02-04-14

Over stil zitten en liggen

Een stukje uit januari. Maar het is niet omdat de wereld ondertussen in derde versnelling is geraakt, dat het stukje niet meer zou gelden...

IMG_8452.JPG

 

 Over stil zitten en liggen 

Door het raam kijken in januari en de tijd wat stil zetten. Wolken trekken als een zwaar tapijt over de lucht, de wind vlaagt hoorbaar rond het raam, maar ik ontsnap eraan. Hangend tussen mijn schouders mogen toekijken hoe de wereld jaagt, en zelf zo onbeweeglijk mogelijk blijven. Mogen blijven. Dan ben ik de jongen die onder het afdak de storm gadesloeg: het land en de boerderijen kop in kas, maar daarboven een oerwereld van lang voor de mensen, waar geen verlangen was of herinnering. Ik begreep het niet, zoals ik zoveel niet begreep toen, maar ik mocht erbij blijven. Zoals je op een terrasje heel dicht bij mensen kunt komen, al zeggen ze niets en lopen ze voorbij, traag of haastig, onhandig of sierlijk. Kijken als een poging te begrijpen, ik heb het vaker ervaren als stilstaande tijd. Toch zeker als tijd die vertraagt. En daar zit toch ook al het idee van stilstaan in.

Zo zit ik uit te kijken in dit hok van mij dat geen millimeter beweegt (tenzij op de grotere schaal van het uiteindelijke aftakelen van alles, maar goed, dat zit in mijn hoofd bij de afdeling theorie). Auto’s behouden hun doel (de auto is het enige wezen dat altijd weet waarheen, en zich nooit vragen stelt), mensen gaan op hun voeten door de straat (al bergen hun voeten de droesem van een heel leven, gaan zullen ze, en soms komen ze nog van de grond, als een kind huppelen wil), de straten zelf verliezen nooit hun zelfbewustzijn (geen wezens die meer klassebewustzijn hebben dan straten, spreek ze nooit met de verkeerde titel aan, zeg geen weg tegen een straat, of hij staat recht en gooit je eraf). Door die straten waaien nog restjes kerstmuziek, de etalages spelen Driekoningen na, maar dan zonder verhaal en uitkomst, en overal rondom vullen ramen zich met lucht, zwart en grijs en soms lichter, als waren ze echt de opening die ze beloofden. Zoals de plassen in het wegdek iets laten zien van de mogelijke werelden onder onze voeten. En alle stemmen van de mensen, dichtbij en onhoorbaar ver, dragen de wereld verder, zoals je een te groot voorwerp verplaatst, met beetjes, met kleine schokjes, met onverhoedse bewegingen, met genot en ongeduld. Morgen is er weer een dag, dat is bijna zeker, maar wat we vandaag kunnen doen is meegenomen.

Alleen de zieken, in hun eindeloos bed, in die eindeloze ziekenhuisgangen, onder dat eindeloos ziekenhuislicht, alleen de zieken bewegen niet, net als ik. Alles aan hen is veel trager geworden, en ze kijken naar hun raam als naar een belofte, of een herinnering. Het helpt als af en toe een glimlach binnenkomt, en handen die juist aanvoelen. Ik heb geen pijn en mijn adem laat een volle toon horen. Toekijken is zo anders dan moeten wachten. Wachten is zo lastig vaak. Wij hebben het ongeduld van levende wezens, van een lichaam waar bloed door stroomt en energie in wacht, ook ongeduldig. Hoe moeten we ziek dan noemen? Als tijd die rond je oren voorbij kleppert, norse tijd die zich verspilt aan het teveel dat er blijkbaar is, en waar jij niet bij bent. Deuren, stemmen, geluiden, ruimtes, een hele meute mensenactiviteiten staat op het punt op te vliegen, en jij hangt aan de grond. Iets of iemand heeft een gewicht op jou gelegd.

Daarom, om hun zwaarte, zal ik deze vooravond wachten met de zieken en het besef in mij loslaten van mijn lichaam gevuld met tijd en ruimte, met warmte en gewicht. En luisteren naar al die cellen die hun eigen keuze hebben tussen bewegen en stilstand, en me afvragen hoe ze dat zovele jaren zonder mij oplossen. En de grond danken en de lucht, in naam van mijn voeten en van mijn adem. Het is duidelijk dat het vliegen van de ene vogel de loop van een andere mee helpt sturen, dat zie je zoals ze met het geweld van een jeugdbende door de lucht zwalken. Zal het de stillen in de ziekenhuisbedden iets helpen als ik aan hun stilliggen denk? Als wij gevoelig blijken te zijn voor de grote beweging, kunnen wij dan niet ook elkaars kleine beweging even aanraken? Ik hoop het.

(Ik sla een oude stuk krant open en vind dit citaat van de Schot Alasdair MacIntyre: “Ik kan de vraag ‘wat moet ik doen’ pas beantwoorden als ik de daaraan voorafgaande vraag kan beantwoorden: ‘In welk verhaal of geheel van verhalen ben ik opgenomen?’”)

7-1-14

05-04-12

Mijn wonderen: morgen...

IMG_3162-001.JPG

Mijn wonderen: morgen...

 

Vanmorgen hing de hemel bordeauxrood boven de huizen. Er waren andere kleuren in, er was over nagedacht blijkbaar. Het geheel was te groot om in te lijsten maar verrassend genoeg om te onthouden. 

Dat heb je vaker met morgenden: dat ze je verrassen. Niet alleen omdat er toneelgordijnen opengaan (daar moeten avonden niet voor onderdoen), maar omdat nieuw zijn zo nieuw is. Dat is elke keer weer een aanraking die je even verwart, zoals wanneer iemand een hand op je arm legt, of op je schouder. Je weet wat er gebeurt, onbekend is het niet wat er gebeurt, en toch is het zo onverwacht blijmakend nieuw elke keer. 

Zo is het ook met de morgen. Het lijkt wel of het licht frisser is ’s morgens, of de uren verser zijn, de mogelijkheden ook, of wat er is meer aanwezig is tussen al het andere dat er ook is. Het lijkt wel of het licht anders glanst. Ik zal niet zeggen helderder, want dat lijkt zo clean en afgestoft. Maar misschien jonger, zoals kinderen glanzen in hun jonge huid, en bladeren als ze uitkomen in de lente. 

Het lijkt ook of een morgen nog niet echt moet, nog kan kiezen, nog wat kan aanlummelen zoals een snotneus bij zijn maten en hun brommers. Het lijkt of de morgen geen grenzen heeft, doorloopt tot einders. Hoewel je in de avond veel verder kijkt, als alles is gaan liggen, lijkt zo’n morgen toch van overal te kijken, alleen maar om hier even bij jou en al de rest te wachten. 

Dat is dus wat we met een woord beginnen noemen. Nog zo’n woord dat wel z’n best doet, maar niet in staat is de vreemde totaliteit van die ervaring weer te geven, bewegend en stilstaand tegelijk. 

Het mooist zie je beginnen in de stad. Stap of fiets in de morgen door de stad, en je ziet heel langzaam een groot lichaam wakker worden en zich uitrekken: hoe daar een raam opengaat, een vrachtwagen toekomt en parkeert, twee schoolkinderen voorbij fietsen met achter hen hun stemmen, de schaduw van een straat bovenaan lichter van kleur wordt, vogels onzichtbaar klapperen, een uitstalraam zich vult met daglicht... Er is geen beschrijven aan, daarvoor is alles wat gebeurt te onverwacht, te nieuw want niet voorzien, nog los van moeten, en toch al wijzend op redenen en oorzaken en noodwendigheden. Alles zal wel ergens te maken hebben met de rest, als in het lichaam van mensen, maar op een grotere schaal. Maar toch, even dichtbij als je eigen wakker wordende lichaam, even traag van bewustzijn, alsof elke dag zich weer moet inpluggen in een groter bewustzijn. En dan zijn ze daar, degenen die ingeplugd hebben: ze stappen anders, ze weten weer waarom, nu is het een beslissing die hen leidt, niet het lome van zich uitrekken en nog niet moeten. Auto’s zijn daar makkelijker in, die nemen beslissingen voor hun baas en gaan er dan vandoor als jonge honden. Net als lichten in winkels en winkelramen. Alsof het nieuwe van een dag maar een vingerknip groot is, de beslissing om weer geld te verdienen, het aanzetten van de kassa. 

Maar in het donkere studiootje kwetst het beetje licht dat binnen kan, zich aan de onopgeruimde keuken. Er ligt een lichaam dat niet wakker wil, de slaap niet wil loslaten, dat van geen begin meer wil weten. Het is een jong lichaam dat hier ligt, en de dingen willen wel wachten maar ook niet eindeloos. Ze worden dof, lijkt het wel. Zelfs al is het morgen en rolt overal rondom begin door de straten en de huizen. Alleen hier, in deze weggezakte doos, niet. Hier moet de nacht duren, met de gordijnen dicht. De lucht zucht. Het licht stolt. Als ze niet opletten, is de morgen voorbij. 

Maar het licht laat de jongen niet met rust. Het licht poogt zich steeds meer door de zware gordijnen te wurmen, de auto’s claxonneren net iets luider voor hem, de liften hummen dieper, de verse etensgeuren kruipen onder de deur binnen. Maar hij weet het niet. Misschien wil hij niet meer herbeginnen, want begin, hoe vreemd het nieuwe van het begin ook is, neemt toch alles mee van voordien. Dat is de wijsheid van zo’n morgen. Maar ook de last, voor wie niet meer wil. Nooit, of bijna nooit, is er begin zoals op de eerste scheppingsdag (en zelfs daar waren er al duisternis en ruimte en nog meer). De grote kunst van zo’n morgen is dat hij opgaat over kind en kraai, dak en straat, dossiers en boeken in rust, auto’s die grommen en auto’s die nog slapen, hoge schaduwen en lage, fabrieken en volkstuintjes, reclameborden en versleten kranten, windvlagen en plassen, wolken en vlinders, silhouetten van steden en van mieren, wijsheid en domheid, angst en stil genot, sterven en geboren worden van toch weer hetzelfde lichaam. Alles is begin in de morgen, zo totaal weer gegeven, maar het is ook alles. En soms wil een mens dat grote alles niet meer zien. Wil een mens zich oprollen, zich afkeren en dichtvouwen, dat al dit grote alles er niet meer is, of toch minder. Zelfs een jonge dag kan daar niets aan doen dan wachten. Zich inhouden, de donkerte laten en niet opjagen. Overal zijn grenzen, ook aan zo’n brede, grote arm als een nieuwe dag.

 

28-03-12

Mijn wonderen: nacht...

IMG_4293.JPG

Mijn wonderen: nacht...

 

Een nachtloper ben ik niet. Niet een schuinsmarcheerder die onzichtbaar wil blijven, niet een dronken stratenlaller, niet een vandaal die van losgeschopte autospiegels houdt, niet geboefte dat voelt of ramen open kunnen, niets van dat alles. 

Maar ik heb genoeg in de nacht gelopen om te weten hoe vreemd de wereld dan geworden is. Zo zonder dimensies, bijeengehouden door lichtvlekken, met daartussen donker dat nu eens zacht is als een hand over je huid, dan weer als een vuist tegen je hoofd. 

Er is een andere wereld gaande als het nacht is: een die veel en veel ouder lijkt, een voorwereldlijk dier dat breed en diep adem haalt, je kunt het horen als je even wil stilstaan en luisteren buiten jezelf. Een dat nog weet heeft van de vorming van de continenten, van ijstijden en woestijnen, van een wereld zonder mensen, zonder taal. 

Soms kan je daarom dan een andere angst overvallen, ook een die veel ouder is, een prehistorische angst waarin legers en ondieren huilen, waarin voorouders stierven. Dan alleen door een lege straat moeten, is niet gezond. Liever thuis op dat moment, hoogstens overvallen door een kleine rilling als je opstaat en door het raam kijkt. 

Sommigen bezweren de duisternis door net dan in het licht te gaan zitten. Zo vervult het café zijn kleine maar ondoorgrondelijke ritueel: op een barkruk alcohol en gezichten en licht drinken, met in je rug het oude donker dat niets zegt, is misschien verdoving maar evengoed een vorm van uitdagen. Want in de nacht slapen mensen. Ze leggen zich neer bij het veralgemeende vergeten, zij geven toe dat ook zij moeten en zullen vergeten en vergeten worden, en die kleinheid verschaft hen rust. Geen hybris kan tegen de nacht op, tegen de wetenschap dat alles overgaat, moet overgaan, hoe groot het ook is. Hoogstens is er de belofte van een volgende dag, bij de Azteken door een mensenoffer, bij de kleine kinderen door een zoen en een aai van vader en moeder. 

In de nacht staan de monniken op, maar dat is omdat ze de dag willen verwelkomen, met zijn vele leven.

In de nacht blaffen soms de honden, maar dat is omdat ze een opdracht hebben, die ze nooit vergeten, ook dan niet.

In de nacht kraakt soms het huis, maar dat zijn restjes spanning van overdag, of dat zijn opgetrokken schouders tegen de grote wind buiten, of dat is het zuchten van huizen in hun slaap.

In de nacht lopen de dromen vrij rond, even schuw, even lief en even oneerbaar soms als de levenden.

In de nacht waken mensen over anderen mensen, ze laten lichten aan in gangen, ze luisteren en staan op tegelijk, ze leggen een dekentje goed of geven een pil of nemen een hand vast die koud werd. Het zijn kleine, bijna vergeten daden geworden, klein bijgelicht, klein uitgevoerd en bewaard, te midden van een immensiteit van niet bestaan. Het is geloof in dat grote lichaam dat ons in het leven hielp, en dat ’s nachts kwetsbaarder lijkt, en is, dan overdag, meer pijn kan doen, en dat we allemaal, samen, naar morgen moeten dragen.

In de nacht worden kinderen geboren. Dan krijgen ze warmte en doeken.

In de nacht sterven mensen. Dan worden ze toch al goedgelegd, opgebaard voor wie komt groeten, zal schrikken van zoveel stilte. 

Maar de nacht is ook het grote verbergen. Van kwade machten. Het is kwalijk volk waar je ’s nachts mee in contact komt, zegt een buurman, roddelend over een andere buurman. Het is de angst van wie zijn deur twee keer sluit: overgeleverd te zijn, alleen, aan wat normaal maar een droom blijkt. Misschien is een mens daarom niet gemaakt om alleen te slapen. 

En de nacht is ook de plek voor wie het leven wil vergeten, of nog een een keer wil leven, anders, heviger, met een smaak die bedwelmt. Het is goed je daar geregeld aan over te geven, het is het verlangen dat ook in kunst naar boven komt. Maar sommigen worden daar verslaafd aan, omdat ze het gewone leven niet aankunnen, of te gewoon vinden en er de diepgang niet van kennen, of omdat de nacht alleen doorbrengen te dicht op de huid komt, of...  Zo donker als de nacht is, zo is ze dan zware drank die dronken maakt en een ander lichaam en een andere kop te voorschijn tovert. Want alleen wakker liggen ’s nachts, dan is het donker geen bedwelmende drank, maar levend geworden negatie: nee, er is niets in dit leven, nee dit bestaan is een leugen die toch niet nalaat pijn te doen, alsof negatie niet gewoon kan bestaan, maar een sadistisch spelletje moet worden van... ja van wie, van niemand.

Laat het lichtje branden in de gang, zegt het kind.                                                                   

Lees mij een verhaaltje voor, dat ik weet dat de wereld verder gaat, in de boeken, in mijn hoofd, in mijn dromen, in de stem van mijn vader en moeder.      

Geef mij een nachtzoen, dat ik weet dat alles mij blijft aanraken, ook als het er niet meer is. 

Stop mij goed onder, dat mijn lichaam weet dat het veel groter is dan dit kleine dat nu moet slapen en vertrouwen. 

Laat mij nooit alleen, ook niet als je ver weg bent, ook niet als je er niet meer bent.

 

14-03-12

Mijn wonderen: over koken en werken...

IMG_3773.JPG

 

Mijn wonderen: over koken en werken...

 

Je hebt van die televisiekoks die liefdevol nog even hun hand op het stuk vlees leggen, of over de genoemde groenten strijken, of even aan de kruiden of het brood ruiken. Die gebaren zeggen veel meer dan louter dikke tevredenheid met goed voedsel. Ze zijn ook verwondering om de aard van wat ons in leven houdt: de vleesheid van het vlees, de kracht van zoiets onopvallends als groenten en kruiden. Verwondering misschien ook over de rijkdom van gegevenheid. Dankbaarheid allicht ook dat in leven blijven zo weinig eentonig gemaakt is, door alle zintuigen in ons, door dat pientere koppie van ons, door die handen die zo fijn afgesteld zijn. 

In elk geval, ik zie ze graag bezig, die lichamelijke koks. Ze leren me iets over de aard van werken zelf: werken is (mogen) ontdekken wat er is. Het bijeenvoegen, er iets mee doen, dat komt later. Eerst ontdekken wat er is (of niet is, of maar half is). Daarom zie ik de loodgieter aandachtig kijken naar de kraan. Dat kijken is diep en gericht nadenken (kon ik dat maar, denk ik dan, ik die mij opjaag als zo’n moeilijk communicerend ding het plots laat afweten). En dan haalt hij de juiste sleutel, en de juiste joint (ook het goede woord is van belang voor hem) en begint het uitproberen van de mogelijkheden: uiteen halen, bijeenvoegen, vervangen. En telkens gaat het nadenken door, af en toe ondersteund door zo’n klein grommetje (dat meer is dan een uiting van genot, het is ook een bevestiging dat wat er is, goed is). 

Terug naar het koken. Zo’n kok die zijn blik laat gaan over wat er allemaal voor hem ligt, en daar dan aan de slag mee gaat, is dat werken of denken? Of gebeurt het echte werken niet eerder in dat hoofd, en werken handen en voeten dan maar uit wat al eerder ontstond? Zelfs opruimen beantwoordt aan een vooraf bepaald plan. Het ene al meer creatief dan het andere, zeker, maar daar gaat het nu niet om. Het gaat erom dat werken zo dicht bij scheppen ligt: een nieuw stukje wereld vormgegeven. De ambtenaar die weer een blad afwerkt, laat miljoenen mensen samenleven, zo groot is wat hij uitvoert. De arts die zijn diagnoses afrolt in zijn hoofd, bewijst al die intelligentie eer die, zoveel eeuwen al, inzicht wil verwerven in dat knappe lichaam (zelfs al hapert het vaak, maar haperen is geen religieuze zonde, maar een gebrek aan inzicht, een kans om te scheppen). De juf die het kleutervingertje leert schrijven, redt alle bibliotheken ter wereld. 

Ik weet dat ik graag overdrijf, maar soms past overdrijven wel. Deze wereld hangt aaneen, en dan wordt iets kleins vanzelf al groot en groter. Ook dat is werken: iets zo ontwarren of verknopen dat het (weer) past in dat grote verband. Als niet alle knopen juist zijn gemaakt, dan is ook het grotere geheel niet juist, zo eenvoudig lijkt mij dat. Ik word stil van de eeuwenoude moed van mens en dier en plant, om toch maar beschutting en voedsel te vinden, om weer bijeen te zoeken wat uit elkaar geslagen is, om...  Is werken dan ten diepste gedreven door verbondenheid? Door een besef (vaak niet uit te spreken) dat bestaan, hoe groot het ook is, toch weer begint bij mijn opstaan en aan het werk gaan? Dat als ik niet zie wat er is, de rest haperen zal? 

Daarom is werken zo’n grote zingeving. Wat doe je, vragen we, als we iemand leren kennen. En met het antwoord komt de nieuwsgierigheid naar al wat die mens aan ervaring met de grote wereld heeft bewaard: vertel eens, hoe is het in de politiek, of als manager, of als je een winkel in tweedehandse kleren runt. Ach, werk is even zovele deuren waarlangs iemand de rest van de wereld binnengaat. 

Terug naar het koken (bis). Van koken leer ik ook dat alle uitkomst een wachten is. Je kunt wel van alles bij elkaar voegen, maar zeker ben je nooit. Dat wil zeggen: helemaal zeker, zoals in de wiskunde. Maar werken is ook ervaring, en ervaring wordt soms kunst. Een snuifje zout meer kan wonderen doen. Of net dat beetje langer laten sudderen op zo’n vuurtje van niks. Een mens is nooit zeker, maar toveren kan hij wel. 

En koken leert mij dat werken nooit gedaan heeft: honderd kleine handelingen, en dat eet je dan op in een half uur. En dan weer afwassen, opruimen en rondkijken wat er is voor de volgende keer, desnoods op zoek gaan naar nieuwe gegevenheid. Nee, het houdt nooit op. Daarom is het kunst er des te meer je best voor te doen, om er des te meer van te genieten. Want genot onthoud je, en wat je onthoudt, verdwijnt niet in de zee van tijd. Tijd is geen werken, want zonder creativiteit (tenzij we zo’n golf in de zee creatief kunnen noemen, maar zo kort en zo onopvallend zou ik niet willen bestaan). Een overloze oneindigheid is tijd. Het zijn de mensen die er uren en dagen van maken. Het zijn de bomen die er seizoenen van maken. Hard werk, maar wat moois levert het niet op...

 Is er dan geen afstompend werk? Dat is er. Is er dan geen mensonterend werk? Dat is er. Werken is geen vrijblijvend spel van een kunstenaar, maar bittere overlevingsernst. Werken wordt aan inkomen gekoppeld, aan geld winnen, en wordt daarom soms oorlogsgebied. Maar ook dat is werken: nadenken hoe economie, hoe politiek, hoe het grote maatschappelijke verband rechtvaardig(er) kunnen. Zolang is er altijd die heilige verontwaardiging, die iedere mens weer het recht geeft bestaan en betekenis op te eisen. Daaraan ontsnappen de wereldwijde firma’s door onzichtbaar te worden, enkel een naam en wat vuilwerkmanagers. Maar ik geloof dat de essentie van werken hen toch ten val zal brengen, daarvoor zit de verwonderde en dankbare verbondenheid te diep... Enfin, dat hoop ik. Ik kijk om naar de geschiedenis, en zie tragiek maar ook een onwaarschijnlijke moed. Als alles is vernietigd, is er toch iemand die op een bepaald moment een vuur aanlegt en begint te koken. Eten is leven. Koken is hulde aan het leven. Meer nog: koken is bondgenoot van leven. Is samenwerken met het leven. En wat dat kan doen, zien we in de kinderen.

 

 

 

 

 

01-03-12

Mijn wonderen: oud worden...

IMG_3779.JPG

 

 

Mijn wonderen: oud worden...

 

Is oud worden een traag verfilmde ramp? Of is oud worden een overtuiging, zoals bladeren in de herfst niet zonder de mooiste kleuren zullen vergaan? 

Is oud worden uitgestelde afbetaling van pijn en ongemak? Teruggave van geleend materiaal, zoals daar zijn ogen en voeten, en spieren van allerlei grootte en vorm, en hersenen die jarenlang toch vingervlug functioneerden? Gebeurt het afbetalen soms met interest? Of is oud worden toevertrouwen? Een goede plaats zoeken voor wat dierbaar was, in plaats van het zomaar te vervloeken, of te vergeten? Een nieuwe eigenaar vinden, iemand die blij is met de opgedane ervaring, die al die geschenken zorgzaam ontvangt, die luistert naar oude woorden en er nieuwe van maakt, die de zwakke arm neemt met nieuwe sterkte, en weet dat begin en einde misschien wel hetzelfde zijn, alleen in tijd wat uiteen liggen? 

Is oud worden woede? Of is het dankbaarheid? Woede op wie? Dankbaarheid voor wat? Er zijn bronnen aangeslagen in wie begint te leven: adem, hart, taal, bewustzijn, aanraking. Zijn wij de rechtmatige bezitter van onszelf, of moeten wij ons delen met grotere krachten? 

Er is zo’n merkwaardige parallel tussen een baby en een oudgeworden mens. Zoals bij een baby een vloedgolf binnenkomt en je aan de verwonderde ogen en handen ziet dat de kleine nog geen categorieën heeft om alles in te delen en te ordenen, zo zie je bij een oude mens soms diezelfde immense kwetsbaarheid, alsof er weer veel minder categorieën zijn en alles te groot binnenkomt. Hoe deel je verlies in? Hoe deel je definitief in? Hoe deel je pijn in? Hoe deel je verwachting in, als dat geen verwachten is van een leven dat nog moet komen, maar een wachten, van dag tot dag, want morgen kan de laatste zijn. Hoe deel je laatste in? Hoe deel je spijt in? Spijt kan een tsunami zijn en je totaal ontredderd achterlaten, wegens, inderdaad, geen kans meer, definitief, laatste. En dan: hoe deel je dood in? Is dat het niets dat aan alle begrip ontsnapt? Of mogen we van liefde en betekenis een zekere logica verwachten? 

Die extreme broosheid van leven, op een bepaald moment, ontsnapt aan elke categorie. We kunnen er alleen maar met overgave, met verwondering mee omgaan. En dan nog is er angst, onmacht, verwarring. Het weinige dat we objectief weten, is dat leven beweging is. Groei, spectaculaire, machtige groei, maar ook spectaculair verval, aftakeling die klein maakt wat daarnet nog groot en sterk was. Is het diezelfde beweging die we zien? Van broos naar sterk, en nu van sterk naar broos? Logisch dat alle beschaving daar de diepere zin van zoekt: van voorouders tot genieten, van solidariteit tot een lot dat alles vastlegt, van een oordeel tot Darwins overleven... 

Maar alleen al weer wakker worden en je adem trouw bij je weten wachten, ontsnapt aan categorieën. Als alle leven toch neerkomt op krijgen, dan kan het bewustzijn daar nooit genoeg op ingaan, dankbaar voor zijn. Er is zoveel, wij zijn zoveel, de beweging is zo groot, zo intens alles en iedereen, dat jong of oud zijn als gegeven lijken te verdwijnen: allebei zijn ze een constante hulde aan dit grote dat aan ons allen gebeurt, en dat we nooit zullen begrijpen, maar enkel kunnen meemaken. Dichter dan dit zullen we nooit komen. Dan is sterven misschien heel intens leven...


IMG_3781.JPG

 foto's: straatje in Halle, bij de Academie.

13-02-12

Mijn wonderen: lesgeven...


IMG_3787.JPG

 

Mijn wonderen: lesgeven...


Het wordt wel eens gezegd van prostitutie, maar het klopt niet. Lesgeven is het oudste beroep ter wereld. Iemand heeft een voorraadje kennis en brengt die in zijn volledigheid over op iemand anders. Dat is van alle tijden.

Verschillende elementen zijn vandaag nog net zo belangrijk als in de nevelen van de tijd: de overtuiging dat kennis belangrijk is voor ons, mensen, en het verlangen om voor die kennis een nieuw lichaam te vinden. Woordenboeken zijn er al, voor mij nog altijd van het hoogste wat een beschaving kan bereiken (en de tragiek vandaag van duizenden bedreigde kleine talen). Maar zonder de geboorte van woorden in elke nieuwe mens is een woordenboek ook maar een relikwie, een kostbaarheid uit een museum. 

Maar als er wel taal gaat woeden en branden in weer een kinderhoofd (hoe dat precies gebeurt, blijft nog altijd een van de grote wetenschappelijke vragen), dan is het woordenboek daar, paraat als geen ander, om les te geven. Dat wil zeggen: rangschikken, verklaren, aanvullen, corrigeren, weer in herinnering brengen en regelrecht betoveren (als zo’n woordje op een of andere manier anders raakt dan normaal: door zijn klank, door zijn beeldende kracht, door zijn geschiedenis). 

Zo kon ik het in het klaslokaal aan de ogen zien van de jonge mensen voor mij: soms hadden die, ik overdrijf niet, een vreemde schitter. Ze fixeerden me intens, maar ik wist dat ze verder zagen dan het mannetje dat daar voor hen bezig was. Ze zagen iets van dat grotere dat in alle kennis zit, iets van de ambitie om elke mens te bereiken. Iets van dat geloof dat denken een bron is die in elke mens vloeien kan, en dat we samen bergen kunnen verzetten. Iets veel ouders ook: voor mij was kennis al doorgegeven, en dat zou blijven gebeuren na mij, misschien wel door hen. 

Want kennis is ook een kick: er waait daar een schoonheid door, waar die ogen op dat moment iets van ontwaren. En waar ze misschien blijvend jacht op zullen maken. Lesgeven heeft veel met passie te maken, en van passie is geweten dat ze passie oproept: de onvoorstelbaar brede blik van woorden en verhalen; de helderheid van cijfers, en hoe iets af kan zijn, volmaakt misschien; dat de wereld zo groot is, van duizenden namen, maar ook van diepere verbanden die nog helemaal niet zijn blootgelegd; dat er een verleden is geweest, even diep, en dat we daarvan veel kunnen bewaren, al lijkt het onmogelijk als de tijd onbarmhartig alles afsluit, onophoudelijk. 

Dat waren de mooiste momenten: als mijn uitleg plots iets van passie kon laten aankomen bij jonge luisterende ogen en geesten. Maar lesgeven hoeft het niet louter van die momenten te hebben. Veel meer nog werkt het geduldig wroetend, bijna onzichtbaar. En de verandering wordt slechts na maanden en jaren zichtbaar: dat het kind leerde lezen en schrijven, optellen en vermenigvuldigen, kaarten in haar hoofdje heeft gehangen, klanken uit een instrument kan toveren die zoveel meer zijn dan chaos. Dat vond ik even wonderlijk aan lesgeven: de verandering die je ziet na een jaar, eerder toevallig, in wat iemand schrijft, of zegt, of in de trots die een rug recht en ambitieus wordt, of in een nooit eerder opgemerkte rust of een glimlach die een ander begrijpen verraadt. Ik heb vaak gedacht dat je die verandering, die groei, ook in een soortement rapport zou moeten kunnen omzetten. Maar ten eerste kan dat niet, en ten tweede doet dat afbreuk aan het basisidee zelf van groei en bloei. 

Dat doet een mens namelijk voor zichzelf: omdat hij zo’n kolossaal leervermogen heeft, zo’n nooit bevredigbare nieuwsgierigheid, zo’n uiterst subtiel smaak- en oordeelsvermogen, zo’n oplossend vernuft. Wat zijn wij mensen toch onwaarschijnlijk goed gemaakt om te leren. Ons hele lichaam hunkert ernaar, en het is altijd jammer als de school als een monoliet op dat leervermogen gaat staan. Ik weet dat men vandaag daar extreem Rousseau-iaans over denkt, alsof kinderen vanzelf wel de weg zullen vinden. Maar net dat laatste is allerminst zeker: kinderen zijn ongelikte beren. En kun je ze in een vorm likken, zoveel te beter, maar veel vaker moeten ze in een vorm geduwd worden, goedschiks of kwaadschiks. Want er is ook de luiheid die hen vormloos houdt, en het gruis dat in hun hoofden zich opstapelt van alle nutteloze informatie van deze maatschappij, en alle onbeantwoorde vragen die daartussen vaak verstikken.

 Vandaar dat lesgeven een ondemocratische bezigheid blijft. Iemand bezit autoriteit, en dat (liefst geleerde en gepassioneerde) gezag neemt de leiding, want kent de weg.  Hier gaat het niet om inspraak (ook niet van bezorgde ouders) maar om een ontdekkingstocht, waarvan de uitkomst niet 100% zeker is: inzicht en nieuwe passie zijn niet gegarandeerd; een zekere rijping en basisgroei zouden dat wel moeten zijn. Want een mens is een kunstwerk, daar kun je ook aan repeteren en schaven. Soms lukt het beter dan anders. Soms misschien moet het wel helemaal anders, in een ander decor, met andere spelers en inhoud. 

Maar gaan moeten we. En daarom zou autoriteit vertrouwen moeten zijn, en geen wantrouwen. Een voetbaltrainer verdraagt ook niet dat de voorzitter de ploeg opstelt. Maar net dat is vandaag het geval: de school wordt gewantrouwd, en moet tegelijk psycholoog en opvoeder en agent en dokter spelen. Begin er maar aan. Het is nochtans een prachtidee, al zo lang: een soort beschermde plek, een tuin die enkel voor de bloemen is aangelegd, een ongebonden ruimte, waar mensen zich kunnen laven, jarenlang, aan zuivere kennis. Niet opgelost in televisieprogramma’s of kranteninterviews, maar met stevig logisch gebinte in zich, bedoeld om in die hoofden dat gebinte opnieuw te construeren. 

Een plek die zo natuurlijk is als de seizoenen. Elk jaar opnieuw, in september, begint een nieuwe cyclus, een groot wiel dat wentelt en aan al die kleine en grote kinderen als vanzelf duidelijk maakt dat dat het echte leven is: de grote beweging, die verder reikt dan het volgende uur, leert dromen op een andere manier dan de kortbije angst of leute, spreekt met een generatie alsof de dood niet meer bestaat, en een uitnodiging inhoudt, elke schooldag weer, om zelf ook mee te stappen op die grote weg. 

Heerlijk vond ik dat, dat elk jaar een maagdelijk nieuw was. Elk jaar nieuwe gezichten, nieuwe kansen. Elk jaar zelf ook nog wat beter worden. Een goede leraar wordt beter als de wijn, voorwaar. 

En tegelijk is er die nederigheid: jij bent niet doorslaggevend, allesbepalend, jij bent maar een schakel in dat wonderlijk complexe ding dat mens heet. Maar net doordat de school een asiel is voor hongerenden, naar feiten, naar verbanden, naar schoonheid, lukt het een leraar misschien net iets meer dan een ander om zaden te planten waaruit bomen komen. 

En wat een vreugde blijft het in je verdere leven andere leraars tegen te komen: de gids die in een uur tijd weer een nieuwe wereld opent; het essay dat je niet weg kunt leggen, omdat het tegen jou spreekt en jij van die glinsterende ogen hebt (al weet je het niet); de journalist die plots een grotere lijn trekt; de politicus die de juiste woorden vindt; de verzamelaar die meer dan uitleg geeft; de ambachtsman die trots is op de efficiëntie van zijn aanpak en materiaal; de buurman die alle kunsttentoonstellingen gaat zien, en antwoorden of verhalen weet op elke vraag die je stelt; de herders die we kunnen tegenkomen in kabinet, kerk of politiekantoor, en die er in slagen om tegen je ziel te praten; de leraar die elke vriend voor je is; de leraar die in je partner spreekt, als zij een opmerking maakt (je zou dankbaar moeten zijn voor die autoriteit en dat vertrouwen, in plaats van nijdig te worden). Zovelen die iets aan je doorgeven willen, en soms is het nieuwe passie, soms alleen maar groei. Maar bewegen doen we, even groot en even natuurlijk als de seizoenen. Ooit is dat weten ons gegeven, aangezegd misschien, wie weet ontdekt, en sedertdien loopt er een spoor dat blijvend nieuwsgierig maakt en blijvend ons drijft.


08-02-12

Mijn wonderen: verlegenheid...

Léon_Frédéric_-_Twee_Waalse_boerenkinderen-1.JPG

 





















Mijn wonderen: verlegenheid...

 

Het mag niet meer, schijnt het. In de kleuterklasjes worden ouders er al op geattendeerd en wordt therapie aanbevolen. Liever een luide bek dan dit schaamvol zich verbergen, dan deze rest van een oude cultuur, toen een mens nog niet wist van de zegeningen van een grote mond, van de rechten die breeduit op zijn voorhoofd staan geschreven, van de wereldaandacht die hij verdient, op elk moment. 

Ach, wanneer is verlegenheid iets geworden om je voor te schamen? De schaamte die ze verbergt, is al schaamte genoeg, dat er nog die maatschappelijke arrogantie bovenop moet komen. Want mij is het verlegen wegkijken en zwijgen zoveel liever dan de nooit verlegen kwek en blik van wat vandaag als model geldt, de televisiemens, die nooit om een antwoord verlegen zit, laat staan dat hij iets zou voelen van een beginnende verlorenheid. Ze worden in een speciale fabriek gemonteerd en afgesteld, denk ik, die gladde gezichten die je al zappend aan je voorbij ziet trekken, allemaal met hetzelfde scherpe geluid en dezelfde kletterlach. Zoals er ook, al lang, een speciale fabriek bestaat waar ze politici maken, een mensensoort die nog het dichtst het ideaal van robot benadert. 

Maar is verlegenheid wel schaamte? Wat is er mis met iemand die verkiest te wachten en te luisteren. Verlegenheid kan je ook beschouwen als een vorm van zelfverdediging. Eerst de situatie even doorlichten, bokken van schapen scheiden, valkuilen traceren, en voordeelkansen. Zo’n houding lijkt me heel verstandig. Je bent tenslotte toch kostbaar bezit, dat je niet zomaar te grabbel gooit. 

Verlegenheid raakt aan trots, daar ben ik van overtuigd. Je gaat niet zomaar, tegen de eerste de beste, of voor om het even wat, in de aanval. Nochtans is dat het adagium van vandaag: laat je in niets tekort doen, onmiddellijk afblokken of eisen, algemene achterdocht en scherpe klauwen. Het krijsen van kinderen (op de grens van gehoorschade) heeft niets met trots te maken, maar alles met een infantiel blijvende afhankelijkheid. 

Verlegenheid is het besef van strijd, maar ook dat die strijd een opgave is, die groei en voorbereiding vereist. Dat de wereld er niet is om jou te dienen, maar veel en veel ingewikkelder in elkaar zit. Dat het niet past je zwakheid onmiddellijk bloot te geven in roepen en zeuren. Dat het ook niet nodig is in een oceaan van mensen de aandacht zo op jou te vestigen. Leven is vaak overleven, en een kind dat twee en meer slaven tot zijn beschikking heeft, beseft soms te laat dat het maar een van de velen is. Dat het nooit zijn binnenkant versterkt heeft, maar bij elke tochtvlaag geroepen heeft op zijn moeder. 

Verlegen kinderen zijn ouder dan hun leeftijdsgenoten. Gedragen zich volwassen voor hun tijd. Weten dat de oppervlakte van het moment verschilt van de diepte die er onder ligt. Hoe meer ze het verschil voelen tussen hen en de anderen, hoe sterker ze ook de vraag van hun eigen leven beseffen. En daar kun je niet vroeg genoeg mee beginnen. Leven, bewust leven althans, niet het aaneenrijgen van kicks en van pinten, is een levensgrote vraag, die schommelt van verdriet naar vreugde en terug, van angst naar kracht, van droom naar diepe moeheid, enzovoorts. Dat is wat anders dan de veelrechtenachterdocht, dan de lifestyle van de boekskes. Groeien, beseft verlegenheid, kan alleen maar van heel diep binnenin. Groeien, beseft verlegenheid, heeft tijd nodig. Want het gaat niet om het korte lontje, dat voor een prul afgaat, het gaat om oneindig veel meer, waar generaties wijsheid over verzameld hebben, verhalen over hebben verteld, liederen over hebben gezongen en kennis over hebben opgetekend. Leven van elke mens is kostbaar, ons gezamelijke leven evenzeer. 

Uit eigen ervaring weet ik dat verlegenheid vaak kleine, soms biezonder grote verwarring is. Je weet het even niet meer, en dat is nooit prettig. Even lijkt veel te nonchalant als woord. Je voelt je soms overvallen door verlegenheid, leeggeroofd en berooid achtergelaten. Je woorden komen niet meer, zelfs je gedachten zijn gevlucht. Je lichaam is naakte huid. En midden in die storm ben je helemaal alleen. 

Hoe kan ik dan verlegenheid zo positief benaderen als ik hierboven deed? Omdat, nogmaals, verlegenheid een leerproces is. Je weet dat de wereld groot is en je geschaafd kunt achterblijven als ze door je trekt. Verlegenheid is ook onervarenheid: de volgende keer zwijg en kijk je uit bewuste zorgvuldigheid met jezelf. En weet je het niet meer, dan eis je het recht op twijfel op, op overwegen en wegen. Het recht om aan de rand te gaan staan en niet mee te doen. Om tegen te spreken. Of te zeggen dat de koning naakt is. Of, als hij gekleed is, totaal geen smaak heeft. 

Verlegenheid als hoeder en leermeester van eigen kostbaarheid. Ik denk aan twee beelden die ik zag. Die oude Ethiopische man in de woestijn: hij heeft zich in een lange witte mantel gehuld en komt uit het wit van het stof aangestapt. Tot hij de camera ziet en blijft staan, weigert verder te stappen. De cameraman stopt na een tijd met filmen. De twee dorpsmeisjes op het schilderij van Leon Frederic, dat in het MSK van Antwerpen hangt. Ze hebben hun zondagse schort aangetrokken, maar al de rest is grond: hun nagels, hun versleten schoenen, de verstelde kousen. Het jongste meisje kijkt verlegen vanuit een schuin kopje en zegt daarmee dat ze zichzelf niet wil verkopen, dat zij de eigenaar is van zichzelf. Het oudere meisje kijkt helemaal weg van de schilder en ons. Zij is wat ouder en haar verlorenheid is allicht groter dan dat van haar jongere zusje. Zij voelt, opstandig en verward, in de blik van de schilder en van ons wat het is plattelandskind te zijn, dat er andere, groter levende levens zijn, en zij alleen maar een schort en vuile nagels. En toch vecht ze voor dat kleine leven van haar. Dat zegt haar starre blik op oneindig...

 

30-01-12

Mijn wonderen: lach...

 

IMG_3260.JPG


Mijn wonderen: lach...

 

Het mooist is de beginnende lach, die mond die zich open legt. Het schijnt een complexe daad te zijn, met honderden spieren die in actie schieten, niet alleen rond de mond, maar in heel het gezicht. 

Maar het effect van dat gebaar, dàt is pas complex. Alsof in dat gezicht deuren opengaan. Alsof een groot welkom je gegeven wordt.  Alsof de wereld zijn wapens neerlegt, zijn argwaan. Geen spontaner gebaar dan de lach die aan iemand gegeven wordt. Lach als beginselverklaring. Lach als ontwapening. Lach als nieuwsgierigheid. Lach als aanraking. 

Vooral dat laatste blijft fascineren. Hoe een lachend gezicht zo dicht kan komen met al zijn overtuigd vertrouwen. Bijna vrijpostig, in elk geval kwajongensachtig vrij komt een lachend gezicht binnen bij wie het ziet, zonder veel plichtplegingen, zo dicht als water als je zwemt en licht als je kijkt. Een lach kan je doen schrikken, zo onverwacht kan hij zijn in bepaalde situaties, zo zonder enige opsmuk zichzelf. Je vertrouwt hem, die lach, of je kijkt weg. Vandaar dat de reclamelach vaak zo onecht is: hij mikt op dat dichtbije ontmoeten en is slechts een zoveelste masker. 

Dat is de grote intelligentie van de beginnende, openkomende lach: dat hij weet heeft van leven in zijn essentiële eenvoud. Een gezicht dat openkomt, meer is er niet nodig om iets van de volheid te voelen. 

Vandaar ook de lach bij echt grote intelligentie: de humor, de spot. We zouden ook kunnen blozen bij grappen en satire, of enig andere lichamelijke reactie vertonen. Nee, we lachen. Omdat, denk ik, we door zoveel andere lagen boren als we al gewoon glimlachen met dat gezicht van ons: door aanstellerij, door vleierij, door angst, door onmacht. Lachen heeft alles te maken met een ervaring van vrijheid. En vrij is enkel het leven in zijn grootste eenvoud. Vandaar ook dat een glimlach of lach iemand razend kan maken: de keizer ziet plots dat hij naakt is. Lachen doe je soms niet ongestraft: de dichter Mandelstam werd door Stalin opgejaagd omwille van één satirische zin in één gedicht, waarin de grote leider zichzelf herkende. 

Maar even zo vaak als die hoogbegaafde wijze en vrije lach is er de verkochte lach. Lach die zich in duizend bochten wringt van strategie, en verkoopstactiek, en mediastatus, en groepsbelang en hiërarchie, en zelfbeschuldiging, en schaamte of onbewuste dwaasheid. De lach die ongemakkelijk maakt, of je ongemakkelijk achterlaat. Ook beginselverklaring, maar van argwaan. Bewapening in plaats van ontwapening.  Afweer in plaats van aanraking. De eigenwijze wie-doet-me-wat-lach, die je zo vaak op televisie ziet, is er zo een. Volledig masker geworden, en of de mens eronder nog leeft en waarlijk gelukkig is, doet er niet toe. Geregisseerd leven, dat is het, al te vaak. 

Hoe kom je er van af? Door weer de mensen een voor een aan te kijken. Door geen handtekeningen meer uit te delen en rode lopers af te gaan, en je schoenen zelf te poetsen. Door zelf boodschappen te doen en blij te glimlachen als aan de kassa het meisje in je ogen kijkt, niet zoals voorgeschreven en bepaald door het getimede werkritme, maar zomaar, gratis. 

Je komt er van af door niet meer onderdanig te willen glimlachen, maar alleen te lachen als je voelt dat er respect is. Dat is niet zo eenvoudig , maar je kunt tenminste proberen. Vriendelijkheid is te kostbaar om er enkel goodwill mee te kopen. 

Je komt er van af door om jezelf te lachen. Dat vrijmakende, directe van de lach werkt gegarandeerd ook als je kunt grinniken om je eigen stunteligheid, je eigen kleine en grote tekorten. Als je er om kunt lachen, worden ze ineens weer kostbaar. 

Tenslotte: de biezonderste lach. Dat is de aanstekelige lach. De lach die anderen doet glimlachen. Lichter maakt. Doet meelachen. Ik kan haar niet beschrijven, die aanstekelijke lach, maar je herkent haar uit alle andere: ze heeft iets van een komisch motortje, van een grapje dat nooit gaat vervelen. Mijn zoon is een grote humorist, lachen is voor hem een manier om én intelligent én open te kunnen leven. En dan slaat zijn vriendin aan met dat aanstekelijk geluid van haar. En dan denk ik: die twee passen toch goed bij elkaar.

 

20100321_1275-1.JPG

foto's: Hongaarse vrouw in etnologisch museum Szentendre, Hongarije & carnaval in Henegouwen)

24-01-12

Mijn wonderen: dansen...

IMG_3286.JPG

Mijn wonderen: dansen... 

Dansen heb ik maar laat ontdekt. Daarom ben ik geen geoefende danser, als broer en schoonzus, die van voorgeschreven beweging eigen elegantie maken. Alsof ze het ter plekke uitvinden. Nee, ik ontdekte, toen ik over een soort schaamte heen was, oerbeweging in mij. Dat het lichaam andere ritmes verbergt dan enkel lopen, staan, zitten, liggen. Dat als je eenmaal de sluizen openzet, groter beweging door je trekt. 

Van klank: je lichaam maakt muziek, als een instrument. Van ruimte: je lichaam komt van de grond. Er zijn er die zelfs kunnen vliegen. Van tijd: je lichaam hoeft niets meer op te tellen, bij te houden, hoeft niet meer achterom te kijken. Dit is het nu, en zo blijft het, zolang je bewegen mag in dit lichaam, zolang beweging bewegen mag in jou. Je vergeet uren al dansend. Zoals een kind als het speelt. 

Het moet een beetje intelligente klank zijn die je uitnodigt. Ik kan niet bewegen op technodreunen, ze maken niets los, niets wakker. Maar rock! En walsen, die beweging der sferen! 

Soms zweeft door de dag een onhoorbare flard (misschien is het wel een geur...), en dan zet je twee, drie pasjes die even een kleine hulde zijn, die moeten tonen dat wat voorbij kwam niet onopgemerkt is gebleven. Een klein levensmuziekje, en je subtiel luisterende licham was er blij mee. 

Soms gulpt een hele brok leven door je. Als je simpelweg blij bent (dat gebeurt, en is niet te koop), als je goed hebt samengewerkt met wie nu je maten zijn, als je iets hebt gecreëerd wat later, bijvoorbeeld op een podium, zal blijken te werken, dan kan er plots een zo hevige beweging door je trekken dat je wild wordt van een grotere kracht. En dan komen er vreemde bewegingen, althans bij mij. Dan moet ik die felle koprol maken, of van dat muurtje springen, of even het hoofd van zo’n maat vastknellen tot hij bijna stikt. Een schreeuw mag er ook bij. Allemaal ruw materiaal voor wat potentieel een mooie dans kan worden. 

Sommigen dansen met hun gezicht, dat nooit ophoudt de wereld te acteren. Sommigen dansen met hun blik, van spot tot verwondering tot wilde vreugde. 

En ook sport is dansen. Dat lichaam van de Braziliaan Zairzinjo, ik ben nooit vergeten hoe ik als kleine jongen hem op de zwart-wit tv schijnbewegingen zag maken rond een bal die geduldig wachtte omdat hij wist dat de verdediger toch altijd te laat kwam. Of het dansende zwiep van hoogspringers over de lat. Of het lopen van start tot de aankomst, een hele uitgepuurde dans die mij telkens weer verrukt. 

Op een bepaald moment ben ik de golven in mijn eigen leven gaan zien als een dans en troostte die blik mij zeer. Dat dit lichaam van mij zijn eigen droefheid mag hebben, net zoals de seizoenen weerkeren. Dat die kop van mij zijn eigen vaak onredelijke gevoeligheden mag hebben, ik kan alleen maar proberen zo goed en zo dicht mogelijk mee te dansen. Want toch liever dansen met twee dan alleen. En net als een danspas zal ik niet louter neerkomen, maar ook weer opveren. Of omgekeerd. Doet er niet toe. Het gaat om het bewegen. Liefst zo soepel mogelijk.

IMG_3284.JPG

19-01-12

Mijn wonderen: moed...

IMG_3830.JPG

 

Mijn wonderen: moed

 

Sommigen gaan daar heel ver in, in die goede wil. Ze ontwikkelen een soort koppigheid die mensen overstijgt. Zij zullen de eersten zijn om verbaasd te staan dat ze blijven voortdoen, weer niet opgegeven hebben, nog altijd geloven dat het goed is wat ze doen. Zelfs na vele jaren, en de bergen die maar blijven opdoemen. 

Hoe verklaar je dat een stel ouders decennialang zorgen voor hun zwaar gehandicapte kind, dat nooit iets anders zal worden dan een groot, hulpbehoevend wezen, verloren in de grote wereld van de mensen, soms angstig, soms boos, en altijd weer overgeleverd? Hoe blijf je van een kind houden dat zonder groei is, dat geen toekomst belooft, van wie je wakker ligt ’s nachts nadat je voor de zoveelste maal bent opgestaan om het te helpen? Hoe hou je het vol de ellende te blijven zien van mensen op de vlucht, en weer een onderdak te zoeken en een bed, en te blijven roepen tegen de onverschilligheid. Hoe breng je het op te blijven presteren, op gevaar van eigen leven soms. 

Groot of klein, moed is een geheim. Vanwaar die wil om onmogelijkheden te buigen? Vanwaar dat geloof dat een berg wil verzetten? 

Je zou zeggen dat mensen vanzelf in die moed rollen. Weinigen nemen de uiterst heldere beslissing en voeren die dan ook uit. Er zijn er, zoals Socrates. Maar zelfs Jezus, die andere historische dood, lijkt mij nooit goed verstaan te hebben wat hem overkwam in zijn openbaar leven. Individuele contacten, ja, die waren intens en vruchtbaar. Maar welke politieke en religieuze rol hij moest spelen, en hoe, hij heeft het nooit goed geweten. En toen hij naar Jeruzalem trok leek dat feitelijk evenveel onmacht als vrije keuze. Men heeft er nadien een offertheologie van gemaakt,  maar deze intens luisterende en communicerende man voelde zich met de dag meer speelbal worden van krachten die hijzelf niet meer beheerste. Behalve misschien door moedig te zwijgen voor zijn beulen. 

Zelfs van hem zouden we kunnen zeggen dat moed hem overkwam. Zoals met veel mensen gebeurt wat gebeurt. Moed is dan de tweede stap: het moment om voort te doen. Daarvoor kiezen, dat lijkt mij moed. En het kan iedereen overkomen. 

Ik weet niet of de meesten die stap zetten of er van weg lopen. Ooit hoorde ik van Lydia Chagoll hoe verschillend haar zus had gekozen na het jappenkamp waarin ze jaren opgesloten zaten: zij bewust gekozen voor een leven van eigengericht materialisme, Lydia (samen met haar man, de filmer Frans Buyens) voor een levenslang engagement tegen alle vormen van macht die misbruikt. Zelfde kampervaring, verschillende keuzes nadien. (Misschien is er ook moed nodig om voor jezelf te kiezen. Misschien is die ik zo verloren gelopen, dat er veel moed nodig is om haar of hem weer bij elkaar te rapen, of er toch bij te blijven. Ik weet het niet. Dezelfde Jezus zei het al: “Oordeel niet”).

 Blijft toch het geheim van moed: vanwaar die onbuigzame kracht die niet lijkt te kunnen opgeven, alsof een sterkere wil het heeft overgenomen en dirigeert? Of is moed niets anders dan de logica die in ons bestaan is gelegd: dat als leven pijn doet, de goede wil mee zich scherpt en opspant? Zo bekeken moeten we meer de moed loven van mensen om elke dag op te staan en aan het werk te gaan. Hun geloof in orde in plaats van in wanorde (schoonmaken, organisatie, afspraken). Hun kleine trouw die een heel raderwerk aan de gang houdt. Hun geloof in het geheel, in plaats van in het corrupte deel  (ik vertrok ooit met leerlingen op uitwisseling naar Estland. De bus van St Petersburg, toen nog Stalingrad, zat ’s nachts een uur vast in de donkere bossen omdat het bezninstation geen brandstof wilde leveren zonder dat er iets bijkwam, de winkels in Tallinn waren leeg, de bankbriefjes dik en waardeloos, de mensen overleefden onder andere op voorraden die ze in de zomer aanlegden in buitenverblijven, ik logeerde bij een bekende beeldhouwster die al jaren geen van haar beelden meer in brons had gezien. Voor het parlement lagen grote rotsblokken, het was het einde van de communistische tijd. Zozeer was dit een land van onzekerheid, dat alles mij trof na het landen in Luxemburg: dat er een bus was die wachtte om ons naar het station te brengen, dat er kaartjes waren en de trein reed en de conducteur kwam knippen en de mensen in alle rust hun kaartje lieten zien en je een broodje kon kopen en we op tijd thuiskwamen...) 

Misschien, om moed te eren, moeten we de kleine dagelijkse moed eren. De keuze die mensen elke dag maken om mens te zijn. Niet alleen, maar samen. Voor heel lang, want al zo lang. Ik zal niet zeggen: tot in de eeuwen der eeuwen, want van die eindeloosheid ken ik niets, en zo lang wachten is onmenselijk. Maar ik zal misschien wel zeggen: amen. 


17-01-12

Mijn wonderen: goede wil...

IMG_3801.JPG

 


Mijn wonderen: goede wil

 

Dit bestaan is te groot en te wild voor een mens. Dit heb ik altijd gevonden, als kind en nu nog. Hoezeer de winkels ook hun best doen om het tegendeel te beweren, in zoveel mensen die daar lopen woedt onmacht, en onbegrip, en zinloosheid. En vaak merk je er niets van, je loopt het ergste verdriet zomaar voorbij .

 En dan heb ik het nog niet over grote omwentelingen: sociale spanningen, geweld in de straat, natuurrampen, doodslag. Als een  maatschappij al heel diep het hoofd moet schudden om al zijn bijeengebrachte kennis en ervaring terug te vinden, dan lijkt een individuele mens helemaal van nul te moeten herbeginnen.

 Oplossingen zijn, een mens vergeet het makkelijk in een rijke maatschappij, bijna luxegoederen. Dat iemand je auto weer aan de praat krijgt of je besmetting geneest, of zelfs dat je met geld eten kunt kopen: misschien moeten we meer beseffen hoe makkelijk die oplossing kan wegvallen. 

En dat geldt nog meer voor de niet-materiële nood. Die is veel minder vanzelfsprekend oplosbaar, niet zozeer omdat er minder hulp is, maar vooral omdat ze verborgener is. Hoe zou je rouwen moeten “oplossen”? En een depressie? Vaak komen mensen niet verder dan verdragen, dan leren leven met. Verdragen dat er pijn is die blijft zeuren. Verdragen dat de spijt om wat verkeerd ging, niet overgaat. Het alleen zijn verdragen... 

Lijdzaamheid is in deze tijden van aanbeden maakbaarheid een besmet woord. Dat er voor problemen geen oplossingen zouden zijn, is ondenkbaar, laat staan dat men iets positiefs zou kunnen zeggen over een soort eelt die helpt te leven met dat onoplosbare. Voor alles moét een oplossing zijn, is het credo, zoniet zoeken mensen een zondebok en leggen alle schuld op zijn of haar rug... Tevelen gaan vandaag op een heel primitieve manier met problemen om, in termen van (bij)geloof (macht-die-alles-moet-oplossen-nu-direct), van schuld (zondebok die vernietigd moet worden), voortdurend gebed om bescherming (via duizenden wetten en voorschriften en verzekeringen). Waar is het evenwicht van de klassieken? De innerlijke kracht waarin de stoïcijnen zich vervolmaakten? Het zorgvuldige genieten van de epicuristen? Er is, denk ik dan, in onze “beveiligde” maatschappij een cultuur van overleven verloren gegaan. Overleven als kunst, waarom leren we het niet aan en van elkaar... 

Beetje vreemd dat ik bij lijdzaamheid uitkom als ik het over een wonder wil hebben. Maar lijdzaamheid is geen synoniem voor hopeloosheid. Lijdzaamheid verbergt misschien wel meer kracht dan ze zelf beseft. Bijvoorbeeld de kracht om te zien wat er wel is. Dat is als levenshouding hoge kunst: zien dat, ondanks het grote gemis, er nog zoveel is dat wel trouw aanwezig blijft. En daar, op een milde manier, dankbaar om zijn. En beseffen dat dankbaarheid een heel speciale manier is van genieten. 

Sterker nog: dat die trouw misschien wel een wezenskenmerk is van alles wat bestaat. Ik noem het goede wil, en met de jaren zie ik steeds duidelijker hoe groot dit wonder is. De dokter die met uiterste nauwkeurigheid mij onderzoekt. De loodgieter die trots is dat hij mij een efficiënte en goedkope oplossing kan bieden voor een lekkend dak. De vriendin die mijn verjaardagen niet vergeet. De boom die al zijn bladeren heeft willen maken. De ouders die kun kind wiegen. Mijn longen die blijven ademen en mijn bloed dat blijft stromen. Een groep mensen die er in slaagt vruchtbaar samen te werken. Hulp die zich aandient bij ongeval. De politieman die nog eens langskomt om te zien “of alles goed is”. Het glimlachende groeten, zomaar. De journalist die feiten zoekt voor zijn verontwaardiging. De politicus die bezeten is van oplossingen, hoe moeilijk en vermoeiend ook. 

Ach, dat er zoveel is dat van goede wil is, niet alleen vanuit zorg voor zichzelf maar ook vanuit zorg voor de ander, dat grijpt mij aan, soms. Dat de ene mens de ander misbruikt, verkracht, vermoordt, ik wil dat niet ontkennen. Maar normaal is het niet, op zijn minst zijn we het daar over eens. Er zit een richting in wat wij mensen willen, een wil die de wereld beter wil maken. Dat is de onderkant van wat wij mensen doen, van die eerste les leren lezen in de lagere school tot het meest gespecialiseerde wetenschappelijke onderzoek. Dat is het criterium waarmee wij daden moreel wegen. Dat is de blik waarmee geschiedenis wil kijken. Dat is de grote betekenis waarnaar religie verwijst. Wij lijken wel zo geschapen, zegt religie, alsof deze wereld een geschenk is van een grote hand. Maar ook: alsof er een stem is die de richting blijft roepen... 

Ik hoef het zo poëtisch groot niet te zien om toch iets van een basisvertrouwen te ontwikkelen. Als ik, empirisch, al die ervaringen van goede wil optel, kom ik uit bij een wondere gedrevenheid, waar ik verder geen woorden voor heb, noch wil hebben. Die diepe goedheid die blijkbaar in bestaan zit, is mij genoeg. Met die vaak tastbare goedheid kan ik overleven. Meer dan dat: kan ik diepe zin vinden. Kan ik uitkijken. Kan ik van wanhoop hoop maken. Kan ik in tijd een bondgenoot vinden, en in geduld, en in aanwezigheid. Kan ik ook leren, beetje per beetje, mij toe te vertrouwen. Aan wie of wat weet ik niet, net zomin als een kind dat weet. Maar dat er liefde is, dat weet het wel.

27-12-11

Mijn wonderen: familie...

IMG_4566.JPG

 

Mijn wonderen: familie...

 

Kurt Tucholsky, de Duitse satiricus die het nazisme niet overleefde, begint een van zijn scherpe stukjes aldus: “Toen God op de zesde scheppingsdag alles bekeek wat hij had gemaakt, zag hij dat het goed was. De familie was er dan nog niet. Dit premature optimisme heeft zich gewroken. Het verlangen van de mensheid naar het paradijs kan voornamelijk worden opgevat als de vurige wens, tenminste één keer vredig zonder familie te kunnen leven”.

Is familie dan zo erg? Tucholsky grijnst om de bemoeizucht, het kastedenken, de lauwheid, de roddel de tedichtbijheid van familie. Alsof het een soort was: familia domestica communis, de gewone huisfamilie. Alsof het ge(k)leedpotigen zijn, of zoogdieren van een woekerende zoort, met kenmerken die je kunt oplijsten: de stugge nonkel, de zwanzende tante, de zorgenbroer, de mooie zus, de slimme neef, het treurende nichtje, de schattige kleine. En van al dit verschil moet er soep worden gekookt op familiebijeenkonsten, gekruid met wat hartelijkheid, twee duimen spot, wat verse roddel en heel veel van het aloude bekende.

En toch hangen broers en zussen aan elkaar, en missen enige kinderen die merkwaardige bloedband. Familie heeft het aanvoelen dat ze rond het leven moet staan: bij overgangsmomenten als geboorte en dood, bij tijdsmarkeringen als feesten en verjaardagen. Familie is meestal ook de plaats waar je je eerste dode ziet, waar je afscheid leert nemen van geliefde oma; zelfs dat knorrepot opa er niet meer is, vraagt veel van een kind.

Hoe dan ook is familie een van onze grotere lichamen, en die leg je niet zomaar af. Integendeel, die koester je het liefst. Omdat het goed doet een zus te hebben waarmee je lang babbelen kunt, omdat het goed is in je broer genegenheid te hebben die niet zal veranderen.

Familie is ook geschiedenis. Die verhalen die samen tijd hebben gemaakt. En zo ongrijpbaar als tijd soms is, hier is ze tastbaar geworden, in verhalen, in foto’s, in het samen ouder worden. Gedeelde tijd bewaart veel makkelijker, raakt veel minder verloren, en dat is mooi meegenomen in een leven dat al zo vloeibaar en doorzichtig is.

In het beste geval is familie wél het paradijs geweest: die plek waar je voor het eerst je bewust werd dat leven je gegeven werd als aanraking; waar je die hand tot diep in jezelf voelde gaan; waar aanwezigheid alles was wat leven nodig had: zorg, oplossing, glimlach en lach, en de verwondering die gaat van mens tot mens, en samen naar de wereld. Dat is een ervaring die je nooit meer kan vergeten, wil vergeten.

Later is die helderheid, in al zijn eenvoud, niet meer vol te houden. Al die levensstromen drijven uiteen, vinden elkaar alleen nog als er weer eens grotere armen gevraagd worden: om een sterven, om ziekte, om geboorte, om een huwelijk. Als zelfs dat niet lukt, doet familie pijn. Een mens kan wel proberen haar te vergeten, maar een litteken blijft toch, soms groter dan men zelf beseft. Ergens een broer hebben, en die nooit meer zien...

Tussen ouders en kinderen wordt aanwezigheid en gemis nog scherper gevoeld, natuurlijk. De natuur laat hier nog minder keuze. Als hier een kind jarenlang niets meer van zich laat horen, dan groeit er zelfs geen litteken op de wonde. Als hier een ouder er niet is, of niet meer is, dan schrijnt dat een leven lang. Ouders en kinderen zou ik feitelijk niet bij dit stukje over familie mogen plaatsen, daar zou een ander woord voor gevonden moeten worden. Gezin misschien. Eerstaanwezigheid. Tover van aanwezigheid. Schepping. Geven en krijgen, maar zo groot dat er een leven voor nodig is om ze te beleven, te begrijpen. Het dichtste wat een mens bij het mysterie kan komen.

12-12-11

Mijn wonderen: bomen...

 

IMG_3498-1.JPG


Mijn wonderen: bomen...

 

 De eerste keer dat ik rondreed in Kent, moest ik de hele tijd aan een park denken. Al die bomen, die daar blijkbaar al langer dan de mensen stonden. En als ze omvielen, mochten ze blijven liggen voor nog een generatie of twee. En als ze in de weg stonden, ging de weg beleefd opzij of errond, dat vond ik heel intelligent. 

Nu heeft Engeland geen tekort aan parken, verre van, maar een heel landschap als park, daar keek ik van op. Soms liepen er vernuftig kronkelende beken door, die landschapskunstenaar Andy Goldsworthy niet beter had kunnen verzinnen. En hier en daar was een dorp wat uit de grond recht gekropen. Niet veel, net voldoende om verschil te maken en kleine deuren te kunnen installeren, en kleine ramen met zo’n luchtbel in. 

In een van die echte parken stond ik plots voor een eik. Het begon naar de avond te gaan, misschien daarom, maar dit wezen maakte indruk. Alsof de wereld plots rechtop was gezet, en ik het park nu ook in de hoogte zag. Er is iets aan een oude boom dat mensen herkennen. Is het zijn leeftijd? Want ook mensen kunnen oud worden. Is het trouw? Want ook mensen kunnen grond van een bepaalde plek in zich dragen, in hun taal en gezicht en handen, misschien in de manier van lopen of gaan zitten. Is het dat brede ademen dat je in die blaadjes ziet? Want ook mensen moeten het van die brede borst hebben, die in hen open en dicht gaat en er eerder was dan zij. Is het dat verre kijken? Want ook mensen hebben iets met wat achter het nabije ligt, met uitzicht en uitkijken en wachten. Is het dat armgebaar waarmee takken ruimte innemen? Want ook mensen slaan hun armen open als ze willen omhelzen en dichterbij komen. Zijn het de schaduwen die zich zo makkelijk kunnen verbergen? Want ook mensen dragen horden bekende en onbekende schaduwen mee. 

In elk geval, ik bleef staan en kijken, en besefte het niet. Dat gaat zo als je plots gefascineerd raakt. Dan maakt de wereld een kwartdraai en jij buigt mee. Ik kan begrijpen dat bomen indruk maken. Zij zijn van de oudste levende wezens op aarde, en ook van de grootste. “Broer boom,” zei Pallieter, expert in het aanvoelen van de ziel van de dingen. Lees het boek maar na, zijn genieten verveelt na al die jaren nog altijd niet. En hij omhelsde zijn boom en kocht hem vrij uit de handen van de koopman die er andere plannen mee had. 

Broer boom: misschien moest de boom wel grinniken bij zoveel sentiment van een menswezen dat op zijn best 80 jaar oud wordt en niet hoger komt dan een alledaagse struik. Wat weet dat menswezen van leven dat meer dan duizend jaar kan meegaan, van een geheugen dat alles nauwkeurig in jaarringen bijhoudt, van de geheimen van de grond, van het grote stromen van water in de takken, van het veroveren van kubieke meters lucht? Van kleuren en vruchten, en nesten en vogels, van wind en stormen, van kou en warmte en de grote grote beweging van seizoenen? 

Maar het mooiste vind ik dat ze aarde en lucht aan elkaar knopen. Letterlijk. Al wat vertikaal leeft, heeft weet van de diepte. Dat zou ook voor ons mensen kunnen gelden, als we wat meer wilden stilstaan, niet zo druk heen en weer liepen. Maar bomen hebben die ascese bereikt die zich tevreden stelt met de wereld rondom de voeten, en daar een nest maakt voor een hemel. 

Toen ik klein was, heb ik wilgen gekend, taaie magere oude vrouwtjes waren dat die nooit opgaven. En kastanjes, met hun statig staan. En atletische, afgetrainde populieren. En rare donders van fruitbomen. En elzen, die niet opvielen. En zachtaderige vlieren, waar we blaaspijpjes van maakten. En olmen, die je van ver moest zien, die hadden iets met de horizon. En timide berken. 

En later heb ik linden gezien die ouder waren dan de dorpen waar ze midden in stonden. En beuken die van steen leken. En platanen, aangekleed als voor een uitstap. Elke boom is mooi, hoe krom hij ook is, hoe onzeker of scheefgewaaid. Maar van de mooiste zijn de eucalyptussen, die vreemde kunstenaarsfamilie, met stammen als dreadlocks en eeuwig jonge stralende teinten en de meest eigenzinnige vormen. 

Ach, de intelligentie van bomen. Mensen plaatsen nu overal zonnepanelen. Maar wat is een boom anders dan duizend kleine buigzame zonnepanelen, tel maar even op. Ingenieurs moeten jaren studeren om koepels en overhangende daken te kunnen bouwen. Dat doen die zogenaamd ongeletterde bomen al eeuwen. Geen blad dat zich niet 100% vol laat lopen met licht, tot aan de dunste randen die geen randen meer zijn, van efficiëntie gesproken. 

Een boom is sierlijke danser, sterk en fraai zijn zijn bewegingen. Een boom is geoefende zanger, met die hese stem van oude volkszangers. Een boom is een bed voor lucht, dak en raam tegelijk, deur die zachtjes opengaat en vogels vrijlaat. Een boom is van twee werelden, zichtbaar en onzichtbaar, en daardoor tijdloos. Een boom kan groot zijn, tegen de verten, maar met hetzelfde gemak klein, als hij even knikt, of even een tak buigt, of zijn schouders ophaalt.

Een boom is zijn eigen sterkte. Wat hij aan energie en groei heeft geproduceerd in één jaar, houdt hij netjes bij. Hij maakt zijn eigen ruggengraat. Kunnen uitrusten in jezelf: als dat niet hoge kunst is...

05-12-11

Mijn wonderen: ogen...

IMG_4181.jpg

 

Mijn wonderen:  ogen...

 

Een foto verraadt het: ogen spiegelen de wereld. Die lichtjes verraden het: ogen laten alles binnenkomen wat maar wil binnenkomen, en dat is veel. Maar ogen denken niet in veel en groot, ze staan open zoals niets anders in ons lichaam open staat, tenzij misschien onze adem. Ogen en adem leren ons dat we van alles zijn, meer nog dan van onszelf. Alles houdt ons in leven, alles wil ons zien. En die grote golfslag neemt ons mee, als een kind door zijn ouders.

Ogen vatten ons grensbestaan samen: we leven op de grens tussen onszelf en de rest, tussen al wat binnenstroomt en die eigen ogen die het moeten zien. Daarom zijn ogen onze kwetsbaarheid zelf. Huid, beenderen of organen lijken veel minder onherstelbaar. Ogen lijken wel waaghalzerij: je staat rechtop, in weer en wind, en die overmoed maakt ons mens, doet ons nadenken, vindt voor ons woorden en inzicht. Maar tegelijk lijkt dat rechtstaande kijken zo kwetsbaar voor wat groter, sneller, feller is, lijken we, rechtstaande, even dun als die dunne glanzende ogen.

Ogen zijn binnen- en buitenkant tegelijk. Ze laten de wereld binnen, maar tonen ook een glimp van die wereld binnen in ons. Daarom slaan mensen hun ogen neer, om niets van die innerlijke gloed te verraden. Of om tenminste die innerlijkheid niet prijs te geven,  als er van buiten teveel macht op hen afkomt. Daarom drinken ogen wat ze liefhebben, alsof ze enkel daar zichzelf binnenste buiten kunnen keren, zo groot is het verlangen en zo stug en traag het lichaam. Maar ogen zijn groot genoeg om voor de rest van het lichaam te kunnen spreken. Een hart kan maar heviger kloppen, huid kan zinderen, maag kan pijn doen van verwachting. Slechts ogen, omdat ze zo op de grens wonen, slagen er in van de binnenkant buitenkant te maken, even makkelijk als de omgekeerde beweging.

Bij een baby raakt ons dat: wat gaat er in dat hoofdje om, als het zo staart? Maar eigenlijk is elke blik nog diezelfde levende verwondering: twee (grote) werelden ontmoeten elkaar, en uit die ontmoeting ontstaan inzichten die niet minder groot zullen zijn. Daarom moet elke blik die we mogen zien, elk paar ogen dat ons aankijken wil, ons blijven raken. Hier gebeurt iets: we ontmoeten, we ontdekken een andere wereld. Als avontuur kan dat tellen. En we mogen onze eigen wereld meenemen. Voorzichtig, zoals elke overgave beter maar voorzichtig gebeurt. Maar toch, als uitnodiging kan dat tellen. 

Daarom dat de blik sociaal gereglementeerd is. Je kijkt niet ongestraft lang in de ogen van iemand anders. Daar komen verliefdheden van of, in sommige stadswijken, ruzie en een pak slaag. Een lichaam kan zich hullen in kleren, ogen zijn altijd naakt, en daarom is schroom nodig, van beide kanten. Daarom zijn het ook maar vlekjes die op de ogen liggen. Kleine vlekjes licht. Intens, maar niet alles overheersend. Altijd dat nodige evenwicht, tussen ik en het andere, op de grens tussen binnen en buiten, op de grens tussen krijgen en teruggeven. We kijken niet alleen met onze ogen, we denken er ook mee. En we houden er ons mee in leven.

28-11-11

Mijn wonderen: stad...

 IMG_3686.JPG


Mijn wonderen:  stad...

Oostende was mijn eerste stad. Ik woonde daar niet, maar ook iemand die er niet woont, kan spreken van “mijn stad”. Het gaat erom wat een stad met je doet, welke kansen zij biedt. Ik trok naar Oostende op zondagnamiddagen, alleen, ging films bekijken en boeken ontdekken (in de mooiste boekhandel die ik ooit zag, toen nog op z'n oorspronkelijke plek in de Adolf Buylstraat: Boekhandel Corman, met zijn vale licht, de getekende portretten van schrijvers, de twee talen die er broederlijk samenleefden, elk aan een kant, en die hele speciale stilte in die diepe ruimte), liep langs cafés en mensen, zag kunst in galeries en proefde zout in de lucht. En dat allemaal alleen, zoals mijn leven toen alleen was. En toch, achteraf bezien, waren we met z’n tweeën: ik liep door de stad en de stad liep naast me mee. Naar de zee ging ik niet, die zei niets. Toen toch niet. Maar de stad had zoveel stemmen, ze klonken op in de straten, tussen de muren van de huizen, vanuit open cafédeuren, van het cinemascherm, in de bus of op de tram. Zelfs kunstwerken hadden een stem, zoals ik ontdekte toen ik voor het eerst monumentale marmeren beelden zag (die van Gerard Holmens): zo de ruimte te kunnen opvullen, met glans en glooi en gladheid... Ook dikke Mathilde glansde en glooide. Zo onaantastbaar kunnen worden... Ik leerde het daar en toen, in en met Oostende. Dat wil zeggen: ik ontdekte dat het bestond. En met die ontdekking kwam nog meer het besef van onvolkomenheid, van strijd, van verwarring. 

Dat waren vragen die ik niet aan mijn maatje Oostende kon voorleggen. Zo’n stad is ouder dan we denken, en weet ook wel wat tijd nodig heeft en wat dringend dient opgelost. Ik had tijd nodig, en daarom zweeg de stad  over mij en tegen mij, maar bleef meelopen. 

Later werd Gent mijn stad, en toen werd er wel gesproken. Verliefdheid, angst, eenzaamheid, vriendschap, politieke bewustwording, wat maakt een jonge gast niet allemaal mee. En dan nog in een stad die, hoewel oud, weer vreselijk jong en wild werd in die dagen. Dat leerde ik van Gent: dat met elke dag je opnieuw wordt geboren, en tegelijk zo min mogelijk iets mocht vergeten van al wat voordien gebeurd was. Dat het goed was veel te weten, en dat het goed was te dromen. Mijn eerste studentenjaren vielen in de spannende tijd van 1968/69. ik was het product van een oude beschaving, toen alles zijn plaats kende en men zonder veel morren gehoorzaamde. Toen er waren die wisten en anderen die misschien wel konden weten maar het niet mochten. Toen de wereld nog overzichtelijk ingedeeld was in rijk en arm, in zuil 1 en zuil 2, man en vrouw, jong en oud, wat mocht en wat niet mocht. Het was een wereld die meende twee wereldoorlogen zonder kleerscheuren te overleven. In elk geval in de jaren nadien deed alsof er niets gebeurd was. 

Maar toen ik student was in Gent zag ik een oude wereld instorten, en het was fascinerend. Het was mede mijn bevrijding. Ook in mij moest een oude wereld opengebroken worden, en de nieuwe was er nog niet omdat ik hem zelf moest opbouwen. Zo wijd en leeg de verten in mijn jeugd waren geweest, zo vol zaten de soms kleine straten van deze stad. Talen, gedachten, gevoelens, verhalen dreven er samen, haakten in je kleren en je haar en bleven zeuren en zingen in je hoofd. 

De stad, ontdekte ik, was een verhaal. Ik was een verhaal, en ik had het nooit geweten. Celesta en Gaby met haar ene oog, mijn oude buurvrouwtjes in het minuscule Jeruzalemstraatje, waren een verhaal. Dat van Celesta was niet zo duidelijk. Ze was al blij dat ik af en toe een boodschap deed en bij haar de Vooruit kwam lezen. Maar Gaby vertelde honderduit over haar drinkende man, de jaren dat ze “diende”, de kleinkinderen waar ze voor moest zorgen, wegens moeilijkheden, ook daar. Elk jaar moest ik voor haar, die nooit in een kerk kwam, naar de kapel van de H.Rita in de Augustijnenkerk, om een kaars aan te steken. Rita was de patroonheilige van “de hopeloze gevallen”. De Bijloke was toen nog geen kunstencentrum maar een middeleeuws ziekenhuis, met grote zalen waar de zieken bed aan bed lagen. Daar vroeg ze mij een grote fles eau-de-cologne te gaan kopen. En weer terug thuis nam ze mij mee naar het volkscafé op de hoek en stelde mij voor als “haar lief”. Op televisie was de Elizabethwedstrijd voor piano bezig, midden in dat café. 

Honderden verhalen haakten zich vast in het mijne, begonnen er hun thuis te maken, meubels te verzetten, vensters open te gooien of juist dicht te maken, zwegen lange tijd of bleven juist dagenlang kwekken. Ze namen mij mijn verhaal af en gaven het met iets van hun verhaal terug, en ik liet mij inpakken door zoveel charme en talent. Soms was het ook arrogantie. En soms liep iemand zomaar weg om niet meer weer te keren. 

Uit hoeveel verhalen bestond ik? Ik leerde om te gaan met mezelf als pleisterplaats voor wat langskwam. Ik leerde bewaren en koesteren. Ik leerde weggeven. En soms, als ik mijn ogen sloot in bed, of uitkeek uit mijn raam, had ik de indruk dat mijn beweging ook wel mooi was, dat onophoudelijk bewegen van al wat in mij gestroomd was, in mij bleef wonen, mij gezelschap hield, zelfs van mij hield. 

Nog altijd is het een wonder door de stad te lopen, of het nu Gent is  of een andere stad, en dat leven te zien. Zo’n groot lichaam, en het mag dan oud zijn, je houdt het niet bij in snelheid, en het is nog zo intens nieuwsgierig. En vaak is het erg zorgzaam, als je de aandacht ziet waarmee iemand op een bank in een park mag zitten, of de grote roemer bier die mag wachten op de cafétafel. 

Nog altijd is het een cadeau te zien dat een stad het mooiste voor mij wil bewaren: het schilderij in het museum, het licht in de kathedraal, de schaduw op de toren, wat mijn hoofd wil weten in boekhandels en bibliotheken. Een spiegel houdt de stad mij voor: ook ik wil het mooiste bewaren voor wie er behoefte aan heeft, en voor mezelf natuurlijk. En er is veel dat de naam schoonheid verdient. 

Ik wil eindigen met wat in een stad de meest vluchtige schoonheid is: de mensen. Ze duiken op in je blik, ze komen langs je voorbij, en zijn weer verdwenen. Voor altijd. Wie niet op hen let, ziet vlammen in een vuur, zo kortstondig zijn mensen soms maar zichtbaar. Deze morgen liep ik door de stad en ik zag: een man op een wonderlijke met gele veertjes beplakte fiets; twee jonge vrouwen met hoofddoek en elk vier volle plastic zakken; een man met zware buik, waar zijn navel als een diepe grot door zijn gespannen T-shirt schemerde; twee dunne oudere vrouwen die zich behaaglijk lieten zakken op een terrasje, net in dat schuine streepje zonlicht; een volledig in zwart geklede vrouw, maar met rode hoofdtelefoon en rode vingernagels; een vrouw die bedachtzaam naar haar urinerende hond staat te kijken; oude man op een fiets, met gestulpte mond van de inspanning en met witte paardenstaart; wiegende Afrikaanse mama; het stel dat elkaar zoent op een bank; een lege paarse bank in een groen grasveld; jonge vrouw die op blote voeten boodschappentassen uit een auto haalt; blotebenenman met helm op te grote bakfiets; toeristen met rugzak en trage stap; ouder koppel, even traag, maar na elkaar, zijn haar door de wind voor zijn ogen gezakt, het hare stevig geföhnd; twee meisjes stevig doorstappend naast elkaar, allebei starend naar hun eigen gesm; een kleine ronde Indonesische vrouw met in de buggy een kind met spitsmuisgezichtje. 

En in het ouderlingentehuis waar ik op bezoek ben, een oude vrouw schuin in bed, die vertelt dat haar trombose ook een bevrijding was, dat ze nu wel gedwongen was alles achter te laten en er innerlijke vrede in de plaats kwam.

En terwijl ik wacht op de lift bij het weggaan: drie starende oude mensen, twee vrouwen en tussen hen een man. Ze kijken mij aan maar beantwoorden mijn groet niet. Kijken ze mij wel aan? Waarop wachten ze? Wachten ze wel? Hun vlammen blijven wat langer in mijn hoofd branden als ik terug op straat ben en verder ga. Hoe ga je verder als je stil zit. De stad zegt niets, de bejaardenhelpsters doen hun verzorgende werk, ik vraag niets. Sommige verhalen zijn moeilijk, dat weten we. Maar misschien is wachten ook een vorm van vertellen. In elk geval een vorm van bewaren. Dat hebben ze al: dat ze er nog zijn...

23-11-11

Mijn wonderen: rituelen...

IMG_4281.JPG

 

Mijn wonderen: rituelen...

 

 Hou ik van rituelen? Ja, ik hou van rituelen. Ieder mens, denk ik, houdt van rituelen. Sterker: ieder mens leeft van rituelen. Ze zijn communicatie op een dieper niveau, bevestiging van een diepere grond waarzonder niemand kan leven. Ik verklaar mij nader. 

De communicatie die, neem nu, een stad in leven houdt, is van een verbijsterende complexiteit. Mensen stappen voorbij, auto’s kennen hun weg, de lichten worden op tijd rood, de winkelramen liggen vol waar, de kinderen kennen hun klaslokaal, de kranten staan vol nieuws, de huizen blijken verwarmd en gebouwd voor nog een dag. Er is een duizendvoudige beweging bezig, die voorzien was, die goed doordacht was, die bewaard kan worden, die mee een nog veel grotere beweging draagt. 

Ik kan daar op staan kijken, mijn rug tegen de muur van ergens een gebouw, mijn hoofd en ogen een beetje apart. Er is in mensen een intelligentie gaande die hen, elk afzonderlijk, mateloos overstijgt. 

Het is het soort intelligentie dat je ook wel in andere levensvormen ziet. Het geheel groter dan het deel, het komt meer voor, is niet uniek voor de mens. Voeg twee bijenkorven bijeen en ze vinden binnen de kortste keren een nieuwe organisatie, vertelde me een imker. Alleen al het feit dat we ons ontdubbeld hebben via woorden, die in onze plaats gaan vertellen, getuigen, afspraken maken. Die voor ons alles willen bewaren. En dan de cijfers als wat fijner afgestelde woorden, zodat de bruggen niet instorten en het computerscherm geen afstanden meer kent. 

Maar de intelligentie gaat veel en veel dieper nog. En toch kan ik er een heel eenvoudig voorbeeld van geven. Ik zal mijn straat niet uitrijden zonder mijn buurman te groeten, die in zijn grasperkje wat aan het schoffelen is. Het lijkt vreemd, dat kleine gebaar, tegen de achtergrond van een wereld die zichzelf vorm geeft in snelwegen, luchtruimen, internetten. Maar zonder die groet is alles voor hem anders. Zonder die groet voelt hij een slag in zijn gezicht. Weet hij even niet wat er gebeurt. Zonder groet lijkt het even of hij er niet meer mag zijn. Het hoeft niet vaak te gebeuren, dat mensen je niet zien staan als je voorbij komt, of erger: dat men wegkijkt, het hoeft niet vaak te gebeuren om je te doen twijfelen aan het kostbaarste dat je hebt: jezelf... 

Rituelen weten ons op een veel dieper niveau in leven te houden dan eten en slapen. Rituelen weten van onze naaktheid, onze verlorenheid te midden van een geheel dat zoveel groter is, dat niet aan ons lijkt te denken. Niet kan denken, misschien, omwille van de complexiteit. Maar van niet kunnen naar niet willen is maar een kleine stap. Althans, zo voelt het aan, voor wie plots achterblijft. 

Achter de snelheid van snelwegen, luchtruimen en internetten zit de traagheid van elk bewustzijn apart. In die verborgen wereld heeft het ritueel al zo lang wijsheid opgebouwd en uitgedeeld: de groet van mijn naam, als het geheel mij herkent; een babbel aan de rand, een moment dat alles stopt voor mij, zo voelt het aan; en het afscheid van die babbel, met een wens of een gebaar, het lijkt wel of ik het ben die alles weer in gang zet. Die hele machinerie en ik, wij zijn elkaar niet vreemd, wij lijken elkaar beter te kennen dan gedacht. En dat allemaal in zo’n onopvallend gesprekje tussendoor... 

Ik mag graag uren in een vreemde stad lopen, straat in, straat uit, mij laven aan monumenten en musea en geluid en beweging. Maar als al die uren niemand echt in mijn ogen heeft gekeken, liefst met een soort glimlach, als ik al die uren met niemand heb gesproken, al was het maar een minigesprekje over niemendal, dan groeit in mij een soortement vervreemding, alsof ik alleen ben, achtergebleven, misschien wel vergeten. Ik weet van en herken de kinderlijkheid van dat gevoel. En toch. In mijn portefeuille zit genoeg geld om mij in leven te houden, maar het wezen dat ik ben, dat zich ik voelt, kan het niet laten te hunkeren. Er is blijkbaar ook een ander soort honger. 

Soms wordt voor het ritueel een bewuste keuze gemaakt. Soms willen mensen zich dompelen in een ritueel, in een geconcentreerde vorm veel diepte opnemen en  meenemen naar huis. In de stille schemer van de concertzaal straalt het podium met de ambachtslui die toch kunnen toveren. In elk geval chaos van klanken zo kunnen ordenen dat we weer geloven in een harmonie, in een samenspel, in de kleinste klank die naast de grootste ligt, zoals de leeuw naast het lam. En dat schoonheid nooit ver weg is. Als mensen zich verdiepen in de werkelijkheid halen ze die er zo uit. Bestaan dat kan troosten, bestaan dat in zichzelf overvloed verbergt en alleen al daardoor goed is. 

En zo kom ik, naast de kunst, bij dat andere hele bewuste ritueel, het religieuze. Waarin woorden geladen worden met een spanning die hen uitrekt tot voorbij de tastbare werkelijkheid. Waarin woorden gezongen worden, omdat muziek nog veel verder kan gooien. Waarin symbolen, in al hun zwijgzaamheid en leegte, grenzeloos blijken, kunnen samenvatten waar een mens nooit woorden en ideeën genoeg voor zal vinden. Licht van een kaars: ze heeft geen hogere studies gedaan, die kaars, maar ze heeft meer begrip, voor iedereen zonder uitzondering, dan de schitterendste theologie. En het verhaal dat uitge(b)(d)eeld wordt, is elk mensenverhaal. Zo werken verhalen nu eenmaal, ze voegen zich naadloos in het onze (of is het net omgekeerd), en dat ene leven van ons blijkt zoveel ouder, wijzer, veerkrachtiger, sterker. Net waarvoor deze stille ruimte dient. Tot herstel van het mensenbestaan dat anders, tussen de beurskoersen en de rat race, zo makkelijk oplost tot schaduw van niets. 

Macht, religieus of politiek of anders nog, heeft haar eigen rituelen, om zichzelf nog groter te maken dan ze al is. Daar is soms weinig aan te doen, want ook macht wil voor mensen een soort religie worden waar ze hun klein verhaal in voegen. Staatsie, om de pompeusheid van de macht maar even zo te noemen, houdt echter van het verschil. Er is maar één kroon, en die man daar draagt haar. Er zijn maar enkele hermelijnen mantels, en die mannen daar dragen ze. Er mag er maar één volledig in het wit lopen, van boven tot onder (al houdt hij van de rode schoentjes die hij aantrok toen hij, als een mannelijke Assepoester, tot het hoogste geroepen werd...). 

Het verschil: daarom laten de superrijken hun megakamers zien op televisie, of hun jachten in mondaine badplaatsen. Het ergste wat hen kan overkomen is, dat er geen verschil meer is. Dat mensen zich onverschillig omdraaien en voortdoen met wat ze bezig waren te doen. Het normale leven dus, dat gelijkelijk over iedereen is verdeeld. Eten, drinken, slapen, lachen en wenen. Al doen de rijken er alles aan om de anderen te laten geloven dat het werkelijke leven bij hen ligt, ze dwalen. En dat ze dat weten, is hun eigenste tragiek. 

Is een kaars ontsteken dan het ritueel van de onmacht? Nee, wat opvalt in al die rituelen die ik heb genoemd, is dat ze gedeeld worden. Van kaars tot muziekopvoering, van religieuze viering tot festival, er wordt gedeeld. En dat is in de marmerpaleizen niet het geval. Tenzij er tussen Berlusconi en zijn jonge, betaalde hoertjes sprake is van ware liefde. De gulheid van een gedekte tafel, het cadeautje voor de verjaardag, de nieuwjaarsbrief, de attentie voor de juf en de bedanking na geleverde prestatie, beleefdheid in al zijn honderden vormen, tot aan de galantheid toe, ze delen het goede leven op een manier die getuigt van hoge beschaving. Niet van onmacht... Het zijn de slavenhouders van de macht die onmachtig zijn, en ’s nachts gered worden door een slaap die hen voor de zoveelste keer vergeeft. 

Rituelen zijn slim, op een manier zoals ook woorden slim zijn: ze bewaren een groot stuk werkelijkheid voor ons. Woorden in de breedte, rituelen in de diepte. In plaats van “met de tijd mee te gaan” en “al die oude rommel” achter te laten, zouden we beter voorzichtig ons afvragen wat rituelen in hun diepte verbergen, en of we niet veel te veel verliezen door hen te verliezen. 

Het mooist vind ik rituelen als ze getuigen van mededogen. Dat zo’n jonge gast opstaat van zijn buszitje en een beetje verlegen (want iedereen kijkt) een oude vrouw zijn plek aanbiedt, getuigt van een groot respect voor het leven zelf. En is een daad die niet ophoudt nadat ze gesteld is: haar golven zetten zich verder in iedereen die het zag, die het meemaakte. Dat mensen zich opkleden voor een feestje, getuigt van een grote kennis van wat feesten is: een spel dat zich afbakent, waarvoor men een rol speelt,  en dan is je verkleden toch al een goed begin; net als elk spel niet het echte leven, maar er toch heel erg op gelijkend, en met volle intensiteit gespeeld; en net als elk spel straks ook weer afgelopen. Is dit mededogen? Ja, omdat net dat onderscheid tussen spelen en gewoon leven in zijn evenwicht mededogen is met het harde menselijke bestaan, dat het moet doen met dromen en werkelijkheid tegelijk, met eenzaamheid en verbondenheid gelijk. Net omdat je toch even kunt ontsnappen, is het leven in zijn diepte mild... 

Aan de dood ontsnappen we niet. Maar elke mens weet dat er afscheid wordt genomen. Zo hoort het toch en zo gebeurt het toch ook voor het overgrote deel van de mensen. Wie totaal geen familie of nabestaanden heeft, wordt door de stad of gemeente een begrafenis betaald.  Slechts in oorlogen of rampen worden massagraven gegraven. Maar dan is het respect enkel uitgesteld, komt nadien een herbegraving, of een naamlijst of een monument. Afscheid nemen in de dood is misschien het meest meevoelende ritueel van mensen. Van de christelijke ziekenzalving (die nabestaanden “mee-zalft”) tot de herinneringen in de aula van het crematorium, van “In paradisum deducant te angeli” tot de kerkhoven die nooit zonder bezoek zijn, overal ter wereld wordt aan doden de eer gegeven die ze misschien zelfs tijdens hun leven zozeer ontbeerden. 

En het meest nabije ritueel van al: in een naam zijn wij geboren, in een naam sterven we, in een naam worden we herinnerd...


IMG_4132.JPG


(foto's: Brussel, St Gillis & Joods kerkhof Warschau)

07-11-11

Mijn wonderen: tuin...

IMG_3371.JPG


Mijn wonderen: tuin...

 

De klassieken zochten naar evenwicht die rust en genot kon worden. De stoïci wilden die soepele olie vinden om mee te glijden met wat het leven in hen deed, de epicuristen wilden die olie ook proeven. Niet dat het zo vanzelfsprekend gaat als ik het hier schrijf. Anders hadden hun grote filosofen er zich niet zo mee bezig gehouden. Een mens is te onrustig om definitieve antwoorden te vinden. Ook dat ideaal van evenwicht is maar een manier om de volgende stap te zetten. Het houdt met mensen nooit op.

Ook een tuin blijft in beweging: het is op de dag dat ik dit schrijf, volop herfst, en de regen lekt over alles, en ook de wind is regen, en het licht al evenzeer. Maar een tuin lijkt, hoe anders dat de zoekers die mensen zijn, wel te weten wat evenwicht is: ik zie rond mij een orde werkzaam die diepe rust, en wie weet wel genot is geworden.

Dat opruimen, hoe het in zijn werk gaat. Niet overhaast, maar met een soort trage kalmte die geen tijd lijkt te kennen. De acerbladeren zijn donker verdord als ze op de grond vallen, maar in de cornus is nog een grote schilder aan het werk: op al die kleine canvasjes glanzen zijn kleuren in onvermoede combinaties. Voor alles is een tijd, zegt het oude bijbelboek, en de groene cornus weet dat: zijn schilderijen zullen de lucht kleuren, en nadien trekt al het rood in de stammetjes, om in de winter schijn bij donkerte te voegen.

Het hoeft niet, het mag, dat is de levensfilosofie van de tuin. En wat niet kan, staat naast wat wel kan, en laat zich iets van de schijn aanleunen. Dit is geduld dat van elk moment weet te genieten. Ook als iets verdwijnt, zijn genot en schoonheid mogelijk. Veranderen is verliezen en winnen tegelijk, weet de tuin. De bladeren worden oud, maar hun najaarsgeel is dit jaar nog niet vertoond. Is zo heel anders dan al het spetterende geel van het voorjaar.

En er is een grond om naartoe te vallen, weten de bladeren, daar waar ze begonnen. Even onzichtbaar als ze naar die botten klommen, om later uit te komen, zullen ze krimpen, uiteenvallen en oplossen in die grote grond. Dit is geen lijdzaamheid, maar zekerheid van een orde die hen niet in de steek laat. Die voor elk blad afzonderlijk de hoogste, ingewikkeldste processen reserveert.

Je ontmoet het ook bij mensen: dat ze transparant worden in hun huid, in hun blik. Dat die wonderlijke voorlopigheid die een mens is, duidelijker wordt, maar net daardoor des te meer uitgesneden uit de leegte, des te meer aanwezig. Met een aanvaarding die perfect samen lijkt te vallen met dat grote, maar tijdelijke krijgen. We hebben er geen woorden voor, maar we kunnen er ons wel tegen of in leggen.

Maar in de oude tuin wordt al gewerkt aan de nieuwe. Het materiaal voor al die jonge knoppen wordt nu al naar boven gesjouwd. In al die wortels en takken en twijgjes maalt de grote beweging die leven is, en nooit aflaat. Ook dit is tuin: een overtuiging dat alles kan herbeginnen, dat moed normaal is en geen uitzondering. Dat nieuwe verbeelding mogelijk is. Nieuw vergezicht in weer een nieuw blad of nieuwe bloem.

Meer zelfs dan de vorige groei en bloei: leven is beweging die nooit ophoudt hoger te reiken. Zegt de tuin.

Dat is veel voor ons, kleine maar ook aarzelende mensen: hoe zal ik groter worden als ik mezelf verlies. Hier en daar voel ik me al verdorren, en naar de grond trekken. Zelfs mijn stam kraakt soms, zakt weg. Hoe zal ik dan groter terugkeren? Als ik het leven verlies, hoe zal ik het dan bewaren?

Ach, het is mensen niet genoeg dat ze soepele olie vinden om mee te kunnen leven met hun gekregen bestaan, en te glimlachen om die lenige gewrichten. Ze willen ook nog begrijpen. Een tuin weet dat het grote zich verbergt in het kleine, dat vandaag ook volgend jaar is. Dat tot rust gekomen geduld van een tuin... Ik ken een vriendin die, als ze dat geduld kwijt is en absoluut weer nodig heeft, met haar twee handen in de grond gaat wroeten, om het terug te vinden.

Werken in de tuin om het leven zelf te begrijpen en te aanvaarden, ook voor mijn vrouw is het een vorm van ademhalen en lidmaat zijn van een groter lichaam, en daarin beweging mogen maken.

En ik? Ik kijk toe... 

29-10-11

Mijn wonderen: vriendschap...

IMG_4221.JPG

 

Mijn wonderen: vriendschap...

 

 Montaigne probeert in een van zijn essays (“Over vriendschap”) een verklaring te geven voor zijn bloedbroedervriendschap met Etienne de la Boétie. Hij maakt het onderscheid tussen minnen en vriendschap, tussen gewone alledaagse vriendschappen en vriendschappen die als uitzonderlijk aanvoelen. En in een ultieme poging om die hele diepe genegenheid en verbondenheid te begrijpen (toch de bedoeling van zijn essays) schrijft hij de beroemd geworden woorden: “Als ik zou moeten zeggen waarom ik hem liefhad, dan heb ik daar geen antwoord op. Parce que c’était lui. Parce que c’était moi.”

Is vriendschap dan van zo’n eenvoud dat er niets meer over te zeggen valt? Er valt veel meer over te zeggen, bij elke vriendschap opnieuw. Maar wat bij elke vriendschap zich voltrekt, is de ervaring dat de wereld zich geeft, op een manier die misschien nooit zuiverder is geweest. Vriendschap is, naast het eigen leven, de meest directe gave van het bestaan. Oordeelvrij, veroordeelvrij, zet ander bestaan een stap naderbij en biedt zichzelf aan als gave. Er zullen daar wel karakter- en interessegelijkenissen in meespelen, maar dat is denken achteraf, op het moment zelf “klikt” het eenvoudigweg. Ik heb het meer gehoord: je ontmoet iemand, en het lijkt alsof je elkaar al 20 jaar kent, zo vanzelfsprekend gaat het gesprek, zo juist is het verstaan, zo eenvoudig is het krijgen. Alsof een vriendschap al bezig is voor ze begint. 

Ook bij kinderen, en ook in de liefde, geeft leven zich totaal. Maar hier speelt het lichaam een hoofdrol. Een lichaam kan toveren en betoveren, dat weten we. Twee lichamen maken een nieuw jong lichaampje. Een lichaam ziet een ander en wordt overvallen door een hunkering om ook daarin te gaan wonen, op zo’n overweldigende manier dat de rest van de wereld niet meer bestaat. De eerste tover is de sterkste: dat tastbare, zichtbare kind wordt niet meer ongedaan gemaakt als bestaan; zo diep is dat weggeven dat ouders en kinderen hun leven ouders en kinderen blijven, al zijn ze zoveel anders erbij geworden. 

Liefde is wankeler, is een toneel met decor en muziek, speelt met dromen als nieuw speelgoed, is gevoelig voor de hand van de tijd, geneest soms moeizaam van eigen blindheid. Daarom, denk ik, moet vriendschap meedoen. De enige duurzaamheid voor liefde is als ze, naast het spel van twee lichamen, ook een soort vriendschap wordt zoals Montaigne die beschrijft: dat hij of zij het is, dat ik het ben... Die verwondering om een gegeven wonder, die intensiteit van een nabije gegevenheid. Zoals je in de wereld je eigen ruimte inneemt (het liefst wat leeg en opgeruimd, dat het niet knelt), zo biedt een vriend je een andere ruimte aan, een holte waarin je kan stromen zonder jezelf te verliezen. In ons mensen zit dat verlangen om groter te worden dan onszelf, om andere levens te leiden, al is het tijdelijk zoals inleving in toneel of film of muziek. Maar vriendschap heeft dat merkwaardige evenwicht bereikt, dat de ene mens zich verdubbeld voelt in een ander, zonder de spanning of de catharsis van andere versmeltingen. Vriendschap heeft het unieke talent om wel te versmelten en ook weer niet echt te versmelten. Twee lichamen bij elkaar, in wat toch een groter lichaam kan worden genoemd. 

Maar net hier wordt vriendschap ongrijpbaar, onverwoordbaar: hoe komt het dat vriendschap, na jaren scheiding, bij de volgende ontmoeting weer verder kan doen alsof er geen scheiding is geweest? Liefde zou dat nauwelijks overleven, vriendschap wel. Net in vriendschap ligt het ideaal van gedeeld leven: je leeft zo dicht bij een ander, en je blijft zo mooi jezelf. “Omdat hij het was, omdat ik het was”.  Misschien dat daarom Montaigne in de loop van zijn essay schrijft dat vriendschap met vrouwen niet echt kan. Er zit teveel ruis tussen: verlangen naar kinderen, en dat dromende, zelf ook verlangende lichaam. (Niet kunnen is teveel gezegd, vind ik, maar het is wel complicerend materiaal). 

Maar net daarom moet vriendschap de liefde redden: maatje worden van je geliefde. Haar lichaam is een wonder, maar ook de vanzelfsprekendheid dat ze er is en je kunt overlopen in haar kijken en luisteren zonder dat het hapert of pijn doet. Leven kan zichzelf zo breed en zo goed geven, dat leert ons vriendschap. Er zit begrijpen in, en warmte misschien, maar ook de lach waarmee je op café je rug en een glas deelt, en genieten, en een vloeibaarheid waar geen tijd tegenop kan. Het kan een goed gesprek zijn, dat verrast omkijkt naar de weg die is afgelegd, of de glimlach die weet dat ze glimlacht “omdat hij het is” die daar foetert en tekeergaat. Het kan zelfs het weten zijn dat je vriend bestaat, ergens rondloopt, en vanuit die warme herinnering even opkijken naar dat ergens.

Leven kan zichzelf zo breed en zo goed geven, maar toch nergens zo goed en zo breed als in vriendschap: het wonder dat het ene bestaan het zo goed kan stellen met een ander bestaan, alsof ze voor elkaar waren gemaakt...

26-10-11

Mijn wonderen: reizen...

IMG_4143.JPG

 

Mijn wonderen: reizen...

 
 Reizen is een vreemd wonder. Je lijkt plots een ander leven te mogen hebben. Niet dat je nu plots vleugels, of klauwtjes kreeg, of bladeren aan je takken. Maar veel minder is het ook niet. Met wat verbeelding en een glimlach ben jij de Maharadja in het oude koloniale hotel, of de jonker met het eeuwenoude bloed en zijden hemd in de rechte Parijse straten, die niets liever hebben dan dat zo’n uitgezuiverde menssoort zich aan hun grandeur toevoegt. 

Er hoeft niet altijd een glimlach bij. Soms is er een krop in je keel, en ben jij de jonge meid die toch de Berlijnse grens oversteekt, of de even jonge Vopo die haar moet neerschieten (misschien doet hij het wel zonder nadenken, in een reflex, en komt het denken dan achteraf, ik weet niet wat erger is). En in de leegte van de Schotse hooglanden ben jij de Gaelic pratende kleine boer, weggejaagd door de handlangers van de lokale landlord, die liever schapen heeft voor de wol en voor het grootschalige geld. En dan ben je ook nog de leegte zelf, en weet je dat de ruis van wind en regen niets hoeven te vergeten, alles kunnen vertellen aan wie opnieuw wil luisteren. En dan die miljoenen stenen, baksteen of gehakte kalksteen of opgewreven marmer, in de miljoenen huizen en gebouwen. Wie heeft elke steen daar gebracht, neergezet en goed gelegd? Als je goed kijkt, jij reiziger die zelf tijd wil maken, ben je misschien een van hen. Net ingeweken met je ouders, of van het platteland verhuisd naar hier, of hier geboren, kind tussen de vele andere kinderen in de twee kamertjes zonder lucht die jullie gezin huren mag. 

Soms kom je ze ook echt tegen, de mensen. Lichamen genoeg, zeker in de grote steden schieten ze je als schaduwen voorbij. Maar soms gebeurt er iets dat blijft: een vraag, een opmerking, een gesprek. Dan is de oude man die de sleutel haalt om het Sardijnse dambordkerkje open te maken, oude maar liefdevolle kennis van dit verwaarloosd juweel. Dan vertelt een vrouw waarom ze niet wegtrekt uit het isolement van Westelijk Lewis, zelf al zo verloren gelegd in de Atlantische oceaan. Het heeft vaak met liefde te maken, en het verhaal blijft steken in je geheugen, en leert je wat mensen echt kiezen... 

Ach, maar niet alleen mensen hebben levens. Je kan een heel nieuw leven leren kennen, als je op de bergflank de dag ziet ondergaan, en nooit vermoed had dat het licht zo schaamteloos dichtbij rokken en andere kledingstukken zou afgooien. Maar dat er ook bergen zijn die niet van mensen houden, en dat met kou en verlatenheid duidelijk maken,tot je weer weet hoe dun mensenhuid is, en hoe vreselijk het verlangen kan wegen naar wat bescherming. Zo leven mijn huid en mijn lichaam, weet je dan weer, en dat is ook een reis die je af en toe moet maken. 

En reizend kan je vliegen. Niet zozeer in een vliegtuig (waar je vooral zit), maar uitkijkend van de hoogste toren of de hoogste verdieping. En reizend kan je duiken, zozeer verzink je in gras en aarde als je gaat liggen op je rug op de grond. Aarde die als water zich opent onder en boven je, en jij een ding dat alleen nog bezig is met zich los te laten, in al wat groter is. 

En reizend kun je elke keer weer een andere thuis hebben. Het terrasje waar de platanen roerloos toekijken en de koffie glanst, is nu voor even (maar langer in je hoofd, want reizen is ook meenemen) je thuis. Zo heer en meester zijn, op een namiddag in de late zon. En de museumzaal ontvangt je met alle egards die een mensenkind verdient, tenslotte ben jij directe familie van de kunstenaars die hier al die werken achterlieten. 

Maar het belangrijkste aan reizen is dat het je herinnert aan een oud geloof: dat je het bestaan krijgt, dat leven gemaakt is om ons te verrassen, te verwonderen, in te pakken, blij te maken. Daarom zijn er die geweldige kleuren van het bergplateau, en die geweldige jodelklanken van de onbekende vogel, en dat waterlichaam dat daar tussen de velden als een foetus ligt te slapen, en die dorpjes die hun eigen glooiing hebben tussen het glooiende landschap, en de zanger in de metro die je je trein doet vergeten, en de slankheid van enkels en hun stap, en de plotse blik die winkelramen je geven, en... 

Leven is overvloed, en je moet zelf bewegen om dat weer te beseffen. Reizen is midden in de overvloed gaan staan, en dankbaar worden voor die overvloed.

 

En nog eens beseffen hoe clever dat is dat je lichaam mee op reis gaat. Dat je tenminste op die bescherming kunt blijven rekenen. Huid en hart en zintuigen, zij regelen wel alles, jij mag gerust kijken en proeven en je moe lopen. Je hoeft niet elke avond of morgen weer alles te leren, ze spreken je taal en hebben weet van je voorkeuren, van je afkeer. En zelfs al ben je onaangenaam tegen hen, dan nog lopen ze niet weg. Zo, midden in jezelf, mag je overal naartoe, ze gunnen het je. Bestaan wordt ons gegund. Misschien moeten we hen ook van tijd tot tijd wat aandacht gunnen. Zo, midden op een druk heldenplein, met triomfboog en vergezicht, even beseffen hoe trouw je adem is, en knikken, ter bevestiging. Of op een andere berghelling, even je vinger aan je voorhoofd of je ogen, om te danken dat daar zoveel opgeslagen en bewaard mag worden, terwijl je daarvoor toch eigenlijk helemaal geen examen afgelegd hebt of een andere kwalificatie kunt voorleggen.


IMG_4135.JPG

(Foto's: Brussel & Warschau)

19-10-11

Mijn wonderen: kerkje...

IMG_0117-2.JPG

 

 Mijn wonderen: kerkje...

 

Kerkjes zijn geen kerken. Kerken zijn ambitieus, en dat zal de bezoeker merken. Groot, hoog, breed, duur, de beste heiligen en het rijkste orgel, het schitterendste licht. Sint Pieters in Rome is dan weer zo ambitieus dat ze nederig lijkt: ze verstopt haar immensiteit achter een perfecte verhouding van volumes, waardoor alles weer kleiner wordt. Tot je er voor staat en een dreun om je kop krijgt van de grootte. Dat is alleen voorbehouden aan Gods plaatsvervanger op aarde: ambitieus nederig zijn.

Kerken zijn voor mij buitenkant. Die kan wel mooi zijn, of knap gemaakt, maar het is toch teveel kijkdoos voor wie het met minder buitenkant moet doen. Gewaden, kaarsen, wierook, koren, kerkgelui. Geef mij maar concerten, die zijn tenminste eerlijk in hun bedoeling. Hoef ik niet de uitverkoren prins te zien die droomhuwelijkt, hoef ik niet de prins-bisschop te zien die door zijn brokaat over de plavuizen wordt gedragen, de allelujahs van de macht.

Nee, kerkjes zijn geen kerken. Ze zijn om te beginnen veel te klein om te verpletteren, lijken wel huizen voor iets als een verdwaald hoofd, of een hart dat al een tijd dichtgeknepen door de dagen moet, of een of ander roemloos lichaam dat zich toch komt laven aan wat rust en namiddaglicht. Je moet aan mensen niet onmiddellijk de grote beweging geven, weten kerkjes. Het mag ook klein zijn: opkijken, stil worden in de ademhaling, even gaan zitten en voelen hoe koel en glad hout kan zijn, en dat het geen onderscheid maakt tussen mensen.

Misschien zijn kerkjes beter in het luisteren naar mensen dan hun grote broeders. Misschien is het zwijgen van zo’n kerkje wel het diepste luisteren. Luisteren gebeurt tussen twee die bij elkaar zijn. Of het een mens of een landschap is, een gebouw of wat muziek, als de een maar naar de ander luistert, welt iets op dat zin meebrengt, dat van binnen schoonwrijft, dat lijkt op vergeven. Zo’n kerkje heeft er al duizenden gezien en gehoord, en zijn begrijpen is er alleen maar dieper door geworden.

In sommige van die kerkjes liggen intentieboeken. Dan lees je iets van de kreet die door mensen gaat en hier door de stilte gehoord wordt. Het gaat niet om oplossingen, dat weet degene die roept ook. Zij hoopt het wel, maar hopen is iets anders dan zeker weten. Het gaat erom niet alleen te staan, het gaat om de nabijheid in het verdriet, in de onmacht, in de vreugde. Dat dit bestaan gedeeld wordt.

En dat doen kerkjes. Zoals allicht ook cafés dat doen, en concertzalen. Plaatsen om het grote leven te laten stromen, tot het alles doordrenkt.

Zijn kerkjes dan geen plekken van geloof, van een dienst van eer aan een godheid? Dat zijn ze, maar ook die godheid is in de eerste plaats stil luisteren, is belofte die ook de kleinste mens kan horen, tot ze hem hier brengt, voorzichtig of in grote verwarring.

Laat ze maar staan, die kleine kerkjes. Ze brengen mensen samen, ze omarmen de grote gebeurtenissen des levens, ze bieden esthetiek voor kleine, niet verwende zielen (mijn vader koesterde zich elke zondag in het gregoriaans, tot men daar mee ophield). Je hoeft niets te bewijzen, je mag gewoon gaan zitten, dit is gemeenschappelijk bezit, dit is groot welwillend wachten.

Het mooist is als die kerkjes ook mooi zijn. Romaanse parels, die een stille glans afgeven. De kapel van de trappistenabdij van West-Vleteren, waar de bakstenen vloer en muren in de vooravond woestijn worden, diepe zandkleur voor al die halve en hele eremieten. Zo’n pretentieloos parochiekerkje, dat wat afbladdert in de verf, maar met de jaren zachter is geworden in licht en rust, met misschien ook zo’n afbladderende maar uiterst zachte mens als herder, mee verdiept met zijn kerkje. Het kan. Het zou moeten kunnen.

 

IMG_0118-1.JPG

 

 IMG_0119-1.JPG

 Kerkje in Basse Normandie, Omonville la petite (wat een heerlijke naam...), waar Jacques Prevert het laatste stukje van zijn leven woonde en waar hij begraven ligt.

IMG_0111.JPG

12-10-11

Mijn wonderen: wind...

IMG_2680-1.JPG

 

Mijn wonderen: wind...

 

Als ik in de tuin zit -het is een namiddag die naamloos als alle andere voorbij glijdt-, hoor ik de wind in de esdoornbladeren. Ze zijn groot en grootsprakerig, ruisen luider dan de dwergneefjes van de berk.

Ruisen is hier een verzamelwoord. Er is het stille suizen, dat nauwelijks opvalt, zozeer is het maar een licht wrijven, hier en daar, door een haarlok bladeren, van een beweging die achteloos zichzelf vergeet. Maar dan, ineens, zwelt het suizen en wordt het een opvallend ruisen. Nu wiegt de hele boom, alle takken doen mee, en alle bladeren. En soms lijkt het wel een confrontatie, alsof een onzichtbaar maar zwaar lichaam pardoes op deze bomen valt, en wordt het ruisen een hevig gedruis, waarvan je niet weet of het nog wel zo welkom is. Die kruin die in zijn geheel zwiept, misschien houdt een boom wel van wat gevechtssport, misschien ook niet, stoort dat onverwachte geweld de oude mateloos.

En dan is het helemaal stil. Zo, zonder reden, stil. De bomen en de planten houden hun adem in, zie ik. Hoogstens trillen ze nog wat na. Het is een wonderlijk gezicht, dit even ophouden van een beweging die anders overal en altijd zichtbaar is, veroordeeld als alles is tot elkaar, lucht en takken en bladeren en bloemen en wolken en vlekken licht en stille schaduwen.

Je vraagt je af wie die beweging bepaalt. Afstelt. Er kleine en grote partituren voor schrijft. Het is de zichtbare onzichtbaarheid, die me deze vraag doet stellen. Er is een grootheid die slechts zichtbaar wordt via omwegen, in porties, in wat ze met iets anders doet. In de lente wentelt een groot wiel voorbij, en wat zie ik er van: duizenden knopjes die plots, met veel gedrang, bladeren en bloemen worden. Dat alles in deze wereld in beweging is, en ik moet mij noodgedwongen beperken tot deze windvlaag nu, en dan nog zie en hoor ik hem niet echt.

Stormwind komt mij nog het dichtste bij in mijn verlangen om de grote beweging te zien. Als kleine knaap trok ik mij ergens onder een luifel terug om niet nat te worden en ongestoord te kunnen kijken naar de razernij die zich voor mijn ogen in de grote lucht voltrok. Nog altijd kijkt, als het begint te stormen, mijn vrouw mij langer aan dan anders en zegt ze: dat heb jij graag hé. Geen vraag, geen aanmoediging, het is het soort vreemde communicatie dat evenveel voor zichzelf uitgesproken wordt als voor de ander.

Maar inderdaad, stormwind die de wolken striemt en regen slaat tot harde vlagen en stammen doet kraken en bladeren van de takken veegt alsof ze niet elk een dapper steeltje hadden, dat soort wind opent in mij hoge en verre poorten. En ik luister anders, en adem anders, heb een hoofd dat ouder lijkt en groter. Alsof ik iets waarneem van de oerstormen die over land en zee hebben geraasd, al van voor de mensen, en ook toen mens en dier er al waren. Alsof de beweging die bestaan loslaat, af en toe zichzelf niet meer kan controleren, razernij wordt die slaat en blijft slaan. Het komt misschien omdat de luchten, toen ik klein was, zo groot waren. Het komt misschien omdat de beweging tussen mijn ouders ook af en toe een slaande furie werd, een spanning te groot en te sterk voor elk van hen, en zeker voor een jongen die er bij staat en kijkt.

Wind is een oefening in luisteren. Naar stormen en naar stilte, en al wat daar, in zovele toonaarden en veelstemmigheid, tussen ligt. Je leert naar de ruimte te luisteren, en naar het dansen van de tijd. Je leert dat het essentiële onzichtbaar blijft, maar toch in de kleinste vezel zijn werk doet. Je leert dat begrijpen vooraf gaat aan begrijpen. En dat begrijpen ook een soort wind is, evenveel af- als aanwezig. Je leert dat er muziek gemaakt wordt in dit leven. Je leert dat je niet groot hoeft te zijn om helemaal open te gaan. Je leert dat je altijd weer dicht kunt, dicht bij jezelf, of bij een dak boven je hoofd. Je leert dat gebeurt wat gebeurt. Je leert dat je beter kunt meedansen dan te breken. Je leert dat je vaak helemaal niets hoort, en toch beweegt. Je leert dat je maar beter goed leert luisteren, met je hele lichaam, om alles, in elk geval veel, te kunnen voelen. Je leert dat ook je adem een wind is. Je leert dat je bloed ook suist, en misschien ook ruist, soms.  Je leert dat verwachting wind is, en ook angst dat is. Je leert de kortstondigheid van alles, hoe groot ook. Maar ook de nabijheid, hoe onopvallend klein je ook bent. Je leert te krijgen, zoals die tak zo volkomen meewiegt met de windvlaag (takken zijn op dat krijgen gebouwd, staan en vliegen tegelijk). Je leert terug te geven, met de bedachtzame blik van een mens die weet er met hem is gebeurd. 

 

07-10-11

Mijn wonderen: elektrische gitaar...

JIMI-HENDRIX4.jpg

 

Mijn wonderen: elektrische gitaar...

 

Waar ik die liefde voor de elektrische gitaar heb opgedaan, weet ik niet meer. Het is ook geen ziekte, natuurlijk, maar een speciale gevoelige plek die onmiddellijk reageert als ze wordt aangeraakt. Veel hoeft dat niet te zijn, een beetje van dat scherpe en toch ronde elektrische geluid is al voldoende om mij een soortement geluksgevoel te geven. Het gaat zo simpel als ik het hier zeg. Full contact.

Er is iets aan dat geluid dat mij mateloos fascineert. Dat je subtiel en toch ruw kunt zijn tegelijk. Beschaafd en buiten zinnen. Beheerst en toch dronken. Hogeschool en het lawaai van kroeg en sigarettenrook. Vingervirtuositeit en het schuren van een lege bierfles.

In deze is er geen enkel instrument dat zo opvallend een tijdsgeest samenvat: hoe na de tweede grote oorlog maatschappelijke klassen hun scheidingen verloren, en cultuur als eeuwig jong kind daar onmiddellijk van profiteerde. Als onderklassekind ging spelen met de rijke leeftijdsgenootjes van de straat. Als keurig opgevoede jongemens ontdekte dat er nog opvoedingen zijn, en dat je er heel andere dingen in kunt zeggen, bijvoorbeeld schreeuwen op hoog niveau, over het lichaam spreken waar het bij staat, of over de macht. De elektrische gitaar symboliseert voor mij het definitief ontwricht raken van de oude cultuur van voor de oorlog. De “eigenaars” van de ene waarheid hadden gehoopt, zelfs na die wereldbrand, voort te kunnen doen alsof er niets gebeurd was, de wereld verder te laten boeren zoals altijd: iedereen of zijn of haar plaats, de waarheid van kerk en staat onbeweeglijk in het midden.

Maar zo is het niet meer gegaan. Zeker in de jaren 60 van de vorige eeuw gierde het felle, nieuwe geluid onbevreesd en uitdagend en vooral biezonder nieuwsgierig door de opengegooide ruimtes, even fel als Jimi Hendrix die God bless America jankt, op het einde van de film Woodstock, terwijl de camera zwenkt over een leeggelopen, met afval bezaaid festivalterrein. Veelzeggender kan het niet.

Niet toevallig is Dylan op een bepaald moment ook elektrisch gaan spelen, tot woede van de die-hard fans die hem folk zagen verloochenen, alsof de oude Mississipi-bluesmannen niet al zo lang hun gitaren elektrisch hadden laten vloeken. Of verlangen. Of beide. Een elektrische gitaar kan dat.

Maar die gitaar kan nog meer. Muziek heeft altijd iets met het lichaam gehad, maar geen instrument dat zo een mensenlichaam kan opzwepen als die versterkte klanken. Dit is geen overgeleverd dansen meer, maar een ter plekke beleefde grenzenloosheid, een windvlaag die door je spieren trekt, tot op het niveau dat alleen adem en bloed kennen, het eerste bestaan. Een elektrische gitaar leert het lichaam, zo, direct, zonder uitleg, dat het lichaam overvloed van energie is, van levenskracht, van intensiteit. Wat kun je meer opspannen dan een lichaam, wat kun je heviger loslaten dan een lichaam, wat kun je vloeibaarder maken dan een lichaam.

Hier raak je aan een vrijheid die je nooit vermoed had. Puur ritme kan een mens dus bijna worden. Die droom heeft dansen altijd al gekoesterd, maar in dit door elektrische geluiden opgejaagde dansen lijken alle grenzen te moeten, en te kunnen, wegvallen. Zo hevig is die vrijheidsdroom geworden, dat ze slechts in trance kan worden beleefd, in totale overgave, die paradoxaal genoeg ervaren wordt als totale vrijheid.

Ik weet dat pure elektronica voor miljoenen de rol van de elektrisch gitaar heeft overgenomen. Zelf vind ik dat soms een verlies, omdat een gitaar toch een stem was, een stem die tot je spreekt, lacht en schreit, een stem met veel adem, die toch ademloos kon worden. Die menselijkheid van verlangen en verdriet hoor ik niet meer in de techno. Ik hoor enkel een machinaal lichaam, een hart dat slaat, bloed dat zijn bochten neemt, zenuwen die samentrekken. Maar zonder reden, zonder de tragiek en vreugde van mensenbestaan, zomaar, omdat beweging er nu eenmaal is en zwaar aangejaagd kan worden.

Maar ook ik ben kind van mijn tijd, en ik gun al die jonge lijven hun pure naaktheid, hun ritueel van collectieve versmelting, hun opgestookte grote warmte. Muziek is van iedereen, en van alle tijden, en ieder moet er maar op tijd en stond zijn wereldbeeld in ontdekken en mee uitdrukken. Ik keer terug naar de vrijgevochten mond die ik zo vaak hoor als een elektrische gitaar spreekt. De B.B. King die ik onlangs zag optreden, was de tachtig ver voorbij, was een oudgeworden gentleman, maar zijn gitaar had nog de katoenvelden van de slavernij gekend, en dat hoorde je. Johny Cashs stem was op zichzelf al een gitaar, zeker als hij in San Quentin het Amerikaanse gevangenissyteem verwenst, maar ook als hij, bevend en breekbaar ziek, zijn hoop op een eeuwige redding zingt, met die gitaar die bij hem was. En ik was 18 en hoorde Pete Townsend van The Who in zijn musical Tommy roepen: see me, hear me, touch me, feel me. En ik was het die riep, alleen op mijn studentenkamertje, met dezelfde lichamelijke intensiteit.

Er zijn er nog die versterkte gitaren in hun stem hebben: als ik in John Sheppards In media vita de sopranen hoor stijgen en reiken, zo fel en zo onmogelijk, dan hoor ik diezelfde kracht die uitersten verenigt, en in je lichaam legt. Ik hoor het in het Requiem van Mozart, in Verklärte Nacht van Schönberg, in de Klaagzangen van Gorecki, in de stem en Arabische luit (de ud) van Dhafer Youssef, in de stem van Dylan Thomas als hij zelf zijn gedichten voordraagt, in het Salve Regina waarmee de monniken hun dag loslaten, in Brel en Leo Ferré, in Glenn Goulds bezeten pianospel, in Nina Simone en Aretha Franklin, in zoveel wat toevallig voorbijkomt op de radio en weer verdwijnt in het niets, alleen een vage herkenning nalatend...

03-10-11

Mijn wonderen: stem...

 

IMG_3293-3.JPG

 

Mijn wonderen: stem...

 

Stemmen zijn hun eigen muziek. En zomaar, zonder dat we school hoeven te lopen. En goedkoop, met die uitgewerkte lucht die toch weer naar buiten moet. Maar soms zo wonderlijk uniek dat je ze nooit meer vergeet, en bij de eerste klank al weet wie het is die spreekt. Ik kwam op een voordracht van een boeddhistische leraar, wel wat te laat, en naast hem zat de man die de avond had georganiseerd. Het hele uur lang keek ik recht in zijn gezicht (voor zover een mens naar buiten kijkt als een boeddhist hem meeneemt...) en pas toen hij de spreker bedankte, viel het mij met een klap in: maar dit was een oude studiegenoot geweest! Jawel, jaren waren er over gegaan, ik had hem niet herkend, en de muziek van zijn stem had mij gered.

Men zegt wel dat de stem het mooiste instrument is. Ik zou het niet weten, dat soort uitspraken is meer een zucht dan een mening. Zucht, omdat een stem inderdaad kan toveren: adem en vlees, en dan zo uiterst subtiel, zo verontrustend mooi. Zelf haak ik nogal snel af bij klassiek geschoolde stemmen en opera, twee maal kunstmatig is één keer teveel. Maar het klassieke lied bekoort mij dan weer wel, een volle toon hoeft niet nog eens te trillen, luid kan ook heel ingehouden bijna stil zijn. Ik hoorde Felicity Lott Schubert zingen en het was of ze lijnen tekende in de lucht, lijnen vol begrijpen, lijnen waarachter al het onbegrijpen lag. En van Maria Christina Kiehr heb ik geleerd dat een noot het mooist is als ze gewoon onopgesmukt vol haar lichaam toont, geen tierelantijntjes, geen muffigheid. Je hoort niet veel sopranen die niet aan het kwinkeleren gaan, maar misschien zeg ik dat maar uit onkunde, was ik te weinig op de juiste plek, waar het zingen en het luisteren magie werden, ben ik teveel slachtoffer van mijn eigen vooroordeel tegen sentimentaliteit.

Het zijn andere stemmen die mij tot op het bot stil maakten. Als Billy Holiday zingt, dan hoor ik hoe snikken zingt, of een weggedronken snik. Als Nina Simone zingt, dan gebeurt er iets met je mensbeeld, dan wordt een stem een geloof. Geloof in kracht en opstanding, dwars door generaties van pijn. En dat pijn schoonheid niet kan vernietigen, zoals zij dat orgel in haar stem heeft bewaard. Als Jacques Brel zingt, dan hoor je een schreeuw (hij had er ook de mond voor): schreeuw tegen de leugen, tegen het verval. Als Dylan zingt, dan hoor je die kreet ook, maar ijler, met wind in zijn stem. Hij kijkt ook vaker van je weg, Dylan zingt ook meer voor zichzelf, vertrouwt je niet, en al zeker zijn eigen boodschap niet. Het veiligst voelt Dylan zich als hij gewoon kan zoeken, of een bluesverhaal vertellen dat iedereen lijkt te (her)kennen. Ach, ik zou tientallen namen kunnen noemen, sommige pas ontdekt, andere al bekenden van een heel leven, maar allemaal hebben ze dat uniek dat je niet meer vergeet.

Het mooist vind ik de gesproken stem als er brons in zit. Stem met klok in, en het is of je mee gaat klinken als je er naar luistert. Acteurs en radiomensen zijn soms gezegend met zo’n bronzen stem. Leonard Cohen zingt er mee, Dirk Roofthooft en Jan Decleir acteren er mee,  Jan Hautekiet maakt er radio mee. Hoe dat brons er in kon sluipen en dan zo precies kon verharden, daar zou wat wetenschappelijk onderzoek naar mogen gebeuren. Het is die galm, die toch geen weergalm is. Het is alsof er een orkest zacht en precies meeklinkt. Alsof er plots een ander soort stereo uitgevonden wordt. Alsof er in klank ook duizenden zenuwen kunnen zitten, die ook duizend keer meer registreren.

Opvallend is dat een taal ook een soort heldere bronsklank heeft, als ze zuiver en verzorgd wordt uitgesproken. Dus niet geaffecteerd als statussymbool, maar ook niet half opgegeten en doorgeslikt, of getatoeëerd met de wildste accenten. Goh, ik heb niets tegen accenten, maar mogen we af en toe nog eens die eigen mooie zuiverheid van een taal horen. Dat Nederlands dat zo verrassend opklinkt in zijn lange klinkers. Maar ook bij de andere talen die ik ken (of herken, zoals het muzikale Hongaars) is er een heldere slag die af en toe hoorbaar wordt, en elke keer weer valt het mij op: hoe een taal een grote klok is, hoe een taal door generaties is afgesteld en gepolijst...

En dan zijn er die stemmen die met niets te vergelijken zijn: kleine doedelzakken, hoestbuien, klein gebleven stemmetjes, gescheurde stemmen (Tom Waits...), stemmen die een heel leven hebben gezien, hondenbrokkenstemmen, stemmen die altijd lachen, of altijd grinniken, voorzichtige stemmen, zeur- of bazige stemmen die je nerveus maken, stemmen die gewoon aanstekelijk zijn en het niet weten...

Louis Armstrong, die had een unieke stem, met niets te vergelijken. Lyrisch brommen, dat deed Satchmo.

Stemmen die samen zingen, kunnen een gebouw de lucht in tillen. Heb ik zelf meegemaakt. Niet in een operatheater, maar in een kerk. Paul Van Nevel liet zijn Huelgas-ensemble zo onwezenlijk zingen, dat ik steeds hoger begon te kijken, of de smalle kerk waar we zaten, niet echt de lucht in ging. Die ging inderdaad omhoog, maar het publiek ging mee, dus echt opvallen deed het niet, en het stond ’s anderendaags niet in de krant.

Of die keer dat we, net aangekomen in Vezelay, op een zondagmiddag om 11 uur binnenstapten in de schitterende romaanse pelgrimskerk, en terechtkwamen in een kerk vol mannen, en al die mannenstemmen begonnen net op dat moment als één brede borst te zingen. Ook dan was de omvang van deze stemmen samen veel groter dan de kerk aankon en tuimelden de muren als bij Jericho. Althans, zo leek het even, omdat ik mee open ging. Dit was religie voor het grote aantal, honderden pères de famille die daar een pelgrimstocht van verscheidene dagen beëindigden, met alle overtuiging die onderweg in hen was samengestroomd. Dan werd me duidelijk: zo’n kerk is in feite gemaakt voor deze grote stem, voor dit machtige volume. Als we toch willen smeken en danken, dan het liefst groot. Zo zijn mensen. In het oude bijbelverhaal was de Onnoembare nochtans niet in het grote geluid van storm, aardbeving of vuur, maar integendeel in het lichtste suizen van wind. Maar dat is het vragen niet meer, dat is het antwoord. Zo klein, dat je het misschien niet horen kunt.

 

IMG_3292.JPG

Twee schilderijen uit een tento die ik in Barcelona zag: The Jazz Century


30-09-11

Mijn wonderen: merel...

IMG_3269-1.JPG

 

 

Mijn wonderen: merel...

 

De vogel die mij het meest nabij is, is de merel. En wel om de eenvoudige reden dat hij het meest voor mij zingt. Elke avond, als het donker, op die ongrijpbare manier van opkomende duisternis, een stap naar voren zet, als de lucht leeg loopt van alle opgespannen energie en beweging, als het licht dun wordt, oplost in wat lijkt op fijn water, zingt de merel. Het liefst op de nok van een dak, klein silhouet van een grote stem.

Het zijn klanken die zo helder zijn dat ze je telkens weer doen luisteren. Helder is meer dan luid, helder is een aparte categorie voor deze vogel. Elke klank is zo scherp, bijna tastbaar aanwezig. Gebeeldhouwde klanken die niet verdwijnen willen. Kleine harde ruimtes in wat een steeds stillere leegte wordt.

Misschien heeft het te maken met de akoestiek van deze grote concertzaal die de avond is. Misschien glijden klanken dan beter. Maar het heeft ook te maken met wat hij zingt. Geen melodietje, noch eentonige herhaling, maar, losgekomen van alle lawaai van de dag, weer de zuiverheid van een klank. Misschien is de merel wel een Platoonse filosoof, die van het gegeven geluid het diepere wezen zoekt. Telkens weer het uitproberen van een heldere klank, in een vrijgemaakte ruimte, tot aan den lijve, hoe klein dat lijfje ook is, iets van het wezen van helderheid hoorbaar wordt. En hoorbaar wil in dit geval zeggen: niet alleen diep in het lichaam (het zijne, het mijne...), maar ook diep begrepen. Al zijn er voor dit laatste geen woorden. Je kunt deze wereld enkel helder laten klinken.

Maar wat een ambitie: het bestaan verstaan door het zo zuiver mogelijk te laten klinken. Zoals St Kevin, in dat bekende gedicht van Seamus Heaney, zijn armen uit de ramen van zijn te krappe eremietkluis moet steken om te kunnen bidden, en dan voelt hoe een merelvrouwtje in zijn open handpalm komt nestelen en broeden en jongen maakt, zoals St Kevin dus aan den lijve, door het te doen, de overgave leert aan dat grote leven dat door ons trekt, zo kan dit zwarte merelmannetje met zijn gele bek niets anders dan zingen, zingen, zingen. Vraag hem niet waarom, hij heeft geen woorden, zoals St Kevin geen theologieboek nodig heeft om te weten dat hij wat begonnen is, nu ook moet voltooien, al doet het overal, van zijn schouders tot aan zijn knieën, pijn (Heaney staat ook bij die pijn en die overgave stil, in de tweede helft van zijn gedicht).

Terwijl op de achtergrond biologen hun kostbare hoofd schudden om zoveel verbeelding mijnentwege, blijft voor mij de merel veel meer dan een vogel in jacquet (oeps, weer verbeelding), die zingt om zijn territorium af te bakenen, of zoiets. De merel is een zanger in de meest zuivere zin van het woord (oeps, weer een Platoonse opwelling). De merel is schitterende nutteloosheid. De merel is een oefening in leegte en volheid, zodat je niet meer weet wat luistert, de leegte van de invallende nacht naar die grote klank, of die klank die wrijft langs de grote randen van weggaan. De merel is kleinheid die zich niets meer aantrekt van dat onderscheid groot of klein, omdat hij zich vergeten heeft in dat zingen, totale overgave, voor geen enkele andere reden dan de overgave. Zo groot is de merel dan, even groot als de vochtige, voorzichtig binnenkomende, zoveel grotere nacht. Dat grenzen zomaar kunnen wegvallen, dat is de merel voor mij, zoals een vogel kan broeden in je hand, als je maar lang genoeg wacht.

 

 

 

*

St Kevin and the Blackbird (Seamus Heaney)

 

And then there was St Kevin and the blackbird.

The saint is kneeling, arms stretched out, inside

His cell, but the cell is narrow, so

 

One turned-up palm is out the window, stiff

As a crossbeam, when a blackbird lands

and lays in it and settles down to nest.

 

Kevin feels the warm eggs, the small breast, the tucked

Neat head and claws and, finding himself linked

Into the network of eternal life,

 

Is moved to pity: now he must hold his hand

Like a branch out in the sun and rain for weeks

Until the young are hatched and fledged and flown.

 

And since the whole thing's imagined anyhow,

Imagine being Kevin. Which is he?

Self-forgetful or in agony all the time

 

From the neck on out down through his hurting forearms?

Are his fingers sleeping? Does he still feel his knees?

Or has the shut-eyed blank of underearth

 

Crept up through him? Is there distance in his head?

Alone and mirrored clear in Love's deep river,

'To labour and not to seek reward,' he prays,

 

A prayer his body makes entirely

For he has forgotten self, forgotten bird

And on the riverbank forgotten the river's name.

 

 

 

 *St Kevin en de merel

 

En daar: St Kevin en de merel. De heilige knielt, zijn armen uitgestrekt, in zijn cel, maar de cel is smal, en daarom steekt een handpalm, open naar boven, uit het raam, stijf als een dwarsbalk, en een merel landt en legt een ei en gaat zitten broeden.   Kevin voelt de warme eieren, de dunne borst, het ingehouden fijne hoofdje en de klauwen, en, zo verwikkeld in een netwerk van eeuwig leven, loopt hij vol met medelijden: nu zal hij zijn hand als een tak in zon en regen moeten houden, wekenlang, tot de jongen uitkomen en groeien en wegvliegen.

En omdat dit alles toch verbeelding is, verbeeld jezelf even Kevin. Vergeet hij nu zichzelf, of lijdt hij de hele tijd pijn, van zijn nek tot aan zijn stekende voorarmen? Slapen zijn vingers? Voelt hij zijn knieën nog? Of kroop de dodeogenblindheid van onder de aarde al in hem op? Is er verte in zijn hoofd? Alleen en helder weerspiegeld in de diepe rivier van Liefde, bidt hij: "Werk en zoek geen beloning", een gebed van zijn hele lichaam, want hij is zichzelf vergeten, de vogel vergeten, en op de rivieroever de naam vergeten van de rivier.


28-09-11

Mijn wonderen: horizon...

20100209_1084-1.JPG

 

 

Mijn wonderen: horizon...

 

Toen ik kleine jongen was, in le plat pays onder de Noordzeewind, was de horizon een alomtegenwoordigheid. De vlakte rond de hofstee (zoals men dat toen zei) waar ik opgroeide, was zo vlak en bijna boomloos en verlaten, dat je ongeveer 365° ver kon zien. Vooral naar het westen lag een eindeloosheid open, want geen hoeven en kerken, tenzij heel in de verte. Enkel een grote hemel en daaronder een kleine aarde. En daartussen die lijn die horizon heette.

In het noordwesten schemerden de flatgebouwen van Middelkerke, in het noordoosten stak de dikke naald van de kerk van St Pieterskapelle de lucht in, een dorp van misschien honderd zielen (zoals men dat toen zei). En dan weer niets naar het zuiden, tenzij weiden en velden, en de bultige vlek van hier en daar een boerderij.

Waar de horizonlijn zo zichtbaar aanwezig is, doet de scheiding pijn tussen hier en daar, tussen wat er is en wat er zou kunnen zijn. Mijn moeder had haar plekjes waar ze uitkeek, alsof het dan beter gaat om te dromen, te verlangen. Verten nodigen uit. Het doet er niet toe dat jij zo klein bent, er lijkt altijd een roep voor jou bestemd. Maar tegelijk met die roep is er de afstand, het besef van een onmogelijkheid.

Aan zee is die scheiding het zuiverst: er is het hier en er is het daar, en die twee zijn niet te verzoenen, te groot is alles voor een kleine mens. Maar je kan er wel tussen lopen. En dat is wat veel mensen zo graag doen: aan de vloedlijn van de zee tussen twee mogelijkheden in lopen. Althans zo lijkt het wel: je voetstappen lossen op in het zand en in het water, je stap is ijl als de wind soms, je ogen mogen je verlaten voor een grote verte,  en toch blijf je in leven. Zo tussen twee mogelijkehden lopen, hier in je lichaam dat mag dromen, niet alleen je ogen en je hoofd.

Op het vlakke land was er niet minder beweging: de nooit aflatende trek van wolkenmassa’s, soms zo groot dat je nu pas begreep waarom ook een hemel zo groot moest zijn; licht dat als een danser tussen die massa’s door sprong; de overvloed van dat licht; de timing vooraleer een nieuwe beweging werd gemaakt, bijvoorbeeld na de middag, als heel de ruimte in slaap lijkt gevallen, of ’s avonds als alles nog eens omkijkt en even wacht voor het weggaat. De hemel was de zee boven onze hoofden, en wij liepen er langs met onze ogen, en met ons hart. Kinderen van onmogelijkheden...

Later ontdekte ik het woord silhouet. Waar ik het woord voor de eerste keer las, weet ik niet meer. Wel dat ik het proefde op mijn tong, uitprobeerde in schoolopstelletjes, bijhield als iets moois dat je vindt. Silhouet was een andere horizon, een die zich geplooid had naar de handen van mensen, hun huizen en wegen en fabrieken en auto’s. Silhouet was de onmogelijkheid die mogelijk werd. Die beweging, aan de onderkant van de horizonlijn, op de aarde van de mensen, heeft me sindsdien nooit meer losgelaten. Ik kwam in een even grote zee terecht, een even grote lucht, en de eindeloos bewegende silhouetlijn van die beweging blijft mij verrassen en verbazen. Wel nog altijd tegen de achtergrond van dat andere grote, realiseer ik me nu, het blijft de ene eindeloosheid tegen de andere. Alsof ik, ook binnen muren, het gezicht van een mens tegen de achtergrond van een grote lucht moet zien. Of de troep mensen die het station uitkomt, slechts kan begrijpen als ik aan de invallende nacht denk, of aan de golven van de zee. Dat daarom torens en wolkenkrabbers zoveel indruk maken, ze hebben de hybris om ver in dat andere bestaan te reiken, en hoe langer je kijkt, hoe meer je de kwetsbaarheid lijkt te voelen van dat reiken. Niet voor niets hebben zoveel mensen hoogtevrees, hun gestalte rechtop is als kleine toren al uitdaging genoeg, laat staan dat ze hoger zouden klimmen. (Ik klom, toen ik klein was, op de nok van alle daken van de boerderij, huis en schuur en stallingen, om ver te kunnen kijken, en nooit heeft iemand me daar een opmerking over gemaakt)

Het silhouet van een stad blijft fascineren, de horizon te midden van verlatenheid evenzeer. Het is leven met grenzen, zoals de huid van andere mensen ook een grens is. Waar je langs kunt lopen, voeten omspoeld door water dat de sporen oplost, te midden van wind en licht die fris en nieuw lijken te zijn. En toch dat terugkerende besef dat je aan een onmogelijkheid raakt: verder dan die huid kom je niet, tenzij misschien in dat genademoment van een uitzonderlijk gesprek, van tederheid of passie die alles lijken te vullen. Want dat kunnen mensen soms: zo doorzichtig worden dat ze zelf een zee worden, of een grote lucht...

 

14-09-11

Mijn wonderen: huis van boeken...

IMG_3301.JPG

 

 

Mijn wonderen: huis van boeken...

 

Een boekhandel, met echte boeken, het lijkt wel een bedreigd oord te worden in deze virtuele tijden, die  sneller dan met de ogen knipperen, een boodschap doorgeven. En nog een, en nog, waarom zou het ophouden als het zo vlug kan. Alsof het daarom gaat, snelheid. Alsof het niet om veel meer gaat...

Bijvoorbeeld, in het geval van boeken, om het fysieke contact. Dat ding dat zich in je handen en ogen legt; beetje geheimzinnig als bij elk eerste contact, maar toch al terugkijkend, meestal minzaam. Anders had je het niet opgepakt, als er al niet die eerste sympathie was. Of die vraag, die zoveel andere vragen verbergt. Soms weet een boek dat al, en je herkent het, dat wederzijds verlangen naar een gesprek. En je hoopt dat het deze keer weer zal lukken. Dat het gesprek, later, thuis, ergens alleen, geen ontgoocheling wordt. Een boek is een mens, zoveel is zeker, je schudt een hand, stelt jezelf voor, en soms, ja, is er een vonk, die meer belooft.

Net als een mens heeft een boek een aanraakbaarheid die heel fysiek is: de textuur van kaft en papier, soms de geur van inkt, de glans van foto’s, de stijl (goed gekleed of slordig) die je ontgoochelt of juist een kleine kick geeft. Maar anders dan een mens kun je bij een boek vlugger naar de kern gaan: een boek verbergt zich niet zo lang in small talk, in onbenullig gekeuvel. Je mag vlugger de vraag stellen die zich opdringt, je verwacht vlugger woorden van gewicht. Heb altijd graag gepraat met mensen die veel weten, en boeken zijn zulke mensen. (Het enige wat je moet, is iets betalen voor die gespecialiseerde kennis. Hoewel: er is een speciale gierigheid die zich tegen boeken keert, een gierigheid die veel Vlamingen niet onbekend is...).

Maar boekhandels sluiten bij bosjes, worden vervangen door internetverkopers, of gazettenwinkels waar ook bestsellers liggen, tussen de landkaarten en de kookboeken. Waar is de boekhandel waar de eigenaar nog alles gelezen had, in elk geval genoeg om je boeken aan te raden, zoals ik als jonge gast mocht meemaken toen Jenny Walry in haar kleine boekenwinkeltje in Gent mij Chaim Potok aanraadde, en andere schrijvers. Niet alleen dat ik nieuwe namen leerde kennen, maar nog meer dat ik als lezer serieus werd genomen, is mij bijgebleven.

Misschien komt het boek nu in twee tijden: een eerste voor de media en het grote geld. En een tweede, rustiger tijd, om langzaam ergens oud te mogen worden, voor de liefhebber die tijd heeft om te zoeken, die niet (meer) de peptalk achterna loopt en gelezen moet hebben wat iedereen leest. In sommige van die oudereboekenhonks kun je nu ook een koffie drinken, in een beste sofa, en dan is het respect weer helemaal terug...

Is dat andere huis van de boeken, de bibliotheek, ook bedreigd? Ik hoop van niet, want bibliotheken hebben mijn leven gered. (Zei hij pathetisch.) Toch is het zo dat de boeken van de kleine dorpsbibliotheek mijn leven vulden met hun verbeelding en hun klank. Men zegt dat eenzame kinderen meer lezen dan andere. In mijn geval was dat zeker zo. In mijn wereld van seizoenen en resten van achtergebleven eeuwen leerden ze mij spreken, denken, reizen, kijken. Hoe was het leven als je geen kind was van een verloren polderhoeve, maar stadskind, kind van andere ouders, kind dat andere talen sprak, ook de taal van lichaam en vriendschap?

Het lijkt of mijn opgroeien gemarkeerd werd door de ontdekking van steeds grotere bibliotheken. En elke keer ging het door mij: waw, al die boeken... Alsof de wereld inderdaad een belofte was, en ik alleen maar op weg moest om hem te vinden. Ik weet nog hoe ik de eerste keer in de stadsbibliotheek van Veurne kwam, het stadje waar mijn half begraven internaatsjaren zich afspeelden. Waw. Ik weet nog hoe ik de faculteitsbibliotheek Nederlandse literatuur zocht in Gent. Waw. Als ik een citaat van Poe of Multatuli nodig heb en internet brengt mij dat zomaar op een schoteltje, dan denk ik vandaag: waw. Zoveel weten, zoveel bewaren, zoveel delen. Waw.

En toch, ondanks die laatste overvloed, hoop ik dat de fysieke gebouwen, en het fysieke lichaam dat een boek is, niet verdwijnen. Dat niet alles via een elektronische kabel doorgestuurd kan worden op een of andere kleine telefoon die zich ook laat lezen. Een boek is daarvoor een te mooi ding, met die hoge kunst die typografie en vormgeving toch geworden zijn. En rijen boeken bij elkaar: geheimzinnig, uitnodigend, van een merkwaardige stilte en wachten. Een wand met boeken blijft voor mij een uniek gezicht. Een winkel volgestouwd met zulke wanden geeft mij telkens weer de kriebels. Ik loop niet vlug, tot wanhoop van mijn vrouw, zo’n tweedehandsboekenhol voorbij. Niet alleen dat ze elke keer weer anders zijn (eivol of netjes gerijd, beetje muf of zonder geur, onder balken en op trappen of strak modern, enkel pockets of ook duur materiaal), maar ook die verrassing die er zeker tussen zit, dat boek dat je met een schokje ontdekt, dat tot je vreugde op jou leek te wachten, al zijn er anderen in de zaak die het ook hadden kunnen kiezen.

Zo’n ruimte met boeken, winkel of bibliotheek, lijkt zelf wel een verzamelaar, een carta mundi, een archief van de wereld. Zo’n boekengebouw verleent niet alleen vergeten schrijvers het verdere leven waarop ze hoopten, maar lijkt in zijn eentje de strijd te willen aangaan tegen verlies en verval. Dat iemand uit de 19de eeuw familie kan zijn van je, dat een man of vrouw van nog een paar eeuwen eerder iets tegen je zegt dat je raakt, dat is een ontdekking die je niet zal loslaten. Mensen hebben de tijd eigenlijk niet nodig om elkaar vast te houden. Een boek, nieuw of oud, volstaat. Oude woorden volstaan, als ze nieuw mogen worden in iemands hoofd. Daar zorgt dat speuren langs de wanden voor, en de onverwachte ontdekking. Zoveel bewaren is zeggen dat niets nutteloos is. Of dat we dat in elk geval niet zo duidelijk weten, en we daarom de keuze nog wat zullen uitstellen. Aan zo’n wand is plaats genoeg, voor veel boeken...

Tenslotte. Het kleinste huis van boeken dat ik ken, is mijn hoofd. Mijn hoofd heeft al zo lang leren lezen (dat is een dierbare, heel levendige herinnering, dat ik thuiskwam van school, op het grote hekken sprong en riep dat ik kon lezen) en heeft al zoveel gelezen, dat ik het oneer zou aandoen mocht ik het hier vergeten als wonder. Het bewaart voor mij niet alleen al die woorden, een van de diepste vreugden in mijn bestaan, maar ook zovele verhalen, personages, gezichten, sferen, zovele dichtregels waarmee ik leerde grijpen naar het mysterie. In mijn studeerkamer staan wanden van boeken, maar misschien ook in mijn hoofd, al weet niemand hoe het hoofd zijn kennis bewaart. Er zal daar ook wel sprake zijn van legplanken, waar alles naast elkaar ligt te wachten op gebruik, anders waren er geen contaminaties (wanneer twee woorden of uitdrukkingen willen voordringen, met kortsluiting tot gevolg), anders waren er geen versprekingen. Taal die zich aandient in duo of trio via ultrasnelle zenuwbanen, als glasvezelkabels van een hogere soort.

Eén plank in mijn hoofd is die van de herinneringen: aan de zwart-witte strip Erik de Noorman (die ik nadien nooit meer teruggevonden heb), aan Winnetou en Old Shatterhand (die in mij een levenslange liefde voor westerns nalieten), aan de glanzende stijl van Bomans (die ik imiteerde, onder andere van brandmeester Koperbuik uit Kopstukken een voetbaltrainer maakte, met spelers die nooit op de bal mikten...), aan het beeldengeweld van Claus (dezelfde klei zoog aan ons...), aan zoveel meer.

Een andere plank is die van de lievelingen, boeken die vrienden werden en dat bleven. Nescio’s verhalen en schetsen. Het boek der rusteloosheid van Pessoa. De gedichten van Milosz en Constantijn Huygens. Zitten, de praktijk van zen (Nico Tydeman). Job en de psalmen. Buysses kleine mensen, vooral jong meisje Maria Beert in Het recht van de sterkste. De jongen Hamlet. Thoreau’s Walden. John Berger. Kawabata.

Als je in zijn essays leest, zie dat Montaigne zijn bibliotheek ook in zijn hoofd meedroeg. In het hoofd van vroegere schrijvers en lezers was, ook door de tijd waarin ze leefden, blijkbaar meer plaats dan in het mijne. In elk geval onthielden ze meer. Dat had ik nog gewild: dat mijn hoofd meer dichtregels had kunnen opzeggen, met een muziek en in een akoestiek waar ik zelf telkens weer verbaasd van zou hebben gestaan...

07-09-11

Mijn wonderen: museum...

 IMG_3302-1.JPG

 

Mijn wonderen: museum...

 

Ik liep in het Museum voor Schone Kunsten van Gent, zag de zachte kleuren van de muren, het licht dat voorzichtig dicht kwam, de met leder beklede metalen zitbanken (van Maarten Van Severen? vroeg ik mij af), de kracht in veel schilderijen en beeldhouwwerken, de veloursgrijze plavuizen, de stilte die in mensen en ruimte hing, de onopvallende suppoosten, en ik dacht: wat is een museum toch een plek van hoge beschaving. En ik dacht: waarom toch blijft zo’n plek voor mij een geschenk?

Het zijn de keuzes die het doen, de heldere keuzes die je hier aantreft. Dat een kunstwerk zo belangrijk kan zijn dat men het wil bewaren voor alle geslachten die komen zullen, met alle zorg en kennis die daarvoor nodig zijn. Zelfs huizen en straten houden het niet zo lang vol, de keuze om kunstwerken over de eeuwen te tillen is dus wel een zeer opvallende. Bijna een uitdaging aan de dood zelf, want ook dingen kunnen sterven, op dezelfde toevallige of opzettelijke of chaotische manier als mensen. In die zin lijken musea op kerken: ze staan voor een geloof. In dit geval een geloof in schoonheid, al is dit woord ontoereikend voor al het wezenlijke dat zich in die werken heeft gelegd. Dat wezenlijke, dat moeten de verschillende eeuwen maar zelf proberen uit te leggen. Maar dat er een wezenlijke diepte in deze wereld ligt, dat is een credo dat dit gebouw met verve uitspreekt.

En zoals met alle diepe overtuigingen, houdt ook dit credo niet vlug meer op: als er zo’n respect is voor een kunstwerk, dan moet er ook het diepste respect zijn voor de toevallige mens die het tot stand heeft gebracht. Een mens dus, met alle geloof dat een mens verdient om toevallig die kunstenaar te worden wiens werk eeuwig is.

En voor wie is dit werk eeuwig? Voor de kinderen en de kleinkinderen, zeggen we dan. Maar wat in die komende ogen en hoofden moet worden aangesproken? Ook dat is niet zo onmiddellijk te grijpen, ook dat lijkt op een ritueel, eerder dan op een uitleg, of een preek, of een moraal. Het ritueel je lichaam  bij een ander lichaam te brengen, omringd door de leegte die stilte en zachte muren en zacht licht hebben voorbereid. Er is veel dat dan kan gebeuren.  

Wat aangesproken moet worden in de kinderen en kleinkinderen, is de ontvankelijkheid. De grote ontvankelijkheid, die mensen zo hevig kan openbreken, dat dingen mogelijk worden die men voor altijd wil bewaren. Maar ook zonder dat iedereen die kijkt een nieuwe kunstenaar wordt, is deze openheid essentieel om van ons het soort mensen te maken dat beschaving wil. We konden ons ook in rijen opstellen en laten bedwelmen door de waan en de klank van angst en macht.

Nee, dat die ene mens daar stil mag blijven staan kijken naar dat ene schilderij of beeld, met gedachten in dat hoofd van hem waar hij geen rekenschap van moet afleggen. Nee, dat dit gebouw met zijn goed bewaarde bewoners niet in de eerste plaats geld moet opbrengen, maar, boven het geld uit, een ode mag zijn aan zoveel dat zelfs het grootste geld niet kan kopen. Nee, dat beschaving evenwicht is, zoals de klassieken al dachten, zowel in de werken, als in de presentatie, als in de omgang met, als in het begrijpen. Nee, dat schoonheid begint voor het kunstwerk en niet ophoudt nadien, maar ook aanwezig is in het licht, in het bordje met uitleg, in de kleur van muren en lijsten en brochures. Nee, dat al die kunstwerken niet één waarheid verkondigen, maar elkaar mogen en kunnen verdragen, één groot zoeken en tasten van mensen die met zoveel zintuigen de wereld in gestuurd worden. Nee, dat wat mensen zoeken en vinden niet onbelangrijk is, maar waard om te vertellen en te bewaren, zelfs het onooglijkste museum getuigt daarvan. Nee, dat bewaren niet achterlaten is, maar beschermen tegen de alomtegenwoordige rover dood: ik liep in West-Australië door een oude zagerij, waar stoommachines nog naast zagen stonden, en mallen van de gieterij, waar zelfs de fiches nog op tafel lagen. Het leek of de fabriek net verlaten was en iedereen naar huis, hoewel alles hier al jaren zo lag. En ik voelde de spanning het leven zelf te betrappen, en ik voelde tegelijk hoe kwetsbaar alles achterbleef, klaar om te verdwijnen als iemand het wilde meegraaien. Hier van een museum maken is lijnen trekken waarlangs het publiek mag wandelen,is bescherming aanbrengen, is kaderen en omkaderen. De chaos van een verlaten fabriek betrappen was een indringende ervaring, zeker, maar ik voelde me ook voyeur van het verlies, van een heel traag sterven. En als ik moet kiezen, kies ik voor het genezen in plaats van voor de langzame dood, zelfs al is die sensationeler.

Want genezen is een keuze maken. Altijd weer en opnieuw die keuze. Als een mens moet kiezen, komt zijn bestaan heel individueel dichterbij. Een kudde kiest niet, een kudde stormt maar voort. Maar niet alleen de keuze om te bewaren in een daartoe uitgerust gebouw is een keuze, maar zelfs het oppakken en vasthouden en bepalen van het onooglijkste ding, hier op de grond of tegen de muur, is een keuze: hoe ga ik om met wat ik op deze aarde ontmoet, wat vind ik belangrijk om te verzorgen, bewaren, door te geven. Moeilijke vragen, zeker in een tijd dat het geld, zelf virtueel geworden, er in slaagt veel te doen verdwijnen...

 

IMG_3301-1.JPG

IMG_3327-1.JPG

 

01-09-11

Mijn wonderen: tijd...

 

 IMG_3275-3.JPG

 

Mijn wonderen: tijd...

 

Tijd wordt vaak negatief ervaren: als de vervelende opjager, die altijd van op afstand staat toe te kijken, metend en oordelend, de blik die er nooit niet is, die je nooit eens helemaal gerust laat. Tijd als de moralist met het vingertje, strenge ouder van wie je  het te corrigeren kind blijft, met principes hoger dan alles wat je er tegenin zou kunnen brengen. Tijd als spion, die bijhoudt hoe je ouder wordt, in verslagen die hij opzettelijk laat liggen, tot jij ze ook te lezen krijgt. Die van het ouder worden bewust een probleem maakt, theatraal en aan den lijve, alsof zijn tijd de enige was, alsof je niet alle leeftijden blijft, alsof enkel het jaartal bepaalt wat mag en niet mag. Tijd als irritante kwal, die zich openlijk verveelt, aanstellerig, dikdoenerig, tot iedereen door de kwaal wordt aangetast. Tijd als zwijger, ’s avonds in bed, of toevallig, in het voorbijgaan, in de weerspiegeling van een raam.

Maar er is een andere tijd. Tijd die samenvalt met verwondering: je adem gaat in en uit, het licht valt op je huid, er is een dag die rond je komt staan, en wil wachten, je ogen spreken en je hoofd luistert, minzaam, glimlachend om de kinderlijke verwondering dat je bestaat. En dan denk je: dit is nu mijn tijd, dit vollopen waaruit ik besta, waaruit alles bestaat. Zo breed als dit moment ben ik nu, ik glijd er met mijn vinger langs, ik probeer mijn gezicht er in te dopen. Tijd als water waarin ik drijf, en beweging is niet meer nodig, enkel voorzichtig bestaan. Tijd als grote lucht die in mij is en buiten mij is, de long die alle leven draagt, draagt nu ook mij, en ik besef dat, en dat besef is mijn tijd, en die tijd is een geschenk dat ik wil bewaren.

Soms zie ik gezichten waarmee tijd zich verzoend heeft. Oudgeworden gezichten, met rimpels en vlekken van een heel leven, en een doorzichtigheid die enkel van het vele wrijven kan komen, glanzend van een tijd die niet gemakkelijk was, maar dit gezicht ook niet vergat. Niet de tijd die opjaagt, of melancholisch achterom kijkt, zie ik nu, maar een tijd die samenvatting kan zijn van een heel leven. Op dit moment nu, in deze ontmoeting die zo weer over is, een heel leven wil meedragen en bewaren. Zoals je in een woord een veel groter stuk bestaan samenvat, zo vat dit gezicht een veel grotere tijd samen. Hoe klein ook, het heeft oevers die ver weg liggen. Dit is tijd die zou kunnen vertellen. Dit is tijd die weet heeft van de diepte, niet alleen van de breedte. Die weet hoe diep die diepte kan zijn in een mensenleven.

Op dezelfde manier is een heel jong mensengezicht ook tijd die verrassend gevuld is: gevuld van oneindige mogelijkheden, van een belofte die aangrijpend is, van een vertrouwen dat uit die zeeën van ogen spreekt, van een goedheid die niemand mag verloochenen.

Misschien wel de mooiste vorm van die andere tijd is als ze zichtbaar oplost, als ze er niet meer is, omdat ze iets anders helemaal het moment laat vullen, en tegelijk alles en iedereen die mee in dat moment aanwezig zijn. Ik zit een concert van Rostropovitj, de cellist, en als toegift speelt hij een sarabande van Bach, en de Bijlokeconcertzaal, met zijn schuine muren en groot dakgebinte, en alle mensen in de zaal, en ik tussen hen, we bestaan niet meer dan in deze plots alles omvattende klanken, we vergeten onszelf en elkaar en de ruimte plots zo intens, dat we ook vergeten dat dit toch tijd was waarin we bestonden. Niemand voelt dat zijn tijd verantwoording vraagt. Alles is nu opgegaan in die klanken. En dat we mee mochten opgaan, zullen we maar traag weer beseffen als Rostropovitj, na de klanken, en na wat lijkt op een eeuwigheid wachten, zijn stok voorzichtig neerlegt en opkijkt. Dan keren de muren en het dak terug, dan vullen we, zoveel als we kunnen, een groot moment tijd met applaus, dan willen we zelf zoveel tijd maken dat de cellist niet weggaat, nog niet, dan maken we tijd die wacht. Het is tijd die beseft dat ze dankbaar is, wij zijn dankbaar nu, en we kunnen niet zeggen waarom. Omdat het leven zo naakt zijn schoonheid laat zien? Omdat bestaan, heel in de diepte, niets anders is dan schoonheid? Ach, zoveel jaren maken we mee, maar het zijn die lege, vrijgemaakte momenten die ons zullen blijblijven. Die momenten dat we ten diepste ontroerd waren. Die momenten dat het mogelijk was een ander leven te leiden. Tijdelijk, dat wel, anders besloop ons de gekte, maar toch, even waren we grenzeloos, en het werd ons gegeven.

Een mens komt veranderd uit zulke momenten (als ik dat woord nog eens mag gebruiken, want zelf zijn ze, net als wij, tijdeloos, je kan je bijvoorbeeld niet herinneren hoelang ze duren): is tijd, net als onze huid, dan toch niet de ultieme grens waarbinnen we opgesloten zitten, of zachter gezegd, waarbinnen we mogen bewegen? Waarom is dit verliezen van onszelf zoveel winst? Vanwaar die hunker naar meer-dan-onszelf? Vanwaar dit onverwachte krijgen, als je weet dat geen van die momenten op bevel wil komen, tenzij van de orde van de kick, van de bewust opgezochte lichamelijke grens? Dat laatste is niet onbelangrijk: het lichaam kan tijd uitrekken, tot ze een bijna ademloze diepte krijgt: een dag stappen, base jump, een nachtje techno dansen op beats die rechtstreeks meedoen met je hart, sporten tot je erbij valt, snelheid op de motor, enz.

Ach die tijdeloosheid. Ik heb toneelstukken gezien die mij nu nog beeldscherp voor de geest komen. Ik heb aanrakingen gevoeld die nu nog mijn gemoed doen zwellen. Waar is dan die tijdeloosheid, als er nadien des te meer tijd gebleven is? Maar die rijke, weelderige tijd is niet dezelfde als de chef die op je vingers staat te kijken, die optelt hoeveel je al van hier naar daar hebt gebracht, en van daar naar hier. Ze is, tijdloos als ze was, bij je gebleven als die eerste vorm van een andere tijd die ik hier beschreef: als warme volle verwondering, als lucht en licht die je omringen, zomaar. Misschien niet zomaar, maar omdat jij het bent...

 

IMG_5457-1.JPG

(foto's: dochter van Engelse immigrant, 19e eeuw, West-Australië; gezicht op volksfeest-met-zijn-vele-culturen in Canberra)

29-08-11

Mijn wonderen: vlekken zonlicht...

IMG_0169.JPG

 

 

Mijn wonderen: vlekken zonlicht

 

Waar ik mijn fascinatie voor vlekken zonlicht heb opgedaan, weet ik niet. Mijn jeugd was niet zonder groot zonlicht, ik herinner me zomers dat er niets anders was dan dat, één groot murenloos gebouw van zonlicht, hoog zonlicht, laag zonlicht, zonlicht door wolken, licht voor de zon, licht na de zon, en het diepe blauw ’s avonds dat alleen maar familie kon zijn van datzelfde oude adellijke geslacht.

Maar de vlekken zonlicht, kladden van dat buitensporige, leegmakende licht, herinner ik me niet zo scherp. Het enige beeld dat me nu voor ogen komt, is de afdruk van het zolderraam naast het bed op zolder waar mijn moeder zich na de middag terugtrok om even te rusten, of om even alleen te zijn met al wat in haar tekeer ging. Misschien herinner ik me die zolderraamvlek vooral daarom. Er zat ook zoveel symboliek in: de grote wereld daarbuiten, ze hoefde haar hand maar uit te steken en ze kon hem drenken in dat licht, dat toch nooit meer kon zijn dan haar verlangen.

Misschien herinner ik me ook geen vlekken, omdat het huis waar we woonden, uitgaf op het noorden, of omdat het huis een stolp was, op menselijk leven gezet zoals men een stolp gebruikt: om nogal plomp binnen te scheiden van buiten, als een wat brute bescherming. Zo was het huis waar ik opgroeide: dikke muren, weinig ramen, laag dak, een stolp voor menselijk leven in een landschap dat hard kon zijn van regen en mist en wind. Rond het huis waar ik nu woon, draait de zon, en ik zie haar morsige pracht op de woonkamervloer, op de muren en deuren, op de meubelen, op de bladeren van de tuin. Ik ga er voor zitten, zozeer is wat ik zie een onverwacht wonder. Zo moet een wonder zijn: onverwacht, dat je even de normale bedoeling van alles vergeet, en je laat aanraken door verwondering en dankbaarheid tegelijk. Soms haal ik er mijn fototoestel bij, wat ook al een eerbetoon is, een poging om de tijd te snel af te zijn.

Maar in dit huis woon ik dan ook graag. Graag was geen categorie in mijn kleine jaren. Ik was er, de dingen waren er, groot of te klein, onbevattelijk of met een naam. Je hebt als kind nog zo weinig begrip om veel te begrijpen. Je staat op het leven te kijken als een jong dier, lijdzaam en altijd ook wat bang. Misschien heeft de bewustwording van die vlekken zonlicht alles te maken met een totale levensbewustwording. Dat het grote ook in het kleine zit. Dat het doorgegeven wordt, van zon naar vlek naar mijn oog naar ergens wat woorden in mijn hoofd. Misschien is dat het leven wel: beweging van groot naar kleiner, opgevangen en bewaard en soms gekoesterd. Een kind heeft niet alleen nog niets gezien, maar het staat zelf ook zo wagenwijd open, klaar voor elke grondlaag die de wereld wil aanbrengen.

Die vlekken zonlicht dus. Het mooist zijn ze als ze gebouwen binnendringen, ramen hebben omgekocht en met een air van onschuld gaan liggen zijn op wat normaal een anonieme vloer was gebleven, of een muur van twaalf in een dozijn.

Soms zijn ze verrassend lenig. Je kijkt op en op buurmans muur, aan de overkant van de straat, hangen je eigen ramen te blinken, en dan nog in de laatavondzon.

Soms zijn het knappe ingenieurs, zoals ze voetgangershekken uitrekken tot tienmaal hun lengte, en van de straat een mozaïek maken, inlegwerk van licht, voor wie het maar wil zien, tussen alle haastige want belangrijke afspraken door.

Soms zijn ze lui als katten, als ze open en bloot op de daken gaan liggen, al dat witte vlees, stilgevallen en vergeten.

Soms zijn ze aandoenlijk delicaat, als ze van oud of jong, mooi of lelijk, de randjes van het gelaat volgen en niet te beroerd zijn om even te wachten. Trouwe honden van strepen licht, aan de naamloze randen van naamloze levens.

Soms zijn het schilders, als ze een blad, in tegenlicht, net tot aan die fijne randen hebben volgekleurd. Op zo’n manier dat je niet weet: is dit kleur, of is dit licht?

Soms verdwijnen ze even, om het alledaagse licht, dat goedige, onopvallende, doorzichtige licht, dat er altijd is, en probeert niets te vergeten, om dat brave licht ook wat erkenning te gunnen. Het licht waarin de dingen al zo lang zijn wat ze zijn, het mag ook herinnerd worden in al zijn zorgende aanwezigheid.

Speciaal hou ik van zonvlekken in kerken. Kleine kerkjes, waar ergens in een hoek een verloren moment blijft hangen in licht, tot bovenmenselijke kathedralen die moeite hebben om aan de grond te blijven.

En de grote sleep die de weggaande zon achter zich aantrekt over zee; of over het land, als het mooi laag en open is.

En de brandende vlekken die wolken kunnen zijn.

En moet ik muziek noemen voor al dit lichtgedans, ik noem de leeuwerik, die zingt voor de grootste zalen en blijft toch onzichtbaar, klanken als ongrijpbare spetters licht.


IMG_4218.JPG

 

(foto's: abdij Pontigny, Bourgondië & Brussel)

25-08-11

Mijn wonderen: schaduwen...

 

elias lachend (3) 17 juli 2011.jpg


Mijn wonderen: schaduwen...

 

De identiteit van schaduwen is dat ze er nauwelijks een hebben: ze zijn er wel, maar dan omwille van iets anders. Alles ten dienste van. Net als ramen: ze zijn er wel, maar ze laten zoveel wereld door, dat je hen niet meer opmerkt. Maar neem het glas weg, en de regen en de kou waaien zo door je. Zo is het ook met schaduwen: neem ze weg, en je krijgt een platte wereld, uit zijn ruimtelijkheid gevallen, uit zijn diepte. Neem de schaduwen weg, en de wereld is geen kunstwerk meer. 

Vandaar dat schaduwen, zo anders dan het licht dat alles laat zien, vaak geen duidelijke lijn hebben die afscheidt: het zijn kunstenaarshanden die onophoudelijk aan het boetseren zijn, die niet ophouden daar weer een accent aan te brengen, daar een ogenblik diepte, daar een golf en daar een achtergrond. Neem een gezicht, toch van het mooiste dat de wereld ons laat zien, en kijk eens naar die subtiele bewegingen die tot nu aan dat gezicht blijven werken: een lichte aquareltoets over de wangen, de neus een meesterproef van licht en donker, de ogen afgewerkt met het diepste donker dat er was en de meest duidelijke lichtvlek die een mens kan meedragen, het voorhoofd zo voorzichtig glooiend, de lippen met een uiterst zachte verf uitgestreken, de wangen, de kin, noem het en het is een werk dat nooit af is, het zijn duizend kunstenaarshanden die er aan bezig blijven, het is volheid die niet meer weet of ze ook niet leegte is.

Dit soort diepte aan de oppervlakte, dit soort scheppend dansen, daar mag ik lang naar kijken. De subtielste oefening in krijgen, noem ik dit: iets is er, en iets is er niet meer. De glans die op je gezicht lag, is het volgende moment weer onopvallend gewoon, maar ik heb haar gezien. Het lijf van de kat bestaat uit verborgen en zichtbare kracht, nu toch, nu ze zo onbewust van al dat leven in haar voorbij komt gestapt, maar ik heb haar gezien. Krijgen is het meest onopvallende dat maar kan gebeuren, even onscherp en wazig soms als de schaduwen zelf, maar zonder dit krijgen wist ik niets, viel ik uit de dimensies om achter te blijven met mijn lichaam, waarvan ik ook niet zou weten waartoe het diende.

Dat soort wazig schaduw zijn, half verborgen achter het licht dat altijd zo goed weet wat het wil, het lijkt me een geestestoestand om naar te streven: iemand moet bewonderen, iemand moet goed kijken en alle randen en vlakken leren zien, iemand moet luisteren en de betekenissen van de stiltes leren, iemand moet de diepte zo graag zien dat ze boven wil komen.

Soms zijn schaduwen wel scherp en dan moet ik goed opletten. Dan speelt de wereld hoog spel: fel licht, even zo felle warmte of koude, de tegenstellingen kijken elkaar in de ogen. Maar hoe fel ook, het is maar een spel, zie ik: ik stap de straat op in een vloedgolf van licht en leef nog als ik het donker van de schaduw inloop. En, als mijn ogen zich hebben aangepast, zie ik dat ook dit donker niet onherroepelijk is.

Maar van al dat scherpe kun je moe worden. Vandaar dat de avond rust moet brengen, met zijn lange uitgerokken schaduwen, alsof ze willen overtuigen dat alles weer traag mag, oeverloos lang en ver, een beetje ongrijpbaar en nooit meer definitief. Want straks is alles over, en heerst die echte oeverloosheid, die van het totale zwart. Maar dan slapen mensen, ook een soort schaduw.

Soms zijn schaduwen scherp omdat de dingen die mensen maken, recht afgesneden zijn. Mensen houden, om een of andere reden, van rechte lijnen, en dan moet de schaduw wel volgen, net als het licht. Maar ook hier zie ik, als ik goed kijk, dat de lichtlijn na wat afstand al aan het verflauwen is, dat de schaduw het wat langer volhoudt, maar ook haar eigen berusting kent. En toch, gebouwen, dingen en al wat des mensen is, wat zouden ze zijn zonder die vlekken, die contouren, zonder die vage beweging rond hun lijnen, niets toch, een lijn is maar een iel ding als ze enkel lijn is...

Van de gezichten sprak ik al, die wonderlijke schilderijen die zomaar op straat lopen. Maar even mooi vind ik vitrages en andere gordijnen van het lichte soort. Daar schuilt een beweging in te subtiel voor woorden. Dat zijn waarlijk lichamen, licht en schaduw samen in een omhelzing.

En even zo organisch vind ik een blad in tegenlicht van zon : dat dit grote zonlicht gevangen en getemperd en ingekleurd kan worden door zo zoiets simpels en ordinairs als een boomblad, dat vind ik tot op vandaag een voorbeeld van een waar wonder. En geen mooiere afgesneden randen dan deze, je loopt ze af met je ogen als met je fijnste vinger, het is aanraking op afstand.

En schaduwen die kunnen tekenen, ach ik heb altijd van die onverwachte talentjes gehouden. Een tak die weerspiegeld wordt op een muur, niet alleen Picasso kon goed tekenen. Alleen, je moet als voorbijganger wel even stilstaan.

En van die lange schaduwen: de ondergaande zon die heel mijn woonkamer doorkruist via het achterraam, of een wandeling op het strand, waar je niet alleen ver kunt kijken, ver kunt stappen, maar ook verre schaduwen kunt maken. Ooit ga je ook zo eindeloos lang ten onder, dat voel je, maar nu niet, nee. Nu mag je gewoon naar jezelf kijken met kinderlijke ogen.

En een schaduw door zon en lucht, net voor het onweer losbarst.

En de schaduwen rond je fijne vingers, en steeds meer, nu je ouder wordt, ook in die vingers.

En de stille schaduwen in een klein kerkje, dat van pretentieloosheid leeft en leeg is omdat ook de schaduwen leeg zijn, en iets leeg moet zijn om alles door te laten.

En de tralieschaduwen, soms, in een groot bos.

En de verzamelde schaduwen die een stap naar voren zetten als het avond wordt.

En al wat een ogenblik tegenlicht mag zijn: duif op het dak, dak tegen de lucht, wolkenrand, voetganger aan het eind van de straat. Tegenlicht is schaduw die een vorm redt, haar vult met eigen bestaan, opdat ze ook dit confronterende moment zou overleven. En het werkt: als het volgende ogenblik er komt, blijkt dat niets verloren is gegaan. Ook in het duister wordt blijkbaar alles bewaard. Ik vind dat heel troostrijk.