dat kind dat je voor de eerste keer in je armen neemt. Wat er met je gebeurt als je verliefd wordt, dat opvliegen in je, en dat het zo vanzelf gaat. Het geluk van het vinden: je hebt zo lang gezocht en nu valt alles samen voor de wetenschapper, klaart een gezicht uit de duisternis op, komen de woorden die moeten komen, verandert iemands leven.

Ach, geluk. Het gaat meer over niet dan over wel hebben. De glimlach om het geluk van een ander is misschien evenveel geluk, al heb je het niet. Het is een kleur die open gaat in je, die diepe rode kleur die bij wijn al zoveel zegt over de smaak, en je hebt nog niets geproefd. Zo moeten we naar het leven kijken, met die diepe glimlach. Het is niet van ons, het komt in ons voorbij en wij kunnen alleen maar glimlachen. Misschien dat het zijn vingertjes opent, als een kind. Misschien dat het begint te zingen, als een vogels ’s morgens. Misschien dat het diepten toont, als aan John Berger. Misschien, misschien ook niet.

Maar als we laten gebeuren wat gebeurt, doen we dan de diepe tragiek van dit leven niet tekort? Stappen we niet schaamteloos naïef over de verschrikkingen? Ach, geluk vraagt niet om sentimenteel te worden, blind en dom. Geluk, denk ik, schijnt door alle kieren en gaten, en een kleine vlek is een grote waard, een klein moment een groot verhaal. Geluk is een epifanie, een openbaringsmoment, en die zijn vaak onvergetelijk, en voedsel voor een heel leven, te beginnen met de dag van morgen.

Vandaar dat geluk, of beter volheid, voor mij een mensbeeld is. Vandaar dat ik denk dat geluk, of beter volheid, er eerst was. Dat we daarom zo geraakt zijn door onrechtvaardigheid, door machteloosheid, door vernietiging, omdat we zo diep weet hebben van het geluk dat ons in oorsprong met dit leven werd meegegeven. Die volheid die alles in zich draagt dat bestaan krijgt, en wacht om gezien, gehoord, aangeraakt te worden, om in beweging te komen. Om te groeien, te bloeien. Om te glanzen van voorbijgegane tijd. En tenslotte, als de leegte zelf, weer leeg te worden, uit te doven en op te lossen in het niets, dat niet niets is maar misschien wel alles. Pure gave. Tsimtsoem noemden de Joodse mystici die leegte die vruchtbaar wordt. Maar tsimtsoem begint voor mij al als ik door het raam kijk: de bladeren die deze lente weer groot aan de bomen staan. Of: het mooie gesprek van gisteravond, mijn lichaam dat kan inslapen alsof het niets is.

Daarom denk ik dat de lach naast de tragiek mag staan, dit plotse volstromen met levenskracht, die tegelijk ook grote intelligentie blijkt. Een dans met de gegevenheden, en die dans neemt alles mee, geeft alles een plaats, verliest niets, houdt op het einde zelfs meer over dan toen hij begon. De lach deelt, deelt uit, en nog is er over, is er overvloed. De lach schort de tijd op, we zijn samen en het is goed dat we samen zijn, zo lijkt bestaan plots heel erg duidelijk. De lach weet veel, weet ook veel van ongeluk, maar er is blijkbaar een gebaar, een besef dat daar boven uit stijgt, de onvolkomenheid die mee leeg wordt en daardoor bron van schepping, hoe vreemd dat ook mag klinken.

Geluk is voor mij een mensbeeld: het ligt dieper dan het ongeluk. De vreugde ligt dieper dan de verbittering, ongeluk vindt vele schouders om haar te dragen, om de huizen weer op te bouwen, om het kind te verzorgen, om de dode te begraven. Ook dat is catharsis: de ontroering voelen dat we het leven willen delen zoals het is, om het op te tillen tot wat het zou kunnen zijn. Dit heeft niets te maken met sentimentele mooipraterij, maar alles met een schepping die alleen maar kan zijn wat ze is: wonderbaarlijke gegevenheid. Miljoenvoudig ja, maar telkens weer zo totaal. Onvolkomen ja, maar telkens weer zo intens, zo kostbaar, zo dichtbij. Leven, de eerste geliefde…


*Het verhaal van John Berger komt uit zijn boek En onze gezichten, mijn hart, vluchtig als foto’s (uitgave De Bezige Bij, 1994)

12-05-08

Leren wachten (inleiding op de geliefde 2)

 

MEDIUM19-2

 

 

Inleiding op de geliefde (2): Leren wachten...

 

Als zij het huis uitgaat en de deur dichttrekt (er zijn nog levens die om haar vragen), blijft zoveel van haar achter dat ik lange tijd kan doen alsof. Ik wéét zelfs niet dat ik doe alsof. Vreemd dat zij tussen deze muren achterblijft, terwijl zij er niet meer is. Of blijft ze niet tussen deze muren achter, maar in mijn hoofd?

Maar nogmaals, ik weet niet dat ze weg is. Het licht is nog het licht dat op haar gezicht viel, de deuren voelen nog hoe ze door haar dicht werden gedaan, de vloer heeft al zoveel voetstappen van haar gekregen dat ik niets van leegte zie als ik opkijk, over de vloer van de living, door het raam. We hebben dit huis al zo lang volgeleefd, dat het vanzelfsprekend lijkt dat alles er blijven zal. Daarvoor is een huis: om in alle rust verder te kunnen leven. We hebben ramen om het licht binnen te laten, en ook de lucht mag blijven om te ademen en de ruimte te delen. Maar de rest is van ons, het zijn onze herinneringen, het is het eten dat wacht op vanavond, het is de tafel van overgrootmoeder, het zijn de foto’s en de boeken en de krant. Zelfs de stemmen van de kinderen klinken hier nog, als we dat willen en dat willen we vaak nog, nostalgisch als we zijn. Ver wordt dan dichtbij. Herinnering vult het nu. Zoveel vult een woning dat verhuizen niet zonder risico is, je moet maar afwachten of onderweg niet van alles verloren is gelegd, of vergeten.

Waarom dan, als deze muren niet invallen, als het dak niet weggeblazen wordt, waarom dan zal ik me straks alleen voelen? Eerst licht onrustig, dan wat verloren, dan alleen? Ik kon haar stappen natellen. Ik kon haar vingers volgen die de bladzijden omsloegen van het boek dat ze aan het lezen is (Bekentenissen van een burger, van Sandor Marai). Ik kon luisteren of ik haar woorden hoor tinkelen, terwijl ze opkijkt en zegt dat Marai zulke prachtige beschrijvingen kan maken, en hoe rijk zijn geheugen wel is, en, typisch voor haar, of zij zich ook zoveel zou kunnen herinneren. En ik kon luisteren naar mijn antwoord (of het tinkelt weet ik niet), dat schrijven het geheugen op bezoek krijgt, de ene na de andere herinnering komt op sollicitatiegesprek en betaalt soms smeergeld om te mogen blijven.

Maar nee, ik zal tientallen momenten een plaats gegeven hebben, zonder veel na te denken: telefoontje, uien schillen voor de soep, aan handen ruiken, handen wassen, nog aan handen ruiken, journaal op de radio, denken: hé, is dit journaal al afgelopen, planten water geven, de poes aaien en proberen begrijpen wat ze nu weer wil met aan de garagedeur te krabben met dat lang uitgerokken lijf van haar. Ik zal adem hebben gehaald en geen pijn hebben gevoeld, twee van de langste en meest trouwe maar ook meest verlegen momenten in mijn leven. Maar plots zal ik mij zonder haar voelen. Alsof de afwezigheid eindelijk ook eens om aandacht wil vragen, wil zeggen dat ze ook aanwezig is. En plots voel ik me de lege plek uit Koplands gedicht. Ik die zo trots was op mijn pijnloze gewicht, op mijn geoliede adem, op mijn schip dat volgeladen door de ruimte drijft, op de tijd die voor me ligt: ik voel plots weer hoeveel er ook niet kan zijn, en hoe mijn overvloed ervan doordrongen is, mijn bontgevlekte leven van hebben en verliezen, van bewaren en vergeten… Over dat eerste leven kan ik uitkijken als een gezegende. Dat tweede leven verwart mij altijd weer. Misschien dat ik aan dat tweede leven, dat als schaduwen tussen het eerste hangt, wel nooit zal wennen.

Want ik kijk naar de klok. Ik vraag mij of ze iets gezegd heeft over hoe lang ze zou wegblijven. Ik blader nog even door de krant, zap even door wat beelden zonder verstand. Drink een glas water. Zet water op de tafel. Roer in de uiensoep en bak kubusjes oud brood in olijfolie, waar ik elke keer als ik voorbij loop eentje van opeet. We leven van kleine beetjes maar haar afwezigheid wordt stilaan een groot beetje. Van een beetje levenservaring heb ik geleerd op te letten voor mijn verbeelding: als die eenmaal doorslaat, is er geen houden meer aan. Dan zie ik ongelukken in allerlei vormen. Ik ben zelfs nog met de auto op zoek gegaan, langs wegen die haar mogelijks hadden zien langskomen.

Nee, terug in mijn woningen. Er op vertrouwen dat er vertrouwen mag zijn. In de tuin valt langzaam de avond. En voor de zoveelste keer kijk ik of zij uit de grond komt of integendeel inderdaad ergens uit valt. De merel van dienst heeft een keel groot genoeg voor deze ruimte. En met de klanken wordt ook de lucht koel en vloeibaar. Ik wacht. Goed kunnen wachten is belangrijk. Zeker als je op iemand wacht. Het zal wel weer een of andere pretentieuze vergadering zijn die haar tegenhoudt. Dus, als ze thuiskomt, nog even verder wachten tot ze uitgesakkerd is. Of misschien was er iets met oma. Misschien een onverwachte vriendin die meer zei dan alleen goeiedag. Ik wil een mooie lege plek zijn, dat ze makkelijk kan blijven. Ik wil niet denken aan de echte lege plek. Dat is voor later. Nu doe ik als het huis: bewaren, naspelen, opnieuw horen. En weten dat alles er nog is.

En zo ben ik niet verwonderd dat ik de voordeur in het slot hoor vallen. Ze was al thuis voordat ze thuis kwam. Ik heb haar zo goed als ik kon bewaard. Zij mag mij nu helemaal opnieuw vullen. Van afwezigheid krijg je honger, krijg je trek. Daar is ze: mijn nieuwste lieve vrouw. Veel nieuwer en jonger kan ik ze niet hebben.




29-04-08

Mijn tweede huid (inleiding op de geliefde)

 

 

IMG_5606-1.JPG

 

Inleiding op de geliefde (1): Mijn tweede huid...

 

De zon schijnt. De dag staat wijdopen: een zee die in de verte af en aan spoelt, een soort zindering die zich onder mijn voeten voortplant. Gele ranonkelbloemen. Duivengekoer. Schaduwen die zich zoals altijd goed weten te verbergen. Vogeltrillers. Een trein die voorbij holt.

De hele dag is het zo al bezig, dit bijeenkomen van leven, ongevraagd lijkt het wel, maar misschien ook niet. Overvloed brengt mij altijd in een wat verzonken stemming, als een kind dat zich verloren kijkt naar zoveel nieuwe wereld. Dat week worden aan de randen, daar hou ik wel van.

De hele dag ook zit ik alleen in dit huis. De vrouw die mijn geliefde is, wordt tot vanavond opgeëist door haar werk. En nu zit ik hier te wachten tot die zingeving een beetje is uitgewoed. Vreemd, dit wachten. Van een andere orde dan de dag bekijken en beluisteren. Hoe langer ik moet wachten, hoe meer ik besef dat zij meer is dan de zoveelste laag tussen de andere, het zoveelste geluid. Wat is het dat twee mensen doet samenleven? Het voordeel van een gedekte tafel en een warm bed? Van woord en wederwoord, waarmee nog wat meer stukjes werkelijkheid voorbij komen, in verhevigde want samengebalde vorm? Het voordeel van samen afbetalen?

Het gaat veel dieper, vermoed ik. Het gaat om de huid. Een geliefd mens waarmee je samenleeft, is een tweede huid. Bij baby’s is het zo zichtbaar, bij oude breekbare mensen ook: dat de huid van een mens zo dun is, zo onwaarschijnlijk dun. Groter geworden valt het minder op, maar de dunne huid blijft kou voelen naast warmte, en ook stemmen en gedruis van een malende wereld druppelen binnen alsof we lek zijn, veel te lang en te veel open staan, niet goed in elkaar zijn gezet. Soms denk je dat je alleen bent die zo vol kieren en gaten zit, maar dat is slechts schijn. Veel is schijn bij die opgegroeide mensen. Dan is het goed als je er een huid bij hebt. Als je nog een hoofd hebt: want ook daar raast het soms, woorden die je niet stil krijgt, wat je ook doet.

Het geldt ook omgekeerd. Ook als je overloopt, van blijdschap of ervaring of zottigheid, is het goed uiterwaarden te hebben, weiden en gronden waarin je kunt overstromen. Dat geldt ook voor samen eten, samen lachen, samen een straat aflopen, samen inslapen.

Zijn de allenen dan beklagenswaardig alleen? Waarom zouden ze. Ik vermoed dat mensen die alleen kunnen leven, met zichzelf kunnen omgaan als met een geliefde, van zichzelf de huid kunnen voelen alsof die hen gegeven is uit liefde, uit nabijheid, uit warmte. Naar hun stem luisteren als naar iets kostbaars dat iemand zegt. Een glas wijn kunnen drinken alsof een vriend het hen gaf. Het lijkt hoge kunst, en dat is het ook. Want wie het niet kan, of wie op momenten zijn huid weer dun voelt worden, die weet hoe groot en zwaar de wereld is voor een lichaam alleen.

Wees standvastig, sta sterk, zoek niet de steun van een ander mens, schreef de stoïcijn Marcus Aurelius. Dat is allemaal goed en wel, maar hij had toch ook zijn dagboek om tegen zichzelf te spreken. En allicht luisterde hij ook naar alle klanken van de dag die zong rond zijn oren, en keek hij het leven aan zoals ik vandaag. Ook dat is een huid die ons gegeven wordt en die, als we ons openstellen en leeg kunnen worden, vol genegenheid zit. Er is iets zachts aan het voorbij komen van alles, iets van de verwondering die je ook voelt als je een kind ziet. Dat is zo met aanwezigheid: je krijgt en je blijft krijgen, en je hebt niets gevraagd. Aanwezigheid die volheid wordt, dat is een sterke tweede huid.

Dat geldt ook voor haar die straks thuiskomt. Een gedekte tafel is voor haar al een beetje veel krijgen, dat weet ik. Dus vlug een mooie tafel dekken, dat ook het meubel weer even weet waarom het gemaakt is. Een karaf koel water, groenten met een smaak zoals ze die graag heeft, een stevige stoel en de verwarming hoog genoeg: ja ik weet wel hoe ik mijn tweede huid moet verzorgen.