04-08-14

Auvergne: enkele kleinigheden

Nog wat rondgetrokken met de slaapauto in Noord-Auvergne. Zwerfbloed, jaja. Maar het was als rijden door een openluchtmuseum.

Niet alleen de oude weggetjes (we rijden bij voorkeur op de kleine wegen, wit op de Michelin) roepen de herinnering op aan voorbije generaties, mensen die hier rondstapten, wijnranken plantten, stenen op elkaar zetten tot huizen en kerken, maar ook de kleine versiering hier en daar doet dat: een ontroerende bloem op een verloren hoekje kerkmuur, een sierlijke uitsnede in een versleten houten poort, een mensenkop ingewerkt in het gietijzeren beslag op een kerkdeur, enzovoorts.

Als ik zoiets kleins tegenkom, dan is het vaak of ik beter de hand kan zien die daaraan gewerkt heeft...

IMG_0755.JPG

IMG_0623.JPG

IMG_0884.JPG

 

12-11-13

Onderweg in Frankenland 4

Nog wat zonlicht...

De stutten van de kathedraal van Bourges, en de Vézère.

IMG_8277.JPG

IMG_8496.JPG

09-11-13

Onderweg in Frankenland 3

Maar de zon is niet van de 12de eeuw, zonlicht is de enige eeuwigheid die we kunnen aanraken, die ons zowaar persoonlijk kent, zo lijkt het toch.

We hebben geluk. Er is een nazomer bezig die lui blijft lanterfanten, niet ophoudt met lummelen, spelen, grapjassen aan alle straathoeken, vensterluiken en dorpels, plooien in de gezichten. En als de dag vindt dat het genoeg is geweest, nog met een spottende vinger door de boomkruinen priemt, en over de randen van de heuvels rondom wrijven wil. Ach tijdloze zon, het is bijna november, en toch, dit is wellust die oud en wijs is geworden, maar wel wellust, jazeker.

Het zijn ook de gouden stenen die het doen: ze stralen als vanzelf, en in dit late seizoen kleuren de blaren mee, het is bijna teveel, een boeket dat te groot uitvalt, te duur zal worden voor een eenvoudige portemonnee als de onze.

IMG_8488.JPG

IMG_8612.JPG

08-11-13

drie verlegen engelen (Moutiers d'Ahun & Sornac)

IMG_8344.JPG

IMG_8346.JPG

IMG_8361.JPG

06-11-13

Onderweg in Frankenland 2

IMG_8666.JPG
Het romaanse erfgoed leidt onze wegen. We zien een wegwijzer naar de 12de eeuw, en we slaan in. En komen meestal terecht in een eeuw van vocht, en afgesleten muurstenen en plavuizen, en een nauw deurgat met een elegante halve cirkel rond, en wat stil licht in vensters en hoeken, en bogen die een dak ophouden, en oud kerkelijk spul in de hoeken en de kanten.

En soms staat er een bloem, is alles opgeruimd, vloeit licht binnen van ergens een bron buiten.

IMG_8287.JPGEn soms gaat het kerkje drijven, als vanzelf, je legt het niet uit. In Plaimpied tilt de crypte bloemknoppen op, in Moutiers d’Ahun staan twee verlegen engelen op ons te wachten, in Montmorillon zie ik de slankste middeleeuwse taille die je maar kunt voorstellen, één lange dansbeweging, het kleed met de heup mee naar binnen, haar ene arm verloren in de mouw die tot op de grond reikt, haar andere verloren gelegd in de andere heup, haar glimlach ingehouden. 

Maar meestal blijft zo’n kerkje op de grond, is ze een kleine wandeling lang. Ergens boven je stap beeldhouwwerk waar iemand lang aan wreef, of een fresco die nog alle borstelstreken laat zien. Er klinkt niets dan een soort stilte. Als dan een deur in het slot valt, lijkt het een ontploffing. 

Maar ook in de stadjes lopen we in een zwijgzame 12de eeuw. Huizen van dezelfde gerimpelde, vaak betraande stenen, deuren die kleine poortjes willen zijn, straatjes waarvan je je afvraagt wie er eerst was, zij of de huizen. In elk geval willen ze samen afbuigen, of glooien naar een beneden in het halfdonker.

04-11-13

Onderweg in Frankenland

De kathedraal van Bourges was een ontdekking: hoog op zuilenpoten, maar evenzeer hoog van verbeelding in de kleinste brandraamhoekjes (wat zagen al die naamloze ambachtslui toch in hun dromen 's nachts...), en van buiten een soortement spaceship, bezet door een buitenaardse macht. En daarboven een glanzend ondergaande zon. Praise the Lord.

 

IMG_8242.JPG

IMG_8237.JPG

IMG_8273.JPG

IMG_8275.JPG

17-09-12

vriendenbezoek

IMG_5470.JPG

 

 

Op vriendenbezoek in Budapest. Niet de grote, rumoerige stad zelf, maar net aan de rand, aan de kleine Donau, uitkijkend op boten en kano’s en andere roeiers. En mensen die bier drinken op een aangemeerd ponton. En buitenhuizen op een klein eilandje. En het eeuwig stromende water. Zo dicht bij de stad, en er toch zo fel buiten, hebben onze vrienden hier vijfentwintig jaar geleden een oude csarda gekocht en bijna totaal moeten heropbouwen. Csarda is een oud Hongaars woord voor café, en werd ook de naam van een volksdans, gespeeld door zigeunermuzikanten. Zij lerares Russisch en Engels, hij ingenieur. Erfgenamen van een woelige tijd (hij maakte van nabij de opstand van '56 mee), nu overlevers in een land waar de middenklasse het moeilijk heeft.

Maar ze zijn rijk aan boeken, aan vriendschap, aan wijsheid. En ze delen, alsof dat hun meest natuurlijke gave is.

En hun taal is een van de meest zangerige die ik ken. Het is geen toeval dat hier zoveel grote componisten hebben geleefd: Bartok, Kodaly, Lizst, Ligeti, Lehar, Kurtag. De toon van deze taal zal er iets mee te maken hebben. 

En de liefde voor poëzie. Ik weet niet of zij exemplarisch zijn voor de rest van de Hongaren, maar een kwart van hun boekenvoorraad bevat poëzie. De ontdekking deze keer is de in '44 vermoorde joodse dichter Miklos Radnoty. Ik citeer de Engelse vertaling van een bekend gedicht van hem, geschreven in ’41, in de angst van de oorlogsjaren, en in 2009 nog in aanwezigheid van honderden gezegd en beluisterd voor het huis van zijn weduwe: In your two arms

 

In your two arms I am rocking 

quietly.

In my two arms you are rocking

quietly.

In your two arms I’m a child, 

reticent.

In my two arms you’re a child, I’m 

listening.

With your two arms you embrace me 

when I am afraid.

With my two arms I embrace you, and 

I’m not afraid.

In your two arms even death’s great 

silence cannot

frighten me.

In your two arms I fall through death 

as through a dream – 

soundlessly.

 

(20/4/1941)

 

Radnoty bleef schrijven te midden van zijn gevangenschap in werkkampen. Eerst in zijn hoofd, want hij had maar een klein notitieboekje dat hij verborgen hield, en wilde geen papier verspillen. Ook liefdesgedichten, voor een vrouw die hij miste, en van dat missen bijna gek werd. Maar nooit schreef hij zo uitgepuurd als in dit gedicht, dat faam verwierf. 

Het wiegt letterlijk, door die armen, door die afwisseling (al kunnen zijn armen niets meer, op het eind...), door die vers-indeling. Reticent betekent zwijgzaam, gesloten. Zo zijn ze bij elkaar, woorden zijn vestild tot kleine beweging van leven, die aan elkaar wordt gegeven. En tot de beweging van de innerlijke, beluisterde, stille kracht van dit gedicht in hen beiden.

De eenvoud van dit gedicht is noodzaak. Het is wat overblijft, meer is er niet. Misschien kunnen wij de diepte van het woord arm maar aanvoelen, als we die geliefde arm zo lang, zo wanhopig missen? En de diepte van een bewering als ik ben niet bang meer, als geliefde armen ons zo vasthouden? Woorden teruggebracht tot de essentie die ook kinderen moeten voelen, als hun ouders hen sussen, met armen, met kleine geluidjes, met de warmte van een klein woord...

28-08-12

Studie (8): Dettifoss (IJsland)

IMG_5895-001.JPG

 

 

 Studie (8): Dettifoss (Ijsland)

 

As is de vlugste steen.

Rots de traagste.

Daartussen stijgt de nevel.

En valt het water als

uit zichzelf.

 

Voorbij een bepaalde grens

kun je enkel naar

de overkant kijken.

Besef van vernietiging.

Of van geboorte.


IMG_5915.JPG

 

 

Niets bereidt je voor op de immensiteit, in beeld en geluid, van Dettifoss (de grootste waterval van Europa, als dat iets zegt). Alsof er constant, onder je ogen, een jumbo neerstort. Ik krijg er alleen nog meer bewondering voor basalt door, die scherp gesneden, glanzende rotsen, met hun voorliefde voor rechte lijnen, grote zuilen, steendelen die op elkaar liggen als Incamuren, nauwelijks verweerd, nieuw als op de dag van de schepping. Enkel basalt kan dit neerstortende geweld aan. en dan nog moet het toegeven, maar traag. het is een canyon, maar niet een van de diepste. Deze gletsjerrivier moet niet denken dat hij alles kan en mag.

 

23-08-12

Input (2)

IMG_5405.JPG

 

Het zijn de kleine dingen die je redden. De Eifeltoren moet je gezien hebben, natuurlijk. En liefst niet alleen uit de verte, want zijn poten zijn wonderschoon. En liefst niet alleen van de begane grond, want elk groot vogelperspectief tilt een mens letterlijk even van de grond. (Maar dan mag je niet teveel nadenken over de rijen waarin je moet overleven, om aan een ticketje en de ingang te geraken. Niet nadenken over het massale van mensen, het onpersoonlijke, de uitzonderingen die nooit in rijen moeten staan, enzovoorts. Giftige gedachten zijn het, dampen die traag naar je hoofd stijgen. Maar goed, ooit zag ik in wat toen nog het Oostblok was, rijen mensen voor brood. Dàt was pas vernedering. )

Maar de kleine dingen dus. 

Zo’n schaduw van een plantje tegen een zonbelichte muur.

Of de wiegende schaduw in een rood raamgordijn.

Of een tekening op een verloren muur: een zwarte koning, met staatsiepak en kroon, en kleine sleutel in de hand, en daaronder: “On est tous roi d’un pays qui n’existe pas”. Een bleke vogelstront heeft een heel lichte traan door zijn oog getrokken. 

Of ontmoetingen zoals ik ze enkele dagen geleden beschreef. Gezichten die je bijblijven.

Of een plakkaat op een muur, dat even door de tijd kijkt.

Of  een leeg pleintje, betrapt in zijn eigen verzonkenheid.

Oude vrouw met haarnetje, luchtend in het open raam van een eerste verdieping.

Man die even vergeet dat hij standbeeld moet zijn, in zijn witte outfit, en om een foto bedelt bij een Japanse in kimono, en daar dan oprecht blij mee is.

De bedelende duiven.

De honderden fototoestellen in een kring rond de Venus van Milo in het Louvre, even onbeschaamd hongerig als de duiven.

De garagepoort waar in fluo op gespoten is: “Dieu c’est ta mère”.

De schaduwen van huizendaken op de tegenoverliggende muur.

Kleintjes, dus.

Maar ze zijn van aard om je aandacht even volledig op te slokken. Even dus vergeet je al dat grote tollend rond je kop.

Of hoe klein en groot eigenlijk hele subjectieve categorieën zijn.

Of hoe het af en toe nodig is met je twee voeten ook in de grond te gaan staan, op één plek, hoe klein en hoe verborgen ook...


IMG_5373.JPG

 
IMG_5395.JPG

22-08-12

Input (het klepperen van de grootstad)

IMG_5400.JPG

 

 

Hoeveel input kan een mens redelijkerwijs verwerken om niet overspoeld, weggespoeld te raken? Als we ’s morgens de bus nemen van Vitry naar Porte de Choissy, het eerste metrostation waar we induiken, heb ik al meer mensen gezien dan op een gewone andere dag thuis. Meer gepiep, geratel, geraas gehoord, meer stemmen ook, al komen die zachter binnen dan de massieve achtergrond. Heb ik meer teksten gelezen op straatborden, op huizen, op T-shirts, op gekraste busramen. De hele wereld loopt hier voor mijn ogen: zwarte en bleke Afrikanen, kleinere Aziaten, blanken die misschien hier ook niet geboren zijn. Jong, met die prachtige huid van jonge mensen, ouderen, met dat levensverhaal getekend op hun lichaam. En iedereen verzonken in haar of zijn gedachten, of spelend met het telefoontje, of de kop gedrenkt in muziek. 

Het mooie is als er twee elkaar herkennen. Dan ontstaat onvermoed leven. Zie ik een strenge, zwartgehoofddoekte vrouw, met een gezicht even strak toegesnoerd, plots ontdooien bij de groet en de lach van een jonge Afrikaanse, het haar hoog opgestoken op wat vanzelf al een lang uitgerokken gezicht is. Ze babbelen honderduit, maar dat valt niet op te midden van een bus die kreunt en kraakt en optrekt en weer piepend remt. Alleen hun gezichten vallen op: ze lachen en stralen, en maken duidelijk dat mensen meer zijn dan eilandjes in een archipel. Mensen koesteren hun geschiedenis, en als ze die kunnen delen, dan ontstaat er merkwaardig veel leven.

Zulke gesprekjes heb je niet in de metro. Daar verzinkt men nog meer. De metro, dat is instappen en uitstappen, en daartussen heb je even niet geleefd. Zelfs de clochard op de bank zit daar alsof hij nooit meer zal opstaan. Zijn onderbenen zitten vol wondjes. Zie ik in het voorbijgaan. Input. Ach.

 

19-08-12

Mensen in Parijs...

IMG_5387.JPG

 

Mensen in Parijs:

De twee gelijk geklede zusjes zittend op trappen in Montmartre.

De jonge vrouw, oudgeworden en al wat gebogen, die gaat zitten in de bus en blijkbaar zo’n stank verspreidt dat de vrouw naast haar, even oud maar jong gebleven, van zenuwen de slappe lach krijgt achter haar hand, tenslotte opstaat, maar blijft lachen.

Al die armen, schouders, voorhoofden, handen, halzen zomaar dichtbij voor je ogen in de metro.

Een hele coupé smartphonenden in de metro.

De zigeunervrouwen, bij elkaar staand aan de funiculaire van Montmartre, maar tegen elkaar roepend alsof een straatbreedte ze scheidt.

De suppoosten in het Louvre, terwijl de mensenzee met lichamen en stemmengeraas rond hen spoelt en ze, telkens opnieuw, moeten uitleggen in welk deel van dit doolhof mensen zich bevinden.

De bolronde zwarte vrouw aan de kassa van de supermarkt, die de bestellingen scant en ondertussen vraagt hoe het met de vrouw voor haar is, en met haar kinderen.

De hond van de blinde vrouw, in de tentoonstelling met werk van Gerhardt Richter, hoog op het vierde van het Centre Pompidou: nooit zag ik stiller, meer rustig, ingetogen dier, van een zachtheid die ook sommige schilderijen van Richter hadden: je had ze willen strelen...

De kelner van Le Progrès, een hoekcafé, die zich tegen een apéro drinkende stamgast druk maakt over het feit dat hij zijn Engels had moeten zoeken omdat een Amerikaans stel blijkbaar geen woord Frans verstond.

De lege, geïmproviseerde slaapplek onder de zuilen van het Muséé d’Art Moderne de la ville de Paris (met zo’n naam heb je algauw een paar zuilen over), die minder leeg was dan je van een normaal bed gewoon bent.

De jongeman drinkend in openlucht bij hetzelfde museum en dezelfde zuilen: hij praat enthousiast tegen een jong meisje voor hem, maar kijkt na elke zin met bruuske beweging opzij naar omhoog, een tic die voor haar uiterst vermoeiend moet zijn.

De oude man met wandelstok, die als ik hem groet, mij eerst een tel vragend aankijkt, en dan met een minzame, ingehouden hoofdknik teruggroet, licht spottend lijkt het wel, en toch welwillend.

Het moeilijk tembare haar van zwarte mensen.

De overmoedige die midden in de nacht tussen de flatgebouwen optrekt, ruwe, opjagende stoten van gas, repen geluid die weerkaatsen tussen de hoge muren.

Het bord op de ene school herinnert aan de deportatie van haar joodse leerlingen. Op de andere school een analoog bord, met daaronder nog de naam van de directrice, Yvonne Le Tac. Zij heeft blijkbaar de oorlog wel overleefd. En zo lopen tussen de levenden nog altijd de doden...   


IMG_5401.JPG

08-08-12

Golvende lijnen

Of hoe een landschap (hier in West-IJsland) kiest voor poëzie, en niet voor wiskunde.

Wiskunde zag ik op de zee, onderweg hier naartoe. Nooit een grotere rechtere lijn ontmoet dan de horizon op zee. Je kunt daar tien minuten naar kijken, het is groot, het is geweldig, maar dan is het ook op. Recht blijft recht.  

Maar dat is omdat de zee zo groot is. Kijk ik naar het water dichterbij, dan golft het ook daar, en even zo verrassend. (Ik dacht, ik maak er een foto van. Iedereen was maar afscheidnemende fjorden aan het fotograferen, en ik richtte mijn camera naar beneden...)  

Toen ik nog op de schoolbanken zat, was wiskunde ook zo groot. Laten we zeggen dat ik er toen ook vlug op uitgekeken was. Zelfs geen rechte lijnen zag ik. Alleen een soort mist, zonder kleur, waarvan de leraar zei dat het een opgave was. En dat ik kon beginnen. Ja, begin maar, als je niets ziet.

Jammer dat toen niet even een golfje opzij, of een grappige breuk, of een slank algebraïsch lichaampje mij weer bij de les bracht. Nee, die tekens zeiden nooit iets. Laat staan dat ze plots zouden beginnen zingen. Of dansen. Of vertellen. Wiskunde, ach ach. Het moet er zijn, dat begrijp ik. Maar zo streng, jong. En zo stijf.

IMG_4882.JPG

 

IMG_5004.JPG

IMG_5988.JPG

04-08-12

ijsland als passie

IMG_5984.JPG

 

IJsland als passie.

Nog nooit hebben wij, op reis in deze grote wereld, een land ontmoet dat zoveel passie oproept, ja waarlijk een schare fanaten verzamelt. Telkens weer kwamen we mensen tegen die meer dan verliefd waren geworden op dit land, die er hun hart hadden verloren, die maar bleven terugkomen, soms al dertig keer. De gids van Anders Reizen, die we voor ons vertrek ontmoetten; de Duitser naast ons bij het ontschepen in Seydisfjordur, in een schonkige 4x4, die we een half uur later van de hoofdweg zien afslaan naar het zoveelste onmogelijke landweggetje van zijn zoveelste reis hier; de Nederlander in zijn veel kleinere Suzuki 4x4, maar met de juiste banden, en die op mijn vraag wat hem hier zo aantrekt, antwoordt: de vrijheid...; de jonge vrouw die we meenemen als lifster, beladen als een ezelin, en die een Zwitserse beeldende kunstenares blijkt, voor wie dit land een verslaving en een inspiratiebron tegelijk is, al twee maanden stapt ze hier weer rond, onder andere in de verlatenheid van Hornstandir aan de Westkust, zich afvragend wat ze moest doen: definitief zich hier vestigen, of toch maar blijven pendelen, en alle beelden meenemen en uitwerken haar land; de Ijslandse jonge vrouw achter de toeristeninfobalie, die een aantal jaren met haar Oostenrijkse vriend in Wenen had gewoond, maar haar kleine dorp niet kon missen; de vrouw die ons meenam naar het vogeleiland Grimsey, een jaar als uitwisselingsstudente in Gent gewoond, in Australië gewoond, zij kon overal leven, zei ze, maar haar passie was dit eiland, en een mens moet toch tijd maken voor zijn of haar passie... 

 

IMG_5061-001.JPG

 

02-08-12

Laatavondlicht in Patriksfjordur (West-Ijsland)

IMG_4965-001.JPG





Er loopt nog een groot uurwerk.

Glanzend van handen,

die open gingen

en toe.

 

Alle monden zitten vol adem,

nog. Ze zullen moeten

slikken of

stikken.


IMG_4966.JPG


IMG_4967.JPG

31-07-12

ijsland, een eiland (8): over het licht...

IMG_5164-001.JPG




Dit is het hardste licht dat ik ooit zag. Je ziet het aan de schaduwen op de bergwanden, aan de diepe witheid van de kerkjes, aan de volle ruimtelijkheid van de dalen, aan de niet aflatende avondzon, aan de nood om je ogen te beschermen, ook als er geen zon is.

Ander licht, dat van het voorbije. In een café in Isafjordur zie ik toevallig oude foto’s van de houten huizen in de Westfjordse onherbergzaamheid. Ze ontroeren. Recht tegenover ons, aan de overkant van de fjord, ligt Hornstrandir, nu volledig verlaten en natuurgebied geworden. Toen nog de plek waar boerenfamilies, crofters, een armtierig bestaan probeerden op te bouwen, al zullen het in hun hoofd ook dromen geweest zijn. Talrijk is het gezin dat ik op de foto voor mij zie, de kinderen soms fijn, vaker ruw gesneden al. De moeder het meest verweerd.

Nog licht: de wolken in al hun vormen (compact, rafels, dekbedden, zwart, wit en alle grijzen daartussen) en snelheden zijn even zovele schermen en filters voor de spots die telkens weer opengaan op een andere plek van dit grootse decor met bergen, dalen, vergezichten. Alsof nu, op die ene boerderij op deze helling, de volgende acte van de opera gespeeld zal worden. Muziek: de zware stilte, het eentonige gehak van regendruppels, het melodieloze fluiten van vogels, verre of dichte stemmen van mensen, autogeronk. Maar dan weer en altijd de stilte, die meer is dan afwezigheid van geluid, maar een verzonken liggen van al dat grote in zichzelf, alsof dat een eigen, naamloze, onhoorbare klank heeft. Een beetje zoals het zwijgen van een berg, maar dan in samenspel met al het andere hier, want niet alleen de bergen zijn hier groot.

De totale afwezigheid van reclameborden langs de wegen. Ook een soort klaarheid...

30-07-12

IJsland, een eiland (7): Skogafoss

 

IMG_4780.JPG

IMG_4755.JPG

IMG_4776.JPG

IMG_4777.JPG

29-07-12

IJsland, een jong eiland (7)

Sommige erupties zijn tweeduizend jaar oud, sommige zijn 20 of 2 jaar oud... En onder de grond zitten er andere klaar. Stil is het nooit, onder de grond van IJsland. 

IMG_5845-001.JPG 

IMG_5856-001.JPG

 

IMG_5887-001.JPG

 

IMG_5757-001.JPG

 

 

IMG_5832.JPG

 

 

IMG_5743.JPG

28-07-12

IJsland, een eiland (6)

Papegaaiduikers en de nazaten van de paarden die de Noormannen eeuwen geleden meebrachten. De enen nestelen aan de randen van de kliffen, broeden en trekken dan weer voor de rest van het jaar naar de grote oceaan. De anderen hebben zich aangepast tot kleine, sterke overleveraars in de Ijslandse kou.

IMG_4950.JPG

IMG_4601-001.JPG

26-07-12

IJsland, een eiland (5): Jokulsarlon, gletsjermeer

Van de Breidammerkurgletsjer breken geregeld stukken af, die dan heel langzaam, als kleine en wat grotere ijsbergen, wegdrijven naar zee.

IMG_4389-001.JPG

IMG_4394-001.JPG

IMG_4407-001.JPG

 

 

25-07-12

IJsland, een eiland (4)

Klein versus groot...

IMG_5987.JPG

IMG_4877.JPG

24-07-12

Ijsland, een eiland (3): Svartifoss

Svartifoss is niet zomaar een waterval, dat wil zeggen overtollig water dat ergens domweg naar beneden valt, in plaats van de stille, geleidelijke weg te nemen. Nee, Svartifoss is een kunstwerk. Een orgel met hangende basaltpijpen. Een plooirok van basalt. Een beeldhouwwerk waar de vorm belangrijker is dan de inhoud, de verhoudingen belangrijker dan de hoeveelheid.  

En hé man, all my respect for basalt: die ongelooflijk taaie zeshoeken hebben mijn hart gestolen. Je vindt ze hier overal, maar nergens zo mooi als dit vreemde gordijn, deze uitgestelde zwaartekracht, deze bijna delicate schouders onder het vluchtige, ongeduldige water.

IMG_4505.JPG

IMG_4511.JPG

IMG_4512.JPG

IMG_4522.JPG

IMG_4519.JPG

22-07-12

IJsland, een eiland

IMG_4382.JPG

 

 

Het eiland Ijsland is (tot onze verrukking hoor, we rijden hier de eerste dagen rond in een soort lichte euforie) een permanente aanslag op onze verwachtingen:

-Normaal ligt de sneeuwgrens ’s zomers op meer dan 3000 meter, hier ligt de sneeuw er nog op enkele honderden meters van de begane grond, zwart-witte plekken waar Hergé zijn pen op had kunnen botvieren.

-Normaal vind je gletsjers op verre afstanden, hoog verheven boven het werkende dagelijkse leven, hier liggen ze naast de straat waar je naar je werk rijdt.

-Normaal moet je voor bergpassen hoge Alpen of Pyreneeën in, hier begint een vervaarlijke pas al na 10 minuten klimmen, enkel rots en rots en rots, en daartussen de grijsbruine kiezelweg, soms zo scherp dalend dat het slechts in 1e versnelling kan, stapvoets.

-Normaal doen bergen er een tijdje over om hoog te worden, zodat de kleine mens die langskomt zich geleidelijk bewust kan worden dat hier iets heel groots aanwezig is. Hier schieten de hellingen naast je auto de hoogte in, en voel je je maar puin tussen het andere puin dat aan de voet ervan mag liggen.

-Normaal verwacht je in het Noorden kou, en regen, hier schijnt al weken een felle zon, met wolken die temperen zoals wolken dat hier doen: een wild spel van schaduwen en vlekken en poelen fel licht.

-Normaal associeer je geothermisch heet water met geysers en fosforvelden en dreigende ondergrond. Die zijn er wel, maar dat hete water vind je ook goedaardig klein in bronnen naast de weg, waar de mensen hun auto parkeren om een uurtje te gaan liggen in een rond bronpoeltje waar de brandende ondergrond is teruggebracht tot bubbels in het water en zalige warmte (soms bouwt men er een zwembad naast, met blauw water dat even warm is).

-Normaal staan er op aarde bomen, om de afstand tot de lucht wat te verkleinen, hier heb je enkel die twee: aarde en hemel, en rechtstaan moet voor een mens soms eenzaam naakt leven zijn, als de seizoenen moeilijk doen, want bergen en oceaan zijn er wel, en die helpen niet erg mee, integendeel. Vooral in de Westfjorden is leven tussen al deze grootheden bijna onmenselijk voor een mens. Normaal heeft die wat ademruimte, om in te lopen, om op te telen, om een huis te bouwen, maar hier blijft enkel een stripje land aan de rand van de fjord, onder de bergrand, uitkijkend op de vaak wrede zee. Mensen zijn niet als de bloemetjes en de mossen en de heide, die kunnen met nog minder voort, en zijn nog harder in hun overleven. Mensen doen voort zolang ze kunnen, en als het teveel is, gaan ze weg.

-Normaal is een rotstuin van het moeilijkste in de hofcultuur, delicaat en met zorg aan te leggen, hier is heel het eiland één grote rotstuin, kleine meesterwerkjes tussen al die stenen, zomaar, omdat er genoeg tijd was en ruimte en die speciale wilskracht van bloemen en grassen.

-En de grootste aanslag op je verwachtingen: waar is het donker? Normaal wordt het ’s avonds avond, en na een tijdje komt dan het donker, en leggen mensen zich te ruste achter hun ogen. Hier schijnt de zon nog om halftwaalf, twaalf uur als we gaan slapen, het is wel een lage, uitgewoede zon, maar toch. En als ik enkele uren later opsta, om het water zijn beloop te laten, merk ik dat het licht misschien nooit weg is geweest. 

 

10-05-12

Zuidelijk Bourgondië

IMG_4241.JPG



Een weekje Zuidelijk Bourgondië

1 Lente is een pointillistische schilder: al die blaadjes, verfspatjes die met licht zijn opgevuld. Soms, in de bossen, rijden we door een 3-D schilderij.

2 Beaune, Maison Dieu. Het Laatste Oordeel van Rogier van der Weyden (Roger de la Pasture staat er op de rand van de lijst), en ik kan mijn ogen niet afhouden van de enige figuur die mij aankijkt, van de roze wolken die achter alles en iedereen hun weg verder zetten, van de glans die op zekerheid ligt, van het evenwicht die zo’n drie-vorm uitstraalt.

3 Op een folder een andere triptiek ontdekt, te vinden in een onooglijk dorpje: Ternant. We zoeken en vinden. Twee triptieken zijn het, werk uit een Brussels atelier: het passieverhaal van “ons Heer”, en het leven van Maria. Allebei mengeling van beeldhouwwerk en schilderij. Allebei fascinerend gedetailleerd uitgewerkt en dichtbij. Ik kan mijn ogen niet afhouden van de roodharige Maria-Magdalena, en haar immense droefheid om de geliefde dode.

4 De beige, lichtgevende stenen van huizen en kerken hier. In Paray-le-monial schijnen ze binnenin, met een heel speciaal licht.

5 Omdat de rivieren hier te grillig zijn, wellicht niet te temmen wegens teveel verval, zijn kilometers kanalen aangelegd, met honderden sluizen. Ze liggen vol binnenschepen, of hoe noem je die kleine vrachtschepen, nu vertimmerd tot innemende woonboten. Zo anders dan de jachten van de zeehavens, met hun patserig wit en pronkende zeilen.

6 Aan zo’n stilgevallen kanaal eten we in een kikkerrestaurant. Kikkerbilletjes in tientallen bereidingen, en overal kluivende eters. Wij verkiezen coq-au-vin.

7 Ook aan zo’n kanaal, face à face, een fabriek en aan de overkant de abdij Sept Fons. We zijn net op tijd voor de vespers. Ik schrik mij een hoedje: tachtig of meer trappistenmonniken, twee derden jong tot zeer jong. Het lijkt een zootje ongeregeld als de klok gaat en de binnenkomenden zich mengen tussen wie al daar zat te bidden, op de grond, in de banken. Soms zie ik er een paar ginnegappen met elkaar.

En dan heeft ieder zijn plek gevonden en daalt rust over hen. Er zitten meer dan tien Aziaten tussen, en een vijftal Afrikanen, opvallend tussen dat wit met hun donkere huid.

Vooraan wordt, aan een koord, een klok geluid, dan klinkt het orgel op, en uit de vele mannenmonden komt het diepe, oude geluid van dit soort koorgebed, als een bal tussen hen heen en weer geworpen, met even de tijd om lucht te happen.

Veel van de doorgegeven woorden klinken bevreemdend, maar niet alles: als in de psalmen om erkenning, nabijheid, een blik geroepen wordt, dan is er wel herkenning.

Ik kijk, en probeer mij de spirituele ervaring voor te stellen die zulke jonge mannen hier heeft gebracht. Het zijn nog jongens soms, maar kaalgeschoren, radicaal in hun keuze. Vooraan, centraal in een brandglasraam, waakt Maria met haar kind, als hun nieuwe moedertje.

8 Van dat andere, veel beroemdere klooster, Clairvaux, waar Bernardus leefde en inspireerde, bezoeken we wat overblijft: een gevangenis, met ijzeren kooien. Sedert Napoleon gebruikte men gevangenissen als detentiecentra, vasthoudcentra, vrijheidsberovende plekken, en niet louter meer als opsluiting in afwachting van de lichamelijke straf (pijniging, doodstraf, galeien, verbanning). En de grote gebouwen van kloosters, leeggeschopt door de revolutie, waren daar, mits enige aanpassing, goed geschikt voor. Maar wat een gruwel...

9 In Musée Rolin (Autun) danst Eva, nee ze zweeft rond de appel die haar verlangen is. Maar die appel is niet belangrijk. Dat is haar dansende lichaam. Een beeldhouwer die een choreografie maakt. autun-eve.jpg

10 Morvan: een landschap als een tuin. Alsof een geniale, Engelse landschapsarchitect je de ene verrassing na de andere bezorgt. Je moet alleen een hoek omslaan. En wat zonlicht hebben.

11 La Ferté-Loupière. De kerk is verloederd lelijk, maar daar letten we niet op. We kijken naar de uitzonderlijke Dodendans op een muur van het schip. De geraamten van de dood dansen met alle standen, zonder onderscheid. Hun knokige knieën en dijen suggereren een beweging van plezier, alsof het leven een grap is die ze vertellen. De mensen dansen niet, er ligt op paus, koning, kardinaal, jonker, dame, ambachtsman, monnik, burger en kind een melancholische zwaarte, ontdaan van alle religieuze of andere troost. 


IMG_4240.JPG



12-08-11

Outback: de schoonheid van het vergankelijke...

Nog wat outback, omdat het u blijkbaar plezier doet: in het verlaten mijndorpje Gwalia raakte ik gefascineerd door de vitrages in de blikken huisjes. Achter elkaar gezet, vormen ze een kleine oefening in schoonheid van het vergankelijke...

 

IMG_2823-1.JPG

IMG_2844-1.JPGIMG_2825-1.JPGIMG_2829-1.JPGIMG_2831-1.JPGIMG_2840-1.JPGIMG_2842-1.JPG

08-08-11

Australisch dagboek (4)

 

IMG_2766.JPG

 

IMG_2767.JPG

 

 

Zat 03 03 – Dins 19 03: Western Australia

De outback is een aangrijpende plek. Niet alleen harde schoonheid van rode steenaarde, van eentonige eindeloosheid die toch weer uniek blijkt als je te voet gaat en af en toe stil staat om te kijken, van ongrijpbare tijdloosheid waar de bomen en stenen en mensen en de achtergelaten voorwerpen iets van willen afdoen in een schamele poging om tijdelijk aanwezig te zijn, maar ook plek van droom: goud, de droom van een ander leven, de belofte van ruimte en aanwezigheid... 

Er is een wereld onder de grond die alleen de eucaplyptussen en de andere bomen kennen, wanneer hun wortels zo diep graven dat ze water vinden om de bitterste droogte door te komen. Onder deze rode woestenij bevinden zich de grootste onderwatermeren ter wereld. De aboriginals onthielden de bronplekken door er liederen van te maken: liederen die aardrijkskunde in kaart brengen, dromen die het aanwezige leven bewaren door het te drinken te geven. Bruce Chatwin noemde hen songlines. Zijn boek is beroemd geworden.

Waarom dan, aan de randen van deze multiculti maatschappij, maken ze zo’n indruk van zieligheid, de pas dan zichtbare oerinwoners? Zijn zij niet de oudste beschaving ter wereld, hoeveel klimaatwisselingen hebben zij niet overleefd? Strekken hun wortels zich niet uit onder en boven de grond, deze onhergbergzame grond die elke landbouwbeschaving uiterst hachelijk maakt en alleen nomadenleven toelaat? Ik zal moeten aanvaarden dat deze vragen geen antwoord zullen krijgen, de Ozzies zelf weten het ook niet, denk ik.

Weten de aboriginals het? Een maatschappij die leeft van en deelt in het moment, en privébezit allicht een vreemde blanke notie vindt, hoe moet die overleven in een wereld waar elke vierkante kilometer een hek en omheining en juridische papieren rond zich heeft? In Alice Springs hoorden we, bij een vorige reis, een blanke opaalhandelaar met onverholen onbegrip spreken over een aboriginalman die boven een rijke opaalader leefde en daar niets mee deed, niets mee wilde doen. Alsof geld dat je niet wil hebben een misdaad is.

De geschiedenis van de goudkoorts is fascinerend: die koorts, inderdaad, die duizenden (ook begoede avonturiers) aanstak als een epidemie, en waar nu alleen nog de duizenden kleine mijnputten van overblijven, en verder de horizon waar een bergrug een moderne openluchtmijn aanduidt, waar de bulldozers en huizenhoge vrachtwagens nu het werk doen. Zo’n dorp kon ontstaan gedurende een nacht, na weer een nieuwe ontdekking van een goudader, ijzeren golfplaten samengetimmerd tot krotten waar toch een familie in leven moest, en later soms hotels en banken en een station. En even vlug, overnight, kon iedereen weer wegtrekken...

De enige getuigenis die achterblijft, niet verdwijnt in het niets, zijn de kerkhoven. In de rode steenaarde liggen de naamlozen achter hun nummer, vaak zo jong, slachtoffer van alles wat het leven moeilijk maakt: weer en wind, armoede, ziekte, ongeval, misdaad. Hier en daar heeft iemand een zerk gekregen van zijn loving mother, een jongen die het verdriet achterliet. Ik zie graven van nurses, jonge vrouwen die hier een onmogelijke strijd voerden, soms ook vermoord werden. Hoe leeg ook, deze kerkhoven zijn nog vol van toen, en ik moet niet alleen een pijnlijke zon en irritante vliegen van mij weghouden, maar ook beelden van een te klein leven en een te grote dood, zeker als ik begin te letten op de leeftijd van zovelen die hier liggen.

En toch is dit een land om in te trekken, je kunt nu eenmaal niet anders, de afstanden zijn gewoon te groot, in die zin blijft iedereen in Oz een aboriginal, een rondtrekkende. Tenzij je natuurlijk op een kluitje gaat wonen in de torens van Melbourne of Sydney ontkom je er in Oz niet aan te bewegen, met je 4x4, of je uti (van utility car, zo’n centaur van half personenauto, half vrachtauto). Dit is het land van de trekkers, mensen die op kampeerplaatsen allerhande (soms zelfs de meest eenzame) dagen doorbrengen en dan weer verder trekken, ergens elders naartoe. Of die de ongebaande paden nemen dwars door nowhere, vertrouwend op genoeg water en benzine en eten en autobanden en good luck. Het Nieuw-Zeelandse koppel dat we ontmoeten (“Hi I am Dean, hi I am Trish, we are kiwi’s”) had niet alleen een stevige Toyotajeep (‘ the best!”), maar was ook lid van een nationale radio-amateurgroep waardoor ze honderden mensen konden contacteren en had ook de laatste satelliettelefoon en gps voorhanden (“otherwise it’s suicide to go there on your own,” vroeg ik; ze knikten, ernstig).

 

IMG_2778.JPG

 

IMG_2837.JPG

 

IMG_2853.JPG

05-08-11

Australisch dagboek (3)

IMG_5624.JPG

 

Zondag 20 03


Een museum is niet zomaar wetenschap, een verzameling feiten waar wat orde is in gebracht. Een museum is eerst en vooral ook een verhaal. Vele verhalen, van het toevallige dat het bestaan heeft achtergelaten en hier nu te zien is. Ook dat verhaal willen we horen en zien, en gelukkig beginnen steeds meer musea dat te begrijpen. In The National Museum of Australia (Canberra) komen we levens tegen in hun tragiek, in hun succes, in hun kleine grootheid.

Carmello Mirabelli, geboren in Sicilie in 1930, zoon van een vader die stierf toen Carmelo drie maanden oud was, waarschijnlijk door toedoen van de politie omdat hij het fascistische regime niet had gesteund. In elk geval werd zijn vrouw jarenlang gediscrimineerd, tot Carmelo in 1951 is geëmigreerd, als fruitplukker (we zien zijn canvas plukkerszak, we zien de fiets waarmee hij van farm naar farm trok, we zien hoeveel geld hij overschrijft naar zijn moeder, we zien zijn Zeiss Ikon waarmee hij zijn leven voor het thuisfront documenteert).

War bride Erin Craig die op een bal een Amerikaanse soldaat ontmoet, en tot na de oorlog moet wachten voor ze naar San Francisco kan verhuizen, waar haar dochtertje Iris voor het eerst haar vader zal zien (op de boot wordt ze verkozen tot kleine miss roodharige en krijgt ze een rood gestikt varkentje als trofee, het varkentje heeft ze altijd bewaard, samenvatting van al wat in die eerste levensjaren is gebeurd en nu te zien in de tentoonstelling).

Muriel McPhee, die 18 was in  1916 en tijdens en na de oorlog een huwelijksuitzet stikte en haakte voor een geliefde die, net als 60.000 andere Aussie soldaten nooit zou terugkomen. Haar hele leven stonden twee foto’s en lagen twee ringen op haar bureau: de eerste foto van haar broer Bill, de tweede van een jonge soldaat, over wie ze nooit sprak en die niemand dus bij naam heeft gekend. Muriel McPhee is de rest van haar leven vrijgezel gebleven. Naast een hemd en onderkleed lagen er ook zes gehaakte eiwarmers, bijna mutsjes voor een vroeggeborene. Zijn die eiwarmers overtollig in een museum dat al zoveel gegevens bevat? Nee, ze spreken van dat diepe verlangen naar een gedeeld leven van rust en warmte, in een huis met muren en lange jaren...

 

IMG_5625.JPG

 

 

 

(Canberra, National Museum)

08-07-11

Australisch dagboek (2)

 

IMG_3432.JPG

 

 

Vrij 11-03-2011


De dagen ontsnappen me hier. Niet systematisch, maar soms is er eentje dat er van tussenuit glipt. Ik zou geld gegeven hebben, zo overtuigd was ik dat het donderdag was. En nu blijkt het vrijdag te zijn. De tijd die een blackout krijgt. Niet erg, als het maar niet te veel gebeurt...

 

Wildwood, a journey through trees, van de Brit Roger Deakin, is zo’n zeldzaam boek dat je een nieuwe blik geeft, of de oude blik weer jong en fris maakt. Ik heb altijd van bomen gehouden, maar veel meer dan bewondering was het niet. Deakins bomen zijn wezens die een leven kunnen vullen, met hun weelderig, kleur- en geur- en smaak- en tastrijk bestaan, met hun bijna-tijdloosheid. De grootste levende wezens op aarde zijn bomen. Ze leveren kunstenaars materiaal voor grote kunst (ik ontdek de beeldhouwers David Nash en Roger Ackling en ben onder de indruk).

 

De vorige keer dat ik hier in Australië was, bladerde ik in een boek Remarkable Australian Trees, zo’n fotoboek dat je onmiddellijk zou willen nareizen. Als de kleine profeet Elias wat meer gewicht krijgt, is er misschien ook tijd om dat te doen.

 

Lezend in Deakin komen ook alle bomen terug waartussen ik opgegroeid ben:

 * de lange rij wilgen langs de dreef om de hoeve binnen te rijden, aan een sloot waarop wij soms in zelfgemaakte bootjes voeren (voor zover dat ging met al die overhangende takken en zo’n klein water);

* de populieren aan de westkant van het huis, aan de rand van het water dat het huis omgaf (als we er opklommen, was dat om indruk te maken, want zonder risico voor de edele delen en de dijen was dat niet);

* de kastanjes aan de zuidkant, die kraakten onder de herfst- en winterstormen (ik hoorde het geluid als ik in bed lag, luisterend in het duister);

* de beuk die half over het water hing en waarop ik klom als ik gevaar wilde voelen (ik wisselde die plek af met de nok van de daken rondom mij, van schuren en huis);

* de fruitbomen in de boomgaard (appels en peren en pruimen en ook vier kersenbomen, waarop we met de merels streden om de eerste blozende kersen);

* de vele elzen langs het water aan de oostkant, een muur tegen de noordenwind;

* de twee geweldige notelaren op een klein stukje gras waar het water rond  het huis een bocht maakte (in hun takken, die een klein Mariakapelletje schaduw gaven, maakten mijn broer en ik een manke boomhut van een oude trog waarlangs wij planken sloegen, maar vaker schommelden we op wat wel een perfecte schommel-in-de-luwte was);

* de grote scheve els aan de stenen brug waarlangs we het woonhuis binnenkwamen (hij overgroeide het ijzeren hekken en de stenen en het muurtje bijna tot aan de stallen);

* de seringenboom aan de maalderij, met zijn diepblauwe geurende bloemen;

* de vlieren waaruit wij proppenschieters sneden en boorden;

* de wilgen achter de grote open schuur, met daarachter de open vlakte van eindeloze velden zonder bomen (dit was een land bijna zonder bomen: ze waren er in die zware klei misschien nooit geweest, of ze waren na de verwoesting van de oorlog nooit meer willen terugkomen, of de lucht was te zwaar voor hen, enfin wie zal het zeggen, er was alleen een klein groepje bomen rond de bron midden in die velden, daar trokken wij ons drinkwater vandaan, een soort ondergrondse lag daar verborgen in al zijn geheimzinnigheid, en de bomen stonden er rond als wachters...);

* een bijna boomloze vlakte, ja, maar tegen het noordoosten gedrukt stonden in de verte, langs de weg naar de kust, drie kerktorenhoge olmen, met plukken takken, als een beeld dat het leven ook reusachtig kon zijn; ik heb ze maar in mijn jonge jaren gekend, ze moeten later gesneuveld zijn, met alle andere soortgenoten, aan de verwoestende olmenziekte die een bepaald soort kevers over Europa heeft verspreid, maar ik herinner me hun kolossaalheid als de dag van gisteren...

 

In de National Gallery van Canberra zien we, naast twee sierlijke vogels van Brancusi en een loden boek van Kiefer, een indrukwekkend werk van de Griek Janni Kounelis: een kruis met drie zijkruisen-zonder-armen in verpletterend zwaar staal, het middelste kruis draagt een overjas, de drie balken opzij, twee verticaal en een horizontaal, klemmen een broek vast, een jas en één verplettert van boven en van onder een schoen, de schoen van een mens... Kounelis, leren we uit de folder, is een vluchteling geweest.

 

IMG_5563.JPG

(foto's: eucalyptusbomen)

01-06-11

Ozzie snapshots

 

IMG_3469.JPG

 

Veelkleurige papegaaien en verblindend witte kakatoe’s, boomstammen van mannen in korte broek en werkschoenen, aziatische dunne meisjes, rode avondhemels en fel middaglicht, nasale klanken, luide stemmen, overgewicht, Canberra-ambtenaren in hun obligate kostuum met hun obligate badge als trotse medaille, de blote mooie huid van eucalyptusbomen, vriendelijke van leeftijd en ervaring wijs geworden vroedvrouwen, junkfoodstalletjes in foodcourts, arrogante magpie-vogels die je blijven aankijken en geen stap opzij zetten, kleine bungalows, pick-ups, fluo-hesjes voor werklui en chauffeurs, de exotische gezichten die je kunt bestuderen in de bus en die hun eigen leven meedragen...

 

IMG_2757.JPG

22-10-10

This green and pleasant land

 

IMG_4674.JPG

Rijdend door Engeland, op weg naar The Cotswolds, kwamen zinnen in mijn hoofd uit oude teksten: “this green and pleasant land”, “o’er the vales and hills”...

Zoals zo vaak bij flarden tekst wist ik niet direct meer waar ze vandaan kwamen, maar nu, eenmaal thuis, weet ik het weer: William Blake ziet in dat groene land, zo’n lust voor het oog, het nieuwe Jeruzalem;  en een andere William, Wordworth,  schrijft in zijn beroemde gedicht over daffodils dat hij “wandered, lonely as a cloud” over dat zinnelijke lichaam onder zijn voeten.

 

Maar de zinnen kwamen terug toen we eenmaal de Cotswolds binnenreden: bestaat er archetypischer Engels landschap? Wat is het, vroeg ik mij af, dat dit landschap zo blijvend vastzet in het geheugen en gemoed van zovelen, dat emigranten, zelfs naar woestijnlandschappen aan de andere kant van de wereld, het meenamen in hun herinnering en verbeelding en overal waar ze aanlandden, probeerden het te reconstrueren? Wat is dit beeld in mij, dat ik er elk jaar even naartoe lijk te moeten?

 

Zijn het de eeuwenoude loofbomen, soms in groepjes op de heuvelflanken, soms alleen in een weiland, soms midden op een dorpsplein, soms van over de hele wereldverzameld in een arboretum door een obsessionele verzamelaar? Die bomen die breed schaduw werpen, het zonlicht filteren, verbazen door hun stilzwijgend evenwicht, hun lichte zwaarte?

 

Zijn het die glooiende heuvels, dit onophoudelijke bijna lichamelijke bewegen van landschap, met half verborgen dorpen in de oksels, met kerktorens en een achtergrond van begroeide kammen, met straten die zich naar beneden kronkelen tot ze op een klein marktplein met mensen uitkomen, met straten in vaak dezelfde kleuren en vormen gegoten, met huizen die aan elkaar hun gebold glas lijken te lenen, en hun erkers, en hun kleine voordeuren?

 

Zijn het de mensen, soms zo ouwerwets aangekleed, soms zo overdeftig, met overgewicht of veel te lang opgeschoten, die niet vergeten je te groeten, alsof dat hier nog tot de overgeërfde traditie behoort, die makkelijk beginnen te praten, alsof dat hier nog tot de sociale verplichtingen behoort?

 

Zijn het de kerkhoven met hun verzakte stenen, met de taxusbomen die vaak nog ouder zijn dan de kerken, schaduw voor een heel huis en plaats voor twee voordeuren, met die warme stilte die in de open gehouden kerken hangt voor wie er aan wil voelen, met het altijd groene gras rond alles, ja waarom is dat gras in Engeland altijd zoveel groener dan elders?

 

Zijn het de weilanden met hun schapen en runderen, de muurtjes en oude heggen die hier overal de eigendommen opschrijven?  Als ik voorbij loop, zie ik de oude handen die ze gelegd en geplant hebben en als ik door de holle wegen loop, zie ik de eeuwen die hen hebben uitgehold.

 

Zijn het de public footpaths die het doen, het feit dat je door alles mag lopen, zelfs, zo lijkt het, door de eigendommen van de heer? Al doe je dat hier meer dan je beseft, door overgeërfd eigendom lopen, vaak zijn hele dorpen nog het bezit van één familie-afstammeling. Een Engelsman blijft voor mij toch een plattelander, iemand wiens droom een cottage in the countryside is. Niet toevallig lopen hier zoveel mensen met degelijke plattelandshonden rond (niet die rillende mormels waar dames met een bontjas een patent op lijken te hebben), niet toevallig rijden hier zoveel Range Rovers rond, niet toevallig is de meest typische Engelse kledij buitensport- en winterkledij (gebreide wollen truien, liefst van schapen die de winters van de noordelijke eilanden hebben overleefd; gewaxte jassen en petten - een Londener die we ontmoetten had er een aan met een poachers bag, zoals hij trots liet zien: twee ritsen op de rug open en voilà een holte waar een hele haas in kan...).

 

Maar misschien is het antwoord eenvoudiger, misschien ligt die blijvende charme van Engeland wel in de geschiedenis: het feit dat alles hier al eeuwen staat, onveranderd lijkt het wel, onaangetast lijkt het daarom ook. 

Is dat belangrijk, dat alles blijft? Ik kan me voorstellen dat de huisjes soms te klein zijn (niet iedereen heeft een mansion), ik kan me voorstellen dat de dorpen koud kunnen zijn in wintertime. En toch blijven ze leven, die dorpen, ze vervallen niet, mensen trekken niet massaal naar de stad, ze onderhouden hun countryside als een kunstwerk, je vraagt je af waar ze van leven. Maar er is iets dat groter is dan de heren uit Londen die besparingen dicteren alsof ze niet weten hoeveel een brood kost (wat ze inderdaad ook niet weten...). Er is iets dat groter is dan de waan van de dag. Dit land is hun eigenwaarde, en dit land zal hen beschermen...

 

Betekent dit dat ik zelf hier zou kunnen wonen? Nee, ik probeer de religieuze betekenis van dit land te begrijpen en te waarderen, die hogere waarde waarmee  levens hier worden onderstut. De kleine kerkjes mogen dan wel de katholieke beelden gebannen hebben, ze staan en hangen vol van nationalistische namen en levens. God is hier inderdaad een beetje (veel) vaderland. Het land mag dan wel elders vreemd tekeer gaan, zie Irak en Afghanistan, of tekeer gegaan zijn, zie Schotland en Ierland en de kolonies, maar binnen heerst een soort orde die bewaard moet blijven, en die zijn aantrekkelijkheid heeft voor een man die niet weet of hij geografische Vlaming is (geboren en getogen boven de Schelde, naast Brabanders en Limburgers), of Vlaming in de politieke zin die men er vandaag aan geeft (geleid door een Antwerpenaar), of Belg (Germaan met een wonderlijk Romaanse inborst) of Europeaan (dat “grotere Engeland”, dat ook van geschiedenis aaneen hangt) of wereldburger (met een zoon aan de andere kant van de wereld en zijn vriendin van Hongaars-Franse afkomst). Eigenlijk wil die man die ik ben, dat allemaal tegelijk zijn, en niets uitsluiten ten voordele van een of andere identiteit. Eigenlijk is die grotere identiteit misschien een even grote droom als de Engelse droom...

 

Daarom denk ik dat, in mijn geval, het antwoord al van in het begin duidelijk is: ik hou van de schoonheid van dit land. Die verrassingen die je ontmoet als je een hoek omslaat, een hoek van een dorp, een hoek van een landschap...

IMG_4752.JPG


14-08-10

Naar het oosten varen (8)

 

Berlijn juli 2010-42.JPG

6 Om de geschiedenis mooi vol te maken, hielden we nog vier dagen halt in Berlijn. In het Jüdische Museum krijg ik meer sporen te zien dan in de twee weken voordien: de getypte afscheidsbrief (letters dicht tegen elkaar) van het meisje dat, soms tot ver in de nacht, lijsten moest typen van wie de volgende dagen op transport ging; op het einde vraagt ze zich af hoeveel tijd ze zelf nog heeft,  schrijft ze hoe ziek en wanhopig ze is, en dan kan ik niet meer verder lezen want de ommekant is niet weergegeven; op de uitleg staat vermeld dat ze enkele dagen later vrijwillig meeging met de trein omdat ze haar vriend niet alleen wilde laten vertrekken; haar naam heb ik niet onthouden: het meisje van de lijsten... Er is ook de kleermaker met de naaimachine, bewaard door zijn werknemer, het oudere paar (80+) met de lege koffer met hun naam in, de dichter die zich een aangeschoten zwaluw noemt, de familie van de geëxposeerde kandelaars, teruggevonden op een foto, de vrouw van het ongeopende pakje, pas ontdekt in de erfenis van de werkster aan wie het werd toevertrouwd, de vrouw met de lederen briefhouder vol brieven, en de officële brief ernaast van haar vriend in de USA die 640 dollar had gestort voor een Cubavisum voor haar, de jonge vrouw die wel een visum kreeg maar haar moeder niet alleen achter wilde laten...

 

 

Kreuzberg brengt mij terug naar de jaren ’70, bijna een rock-and-roll stadsdeel.

 

Het Gemäldemuseum overweldigt met Bruegels Spreekwoorden, met Vermeers meisje dat haar parels in de spiegel bekijkt, met de ferme blik in je ogen van Rogier Van der Weydens vrouw, met Malle Babbe van Frans Hals, met Hendrickje van Rembrandt, met de piano spelende, extatische godin van Rubens, en zoveel meer.

 

Nefertiti: niet zozeer dat ze maar één oog heeft, maar dat haar hoofd naar links helt, haar wang aan die kant wat voller is (dikker), haar hals iets te lang (als een bloem op een steel) en haar ene schouder hoger dan de andere (van achteren gezien). Maar net die unieke onvolmaaktheid maakt haar volmaakt.

 

Ook het zien maakt haar volmaakt. Geen foto kan de indruk van echt leven weergeven. Nooit ervoer ik dit scherper dan bij deze vrouw.

Daarom moet een foto zijn eigen leven maken. Niet louter reproduceren, maar zelf een wonder worden van nieuw bestaan. Dan is het weer goed.

 

Het veld van betonstenen, waaruit het monument voor de vermoorde Joden is opgebouwd, roept in zijn massiviteit een massieve, onbeweeglijke dood op.

De steles doen denken aan de zuilen van de naburige Brandenburger Tor, symbolen nog van een machtsmaatschappij. Hier huldigen de honderden naamloze stenen geen idee maar de onzichtbaar achtergelaten individuele naamloze mensen. We zien ze, de individuen, in de ongelijkheid van de stenen, in hun meer of minder schuine stand, in het golven van de grond, in het late zonlicht dat er telkens weer andere, unieke lijnen op trekt.

En een laatste associatie die bij me opkomt: het grijs van de stenen doet denken aan het grijs van de asse, het beetje dat toch nog overblijft, en waarmee de nazi’s, door weer de massiviteit van hun vernietigen, nog flink wat verwerkingspoblemen hadden...

 

Berlijn juli 2010-38.JPG
Berlijn juli 2010-27.JPG