06-01-14

Onweer

20100402_1284.JPG

 

Het onweer komt aangerend vanuit het westen met een stampede van grijszwarte wolken. Ik zie ze pas als ik de verwaaide bliksems opmerk, en dan nog dacht ik eerst dat een lamp aan het doodgaan was, hetzelfde nerveuze trekken.

Maar het is echt rennen. Vanuit het grote westen halen handen snel en efficiënt een laken over de wereld, een donker doek, maar er blijft een vreemd licht achter branden, tot het grijszwart ivoorkleurig wordt, van een heel licht ivoor.

Wind vlaagt in korte hevige stoten, de vogels zijn de lucht uit, zie ik, en als er ene voorbij komt, is het laag door de straat, behalve die koppigaard die weer zijn zin moet doen en als een dweil over de daken flapt.

En dan de regen, nog feller dan de wind, tot er waaiers op de daken botsen, hevig in hun glooi, en dan niet meer, en dan weer. De bliksems nemen nu de hele hemel in, maar onscherp geworden door dat laken, alsof er een operarepetitie bezig is waar oningewijden niet welkom zijn.

En dan, dan zakt het geweld even vlug ineen als het gekomen is. Er zijn wolken zoals wolken om deze tijd van het jaar meestal zijn, een aquarel van donkergrijs dat onregelmatig opdroogt. Dan tikt de regen zoals regen meestal tikt, wat zenuwachtige vingers op het vensterraam.

Dan, waw, wat is dit verrassend, gaan spectaculaire spots aan in datzelfde westen, warm van geeloranje, alsof het gordijn toch open mocht, en we iets mogen zien van de opvoering erachter. Heel het westelijk halfrond baadt nu in overvloedig zonlicht, ik zie het slechts tegen een voorgrond van zwarte daken, en etsen van bomen, maar het is waw, jawel.

En dan, even vlug als de storm over ons liep, zakt ook dit te grote licht weg, tot een rand boven de huizen, tot bijna niets meer, een laatste fade out.

En dan staat overal tussen de huizen, zoals elke avond, het duister van de nacht.


(vrijdag 03.01)

20-12-13

Afwezigheid

IMG_8354.JPG


Aansluitend bij de vorige foto, dit citaat uit een gedicht van de Russische dichter Joseph Brodsky, banneling, Nobelprijs literatuur. Het citaat komt uit: Aan Urania.

Het vraagt wat scherpstellen van je blik, wat Brodsky hier zegt, maar dat moet de gemiddelde lezer(es) van deze blog wel makkelijk lukken, denk ik. Maar dan zie je het ook helemaal, vooral dat "in elk punt":

 

“De afwezigheid, in elk punt, van je lichaam –

wat kan ruimte eigenlijk anders zijn?”


Nog een citaat, nog sterker. Hier noemt Brodsky onze afwezigheid een kunstwerk, geboetseerd 'naar de natuur'. Prachtig intens is die toevoeging. Ik raak er niet op "uitgekeken".

Maar daar houdt het niet op. Als overal-waar-wij-niet-zijn (en dat is veel!, zeker als we die blijvende afwezigheid die de dood is, er bijnemen) een kunstwerk is, wat kunnen we dan anders doen dan daar zelf een eigen kunstwerk tegenover te stellen. Ook wij zijn meesters, en de afwezigheid van paniek in ons openbaart onze eigen schoonheid: ons meesteroog, onze meesterhand, ons oor en stem van maestro...

Kijk toch eens hoe wij beschilderd raken, wat een licht en diepte.
Luister eens hoe wij klinken, met de ongrijpbare diepte van oude instrumenten.
Voel toch eens hoe waarlijk-naar-de-natuur het marmer is van ons lichaam. En mogen wij niet spreken, soms, met volmaakte woorden?

 

“Want dit is wat men ‘meesterschap’ noemt:

 

een vermogen zonder paniek te leven

 

om het niet-zijn – het als een vorm te zien

 

van je afwezigheid, naar de natuur weergegeven.”

 

(uit: Op een expositie van Carel Willink, 1985)


 (foto: stadje Felletin, Limousin, Fr)

17-12-13

De muziek der sferen

IMG_4408.JPG

De muziek der sferen

Waarom een mens altijd die muziek rond zijn oren moet hebben? Watten van strijkers en slagwerk met zwachtels, in winkels, in straten, zelfs bij de tandarts, tussen het boren door? Muziek drijft in keukens en auto’s en cafés, of direct in mensenoren via kleine onopvallende kabeltjes, wordt meegenomen op de fiets, te voet, in bed en wie weet zelfs in bad.

Waarom toch die panische behoefte om alle ruimtes rondom op te vullen met muziek waar we vaak toch niet naar luisteren?

Het is dat de wereld groot is. Het is dat de wereld voor zichzelf geen betekenissen vent zoals een reclamespot, zoals een marktkramer op de markt, zoals een verkoper in de showroom. De wereld is er, in zijn overweldigende nabijheid en meervoud. Verdolen is makkelijk, als er zoveel straten zijn, als er zoveel mensen doorlopen. Dan helpt het wellicht als de ruimten rondom je minder van hoeken zijn maar van melodieën, als je ze herkent te midden van de veelheid, zelfs al ben je je van die veelheid niet bewust. Alsof je een hand krijgt van je moeder.

Maar een mens moet groot worden, want een moeder is sterfelijk, blijft niet. Doe eens uit die muziek en luister hoe buiten het raam, buiten je ogen een ruimte zich opspant: grijsgrauwblauwe lucht, als het grootste lichaam op aarde. En het geheim van haar zichtbaarheid: de lucht had ook dik kunnen zijn als mist. Maar nee, een grote verte, waarin alles zichtbaar mag zijn, bereikbaar voor je voet, voor je oog, voor je oor.

Er waait wind door, en wind is de aanraking van die grote lucht. Zacht met vingers die veel beschaving hebben geleerd, of hard als van ruwe werkhanden.

Voor bomen is de wind een danspartner. Nu mijn radio uit is, hoor ik de ritmes waarin ze zich samen storten. Het zijn ingewikkelde passen, een twee stoppen omkeren herhaling een twee.

Maar vooral: het is heel eigen muziek die ik hoor, en ze scherpt mijn oor voor alle andere muziek die de aanwezigheden rond mij maken. Daarnet liet een bruingroengeel kerselaarblad los van zijn tak. Dat moet een kort krakje hebben gegeven, dat moment van loslaten, afhaken, het verbreken van de band met de stam waaruit het kwam. Van vorig jaar zat het al klaar, met zoveel medebroeders, opende zich in de koude lente maar langzaam, steeds spitser, tot het uitvouwen kon beginnen, origami van de oude soort, maar in een kleur die totaal nieuw leek, pas ontdekt en op de markt gebracht. En al dit kleine bewegen moet zijn eigen muziek hebben gemaakt: het stuwen van de sappen in stam en tak en knop, het openvouwen van de blaadjes, het zich verspreiden van kleur tussen de nerven. En over die kleine muziek rolde de grotere van wind en regen, en knapperige vorst, en het wilde verdampen in de zomerhitte. En nu, ouder geworden, met een laatste trots in de kleuren, laat het los, dit blad, dit naamloze, en ik wou dat ik dit korte breken had gehoord. Of het onhoorbaar zachte schuifelen naar de grond. En dat ik daar, tussen de andere bladeren en de bedauwde graspollen, het zuchten kon horen van langzaam verdrinken, in het donkere van de grond, in het vocht dat zijn ruimwerk doet, in onzichtbaarheid. Hoe klinkt een blad dat vergaat...

Er is niets sentimenteels aan dit willen. Het gaat mij niet om de melancholie van het vergaan, het gaat mij om die kleine muziekjes, waarvoor ik als mens niet genoeg hoor. Het gaat mij ook een beetje om respect voor al wat bestaat. Per slot van rekening zal ik, straks, of liever nog na vele jaren, ook oplossen als dit blad, even naamloos in de oeverloze aanwezigheid, in die oeverloze tijd. Misschien dat iemand dan mijn muziekje wil beluisteren, mijn fluisterend verstillen, mijn krakje.

Maar dit blad moet mij ook helpen om de grotere beweging te begrijpen. Er zijn grotere ritmes bezig, van komen en verdwijnen, van kleur en onkleur, van licht en duisternis, van ophouden en herbeginnen. Grotere ritmes van willen, die elke kleine wil ondersteunen. Grotere ritmes van ophouden, die elk klein ophouden het moeilijke aanvaarden leren.

Die ritmes fascineren mij. Zulke grote kantelingen, en ze beginnen al bij elke cel die leven krijgt. Ze zijn niet alleen van kennis, maar ook van schoonheid. Ze zijn van verwondering, en daarom ook van lofprijzing. Lofprijzing zoals de verliefde, die wil aanraken wat hij zo diep al van binnen voelt. Lofprijzing zoals de wandelaar, die stil staat en zijn hoofd in de ruimte steekt boven hem. Lofprijzing zoals het kind dat geaaid wordt, met glimlach en ernst tegelijk. Lofprijzing zoals de stervende die niet alleen gelaten wordt als zij oplost, wegvloeit, vervliegt in de leegte, zodat de leegte nooit meer leeg kan zijn, en aanwezigheid alleen maar groter wordt.

Soms denk ik dan aan de muziek der sferen, dat prachtige antieke wereldbeeld, waarin de maan en planeten en de sterren in immense cirkels rond elkaar draaien en hun onhoorbare muziek neuriën. Dat is een passend beeld om te beschrijven wat een kleine mens voelt als hij in de diepten staart: er is een grootheid die ons overstijgt, we kunnen haar niet aanraken noch begrijpen, maar we kunnen wel intens luisteren hoe haar zwijgen klinkt als muziek...

Ik heb als kind veel in luchten gestaard: zomerhemels die bijna scheurden van licht; luchten waarin stormlegers voorbijtrokken en soms slag voerden voor mijn kleine ogen en opgetrokken schouders, ergens onder een afdakje; nachten van velours, van een zwart dat diep en toch dichtbij leek, en waarin de melkweg een streep trok als tekening van een meesterhand (we leven niet meer in echte donkerte, en zien dus die melkweg ook niet meer, een mens moet ervoor op reis, en dan nog niet gelijk waar).

Dacht ik als kind toen aan muziek? Nee, een kind is zelf een grote lege sfeer, ruimte die eindeloos kan vollopen. Maar dat staren herinner ik mij, dat tijdloos kijken, als bij een ontmoeting die je ‘meeneemt’. (En ik hoorde wel de pijnlijke muziek die al dat misverstaan tussen mijn oude ouders maakte... Ook in mensen openbaart zich soms een eindeloosheid...)

Ik heb mijn radio uitgezet. Ik probeer weer te luisteren met dat kind in mij, of iets ons wil meenemen. De wind is zwijgzaam vandaag, maar er komt een merel op een tak voor mijn raam zitten. Hij is zo zwart als zwart kan zijn, alsof iemand vlugvlug een vogelomtrek uit de werkelijkheid heeft geknipt, een zwart gat openbarend. Hij is van het bedachtzame soort, zie ik, als hij rondkijkt doet hij dat zelfbewust en traag, niet zenuwachtig als die opgefokte brommertjes van mezen. Een intensiteit van zwart, waar een intensiteit van geel in zit, als dat ene vlekje kleur waar de schilder lang op heeft gebroed. En dan wipt zijn staart en vloeit in de lege plek die hij achterlaat de dag weer terug. Het gebeurt allemaal zo vanzelf, en toch had ik het graag vertraagd, om te kunnen horen hoe dat dan klinken mag...

 
29/11/2013

 

05-10-12

Beweging, beweging

IMG_5606-1.JPG

 

 

De takken van de bomen rond mijn huis staan nooit stil. Zelfs in het meest windverlaten moment zie ik beweging: een lichte huiver, een eenzaam blad dat zich de voorbije dag herinnert en spastisch natrekt, de spanning in de langste en dunste takken rechtop te moeten blijven. 

Maar in een normale dag is het toch wel biezonder dat zoveel beweging door een boom wil stromen. Nooit gerust is hij, altijd aangeraakt door een onzichtbare maar krachtige aanwezigheid.

De grote takken houden er (door hun ervaring?) nog een soort structuur in: zwiepend van de ene kant is terugkeren naar de andere, buigen is weer rechtkomen. En ze werken vanuit een soort solidariteit, laten elkaar niet los, bewegen zoveel mogelijk samen. 

Maar die kleine blaadjes, ze rillen alle kanten uit, ze schokken en ondergaan het geweld zoals het komt. Er is een vuistje dat hen vasthoudt, dat is hun sterkte. En ze bedanken met alle licht dat ze vangen, tot aan de rand volgelopen. 

Een mens kijkt er niet meer van op, van takken die bewegen. Hoewel het toch opmerkenswaardig is en blijft: wezens zo groot als een huis bewegen constant, terwijl een huis nooit beweegt (tenzij als de aarde beeft). En de straat geen centimeter verschuift, hoogstens wat krimpt onder het geweld van al die autobanden.

Misschien is er meer dat constant beweegt zonder dat wij het zien. Kleren hebben wel iets van takken, ze zijn ook opgetrokken rond een grote stam. Misschien dat, als we beter leren kijken, we de rimpelingen zullen zien in de kleren die mensen dragen, de golven van wind en beweging in broeken en rokken. Misschien voelen onze schoenen wel het draaien van de aardbol, wie weet, zulke gevoelige wezens als schoenen zijn.

Maar dan, van beweging gesproken, die gezichten en handen van de mensen. Nooit zonder beweging, en even opmerkenswaardig. Niet dat er zenuwtrekken door moeten schieten. Niet dat ik het alleen over de gelaatsexpressie heb, hoe kunstig die soms ook is.

Ik heb het over dat zachte trillen van een hoofd. Ik heb het over dat zachte beven van een hand. Ik heb het over het zakken van huid die ouder wordt. Ik heb het over ogen die geen rust kennen. Ik heb het over haar dat wiegt. Over een hand die de andere hand zoekt. Over twee handen die samen wrijven over een gezicht. Het zijn naamloze bewegingen, even naamloos als het slaan van wind in een boom. Maar soms zie je er iets van, onverwacht dichtbij, en dan wil je wel dichtbij blijven en kijken. Of hoe noem je dat gevoel dat zich spontaan teruggeeft. En soort mededogen met wie wij mensen zijn? Ook dat zal wel een grotere beweging zijn in ons. Ook eentje dat nooit stil staat.


IMG_2680-1.JPG

 

03-10-12

Regen

Nog eentje uit mijn schetsboek...

IMG_5634.JPG

 

Het regent. 

Dat moet zo, want ome herfst wil dat. 

Regen is voor ome herfst meer dan een bevriend schilder (die van plassen in het wegdek spiegels maakt, met een zwart-wit filmpje in, en de druppels op het raam een buikje geeft van licht, een beetje zoals Van Eyck en co dat deden met juwelen). 

Regen is voor ome herfst ook zijn couturier. Die langskomt met hele lappen geweldige stoffen, vol diepe kleuren, helemaal passend bij zijn seniorenstaat. Pelsen van het zachtste groene gras, tule en velours van wolken, en een streng ingetogen soort stof-zonder-naam, dat je in de muren en de bomen ziet, net goed voor de stille dagen van october. 

En straks nog een raar soort wildheid voor zijn leeftijd, als alle bladeren gaan verkleuren met nuances uit de beste schildersopleiding. Wild ook, omdat ze niet bewaard worden, maar zomaar weggegooid, decadentie die enkel richies zich kunnen permitteren...

Misschien, als ik aan die wildheid denk, is ome herfst geen man, maar een oudgeworden courtisane, een New Yorkse modejournaliste, die van zich op- en verkleden een levenshouding heeft gemaakt, een trager geworden ballerina, maar die nog haar scherpe trekken en fijne motoriek heeft bewaard, en ook in vodden nog zou opvallen.

Misschien zijn er wel legio herfsten, de een al precieuzer en rijker dan de andere.

Ik zal straks eens goed toekijken.

 

01-10-12

Metro-ingang

IMG_3172.JPG

 

 

De ingang van de metro is een ruimte met twee winkels, een loket en een toilet, en twee trappen naar de treinen beneden, alles in blanke geglazuurde stenen, met een schijn van proper vroeger over zich. 

Er zit een oude man, met strohoed en pak en das, viool te spelen. Vaak vals, maar de zigeunerdeuntjes die iedereen blijkbaar kent, lokken regelmatig centen. Soms zijn er mensen die kort meezingen of –dansen, en dan komt een lach op hun gezicht. Maar ze blijven niet lang, iedereen is hier passant. De oude man kijkt rond terwijl hij speelt, een beetje zoals ik rondkijk en nieuwsgierig ben. Een man met een geschiedenis, die nog niet genoeg gezien heeft...

Recht tegenover hem, naast het loket waar tickets voor de treinen worden gekocht, zit op een dik tapijtje een man te bedelen. Rood ongeschoren gezicht, hij beweegt niet, vraagt niet, zit onbeweeglijk daar zichzelf te zijn. Ik zie, in de tijd dat ik daar wacht, niemand iets geven. Hoe ontoegankelijk is op de grond zitten? Tussen op de grond zitten of op een stoel bevinden zich wellicht vele lagen beschaving, wellicht jaagt zijn primair overleven ons angst aan. Ik weet het niet, ik zie alleen dat klokslag zes hij opstaat, zijn geld bekijkt in zijn hand, aan een van de winkeltjes een flesje drank koopt en in de verste hoek van het metrogebouw gaat liggen om te slapen. De oude met de strohoed is ondertussen opgehouden maar speelt nu weer door. 

Wie ik verder nog zie: de jonge vrouw in de eerste winkel, die nooit lacht tegen haar klanten en merkt dat ik naar haar kijk; de lange jongen in de rolstoel, geduwd door een meisje en bij hen een zacht kwispelende hond, de overgave zelve; het jonge koppeltje dat blijkbaar een paar verzoeknummers had, maar nu naar de trein moet en iets in het bakje van de oude legt; de werkman in verfspattenbroek die van de trein naar boven komt en een lang blik bier koopt om mee naar huis te gaan; de twee kwetterende vriendinnen, gelijk van lengte en blote schouders en stemvolume... Allemaal levens die ik nooit zal kennen of zelfs maar terugzien...  

 

(metro-ingang bij Margitbrug, Budapest, schetsboek)

(foto is uit de straten van Barcelona, niet van Budapest; had mijn camera niet bij toen)

 

26-09-12

Een ander soort stilte

IMG_5398.JPG

 

De zus van een vriendin is gestorven. 

Zo’n boodschap laat altijd een ander soort stilte vallen, je ziet het op de gezichten van wie het plots te horen krijgen, ze hangt er ook letterlijk, ik voel ze in mij. Tot er iemand zucht, of zich afvraagt hoe het nu verder moet, of gewoon even het hoofd schudt. 

Misschien gebeurt dat wel altijd, als we tegen de onomkeerbaarheid van het verleden aanbotsen. Misschien dat we dan altijd even stil worden. Het is ook zo groot. Stil worden van de onmogelijkheid om dat definitieve te grijpen. Eerder nog, denk ik, dan een angst voor het moment dat we zelf onomkeerbaar zullen verdwijnen.

Of moet ik het anders zien? Is die stilte een spontaan gebaar van delen in de grote stilte die zich nu in de dode voltrekt? Of een spontane solidariteit met de leegte in wie achterblijft? Een vanzelf(sprekend) naast de schouder gaan staan van de treurende, omdat woorden dan zo moeilijk zijn, en eenvoudige aanwezigheid toch dat is waar elke mens ooit mee begon? 

Dan is die stilte én al een klein ritueel voor de dode, én al een klein ritueel voor de levende. Stilte om de grote stilte niet te verwensen maar iets naderbij te komen, en stille aanwezigheid om het grote leven niet alleen te laten...

Goed, het leven herneemt haar rechten, laadt in en laadt uit, koopt en verkoopt, en de zon trekt door de dag. Daarom is het goed dat die eerste, kleine stilte herhaald wordt, in een afscheid die naam waardig, in kerk of crematorium.

Maar wie met de liefde voor de dode afwezige achterblijft, zal nog vele dagen en jaren die stilte in zich voelen. Soms wegen. Soms kerven. Tot ze zachter wordt. Een zachte, dierbare klank, uit een oneindige verte. 

 

24-09-12

Tussentijd

IMG_5480.JPG

 

 

Tussen twee bewegingen door is altijd een vreemd soort leegte: de zon schijnt als in volle zomer, maar de regenkou hangt al in de lucht, het bruin sijpelt in de bladeren, de lucht zelf lijkt wel dunner en je neus wordt soms koud.

Zoals uitgepraat zijn bij je vrienden. Er valt een stilte die niet onprettig is, zoals ze anders bij gaten in gesprekken wel kan zijn. Maar nu niet, er is veel gezegd, en dat neemt niemand ons af, we zullen het verteren, ook in stilte, en er van leven.

Of de avond die voor je ogen dichtgroeit. Er was een tijd dat ik daar melancholisch van werd, van dat naar binnen keren van mensen, huizen, geluiden, bewegingen. Nu luister ik in de leegte naar de merel die zingt, naar een keelgat waardoor veel klank passeert. Mocht er een mens in deze koelte zingen, luidop in deze wassende koelte, ik bleef nog langer luisteren, allicht zelfs ontroerd. Maar ja, mensen smeren nu boterhammen en strijken nog vlug een was of kijken het huiswerk na of wachten alleen in een kamer op iemand die niet komt. Ze dragen zoveel mee op hun rug, de mensen, we moeten het hen vergeven. Een merel bezit niets en zingt toch voor alles.

 
 
(foto uit mijn tuin van enkele weken geleden, met mijn nieuwe-tweedehandse macrolens. Om beter te zien hoe groot het kleine is. En alle tussenlucht...)

22-09-12

Seizoenenman

IMG_5477-001.JPG

 

Een ritme als van seizoenen, dat past een mens. Niet die vreselijk zenuwachtige hond van een dag, die aan je trekt om maar rapper te stappen, en dan weer onverklaarbaar achterblijft om te ruiken aan iets dat je niet aangaat, maar hem wel. 

Een horloge om seizoenen te meten, dat zouden we moeten dragen. Zien dat we straks weer gaan bloeien, zien dat het weer tijd is om te oogsten, vruchten rijp in de hand. Zien op onze seizoenenwijzer dat het tijd is om weg te bergen, en misschien zelfs om helemaal op te krullen en te rusten zoals nooit tevoren. Tot de wijzer, als vanzelf, weer op openspringen staat, de knoppen zitten trouwens al maanden te wachten. 

Want zo zijn die seizoenen, ze bergen alles in zich: in de lente is er nog de kou van de winter, na de bloei is er al verval te zien, de glans is minder en verdord is ook al dood. En in de winter staan overal de botten gereed op de takken, misschien wel ronkend in hun motortje, al kunnen wij het niet horen.

Meer dan toen ik nog elke dag naar mijn maatschappelijke plicht trok, irriteren mij nu die korte uren, die vlekken van dagen. Misschien omdat ik toen kon begrijpen dat om samen te werken, zo’n uur-werk handig was: niet te lang, niet te kort, netjes na elkaar, keurig afgescheiden, en zo voorts.

Maar zelf, als levend wezen, ben ik eigenlijk meer van het wiegen van de seizoenen: langzaam een beetje op, langzaam een beetje neer, nieuwsgierig kijkend naar wat nu weer wil leven in mij, geduld lerend om te verdragen wat nu weer weg wil gaan...

 

31-08-12

Tijd (2)

IMG_5508.JPG

 

 

In de voorbije weekendkrant (DM) interview met Joke Hermssen, schrijfster-filosofe van boven de Moerdijk. Behartenswaardige dingen over tijd, zegt ze. Niet zozeer dat ze nieuw zijn, maar het is de strijdbaarheid waarmee ze die dingen zegt. 

Dat we veel te veel horlogetijd (kloktijd, zegt ze) hebben, nog meer nu we constant online zitten, gaan zoeken waar de anderen gebleven zijn. Dat we daarentegen veel en veel te weinig innerlijke tijd hebben. Dat we daar onnozel van worden. Dat ze mensen wil laten betalen om in Frankrijk, in haar huizeke, een retraite te houden zonder enig sociaal medium, om af te kicken. (In dezelfde krant zegt ene Paul Verhaeghe krak hetzelfde. ’t Zal in de lucht hangen.)

Maar dan lees ik dat ze beweert dat het verleden voor ons ligt, en de toekomst achter ons. En ze bewijst dat doordat we zo duidelijk het net voorbije en ook nog het wat langere verleden voor onze ogen kunnen houden. 

Maar het beeld klopt niet. We lopen wel degelijk de toekomst tegemoet, maar dan met onze rug, achterwaarts. Vandaar twee dingen: dat we inderdaad het verleden nog duidelijk kunnen zien, zelfs van soms lang geleden; en dat we, wegens onze onbeschermde rug en onze handen aan de verkeerde kant en onze wankelmoedige stappen achteruit, een gevoel van angst, op z’n minst van onzekerheid hebben over die toekomst-die-we-niet-kunnen-zien. Wij die op café toch het liefst met onze rug tegen een muur zitten, wij moeten het grootste wat er is, de toekomstige tijd, in al zijn onbekendheid op ons af laten komen. Ik begrijp dat soms een lichte paniek in onze blik schiet. Het verleden zou het kunnen zien. Maar het verleden kan ons niet meer ter hulp komen. 

Eurydike, op weg naar een mogelijke nieuwe toekomst, moest wel achter de rug van haar geliefde blijven, iets anders was niet mogelijk. En toen hij omkeek, keek hij haar meteen terug in dat verleden. Met zijn ogen zo vol van dat verleden, ze hadden nooit iets anders gezien...

 
(beelden Tjech Michal Gabriel, Beaufort 4, in De Panne)